Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Tweede graad leerplan secundair onderwijs vvkso brussel d

Dovnload 459.76 Kb.

Tweede graad leerplan secundair onderwijs vvkso brussel d



Pagina1/7
Datum28.10.2017
Grootte459.76 Kb.

Dovnload 459.76 Kb.
  1   2   3   4   5   6   7




Vlaams Verbond van het Katholiek Secundair Onderwijs

Guimardstraat 1, 1040 Brussel






grieks  Latijn
TWEEDE GRAAD




LEERPLAN SECUNDAIR ONDERWIJS

VVKSO - BRUSSEL D/2013/7841/002



(vervangt het leerplan D/2006/0279/003 vanaf 1 september 2013)

Algemene inhoud

ALGEMEEN DEEL

GRIEKS

LATIJN







grieks  latijn
TWEEDE graad
ALGEMEEN DEEL

Inhoud



  1. INLEIDING

    1. Situering

Voor u ligt het leerplan klassieke talen voor de tweede graad van het algemeen secundair onderwijs. Dit leerplan omvat:

  • het leerplan Grieks voor de studierichtingen Grieks en Grieks-Latijn;

  • het leerplan Latijn voor de studierichtingen Grieks-Latijn en Latijn.

Het zijn leerplannen van vier lestijden voor de studierichting Grieks-Latijn en van vijf lestijden voor de studierichtingen Grieks en Latijn (zie website van het VVKSO bij lessentabellen).

Dit leerplan treedt progressief in werking vanaf september 2013. Het sluit aan bij de gewijzigde syntactische benadering van Latijn en Grieks zoals die werd opgestart en toegelicht in het leerplan van de eerste graad.

De leerplanmakers benadrukken dat het essentieel is om vooraf het leerplan van de eerste graad door te nemen om de continuïteit tussen de leerplannen over de graden heen te waarborgen en om het voorliggende leerplan correct te interpreteren. Naast de vermelde didactische uitgangspunten van dat leerplan eerste graad, hebben we voor de tweede graad een aantal vernieuwende stimulansen toegevoegd o.a. op het vlak van differentiatie. Andere praktische gegevens en tips werden gereserveerd voor het servicegedeelte.

Daarenboven presenteren we onze vakken als een hedendaags vormingsmiddel voor jonge mensen en als complementair met andere vakken zoals moderne (vreemde) talen.



De leerplancommissies beseffen dat de invoering van deze leerplannen een voortgezette wijziging van het onderricht klassieke talen met zich meebrengt. Zij vertrouwen erop dat de leraren de kans grijpen om de einddoelen samen te realiseren over de graden heen.

    1. Betekenis van de studie van klassieke talen voor jongeren vandaag

Scholen en leraren kunnen de tekst gebruiken om ouders en leerlingen te informeren en te motiveren bij hun keuze voor de studie van een of twee klassieke talen.

      1. Klassieke oudheid als kader van de studie van de klassieke talen

  • Het kader waarbinnen gewerkt wordt, is de klassieke oudheid. Door de studie van Grieks en/of Latijn verwerven de leerlingen inzicht in taal en letterkunde, kunst en cultuur, maatschappij en mentaliteit van de antieke beschaving.

  • De studie van Grieks en/of Latijn draagt bij tot de vorming van historisch bewustzijn: het besef dat sommige dingen zijn gebleven en andere zijn gewijzigd. De klassieke oudheid komt op de leerlingen terzelfder tijd vertrouwd en vreemd over. De confrontatie met wat anders en onverwacht is, verruimt hun horizon en prikkelt hen om een standpunt in te nemen.

Door aandacht te besteden aan de manier waarop Grieken en Romeinen dachten, voelden en handelden, kunnen leerlingen hun eigen 'vanzelfsprekende' opvattingen, gevoelens en gedragingen in vraag stellen.

  • De studie van Grieks en/of Latijn is een oefening in kritisch denken. Zij stimuleert de leerlingen tot een kritische houding en voedt hen op tot weerbaarheid tegenover datgene wat vanuit de maatschappij op hen afkomt.

