Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Tweede graad leerplan secundair onderwijs vvkso brussel d

Dovnload 459.76 Kb.

Tweede graad leerplan secundair onderwijs vvkso brussel d



Pagina4/7
Datum28.10.2017
Grootte459.76 Kb.

Dovnload 459.76 Kb.
1   2   3   4   5   6   7

TOELICHTINGEN

  • Onderzoekscompetentie is een geïntegreerd geheel van kennis, vaardigheden en attitudes. De leerinhouden weerspiegelen dat: zij vormen geen voorwerp van reproductiegerichte kennisvragen maar moeten bij concrete onderzoeksopdrachten geëvalueerd worden. Procesevaluatie is daarbij onontbeerlijk: de deelfasen van een onderzoek dienen elk van feedback voorzien te worden.

  • Onderzoeksopdrachten hebben betrekking op het betrokken wetenschapsdomein. Voor Grieks kunnen zowel taalkundige, literaire als historisch-culturele onderwerpen aan bod komen, al of niet in combinatie.

  • Vertalen kan voortvloeien uit een onderzoeksvraag met betrekking tot tekstbegrip. Vanzelfsprekend mag het aanleren van de onderzoekscompetentie niet tot vertalen beperkt worden.

  • Leerlingen kunnen individueel of in groep aan onderzoekscompetentie werken. Extra opdrachten buiten de lesuren worden in het kader van de haalbaarheid zo beperkt mogelijk gehouden, zowel met het oog op ondersteuning in de klas door de leraar als om de studielast voor de leerling te bewaken.

  • DS 44: het soort onderzoek bepaalt de onderzoeksvraag en onderzoeksmethode.

WENKEN

  • DS 44: leerlingen door henzelf of anderen geformuleerde onderzoeksvragen laten groeperen en klasseren kan een prima insteek zijn om hen met verschillende soorten onderzoek te laten kennismaken.

  • DS 44: een goede onderzoeksvraag formuleren is een even fundamentele als moeilijke taak. Men kan leerlingen daarbij ondersteunen door hen vragen te leren stellen bij geselecteerde informatie zoals vergelijkingsteksten en inleidingen op een auteur of genre.

  • Het is belangrijk dat leerlingen bij het begin van een nieuwe opdracht duidelijk zicht hebben op de volgende aspecten:

  • tijdschema en omvang van het onderzoek;

  • werkverdeling school-thuis;

  • eigen aandeel bij groepswerk;

  • ondersteuning door de leraar;

  • evaluatiecriteria (inhoudelijk en formeel);

  • schoolgebonden afspraken rond onderzoekscompetentie.

  • In het servicedeel zijn enkele praktijkvoorbeelden opgenomen.




Grieks  latijn
Tweede graad
lATIJN


Inhoud


  1. BEGINSITUATIE

Voor alle leerlingen geldt dat ze de leerplandoelstellingen van het leerplan Klassieke studiën Grieks-Latijn van de eerste graad VVKSO – Brussel (D/2011/7841/001 hebben bereikt. Zij beschikken over voldoende kennis en vaardigheden om de studie van het Latijn verder te zetten in de richting Latijn met 5 wekelijkse lestijden of in de richting Grieks – Latijn met 4 wekelijkse lestijden.
De leraar van de tweede graad dient te weten of de leerlingen de richting Latijn dan wel de richting Grieks-Latijn volgen en in het tweede geval met de leraar Grieks te overleggen.

  1. LEERPLANDOELSTELLINGEN, LEERINHOUDEN, PEDAGOGISCH-DIDACTISCHE WENKEN

    1. Uitgangspunten en principes

  • Lectuur van authentieke Latijnse teksten blijft de voornaamste doelstelling. Hierbij moet maximaal op leesplezier ingezet worden. De afbakening van leerinhouden gebeurt dan ook, in functie van tekstbegrip en is gebaseerd op de principes van rationalisatie, functionaliteit en systematisering. Lectuur mag niet verworden tot louter een, illustratie of inoefening van wat bij taalverwerving wordt geleerd.

