Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Toen de voorzitter van de jury, na nauwelijks een halfuur beraadslaging, samen met de andere gezwo­

Dovnload 41.76 Kb.

Toen de voorzitter van de jury, na nauwelijks een halfuur beraadslaging, samen met de andere gezwo­



Datum09.12.2018
Grootte41.76 Kb.

Dovnload 41.76 Kb.

HOOFDSTUK l

(1e hoofdstuk uit Afrodite )

Toen de voorzitter van de jury, na nauwelijks een halfuur beraadslaging, samen met de andere gezwo­renen terug in de gerechtszaal verscheen, werd het publiek muisstil, maar toen hij met heldere stem en zonder enige aarzeling verklaarde, dat de voltallige jury de beklaagde eensgezind schuldig had be­tonden aan roofmoord met voorbedachten rade op een weerloos slachtoffer, brak er spontaan applaus los.

De andere vragen, o.m. of er wellicht sprake was van onvrijwillige doodslag, eutanasie of een opwel­ling tot doden waaraan de betichte niet had kunnen weerstaan, hoefden derhalve niet meer te worden beantwoord.

De beklaagde, die zelfs tot ergernis van zijn eigen advokaat in de loop van het proces voortdurend notities maakte van wat gezegd werd, hield even op met schrijven. Het feit dat de rechters niet reageerden tegen het al te luidruchtige entoesiasme van de vele aanwezigen verbaasde hem in hoge mate en hij keek hen dan ook vragend aan. Allhoewel de wat naïeve arrogantie van de beklaagde hem reeds herhaaldelijk had ontstemd, ging de voor­zitter van de rechtbank in op deze wenk en hamerde tot driemaal toe om stilte. Toen de zaal eindelijk tot rust was gekomen, vroeg hij of de beschuldigde, die zich inmiddels reeds een terdoodveroordeelde wist, nog iets te zeggen had. Deze knikte, ging wat moeizaam rechtop staan, scheurde bedachtzaam een geschreven blad uit zijn blocnote en overhandigde dit aan zijn verdediger met het duidelijke gebaar dit te willen voorlezen.

De advokaat, die dit niet had voorzien, keek enigs­zins geschrokken. Iets dergelijks had hij in zijn nochtans lange loopbaan als lid van de balie nog nooit meegemaakt. Terwijl hij met aarzelende ogen het geschrevene voorafgaandelijk nog even probeerde door te nemen - het was niet de eerste verrassing die zijn kliënt hem bezorgde - begon hij alvast met te vragen, dat de rechtbank zijn mandant zou willen verontschuldigen voor zijn zwijgzaamheid op dit ul­tieme moment, want, zoals men wel wist, was het hem tengevolge van de keeloperatie die hij voor en­kele maanden had ondergaan, bijna onmogelijk persoonlijk een mondelinge verklaring af te leggen. De rechtbank had hieromtrent trouwens op verzoek van de ietwat achterdochtige jury een medisch attest gevraagd en gekregen. Als verdediger van een oraal gehandicapte was het dus praktisch gezien zijn plicht de wat ongewone wens van zijn kliënt te respekteren en dit schrijven in diens naam voor te lezen. De advokaat vroeg tevens begrip voor het feit, dat de tekst in kwestie nogal uitvoerig was. Het gelieve de rechtbank te willen begrijpen, dat het niet-kunnen-spreken onvermijdelijk het schrijven bevordert.

Het quarto vel papier was - tot enig ongenoegen van de advokaat zelf - inderdaad aan beide zijden keurig volgeschreven en de inhoud ervan illustreerde, dat de veroordeelde koppig vasthield aan zijn on­schuld en dus ondubbelzinnig een gerechtelijke dwa­ling insinueerde. Met het oog op de toekomst, meer bepaald met het oog op een vervroegde vrij­lating, zou een eenvoudige schuldbekentenis of een duidelijk teken van berouw ongetwijfeld meer oppor­tuun zijn geweest. Maar deze goede raad van zijn verdediger had de betichte weggewuifd met de be­denking, dat hij nog slechts enkele maanden, hooguit een tweetal jaren te leven had. Om diezelfde reden en tevens omdat hij alleen was op de wereld - ner­gens ter wereld was er een thuis waar zijn afwezig­heid werd opgemerkt - had hij nog vooraleer het vonnis werd uitgesproken, geweigerd in beroep te zullen gaan. Het leven in de cel schrikte hem trou­wens niet af. Integendeel. Daar zou hij rustig de kans krijgen de gebeurtenissen die hem waren over­komen eens nauwkeurig te overdenken; het merk­waardig samenvallen van droom en werkelijkheid tot in de kleinste details te onderzoeken. De woorden­stroom van de gerechtelijke ambtenaren, de advokaten en de getuigen had de bewijzenlast tegen hem zo onverwacht en indrukwekkend opgestapeld, dat hij soms zelf aan zijn onschuld begon te twijfelen. Dit alles overdacht de beklaagde, terwijl zijn advokaat nogmaals uitvoerig de keel schraapte en met de lektuur begon:

'Geachte dames en heren van de jury,



Wat ook het oordeel moge zijn, dat u over mij zult geveld hebben, ik zal het zonder gevoelens van wrok te uwen opzichte aanvaarden. Naarmate het proces vorderde, werd het mij steeds duidelijker dat ik hoe dan ook ter dood zou worden veroordeeld. Zoals in de kranten werd geschreven, zou het weer­zinwekkende monster dat op een geraffineerde en koelbloedige wijze een doodzieke vrouw had vermoord, beslist zijn gerechte straf niet ontlopen.

Alle feiten en feitjes, die de voortijdige en on­verklaarbare dood van Ellen Wynbergher hebben om­kaderd, waren van die aard, dat ze door de grillige samenloop van allerlei omstandigheden steeds tegen mij konden uitgelegd worden. Dit verbaasde mij minder en minder, naarmate ik de hete haat van het op sensatie beluste publiek steeds feller in de nek voelde. De zaal vroeg en kreeg het gewenste spektakel, want ook de vele getuigenissen evolueer­den steeds in mijn nadeel, of konden althans in die zin worden uitgelegd door de openbare aanklager, die reeds voor de aanvang van dit proces van mijn schuld overtuigd was. Nochtans moet minstens één van deze getuigenissen leugenachtig zijn geweest, ook al was ik zelf - laat staan mijn advokaat - niet in staat de leugenachtigheid ervan te identificeren. Voor u allen, als buitenstaanders, zal het dus ook wel onmogelijk zijn geweest om de ware toedracht van de ganse zaak te achterhalen, vooral omdat de meeste getuigen - zoniet alle? - inderdaad op een of andere manier, geheel of gedeeltelijk, de waarheid hebben gesproken. Maar de wijze van voorstellen, het selektief en onvolledig karakter van vra­gen en antwoorden heeft een vertekend beeld opgehangen van de gebeurtenissen; ook de interpretatie ervan liet naar mijn bescheiden mening veel te wen­sen over. Vooral de demagogische welsprekendheid van de prokureur des Konings, die trouwens meer­maals door de entoesiaste reakties van de toeschou­wers in de zaal werd aangemoedigd, was in tegen­spraak met de fundamentele sereniteit die men van een magistraat zou mogen verwachten.



Daarenboven moet men bedenken, dat ik door het letsel aan mijn stembanden niet bij machte was op het passende moment mondeling en vlug te reageren op sommige uitspraken. De schriftelijke reakties terzake, die ik steeds met een onvermijdelijke vertraging aan mijn advokaat bezorgde, kwamen steeds als vijgen na pasen.

Deze toestand had tot gevolg, dat de afloop van het proces mij na een tijdje totaal onverschillig liet en dat ik de hortende taalklanken, die mij na mijn operatie nog waren overgebleven, niet wenste te gebruiken om de tribune te amuseren. Soms voel­de ik mij als een schorre papegaai, die voor het plezier van het nieuwsgierige publiek door de rechtbank werd aangepord om enkele potsierlijk uitgespro­ken woorden ten beste te geven.



Derhalve heb ik dikwijls gezwegen op ogenblikken dat ik beter, hoe gebrekkig ook, had gesproken. Mijn stilzwijgendheid werd geïnterpreteerd als een vorm van kriminele hoogmoed en tevens als een schuldbekentenis, vooral door de persmedia die mij steeds opnieuw hebben afgeschilderd als een koele moordenaar.

Ook al wil ik samen met u het overlijden van mevrouw Wynbergher betreuren - de dood van om het even welk levend wezen kan immers niemand onverschillig laten - toch moet ik eerlijkheidshalve bekennen, dat zowel haar leven als haar overlijden in mijn hart geen noemenswaardig spoor hebben na­gelaten. Indien (hier aarzelde de lezende advokaat even en keek zijn kliënt vragend aan), indien ik haar werkelijk zou hebben gedood, zou ik dus wel­licht een berouwloos moordenaar zijn geweest.