  • De studie van het Grieks-Romeins verleden confronteert de leerlingen met de wortels vande Europese context waarin ze leven. De Europese beschaving is vol reminiscenties aan de Grieks-Romeinse cultuur. Daarmee kennismaken kan bijdragen tot een groter samenhorigheidsgevoel.

  • Door de studie van Grieks en/of Latijn ervaren de leerlingen de waarde en het belang van traditie. Ze ontdekken wat de moeite waard is om te bewaren en door te geven.

      1. Lectuur van antieke teksten als toegangspoort

  • De studie van de Griekse en/of Latijnse taal is essentieel gericht op de lectuur van antieke teksten: literatuurstudie is het eerste doel maar is ook het middel tot verdere exploratie van de oudheid.

  • Door bezig te zijn met die taalverwerving verhogen de leerlingen hun algemene taalvaardigheid. De synthetische aard van de klassieke talen leert de jongeren bedachtzaam, nauwgezet en beschouwend om te gaan met taal. Ze scherpen hun taalgevoeligheid aan en verrijken zo hun taalgebruik, ook in de moedertaal. Ze ondervinden in de studie van een klassieke taal een ondersteuning om andere talen te exploreren.

  • De klassieke talen vragen een specifieke manier van lezen. Lezen is methodisch aftasten en decoderen van teksten, is traag en geduldig teksten ontsluiten, is de tekst in zijn context interpreteren. Samen met de groeiende vertaalvaardigheid ontwikkelt zich ook het vermogen tot verfijnde expressie in het Nederlands en andere moderne talen.

  • Antieke auteurs gebruiken een complexe syntaxis met veel onderschikking, verschillend van de hedendaagse trend om ideeën paratactisch naast elkaar te plaatsen. De studie van klassieke talen draagt zo bij tot de ontwikkeling van een evenwichtig en genuanceerd taalgebruik.

  • De studie van klassieke talen zet aan tot lezen, wekt de interesse voor kunst en cultuur op en prikkelt tot creativiteit.

  • De studie van klassieke talen is een toegangspoort tot vele domeinen binnen de maatschappij zoals religie, recht, politiek en filosofie. De leerlingen komen in contact met een brede waaier van onderwerpen die raken aan de essentie van het mens-zijn: de zin van het bestaan, het samenleven met mensen …



      1. Transfer als basisdoel

  • Leerlingen die bezig zijn metde studie van klassieke talen, werken aan algemene vorming en ontwikkelen brede competenties. In de context van de klassieke oudheid verwerven ze een brede taalkundige en culturele kennis en ontwikkelen ze een rist vaardigheden en attitudes. De studie van klassieke talen doet een appel op meer dan één van de meervoudige intelligenties zoals H. Gardner die onderscheidt: taalkundige, logische, muzikale, interpersoonlijke, intrapersoonlijke en existentiële intelligentie.

  • Door de aard van de nagestreefde competenties draagt de studie van de klassieke talen bij tot de realisatie van de vakoverschrijdende eindtermen.

  • De klassieke teksten confronteren de leerlingen voortdurend met gevoelens, opvattingen, waarden en 'waarheden'. De kritische reflectie daarop is een oefening in algemeen vaardigheden. In die zin dragen Grieks en Latijn bij tot de totale vorming van de leerling.

Kiezen voor klassieke talen is kiezen voor een studie die inzet en doorzettingsvermogen vraagt. In een tijd die vaak gericht is op snelheid en onmiddellijk resultaat, worden van de leerlingen een blijvende inspanning en diepgang gevraagd.

  1. ALGEMENE DOELSTELLINGEN



    1. Algemene doelstellingen van de klassieke talen



  1. Teksten van Griekse/Latijnse auteurs begrijpen naar vorm en inhoud: die teksten ontleden, interpreteren en becommentariëren met gebruik van de nodige hulpmiddelen. Het betreft behandelde en analoge niet-behandelde teksten.

  2. De behandelde fragmenten structureel en inhoudelijk situeren binnen het geheel van het werk. Dit werk plaatsen in het oeuvre van de auteur en in het genre waartoe het behoort.

