Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Tweede graad leerplan secundair onderwijs vvkso brussel d

Dovnload 459.76 Kb.

Tweede graad leerplan secundair onderwijs vvkso brussel d



Pagina6/7
Datum28.10.2017
Grootte459.76 Kb.

Dovnload 459.76 Kb.
1   2   3   4   5   6   7
Lectuurreflectie

Lectuurreflectie is het tweede moment van tekststudie: literaire interpretatie door inhoudelijke en stilistische analyse. Deze doelstellingen en leerinhouden moeten enkel bereikt worden bij behandelde teksten. Bij analoge niet-behandelde teksten kunnen ze een waardevolle uitbreiding zijn.

LEERPLANDOELSTELLINGEN

LEERINHOUDEN

  1. behandelde teksten situeren in het oeuvre van een auteur en in het literair genre (SET 10, 13, 14, 16 )

  • tekstkenmerken van bijvoorbeeld:

  • lyrische teksten (bv. Tristia van Ovidius)

  • epische teksten (bv. Metamorfosen van Ovidius)

  • historiografische teksten (bv. Commentarii van Caesar)

  1. de opbouw van een tekst(fragment) ontleden (SET 3)

  • bijvoorbeeld: chronologische opbouw, het handelingsverloop, spanningsopbouw, ontwikkeling van gedachten en gevoelens

  1. typische stijlmiddelen aanduiden en de functie ervan binnen de tekst verwoorden (SET 3, 12, 13)

  1. de basisregels van prosodie en metriek als hulpmiddel bij de lectuurreflectie toepassen (SET 12)

  • de dactylische hexameter

  1. aan de hand van de tekstinhoud een gemotiveerd oordeel over de communicatieve bedoeling van de auteur verwoorden (SET 21, 23, 24)

  • elementen zoals communicatieve functie van een tekst, lezerssturing

  1. een fragment in een ruimer geheel situeren (SET 10)




  1. vertaalproblemen verwoorden (SET 9, 33, 36)

  • vertaalproblemen zoals het weergeven van een participium, van een periode, van de expressieve waarde van stijlelementen

  1. tekstbegrip tonen door van (fragmenten van) een behandelde tekst een vlotte vertaling te geven (SET 20)




  1. gegeven vertalingen met de gelezen brontekst en met elkaar vergelijken en daarbij verschillen tussen de Latijnse en Nederlandse tekst toelichten (SET 33)

  • de relatie origineel-vertaling en vertalingen onderling

TOELICHTINGEN

  • Bij de lectuurreflectie wordt uitgegaan van een communicatieve benadering van teksten: een tekst wordt opgevat als een ‘teken’ dat door een zender (verteller) veroorzaakt wordt en zich richt naar de potentiële ontvanger (lezer). Dat teken is slechts herkenbaar en verstaanbaar doordat het ingeschakeld is in een code, een geheel van voorhanden zijnde conventies die ons in staat stellen om boodschappen te herkennen en correct te interpreteren.

  • DS 29: Als hoofdtekstgenres onderscheiden we: epiek, dramatiek, lyriek, en eventueel didactiek; maar voor leerlingen zijn vooral de typerende kenmerken van enkele deelgenres relevant, zoals de literaire brief, het epos of epyllion, historiografie…

  • DS 31: vanzelfsprekend is stilistiek geen doel op zich. Het aanbrengen van stilistische begrippen zal niet enkel in functie van maar ook in combinatie met lectuur gebeuren.

  • DS 32: enkele grondbeginselen van prosodie volstaan om, samen met de kennis van het schema van de dactylische hexameter, de facto verzen te scanderen. Het is dus helemaal niet de bedoeling aan de regels van de prosodie en metriek meer aandacht dan strikt noodzakelijk te besteden. Belangrijker dan het ‘technisch’ scanderen is trouwens proberen de leerlingen het ritme van de dactylische hexameter te leren aanvoelen. Scanderen wordt dan geen doel op zich maar brengt meer inzicht bij in de betekenis en de esthetische waarde van een vers. Het is dan ook belangrijk dat de leraar de verzen ritmisch voorleest.

  • DS 33: een auteur heeft steeds bepaalde communicatieve bedoelingen; op basis van de inschatting van de situatie kiest hij voor een specifieke literaire vorm die deze intentie naar zijn idee het best kan overbrengen. Andersom probeert de lezer op basis van een talige, literaire uitdrukking en met behulp van zijn situationele kennis de intentie van de auteur te reconstrueren.

WENKEN

  • Zie ook de Algemene pedagogisch-didactische wenken, punt 4.2 (Lectuur) en 4.4 (Differentiatie) en 4.7.3.2 (Opdrachten per leerstofonderdeel).