Afgezien van dit gebrek aan reële, persoonlijke emoties blijft het uiteraard duidelijk, dat - in het kader van dit proces - het overlijden van mevrouw Wynbergher praktisch gezien een verregaande weer­slag had en heeft op mijn leven. Het feit dat u mij ten onrechte als haar moordenaar zult veroorde­len, betekent immers dat ik de weinige maanden die mij nog resten in de gevangenis zal doorbrengen, want zoals u weet wordt in dit beschaafde land de doodstraf automatisch in levenslang omgezet. Hiervan wil ik als het ware dankbaar gebruik maken om, via het geschreven woord, mijn onschuld te bewij­zen. Ik wil vooral proberen om de ontbrekende scha­kel te vinden, die dit ganse proces en ook uw per­soonlijk oordeel, geachte dames en heren van de ju­ry, een totaal andere wending had kunnen geven. Indien men deze ontbrekende schakel had kunnen vinden, kon ik op dit moment deze gerechtszaal on­getwijfeld als een vrij man verlaten. Het feit dat dit niet mogelijk zal zijn, heeft, niettegenstaande mijn schijnbare onverschilligheid, toch in hoge mate mijn nieuwsgierigheid gewekt. Hoe kan immers de totale tegenstelling worden verklaard tussen mijn eigen ervaringen - ben ik niet de énige geweest die de laatste ogenblikken van mevrouw Wynbergher daadwerkelijk heeft bijgewoond? - en de voorstelling van de feiten, zoals deze hier tijdens de terechtzit­ting werd naar voor gebracht. Aan de hand van wat ik zelf heb beleefd en op basis van de vele aanteke­ningen die ik hier tijdens het proces heb gemaakt - iets wat mij door velen als een grove vorm van hoogmoed werd kwalijk genomen - wil ik de volledi­ge waarheid achterhalen, zowel voor mezelf als voor u, geachte leden van de jury. Ik kan alleen maar hopen dat u later, wanneer mijn verslag terza­ke zal zijn klaargekomen, de kans zal krijgen dit verslag ook werkelijk te lezen. Indien daaruit zou blijken, dat ik inderdaad onschuldig ben, hoeft u -wat mij betreft - geen gevoelens van wroeging te koesteren. De schuld ligt immers niet bij u, dames en heren van de jury, maar wel bij het systeem van een hof van assisen, dat steeds een kansspel is geweest, waarbij de gezworenen slechts als toeval­lige pionnen worden misbruikt door de welsprekend­heid van de advokaten en de publieke behaagzucht van het openbaar ministerie.'

Met een bijna hoorbare zucht van verlichting beëin­digde de advokaat de voorlezing van het stuk, dat hem door zijn kliënt zo totaal onverwacht in de hand werd gestopt. De juryleden schoven nerveus heen en weer op hun stoel en keken elkaar onzeker aan. Het publiek liet mompelend zijn afkeuring blij­ken. Een hysterische stem achteraan in de zaal riep herhaaldelijk awoerd. De joernalisten glimlachten entoesiast en voegden nog vlug enkele krasse woorden aan hun reeds rijkelijk gestoffeerd verslag toe. De rechters-assessoren voelden zich geërgerd en maakten reeds aanstalten om hun plaats te verlaten. Een griffier informeerde voorzichtig, of hij een afschrift van de brief kon krijgen. De voorzitter hamerde. De agenten hielden de handboeien klaar.



Kort daarop werd de beschuldigde, op basis van de uitspraak van de jury, inderdaad ter dood veroor­deeld.

Toen hij tussen twee agenten het gerechtsgebouw verliet, spuwde een zwartharige, jonge vrouw met platte, ver uit elkaar staande bruine ogen hem mid­den in het gezicht. Nauwelijks verrast keek hij haar aan en herkende een van de verpleegsters van het Akademisch Ziekenhuis, die een vernietigende getui­genis tegen hem had afgelegd. Aangezien hij geboeid was, kon hij haar spuug slechts met moeite en slechts gedeeltelijk van zijn gezicht verwijderen. Ook haar blik vol haat en verachting kon hij niet uit zijn geheugen wissen. Het waren de laatste her­inneringen aan de vrije buitenwereld die hij mee naar binnen nam, toen de poort van de gevangenis achter hem dichtviel.


Dovnload 41.76 Kb.