  3. Belangstelling hebben voor en inzicht hebben in de eigenheid van Grieken en Romeinen: hun taal en letterkunde, hun kunst en cultuur, hun geschiedenis en maatschappij; daarbij beseffen dat de antieke beschaving een voorname bron is van onze westerse cultuur en tevens een achtergrond voor reflectie over onszelf en onze wereld.

  4. Inzicht krijgen in het wezen en het functioneren van taal door de confrontatie met de eigenheid van de klassieke taal.

  5. Zin ontwikkelen voor nauwkeurigheid, grondigheid en doorzettingsvermogen; systematisch leren werken door voortdurende analyse en synthese; kritisch leren oordelen; zelfstandig leren werken en leren samenwerken; het vermogen ontwikkelen zich in te leven in een tekst en in een andere cultuur.
    De schoonheid van een literaire tekst leren waarderen.

  6. Openstaan voor de fundamentele waarden en levensvragen van Grieken en Romeinen en deze confronteren met het christelijke mensbeeld.

Via deze algemene doelstellingen draagt de studie van de klassieke talen, samen met de andere vakken, bij tot een persoonsvorming die de leerlingen helpt:

  • hogere studies aan te vatten;

  • hun leven in te richten in harmonie met zichzelf, hun directe omgeving en de wereld waarin zij leven;

  • te zoeken naar de zin van hun bestaan.



    1. Vaardigheden en attitudes

De transferwaarde van de onderliggende vaardigheden en attitudes die leiden tot een succesvolle studie van Grieks en Latijn, maakt dat de finaliteit van het onderricht in klassieke talen niet enkel in zichzelf besloten ligt. Zo draagt de studie van de oude talen bij tot de ontwikkeling van o.a. volgende attitudes:

  • leergierigheid en belangstelling, in het bijzonder voor taal, taalstructuren, verhalende teksten en voor het eigen verleden; voor literatuur, kunst en cultuur;

  • historisch bewustzijn en openheid voor wat vreemd en onbekend is;

  • zorgvuldigheid, grondigheid en kritische zin;

  • inzet en doorzettingsvermogen;

  • stiptheid en studiediscipline (regelmaat, planning en concentratie);

  • bereidheid tot zelfstandig werken;

  • bereidheid tot samenwerken (o.a. luisterbereidheid, respect voor de opvattingen van anderen, constructieve houding);

  • bewustzijn van eigen mogelijkheden en aanvaarding van eigen beperkingen.

Voor attitudes wordt van de leraar verwacht dat hij ze met de leerlingengroep in voldoende mate nastreeft. Dit betekent een inspanningsverplichting, geen resultaatsverbintenis.

De intensieve studie van het Grieks en van het Latijn stimuleert bovendien de ontwikkeling van volgende vaardigheden:



  • de vaardigheid tot memoriseren;

  • het vermogen om een probleem op te lossen: dit veronderstelt de bekwaamheid tot:

  • analyseren,

  • structureren,

  • interpreteren,

  • synthetiseren;

  • het vermogen om de eigen oplossing kritisch te beoordelen;

  • de bekwaamheid tot samenwerken (o.a. een eigen mening helder formuleren, kunnen argumenteren en overleggen);

  • de vaardigheid om mondeling en schriftelijk in het Nederlands te communiceren;

  • het vermogen om creatief te denken (bv. verbeeldingskracht, associatief denken en waarnemen) en creatief met taal om te gaan;

  • het vermogen om schoonheid te ervaren en te creëren (esthetische bekwaamheid);

  • verschillen tussen mensen en culturen (op het gebied van maatschappelijke verhoudingen, mentaliteit, zingeving, gevoelens en emoties, kunst …) kunnen begrijpen en zo de eigen leefwereld relativeren.

Hoewel al die attitudes en vaardigheden verder in dit leerplan niet altijd expliciet genoemd worden bij de opsomming van de doelstellingen en de leerinhouden, zijn ze toch voortdurend impliciet aanwezig. Zo kan een eenvoudige doelstelling als "vormen van gememoriseerde werkwoorden determineren, het paradigma geven en die vormen weergeven" (Latijn - DS 14) niet gerealiseerd worden als niet een aantal basisvoorwaarden vervuld zijn: die vormen nauwkeurig analyseren, de kenmerken ervan interpreteren, tot een synthese komen en de eigen oplossing kritisch beoordelen.