  • Net zoals bij taalreflectie zorgt de leraar voor leersituaties waarbij een actieve inbreng van de leerlingen gevraagd wordt. Hij stimuleert de leerlingen om vanuit hun theoretische kennis en verwachtingspatronen zelf een stilistisch-inhoudelijke analyse te maken. Zo maakt hij de leerlingen gevoelig voor de literaire waarde van een tekst.

  • DS 31: de leraar leert de leerling aandacht schenken aan opvallende stijlelementen die de inhoud nuanceren (bv. kracht bijzetten). Een stijlfiguur vinden in een tekst en benoemen is slechts zinvol als tegelijk het effect ervan voor de betekenis van het geheel kan verwoord worden.

  • DS 33: elke tekst vervult één of meer communicatieve functies: hij bevat een mededeling of kennisgeving, een evaluatie die zich uitspreekt voor iets of tegen iets, een oproep of appel naar zichzelf of naar de andere. De nadruk op een van die functies bepaalt de communicatieve bedoeling van de auteur.



  • Vertalingen kunnen een nuttig werkinstrument zijn:

  • Het kan interessant zijn aan de leerlingen naast de Latijnse tekst één of meer vertalingen aan te bieden. Door gerichte vragen kunnen de leerlingen tot tekstbegrip komen.

  • Men kan na de lectuur van een tekstfragment meerdere vertalingen met elkaar confronteren.

  • Het is sterk aan te bevelen de leerlingen uitgebreide passages in vertaling te laten lezen om in het Latijn behandelde tekstfragmenten in het geheel van het werk te situeren. Het wekt bij de leerlingen meer interesse en vergemakkelijkt het tekstbegrip.

        1. Cultuurreflectie

Cultuurreflectie is het derde moment van tekststudie: totaalinterpretatie vanuit de ruimere cultuurhistorische context en transfer naar onze maatschappij door vergelijking en confrontatie.

Deze doelstellingen en leerinhouden dienen enkel bereikt te worden bij behandelde teksten. Bij analoge niet-behandelde teksten kunnen ze een waardevolle uitbreiding zijn.



LEERPLANDOELSTELLINGEN

LEERINHOUDEN

  1. auteur(s) en werk(en) binnen de cultuurhistorische context situeren en die context bij de interpretatie van teksten betrekken (SET 11, 16, 30)

  • cultuurhistorische context van Caesar en Ovidius en van hun werken

  • beïnvloeding van de Romeinse cultuur door de Griekse, zoals de Griekse oorsprong van literaire termen, fabels, mythen, wetenschappen …

  • situering van het Imperium Romanum in tijd en ruimte

  1. gevoelens, opvattingen, waarden en normen van een personage of auteur uit een tekstfragment afleiden (SET 23)

  • bijvoorbeeld:

  1. concepten in verband met de relatie mens-natuur, mens-medemens, mens-samenleving of mens-het goddelijke in antieke cultuuruitingen analyseren en met hedendaagse concepten vergelijken (SET 25, 35)

  • bijvoorbeeld:

  • relatie man – vrouw, patronus – cliens

  • brood en spelen

  • filosofische opvattingen

  • religieuze praktijken zoals de auspicia

  • grafopschriften

  • graffiti




  1. niet-tekstuele cultuuruitingen uit de Romeinse oudheid in relatie met een behandelde tekst toelichten (SET 14, 22, 30)

  • bijvoorbeeld:

  • mythologie

  • voorstellingen van fabels in beeldende kunsten

  1. de diversiteit binnen de Romeinse maatschappij illustreren en samenlevingsproblemen toelichten (SET 26, 28, 31)

  • bijvoorbeeld:

  • de positie en het maatschappelijk aanzien van kinderen, slaven, prostituees, toneelspelers …

  • de verhouding Romein – onderworpen volkeren, vrijen – slaven …

  1. beschrijven hoe Romeinen zichzelf en anderen zagen en hoe wij dat doen (SET 26, 29)

  • bijvoorbeeld:

  1. de groei van het Latijn tot wereldtaal toelichten (SET 27)

  • verspreiding van het Latijn in de veroverde gebieden

  • het ontstaan van de Romaanse talen

  1. de receptie van de Romeinse oudheid illustreren (SET 34)

  • bijvoorbeeld:

  • doorwerking van de Romeinse mentaliteit en cultuur in urbanisatie, architectuur, instellingen

  • de 'divide et impera'-politiek

  • romanisering

  1. aspecten van de Romeinse cultuur creatief verwerken (SET 15)

  • bijvoorbeeld: toneel, (strip)verhaal, gedicht, maquette, video, plastische creaties, cd-rom/dvd

TOELICHTINGEN



  • In de inleiding is er reeds op gewezen dat in de praktijk lectuur- en cultuurreflectie moeilijk te scheiden zijn.