  • De grammaticale leerinhouden in dit leerplan zijn geschikt volgens de principes van de valentiegrammatica. In het leerplan van de eerste graad werden daarvan al de basisprincipes geïntroduceerd. Die basisbegrippen worden hier niet meer systematisch herhaald. Zonder voorkennis van het leerplan eerste graad is een goed begrip van dit leerplan niet mogelijk.

  • Grammaticale consequentie en aansluiting bij de grammatica's van moderne talen verhogen de transfer van abstract taaldenken. Zo wordt de algemeen vormende waarde van het onderricht in klassieke talen nog versterkt. Om grammaticale eenvormigheid ook in de praktijk te waarborgen wordt een minimumterminologie verplicht. De Algemene Nederlandse Spraakkunst en de Advieslijst taalbeschouwelijke termen Nederlands fungeerden bij het bepalen van die terminologie in de regel als referentie.

  • Er wordt gestreefd naar een zo groot mogelijk parallellisme tussen de leerplannen Grieks en Latijn.




    1. Grammaticale terminologie

      1. Betekenis van enkele in dit leerplan gebruikte termen

De termen die in deze lijst zijn opgenomen, zijn sterk aanbevolen: zij beogen een maximale aansluiting bij de lessen Nederlands. De vakwerkgroep maakt de nodige afspraken die voor het hele curriculum gelden.

  • Bepaling van gesteldheid: de bepaling van gesteldheid is een functie die syntactisch gezien met twee andere zinsdelen (in de zin) verbonden is. De bepaling van gesteldheid geeft informatie over het gezegde en over een ander zinsdeel waarmee het in naamval, genus en getal overeenkomt. In tegenstelling tot wat de naam doet uitschijnen, kan de bepaling van gesteldheid ook ‘noodzakelijk’ zijn. Dat is bijvoorbeeld het geval bij werkwoorden zoals creare. Merk op dat de bepaling van gesteldheid in passieve zinnen zijn functie behoudt (bij werkwoorden als creari, appellari, putari, haberi, …): ‘consul’ in Cicero consul creatus est heeft de functie van bepaling van gesteldheid en niet de functie van naamwoordelijk deel van het gezegde zoals in de traditionele grammatica’s vaak wordt beweerd. Het werkwoord creari drukt uit zichzelf een werkwoordelijke gedachte uit en is dan ook een volwaardig zelfstandig werkwoord.

  • Congruentie: overeenstemming in vorm van woorden in syntactisch verband.

  • Determineren: een vorm volledig morfologisch ontleden/bepalen.

  • Gezegde: het fundamentele zinsdeel van een zin. Het bepaalt hoeveel noodzakelijke aanvullingen (nul, een, twee of drie) er in een zin moeten staan en van welke aard (onderwerp, lijdend voorwerp …) die moeten zijn opdat de zin grammaticaal af zou zijn. Er kunnen naar de vorm twee soorten gezegdes onderscheiden worden: het werkwoordelijk gezegde, dat uit (een) werkwoordsvorm(en) bestaat, en het naamwoordelijk gezegde, dat uit een koppelwerkwoord en een naamwoordelijk deel bestaat.

  • Grondwoord: basisvorm van verbuigbare of vervoegbare woorden.

  • Modaliteit: de houding of waardering van de spreker of schrijver ten opzichte van de inhoud van zijn uitspraak, bijvoorbeeld realis, potentialis, wens...

  • (Morfologische) vorm: de talige verschijning van een woord of woordgroep

  • Naamwoordelijk deel van het gezegde: vormt samen met het koppelwerkwoord het naamwoordelijk gezegde dat een ‘toestand’ (een hoedanigheid, een eigenschap, een functie e.d.) aanduidt waar het onderwerp zich in bevindt.

  • Parafraseren: met eigen woorden de inhoud van een tekst omschrijven.

  • (Semantische) rol: aard van de verhouding tussen een zinsdeel en het gezegde of tussen een zinsdeelstuk en de kern (bv. tijd, middel, handelende persoon). Er is geen vaste overeenkomst tussen de syntactische functie en de semantische rol. Sommige rollen komen zowel bij de noodzakelijke als bij de niet-noodzakelijke zinsdelen voor. Zo kunnen bijvoorbeeld zowel het onderwerp als de bijwoordelijke bepaling beide 'handelend' als semantische rol hebben.