Dit ook met complexere werkwoordsvormen realiseren veronderstelt de vaardigheid tot memoriseren, doorzettingsvermogen en studiediscipline.

Zowel het leerplanonderdeel 'Onderzoekscompetentie' (vanaf de tweede graad) als de onderdelen ‘Taalverwerving’ en ‘Lectuur’, die al in de leerplannen van de eerste graad voorkomen, bieden ruime kansen voor de ontwikkeling van vakspecifieke en vakoverschrijdende vaardigheden en attitudes.



  1. CHRISTELIJK MENSBEELD

Ons onderwijs streeft bovendien de vorming van de totale persoon na waarbij het christelijke mensbeeld centraal staat. Onderstaande waarden moeten dan ook nagestreefd worden:

  • respect voor de medemens;

  • solidariteit;

  • zorg voor milieu en leven;

  • respectvol omgaan met eigen geloof, andersgelovigen en niet-gelovigen;

  • vanuit eigen spiritualiteit omgaan met ethische problemen.




  1. ALGEMENE PEDAGOGISCH-DIDACTISCHE WENKEN

Deze wenken bevatten algemene principes en uitgangspunten Net als de meer concrete pedagogisch-didactische wenken die direct na de leerplandoelstellingen geformuleerd zijn, gelden zij als aanbevelingen.


    1. Taalverwerving als eerste stap van een leesmethode

Alhoewel taalverwerving ook in de tweede graad de nodige aandacht vraagt, is het vooral het belang van lectuur dat in de tweede graad een prominentere plaats zal innemen dan in de eerste graad. Ook hier hoort grammaticale kennis dus aangeleerd te worden in functie van tekstbegrip.

      1. Woordenschat

Om de studie van woordenschat ten dienste van lectuur te stellen, houdt men best maximaal rekening met het onderstaande.

  • Vanzelfsprekend laat de leraar de woorden enkel van het Grieks/Latijn naar het Nederlands memoriseren.

  • Woorden worden beter gememoriseerd naarmate zij op meer verschillende manieren aangeboden worden. Leerlingen kunnen woorden leren, niet enkel door te lezen (visuele methode) maar ook door ze luidop te lezen (auditieve methode) of te schrijven (motorische methode). Een combinatie verdient aanbeveling. De auditieve methode is bijvoorbeeld zeer geschikt om Latijnse werkwoorden van de tweede en derde vervoeging te leren onderscheiden.

  • Het volstaat niet dat leerlingen het grondwoord kunnen vertalen. Met het oog op lectuur moeten ze vooral het grondwoord in de verbogen en vervoegde vormen kunnen herkennen: die vorm moet een leerling immers in een woordenlijst of woordenboek kunnen terugvinden. Met een nominatief enkelvoud of een infinitief presens zal hij niet zo vaak in een tekst geconfronteerd worden. Bij een toets kan de leraar dan ook vertrekken van een verbogen of vervoegde vorm.

  • De leerlingen dienen in te zien dat kennis van de woordsoort belangrijk is: waarbij kan een bijwoord aansluiten? Gaat het om een neven- of onderschikkend voegwoord? …

  • Een belangrijke vaardigheid die de leraar aan leerlingen dient aan te leren, is die van de overdracht van hun kennis van gememoriseerde woorden naar 'nieuwe' woorden, waardoor leerlingen de attitude ontwikkelen zelf spontaan samenstellende delen af te splitsen om de woordbetekenis te vinden, actief op zoek te gaan naar bekende wortels, voor- of achtervoegsels … Dat noodzaakt dagelijkse oefening, zowel occasioneel bij een oefening of lectuur als georganiseerd. De leraar kan daartoe woorden groeperen (woordfamilies) of zelf uitbreidingsoefeningen opstellen zoals: als ire = gaan, dan exire = …

  • Niet enkel binnen het Grieks of Latijn kan de leerling op zoek gaan naar het bekende in het onbekende. Die transfer dient ook naar de andere (moderne) talen te gebeuren, en wel in twee richtingen. Niet enkel kan de leerling bijvoorbeeld Nederlandse of Franse woorden als geheugensteuntje gebruiken bij vocabulariumstudie, hij kan ook in moderne woorden klassieke stammen terugvinden om zo de betekenisrichting van die woorden op het spoor te komen. Zo ervaart hij concreet het nut van klassieke talen.