  • In principe worden leerinhouden cultuur aangebracht vanuit of naar aanleiding van teksten. In het eerste jaar van de tweede graad kan dat principe echter bij sommige niet-authentieke teksten niet strikt gehandhaafd worden. Omdat niet-authentieke teksten handboekgebonden zijn, is het onmogelijk om in een leerplan voorbeelden te geven.

  • De uitwerking van het cultuuraspect dient de tekstinterpretatie te ondersteunen: de interpretatie van de teksten hoort erbij te winnen. Doorheen het curriculum kan de kennismaking met de cultuurhistorische context verder verfijnd worden.

WENKEN

  • Zie ook de Algemene pedagogisch-didactische wenken, punt 4.2 (Lectuur) en 4.4 (Differentiatie) en 4.7.3.2 (Opdrachten per leerstofonderdeel).

  • Cultuurreflectie gebeurt het best zoveel mogelijk in combinatie met de lectuur en niet systematisch na de lectuur van een te groot geheel: cultuurreflectie draagt immers bij tot een volwaardig tekstbegrip. Natuurlijk kan de leraar soms de lectuur onderbreken voor samenvattende besprekingen of cultuurtheoretische beschouwingen.

  • In de lessen geschiedenis van het tweede leerjaar van de eerste graad staat Rome op het programma. Door zich te informeren over de behandelde leerstof kan de leraar daarop verder bouwen.

  • Om een leerlijn over de jaren heen te realiseren verdient het aanbeveling voor cultuur een soort vademecum of tijdsband aan te leggen. Dat historisch-cultureel referentiekader wordt per leerjaar concreter ingevuld met de namen van gelezen auteurs, politieke achtergronden … In de tweede graad zal de aandacht dan bijzonder gaan naar de eindfase van de republiek (Caesar) en de beginperiode van het keizerrijk (Ovidius).

  • Het is belangrijk binnen de vakwerkgroep afspraken te maken rond de spreiding van de doelstellingen over de tweede graad en over de twee verplichte auteurs. Bij de eerste kennismaking met authentieke teksten is een gradatie nodig bij het nastreven van de doelstellingen. Zo zullen wellicht de meeste leerplandoelstellingen i.v.m. cultuurreflectie in het tweede leerjaar van de tweede graad aan bod komen.

  • Doelstellingen zoals DS 42 en 45 lenen zich bijzonder goed om in combinatie met de doelstellingen bij Onderzoekscompetentie (SET 36-41) nagestreefd te worden. Zelfstandig opzoekingswerk en het lezen van artikels (al of niet in vreemde talen) zijn hierbij mogelijke opdrachten.

  • Cultuurreflectie als derde moment van de totaalinterpretatie van teksten biedt ook kansen om vakoverschrijdende eindtermen te realiseren.

        1. Caesar

De leerinhouden van dit en volgend (2.3.2.5, Ovidius) punt zijn niet bindend. Zij zijn concretiserend en inspirerend: zij willen de leraar enkel tonen hoe de leerplandoelstellingen en leerinhouden van 2.3.2.1-3 kunnen gerealiseerd worden.

Hoewel discussie over Caesars optreden en zijn werk mogelijk is, blijft hij toch een geschikte auteur om de leerlingen grondig in te leiden in de wereld van de Latijnse literatuur. Van alle antieke auteurs en/of politici is hij voor de leerlingen wellicht (één van) de meest bekende. Helderheid en soberheid van taal, grote aandacht voor formulering en vormgeving kenmerken het werk van Caesar.



Daarnaast bieden de figuur en het optreden van Caesar, alsook zijn werk zelf vele aanknopingspunten om scharniermomenten in de geschiedenis van Rome, onze gewesten en West-Europa te belichten. Actualisatie is daarbij een belangrijk lesdoel: het spel van recht en macht, de verhouding individu - staat, imperialisme en vrijheidsstrijd, eigenbelang en nationaal belang zijn immers vraagstukken van alle tijden. Caesars propaganda en manipulatie kunnen vergeleken worden met of vertaald worden naar hedendaagse vormen van massacommunicatie. Het is juist de combinatie van al die factoren die Caesar tot een geschikte startauteur maakt.