  • Signaalwoord: een signaalwoord geeft aanwijzingen over de structurering van een tekst. Voorbeelden van signaalwoorden zijn: en, maar, ook, bovendien, vervolgens, ten tweede, bijvoorbeeld.

  • (Syntactische) functie: de taak van een zinsdeel binnen de grammaticale structuur van een zin of − voor de kern en zijn bepaling(en) − de positie van een zinsdeelstuk binnen de grammaticale structuur van een zinsdeel. Volgende functies worden onderscheiden: gezegde, onderwerp, lijdend voorwerp, meewerkend voorwerp, bepaling van gesteldheid, bijwoordelijke bepaling, kern en bijvoeglijke bepaling. Die functies worden onderverdeeld in noodzakelijk en niet-noodzakelijk naargelang zij al of niet vereist zijn om een grammaticaal correcte zin te construeren. Zie ook zinsdeel en zinsdeelstuk.

  • Valentie: de combinatiemogelijkheden (onderwerp, voorwerp …) die door de betekenis van een gezegde vereist worden. Afhankelijk van het aantal combinatiemogelijkheden spreekt men van nulvalentie (bv. 'pluit' vereist geen verdere aanvullingen), eenvalentie (bv. 'dormire' vereist enkel een onderwerp), tweevalentie (bv. 'petere' vereist een onderwerp en lijdend voorwerp) en drievalentie van het gezegde (bv. 'dare' vereist een onderwerp, lijdend voorwerp en meewerkend voorwerp). Als ze voor de lezer duidelijk blijken uit de context, moeten die noodzakelijke aanvullingen niet steeds expliciet uitgedrukt worden.



  • Verkorte vorm: verkorting van de persoonsuitgang -erunt tot -ere of het wegvallen in de perfectumstam van -vi- of -ve-.

  • Vertalen:

  • Werkvertaling: omzetting in correct Nederlands die nauw aansluit bij de Latijnse tekst. Stroeve wendingen of langere zinnen kunnen, op voorwaarde dat de Nederlandse tekst op zich te begrijpen is. Een werkvertaling is vooral bedoeld als werkinstrument voor de leerlingen.

  • Vlotte vertaling: omzetting in prettig leesbaar, vlot algemeen Nederlands, vrij van 'Nederlatijnse' wendingen en uitdrukkingen. Een vlotte vertaling wordt nagestreefd bij vertaalopdrachten.

  • Literaire vertaling: vertaling waarin met stijlmiddelen van het Nederlands het stijlniveau van de Latijnse tekst (ritme, toon, beelden, stijlfiguren …) zo goed mogelijk wordt weergegeven. Literaire vertalingen kunnen gebruikt worden bij een vergelijkingsopdracht.

  • Verwijswoord: een verwijswoord wijst terug naar een tevoren genoemde entiteit of vooruit naar een entiteit die kort daarna in de tekst genoemd wordt. Voorbeelden van verwijswoorden zijn: die, dat, hij, deze, toen.

  • Weergeven: een Latijns taalelement (woord, woordgroep, constructie …) in het Nederlands omzetten zodat de basisbetekenis ervan duidelijk wordt.

  • Zin: het syntactisch geheel dat bestaat uit een gezegde met zijn bijhorende noodzakelijke en niet-noodzakelijke zinsdelen. Een hoofdzin is een volledige zin die op zichzelf staat; hij kan zelf bijzinnen bevatten en hangt niet af van een andere zin. Een bijzin is een zinsdeel of zinsdeelstuk in de vorm van een zin. In tegenstelling tot de Nederlandse grammatica beschouwen we de directe rede niet als een bijzin.

  • Zinsdeel: woord of woordgroep met een syntactische functie in een zin. Een zinsdeel kan ook de vorm van een zin aannemen.