  • Een woord krijgt pas zijn betekenis in een context. Daarom verdient het aanbeveling om woorden in een context te plaatsen. Dat helpt vaak bij woorden met meerdere betekenissen of bij woorden zoals virtus en a)reth/ die pas in een concrete context echt 'kleur' krijgen. Ook bij toetsen kan men woorden met meerdere betekenissen in een woordcombinatie aanbieden waarbij de leerling dan de gepaste betekenis geeft.

  • Opdat leerlingen het rendement van vocabulariumstudie zouden ervaren, is het goed het aanbod zo te organiseren dat ze die woorden leren die ook effectief in de gelezen teksten voorkomen. Men kan eventueel ook woorden thematisch ordenen of een groep woorden laten memoriseren die aansluiten bij een grammaticaal onderwerp dat op dat moment in de klas behandeld wordt.

  • Bij het herhalen van de woordenschat ontwikkelen de leerlingen best een methode om zich bij voorrang toe te leggen op woorden die zij niet meer kennen. Omdat een efficiënt repetitieschema verschilt van individu tot individu, is een collectieve herhaling in alfabetische of numerieke volgorde af te raden. Intelligente studiesoftware kan helpen om geheugenprestaties doeltreffend te ondersteunen.

      1. Grammatica in functie van tekstbegrip

Bij taalleer dient de leraar er altijd naar te streven om de nieuw geleerde onderdelen theoretisch te kaderen en ze bovendien ten dienste van leesvaardigheid te stellen. Elk grammaticaal item moet aangeleerd worden in functie van een leescontext: wat betekent kennis van een bepaald onderdeel in een lectuurcontext? Hoe past een leerling best de theoretische kennis toe?

Hieronder volgen enkele aandachtspunten.



  • We beperken actieve oefeningen tot die onderdelen waarvan het leerplan een actieve kennis vraagt.

  • We organiseren onze zijn lessen zo dat leerlingen zoveel mogelijk actief en gedifferentieerd aan de slag kunnen. Het demotiveert een leerling als hij medeleerlingen oefeningen hoort maken die voor hem geen probleem vormen. Daarom zet de leraar zo snel mogelijk alle leerlingen actief aan het werk, individueel, per twee of in groepjes.

  • Zoals een woord zijn ultieme betekenis ontleent aan de context, zo is die context bepalend voor de morfologische en syntactische determinatie. 'Dubbelvormen' bestaan enkel als losse vormen: de context bepaalt of een woord bijvoorbeeld nominatief dan wel accusatief is. Het is dan ook belangrijk al in de oefeningen bij een nieuw grammaticaal onderdeel de link te leggen naar een lectuurcontext. Oefeningen op losse woorden of woordgroepen kunnen als tussenstap naar volwaardiger toepassingen gelden.

  • Bij morfologie is een consequente aandacht voor de samenstellende delen vereist. De leerlingen leren best in 'onbekende' vormen bekende elementen afsplitsen om zo een onderbouwde hypothese op te stellen, niet enkel voor een waarschijnlijke vormverklaring maar ook voor het grondwoord. Die vaardigheid is immers nodig voor een efficiënt gebruik van een woordenlijst of woordenboek.

  • Omwille van de hogere moeilijkheidsgraad van de teksten (met bijvoorbeeld langere en complex samengestelde zinnen) is het nuttig de leerlingen een schema van een samengestelde zin te leren opstellen. Zo een schematische voorstelling is een belangrijk hulpmiddel om de samenhang binnen een complexe zin te vatten.

  • Belangrijk is ook dat leerlingen zich ervan bewust worden dat enerzijds in het Grieks en Latijn de volgorde van woorden binnen zinsdelen en de volgorde van zinsdelen vrijer zijn dan in het Nederlands. Omdat anderzijds de woordvolgorde niet absoluut vrij is, is het zinvol de leerlingen erop te wijzen dat al bekende informatie meer vooraan in de zin zal staan, terwijl de nieuwe informatie meestal achteraan zal komen; of er kan gewezen worden op het procedé van gekruiste of omarmende hyperbata in poëzie, wanneer zinsdelen in elkaar schuiven.