Taalreflectie

DOELSTELLINGEN

LEERINHOUDEN

  • bij de lectuur de belangrijkste morfologische en syntactische eigenheden van Caesars proza herkennen en benoemen (DS 23)

  • eigenheden zoals:

  • het historisch presens

  • de historische infinitief

  • de indirecte rede

  • persoonlijk passief

  • de aangeleerde leesmethode bij de lectuur van Caesar toepassen (DS 24)

  • een leesmethode met aandacht voor:


Lectuurreflectie

DOELSTELLINGEN

LEERINHOUDEN

  • specifieke kenmerken van een historiografische tekst in het proza van Caesar herkennen en benoemen (DS 29)

  • tekstkenmerken zoals:

  • het chronologisch relaas

  • de narratieve stijl

  • oorzakelijk verband

  • teksttypes zoals:

  • verhaal

  • verslag

  • redevoering

  • beschrijving

  • de opbouw van een tekstfragment of episode ontleden (DS 30)

  • structurerende tekstelementen zoals:

  • de grote handelingslijn

  • uitweidingen (bv. anekdotes, beschrijvingen, meningen van de verteller zelf)

  • typische stijlmiddelen van Caesar aanduiden en de functie ervan binnen de tekst toelichten (DS 31)

  • expressieve/suggestieve stijlmiddelen zoals:

  • de zinsbouw

  • de woordvolgorde en de belangrijkste stijlfiguren die dat onderstrepen, zoals anafoor, chiasme, hyperbaton, inversie, polysyndeton, asyndeton …

  • aan de hand van tekstinhoud en -vorm een gemotiveerd oordeel over de communicatieve bedoeling van Caesar verwoorden (DS 33)

  • een fragment in een ruimer geheel situeren (DS 34)

  • bijvoorbeeld een passage in het geheel van Caesars oorlogsdagboek situeren

  • vertaalproblemen bij de lectuur van Caesar verwoorden (DS 35)

  • een complexe periode, de indirecte rede weergeven

  • tekstbegrip tonen door van (fragmenten van) een behandelde tekst een vlotte vertaling te geven (DS 36)





Cultuurreflectie

DOELSTELLINGEN

LEERINHOUDEN

  • Caesar en zijn werk in hun cultuurhistorische context situeren en die context bij de interpretatie van teksten betrekken (DS 38 )

  • leven en werk van Caesar

  • de politieke situatie te Rome

  • de internationale politieke situatie

  • Gallië: geografisch, politiek, economisch, militair, religieus, sociaal, artistiek ...

  • gevoelens, opvattingen, waarden en normen van een personage of Caesar uit een tekstfragment afleiden (DS 39)

  • bijvoorbeeld:

  • onderdrukking

  • vrijheidsstreven

  • loyauteit

  • verraad

  • concepten in verband met de relatie mens-natuur, mens-medemens, mens-samenleving of mens-het goddelijke in antieke cultuuruitingen analyseren en met hedendaagse visies vergelijken (DS 40)

  • bijvoorbeeld:

  • de standen bij de Galliërs

  • godenverering

  • mensenoffers

  • Gallische wetenschap

  • niet-tekstuele cultuuruitingen uit de Romeinse oudheid in relatie met een behandelde tekst toelichten (DS 41)

  • bijvoorbeeld:

  • bouwpolitiek van Caesar

  • wegennet

  • ontstaan van steden rond castra

  • uitrusting van het Romeinse leger

  • de diversiteit binnen de Romeinse maatschappij illustreren en samenlevingsproblemen omschrijven (DS 42)

  • bijvoorbeeld:

  • de verhouding populares – optimates

  • de burgeroorlogen

  • beschrijven hoe de Romeinen zichzelf en anderen zagen en hoe wij dat doen (DS 43)

  • bijvoorbeeld:

  • de groei van Latijn tot wereldtaal omschrijven (DS 44)

  • bijvoorbeeld: het ontstaan van de taalgrens op de grens van Caesars verovering

  • de receptie van de Romeinse oudheid illustreren (DS 45)

  • bijvoorbeeld:

  • Caesars werk als studiemateriaal voor grote generaals na hem

  • Caesar als identificatiemodel voor latere heersers

  • aspecten van de Romeinse cultuur creatief verwerken (DS 46)

  • bijvoorbeeld:

  • het nabouwen van de brug over de Rijn of het kamp van Caesar

  • een modern verslag van de oorlog (bv. communiqué, dagbladartikel, dagboekfragment)

  • de oorlog bekeken door Gallische ogen

TOELICHTING

  • Zoals steeds staat ook bij de indirecte rede het criterium tekstbegrip voorop. Het is zeker niet de bedoeling uitgebreide oefeningen en omzettingen te maken.

WENKEN

  • Bij het leesproces kan het voor de leerlingen een hulp zijn om de structuur van een periode te visualiseren.

  • Het kan de moeite lonen om de leerlingen te laten kennismaken met de ruimere context van een fragment door delen in vertaling te (laten) lezen.

  • Om Caesars leven en werk kritisch te benaderen kan men naast modern wetenschappelijk materiaal ook archeologisch en historisch materiaal gebruiken.

1   2   3   4   5   6   7

  • Cultuurreflectie
  • Caesar De leerinhouden van dit en volgend (2.3.2.5, Ovidius) punt zijn niet bindend
  • Taalreflectie
  • Lectuurreflectie

  • Dovnload 459.76 Kb.