  • Zinsdeelstuk: deel van een zinsdeel (kern, bijvoeglijke of bijwoordelijke bepaling). Een zinsdeelstuk vervult geen functie op het niveau van de zin maar op een onderliggend niveau (namelijk in een zinsdeel). Een zinsdeelstuk kan ook de vorm van een zin aannemen.

      1. Verplichte minimumterminologie

Achtervoegsel, bepaling van gesteldheid, genus, gezegde, grondwoord, infinitief, kern, koppelwerkwoord, naamwoordelijk deel van het gezegde, (semantische) rol, (syntactische) functie, voorvoegsel, zinsdeel, zinsdeelstuk.

    1. Doelstellingen, leerinhouden en pedagogisch-didactische wenken

Dit hoofdstuk bevat doelstellingen, inhouden en vaardigheden die rechtstreeks voortvloeien uit de specifieke eindtermen voor de tweede graad. De leerplancommissie heeft die specifieke eindtermen ‘vertaald’ naar concrete leerplandoelstellingen (DS). Naast die DS staat telkens een verwijzing naar de betreffende specifieke eindterm(en) (SET).

De genummerde doelstellingen van dit hoofdstuk moeten gerealiseerd worden. Ook de eraan gekoppelde leerinhouden zijn bindend, tenzij die ingeleid worden door 'bijvoorbeeld' of 'zoals': in dat geval zijn ze indicatief bedoeld. Wenken, toelichtingen en de niet-genummerde doelstellingen in het hoofdstuk Lectuur (2.5.2.4-5) zijn niet verplicht, maar zijn louter inspirerend bedoeld.



In de Algemene pedagogisch-didactische wenken staan verschillende raadgevingen die hier concreet toepasbaar zijn. Dat geldt in het bijzonder voor adviezen betreffende taalverwerving (4.1) en lectuur (4.2).

      1. Taalverwerving

Taalverwerving staat ten dienste van lectuur en vormt geen doel op zich. Een goede kennis van vocabula-rium en grammatica is natuurlijk onontbeerlijk, wil men tot een succesvolle leeservaring komen. De functionaliteit bij het leesproces vormt het criterium bij de selectie van de leerinhouden en vormt het criterium bij evaluatie. Leerlingen zijn immers niet gebaat bij een al te rigide catalogisering van bepaalde grensgevallen.

        1. Begrippen

LEERPLANDOELSTELLINGEN

LEERINHOUDEN

  1. de woordsoort van Latijnse en Nederlandse woorden bepalen (SET 1)

  1. basisbegrippen van vormleer begrijpen en hanteren (SET 1)

  • leerinhouden van de eerste graad

  • bij werkwoorden:

  • conjunctief

  • gerundium en gerundivum

  • verkorte vorm

  1. basisbegrippen van syntaxis begrijpen en hanteren (SET 1)

  • leerinhouden van de eerste graad

  • modaliteiten van het gezegde:

  • realis, potentialis, irrealis

  • aansporing, gebod, vervulbare wens

  • overleggende vraag

  • relatieve tijdsuitdrukking (consecutio temporum)

TOELICHTINGEN

  • In het servicedeel van de leerplannen kan de leraar nagaan welke termen in de leerplannen Nederlands van de tweede graad aan bod komen.

  • DS 2: verkorte vorm slaat zowel op de ‘verkorting’ van persoonsuitgangen als de ‘verkorting’ van de eigenlijke perfectumstam (Zie 2.2.1).

  • DS 3: bij de modaliteiten van het gezegde gaat het om meer dan louter syntaxis op zinsniveau. De houding van de spreker ten opzichte van zijn boodschap wordt geëxpliciteerd. Het gaat hier dus ook over tekstgrammatica.

WENKEN

  • Het verdient aanbeveling niet enkel binnen de vakwerkgroep maar ook met de collega’s van de andere taalvakken rond de gebruikte terminologie afspraken te maken. Leerlingen koppelen immers taalfenomenen aan een term en zien niet onmiddellijk het verband tussen verschillende termen voor eenzelfde taalfenomeen. In het servicedeel van de leerplannen kan de leraar nagaan welke termen wanneer in de leerplannen van de andere taalvakken aan bod komen.