  • Als tussenstap naar een lectuurcontext kan men na het aanleren van en de eerste oefeningen over een grammaticaal onderdeel ook 'gemengde' oefeningen voorzien, waarbij naast het nieuwe grammaticale item ook andere, al vroeger aangeleerde items aan bod komen. Doel is dat de leerling leert zijn nieuwe kennis ook toe te passen in een context waarin hij niet van te voren weet dat dat specifieke onderdeel aan bod zal komen. De ultieme context is natuurlijk een tekst.

  • Taalbeschouwing vormt het fundament voor een syntactisch verwachtingspatroon bij het leesproces waarbij gaandeweg meer automatismen verworven worden. Het is belangrijk binnen de vakwerkgroep goede afspraken te maken rond de leerlijn: wie leert waar wat aan, wanneer mag men veronderstellen dat bepaalde automatismen verworven zijn? Ook hier liggen trouwens transfermogelijkheden: door de intense taalstudie verwerft de leerling inzichten in de grammatica die hij als referentiekader kan aanwenden voor andere talen.

    1. Lectuur

Zoals gezegd vormt taalverwerving de eerste stap bij het aanleren van een leesmethode.

  • De leraar bouwt verder op de aangeleerde leesmethode uit de eerste graad. Bij het lezen zal de leerling over de parate kennis van een stappenplan beschikken. We zullen die leesmethode dus herhaald en permanent inoefenen.

  • Hoewel een leesmethode gebruik zal maken van een grammaticale analyse, bestaat tussen beide toch een onderscheid. Grammaticale analyse wordt enkel dan expliciet ingezet waar tekstbegrip op moeilijkheden stoot. Een tekst mag nooit verworden tot een grammaticale drilplaats. Leesplezier moet voorop staan.

  • Lessen lectuur moeten, zoals alle andere lessen, zo georganiseerd worden dat leerlingen steeds maximaal betrokken zijn. Activerende werkvormen, zelfstandig werken en zelfstandig leren moeten maximaal aangewend worden.

  • Het is nodig dat leerlingen zich bewust zijn van hun 'automatische' denk- en zoekpatronen. Dat geheel van denk- en zoekpatronen dient samen met de leerlingen vanaf de eerste graad opgebouwd te worden. Een leesmethode toepassen is per definitie een meta-activiteit: je bekijkt en beoordeelt jezelf in je zoektocht naar tekstbegrip.

    1. Zelfstandigheidsdidactiek

Leerlingen raken meer betrokken bij hun leerproces als ze een grotere verantwoordelijkheid krijgen. De mate waarin een leerling zelf de leeractiviteiten bepaalt, dient geleidelijk te evolueren. Vaak spreekt men van vier fasen in een cyclische groei waarbij de sturende rol van de leraar afneemt: zelf werken, zelfstandig werken, zelfstandig leren en zelfverantwoordelijk leren. De vierde fase is gereserveerd voor de derde graad. Voor voorbeelden van de eerste twee fasen: zie leerplan eerste graad.

Wie deze zelfstandigheidsdidactiek toepast op leesvaardigheid, kan bijvoorbeeld met een leesportfolio werken. Met dat middel kan een leerling inzicht krijgen in eigen sterktes en zwaktes en in terugkerende fouten. Dit kan leiden tot een persoonlijk leerproces waarbij een leerling werkpunten bepaalt, eventueel remediërende taken uitvoert en bij het lezen extra aandacht besteedt aan de zwaktes.

Zie ook in het servicegedeelte voor voorbeelden van differentiatie.


    1. Differentiatie

Differentiatie is een manier om de verschillen tussen leerlingen aan te pakken. Ze kan twee vormen aannemen:

  1. Divergente differentiatie: leerlingen gaan op hun eigen tempo vooruit. De verschillen zullen groter worden.

  2. Convergente differentiatie: deze vorm van differentiatie is vooral bedoeld voor leerlingen met een achterstand of om leerlingen met een specifieke aanpak extra te ondersteunen. De verschillen zullen kleiner worden.

De leerplannen bepalen de minimumdoelen die elke leerling moet bereiken om gewapend met een voldoende grammaticale kennis teksten te lezen. In principe zal er dus eerder gebruik gemaakt worden van convergente differentiatie om leerlingen die minimumdoelen te laten behalen. Eventueel kan bij wijze van differentiatie aan sterke en gemotiveerde leerlingen een pakketje uitbreidingsleerstof aangeboden worden. Uitbreidingsdoelstellingen mogen echter op geen enkele wijze betrokken worden bij het oordeel over het al dan niet geslaagd zijn van een leerling. Belangrijk is op zoek te gaan naar vormen van differentiatie die de motivatie van de leerlingen kunnen verhogen. Die zullen vooral haalbaar zijn in combinatie met vormen van begeleid zelfstandig leren. Daarnaast biedt ook het open karakter van de leerplannen mogelijkheden tot differentiatie.

Voor meer informatie en voor concrete voorbeelden van differentiatie verwijzen we naar het servicegedeelte.



    1. ICT

ICT biedt heel wat mogelijkheden om de lessen te ondersteunen en te illustreren. Als leermiddel kan het een meerwaarde betekenen op voorwaarde dat leerlingen ICT veilig, verantwoord en doeltreffend leren gebruiken en erover communiceren. Op die manier wordt ICT een steun voor de leerling om hem zelfstandig te leren werken en studeren of net om interactief en gezamenlijk te leren.

In de leefwereld van jongeren is ICT prominent aanwezig; hierin liggen kansen. Toch blijkt een leerling vaak moeilijkheden te ondervinden om doelgericht en kritisch computertaken uit te voeren. Een zoekopdracht beperkt zich soms tot lukraak googelen en de betrouwbaarheid van internetinfo wordt zelden in twijfel getrokken. Leerlingen slagen er evenmin in om multimedia (PowerPoint, You Tube …) adequaat te gebruiken.


Voor de leraar Grieks en Latijn bestaan onder andere de volgende mogelijkheden voor het gebruik van ICT:

  • lessen ontwerpen (bv. tekst met hyperlinks, presentaties, toetsen …);

  • thema’s illustreren met beelden van het internet (bv. een virtueel bezoek aan een Romeinse stadswoning of aan het antieke Rome);

  • afbeeldingen opzoeken, bewerken en archiveren;

  • software gebruiken om leselementen te visualiseren, om de ontwikkeling van denkpatronen te bevorderen;

  • teksten bijeenbrengen en ter beschikking stellen;

  • vocabularium laten studeren met behulp van gepaste software;

  • oefeningen laten maken;

  • uitbreidings- en remediëringsoefeningen, verbetersleutels en modeltoetsen ter beschikking stellen via het digitaal leerplatform;

  • teksten laten analyseren volgens de afgesproken leesstrategie;

  • Griekse of Latijnse woordenboeken of vocabulariumlijsten laten gebruiken;


Volgende aandachtspunten mag de leraar niet uit het oog verliezen:



  • vele beschikbare internetoefeningen zijn niet leerplanconform. Wat gemakkelijk door ICT realiseerbaar is, krijgt bovendien onevenredig veel aandacht (bv. dril- en invuloefeningen, repetitief opzoekwerk …);

  • leerlingen worden niet verondersteld thuis over een computer of internet te beschikken;

  • soms verliezen leerlingen veel tijd bij gebrek aan efficiënte zoekstrategieën;

  • leerlingen maken presentaties waarbij de vorm vaak sterk primeert op de inhoud.



    1. Leerlingenzorg en taalbeleid

Ook dit aspect blijft in de tweede graad belangrijk. Heel wat elementen uit het leerplan van de eerste graad (3.1.4) blijven geldig, weliswaar met andere accenten. Die houden verband met twee gegevens:



  • de persoonlijkheidsontwikkeling van de leerlingen;

Zij hebben op dit gebied vorderingen gemaakt met weliswaar grote onderlinge verschillen. Het zijn zoekende adolescenten die nood hebben aan aanmoediging, sturing en begeleiding op hun weg. Respect en empathie vanwege de leraar kunnen een motor zijn om dat proces vlot te laten verlopen. Speciale aandacht voor leerlingen met een andere thuistaal dan het Nederlands verhoogt zeker hun ontwikkeling en slaagkansen.