  • Deze begrippen worden vanzelfsprekend pas aangeleerd op het ogenblik dat de corresponderende leerinhouden aan bod komen. Toch zorgt de leraar ervoor dat de leerlingen de begrippen in een grammaticaal kader kunnen plaatsen.

  • Leerlingen leren deze begrippen geleidelijk leren kennen. Men kan niet van hen verwachten dat zij al onmiddellijk na een eerste kennismaking consequent en volledig correct gebruik maken van vrij abstracte begrippen.

  • Kennis van deze begrippen ondersteunt de leesmethode van de leerlingen.

        1. Uitspraak

LEERPLANDOELSTELLINGEN

LEERINHOUDEN

  1. Latijnse woorden uitspreken volgens de algemene regels van de Latijnse uitspraak en met aandacht voor de juiste klemtoon (SET 18)

TOELICHTING

Met 'algemene regels van de Latijnse uitspraak' wordt hoofdzakelijk bedoeld dat men geen 'Gregoriaanse' uitspraak hanteert of aanleert. Belangrijk is vooral dat de leraar vanaf het begin het goede voorbeeld geeft zodat de woorden correct in het oor van de leerlingen vastgezet worden.



Bij de (eventuele) lectuur van middeleeuwse of humanistische teksten is het zinvol de 'gepaste' uitspraak te hanteren.

        1. Woordenschat

LEERPLANDOELSTELLINGEN

LEERINHOUDEN

  1. de betekenis, woordsoort en aanvullende gegevens van woorden uit het basisvocabularium geven (SET 5)

  • ca. 1000 woorden

  • aanvullende gegevens:

  • bij zelfstandige naamwoorden: nominatief, genitief, genus

  • bij bijvoeglijke naamwoorden: nominatief in de drie genera en genitief bij bijvoeglijke naamwoorden van de tweede klasse

  • bij werkwoorden: infinitief presens, eerste persoon enkelvoud

  • de naamval bij voorzetsels, bijvoeglijke naamwoorden en werkwoorden

  1. van verbogen en vervoegde vormen van woorden uit het basisvocabularium het grondwoord geven (SET 5)

  1. vanuit woordsamenstelling en woordverwantschap op zoek gaan naar de betekenis zowel van Latijnse woorden als van woorden uit moderne talen met Latijnse wortels (SET 5, 7, 8, 32)

  • de betekenis van frequente voorvoegsels zoals ab-, ad-, com-, de-, ex-, in-, inter-, per-, pro-, re‑, sub-, trans-

  • de betekenis van frequente achtervoegsels zoals -(i)tas, -or, -tio/-sio, -tor/-sor

  • leenwoorden zoals tafel, straat, wijk, venster, wijn

  1. uit de gememoriseerde betekenis(sen) een in de context passende vertaling afleiden (SET 4)




  1. een woordenlijst oordeelkundig gebruiken (SET 37)




TOELICHTINGEN

  • DS 5: De vakwerkgroep kan er eventueel voor kiezen om het pakket woordenschat op te splitsen in een deel dat de leerlingen paraat moeten kennen, en een tweede deel dat in functie van de te lezen tekstfragmenten staat en dat de leerlingen bijgevolg slechts voor een beperkte periode paraat moeten kennen. Het is vanzelfsprekend dat in de school over de jaren heen eenzelfde systeem wordt gehanteerd. Belangrijk is dat de leraar in elk geval de leerlingen traint in de vaardigheid om vanuit hun bestaande vocabulariumkennis de betekenis van andere woorden (deels) af te leiden. Zo ontstaat een ‘multiplicator-effect’.

  • DS 7: De leraar kan wel wijzen op de evolutie in de Latijnse uitspraak aan de hand van enkele duidelijke voorbeelden. Dat kan soms zelfs noodzakelijk zijn om deze doelstelling (het voortleven van het Latijn in moderne talen) te kunnen realiseren, zoals bij de evolutie van caelum tot ciel. Een correcte uitspraak bij de (eventuele) lectuur van middeleeuwse of humanistische teksten kan het inzicht in dergelijke evoluties bevorderen.