  • na de eerste graad heeft een meer definitieve oriëntering van de leerlingen plaatsgegrepen.

Wie in de tweede graad kiest voor klassieke talen, beschikt doorgaans over voldoende motivatie en over de nodige capaciteiten. Maar ook op dit gebied loopt de ontwikkeling niet even snel bij iedereen. Efficiënte steun en zorg kunnen sporadische achterblijvers die anders misschien afhaken, toch op de juiste weg houden. Niet de selectie van leerlingen is het eerste doel, wel hun vorming en begeleiding.

    1. Evaluatie

      1. Voorafgaande opmerkingen

  • Hoe een school concreet haar leerlingen evalueert, behoort tot haar pedagogische vrijheid: permanente of gespreide evaluatie, mondelinge of schriftelijke evaluatie, zelfevaluatie ... Van de vakwerkgroep wordt verwacht dat ze – vertrekkend vanuit de schoolvisie - een coherent en consequent opgebouwd evaluatiesysteem kan verantwoorden in de zes studiejaren.

  • Evalueren is een permanente activiteit, grijpt gedurende het hele schooljaar plaats en vormt op die manier een essentieel onderdeel van het leerproces. De vakgroep kan hierbij gebruik maken van een afgesproken leerlijn van het eerste tot het zesde jaar.
    In de tweede graad evalueert de leraar of de leerling in staat is tot een hoger abstract denken en tot het verwerken van grotere leerinhouden.

  • Het opsporen van tekorten is niet alleen belangrijk als feedback voor de leerling. Aan de leraar kan die analyse interessante informatie geven om zijn eigen didactisch handelen bij te sturen.

  • Vanzelfsprekend worden de verschillende leerplandoelstellingen in het evaluatieproces betrokken: kennis, vaardigheden en attitudes die zowel voor de verdere schoolloopbaan als voor het functioneren in de samenleving belangrijk zijn.

  • Voor de evaluatie van het zelfstandig werk van de leerling biedt de Algemene pedagogische reglementering voor het secundair onderwijs nr. 1 Het persoonlijk werk van de leerling (APR 1) tal van suggesties. Dat document is op elke school beschikbaar. (http://ond.vvkso-ict.com/vvksosites/upload/2005/M-VVKSO-2005-080.pdf)

  • Voor de vakoverschrijdende eindtermen bestaat wettelijk een inspanningsverplichting voor de school. De realisatie en evaluatie ervan is onderdeel van een door de school opgesteld werkplan.

      1. Kenmerken van goede evaluatie

Evaluatie in de klas bestaat uit een brede waaier van activiteiten. Het kan gaan van het meekijken over de schouder van een leerling terwijl die een oefening maakt, het stellen van vragen tijdens de les (informele evaluatie) tot het organiseren van toetsen en proefwerken (formele evaluatie).

Het verband tussen doelstellingen en evaluatie is bindend: om te slagen moet een leerling de leerplandoelstellingen in voldoende mate bereiken.


  1   2   3   4   5   6   7

  • Algemene inhoud ALGEMEEN DEEL GRIEKS LATIJN
  • Betekenis van de studie van klassieke talen voor jongeren vandaag
  • Lectuur van antieke teksten als toegangspoort
  • ALGEMENE DOELSTELLINGEN Algemene doelstellingen van de klassieke talen
  • Vaardigheden en attitudes
  • ALGEMENE PEDAGOGISCH-DIDACTISCHE WENKEN
  • Taalverwerving als eerste stap van een leesmethode
  • Grammatica in functie van tekstbegrip
  • Zelfstandigheidsdidactiek
  • Leerlingenzorg en taalbeleid
  • Evaluatie Voorafgaande opmerkingen
  • Kenmerken van goede evaluatie

  • Dovnload 459.76 Kb.