WENKEN

  • Zie ook de Algemene pedagogisch-didactische wenken, punt 4.1.1 (Woordenschat) en 4.7.3.2 (Opdrachten per leerstofonderdeel).

  • Latijnse woorden memoriseren en weergeven is voor leerlingen minder eenvoudig dan leraren soms verwachten. Het is nodig de leerlingen hierbij te ondersteunen.

  • De leraar doet er goed aan om evaluatiemomenten tijdig aan te kondigen. Dit geeft leerlingen de kans die leerstof in fasen te verwerken.

  • ICT-toepassingen bieden heel wat mogelijkheden om in te spelen op de specifieke kennistekorten van de individuele leerling en om het nodeloos herhalen van gekende woorden te vermijden.

  • Leerlingen dienen de attitude aan te leren niet bij de standaardvertaling van een woord te blijven, maar op zoek te gaan naar een weergave die binnen de context past.

  • Het aanleren van woordenschat wordt binnen een leesmethode gekaderd. De leraar blijft de studie van woordenschat in functie van de lectuur van teksten plaatsen. Hij zal er dan ook naar streven om in de systematiek van ondervraging dit verband duidelijk te maken: in woordgroepen of kleine zinnetjes wordt de precieze betekenis van woorden met meerdere betekenissen duidelijk en wordt de leerling gedwongen te kiezen.

  • DS 6: een vorm op het juiste grondwoord kunnen terugvoeren is in een lectuurcontext belangrijker dan actief aanvullende gegevens kunnen geven. Daarom ook is DS 6, hoewel ze logisch besloten ligt in DS 5, als afzonderlijke doelstelling opgenomen. Eventueel kan de leraar leerlingen een beperkte lijst van moeilijk herkenbare (bv. ferre, tollere) of sterk op elkaar lijkende (bv. vici - vixi) stamtijden afzonderlijk laten memoriseren.

  • DS 7: het is noodzakelijk om leerlingen systematisch te trainen in het actief op zoek gaan naar de betekenis van woorden op grond van woordsamenstelling of stammen. Het volstaat niet dat de leraar hier occasioneel op wijst. Die 'ontledende' bevraging van woorden moet zich ontwikkelen tot een attitude die ook bij taal- en tekststudie buiten de les Latijn haar vruchten afwerpt.

  • De leraar kan de studie of herhaling van woordenschat zo organiseren dat ook het bereiken van andere doelstellingen ondersteund wordt. Zo kan hij woorden bijvoorbeeld ordenen per paradigma of volgens betekenispatronen (positief-negatief, abstract-concreet …).



        1. Morfologie van het zelfstandig en bijvoeglijk naamwoord, voornaamwoord, telwoord en bijwoord

LEERPLANDOELSTELLINGEN

LEERINHOUDEN

  1. de leerinhouden van de eerste graad kennen en toepassen

  • leerinhouden van de eerste graad

TOELICHTINGEN

  • De leerplandoelstellingen en leerinhouden van de morfologie van het zelfstandig en bijvoeglijk naamwoord, voornaamwoord, telwoord en bijwoord van de eerste graad zijn niet opgenomen omdat er geen elementen bijkomen. Anders dan voorheen is ook congruentie onder morfologie opgenomen (zie leerplan Klassieke studiën deel Latijn eerste graad, DS 18).

  • Zie ook de wenken bij morfologie van het werkwoord.

1   2   3   4   5   6   7

  • Grieks  latijn Tweede graad lATIJN Inhoud BEGINSITUATIE
  • LEERPLANDOELSTELLINGEN, LEERINHOUDEN, PEDAGOGISCH-DIDACTISCHE WENKEN Uitgangspunten en principes
  • Grammaticale terminologie Betekenis van enkele in dit leerplan gebruikte termen
  • Verplichte minimumterminologie
  • Doelstellingen, leerinhouden en pedagogisch-didactische wenken
  • Taalverwerving
  • Woordenschat
  • Morfologie van het zelfstandig en bijvoeglijk naamwoord, voornaamwoord, telwoord en bijwoord

  • Dovnload 459.76 Kb.