Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Tweede graad leerplan secundair onderwijs vvkso brussel d

Dovnload 459.76 Kb.

Tweede graad leerplan secundair onderwijs vvkso brussel d



Pagina7/7
Datum28.10.2017
Grootte459.76 Kb.

Dovnload 459.76 Kb.
1   2   3   4   5   6   7
Ovidius

Ovidius laat jongeren kennismaken met de boeiende maar ingewikkelde wereld van de Latijnse poëzie. Met zijn muzikale en beeldrijke taal neemt deze geboren verteller zijn lezers op sleeptouw door een doolhof van emoties. Zijn werk is rijk aan menselijke thema's en blijft door de eeuwen heen stof tot navolging en herinterpretatie bieden.

Taalreflectie

DOELSTELLINGEN

LEERINHOUDEN

  • bij de lectuur de belangrijkste morfologische en syntactische eigenheden van Ovidius' poëzie herkennen en omschrijven (DS 23)

  • eigenheden zoals:

  • dichterlijk gebruik van enkelvoud/meervoud

  • Griekse verbuigingsvormen zoals de uitgang –a en –n voor de accusatief enkelvoud

  • -um i.p.v. -orum voor de genitief meervoud

  • -ere i.p.v. -erunt voor de derde persoon meervoud

  • bijwoordelijke bepaling van betrekking

  • de aangeleerde leesmethode bij de lectuur van Ovidius toepassen (DS 24)

  • een leesmethode met aandacht voor:

  • het overwicht van nevenschikking

  • taalpatronen in woordplaatsing zoals enjambement en hyperbaton

  • het metrisch schema van de dactylische hexameter

Lectuurreflectie

DOELSTELLINGEN

LEERINHOUDEN

  • het eigen taalgebruik van dichters ontdekken en interpreteren (DS 29)

  • taalelementen zoals:

  • poëtisch vocabularium

  • dichterlijk gebruik van enkelvoud/meervoud

  • ellips

  • aan de hand van specifieke kenmerken teksttypes en tekstgenres onderscheiden (DS 29)

  • teksttypes zoals:

  • gedicht

  • brief

  • dialoog

  • verhaal

  • subgenres zoals:

  • epos

  • de opbouw van een tekstfragment of episode ontleden (DS 30)

  • structurerende tekstelementen zoals:

  • de indeling van een verhaal uit de Metamorfosen in kortere taferelen

  • de afwisseling tussen beschrijvende passages en dialogen

  • typische stijlmiddelen van Ovidius aanduiden en de functie ervan binnen de tekst toelichten (DS 31)

  • stijlfiguren die de expressieve woordvolgorde onderstrepen zoals anafoor, chiasme, enjambement, hyperbaton, inversie …

  • stijlmiddelen die het suggestieve woordgebruik en betekenisverschuivingen illustreren zoals litotes, metafoor, metonymie …

  • het spel met klanken: alliteratie, onomatopee en de stemming gesuggereerd door de klankkleur

  • de basisregels van prosodie en metriek als hulpmiddel bij de lectuurreflectie toepassen (DS 32)

  • basisregels van prosodie en metriek

  • schema van de dactylische hexameter

  • regels van cesuur

  • elisie

  • een fragment in een ruimer geheel situeren (DS 34)

  • vertaalproblemen bij de lectuur van Ovidius verwoorden (DS 35)

  • vertaalproblemen bij het weergeven van beeldtaal, stijlelementen, ritme, klank …

  • tekstbegrip tonen door van (fragmenten van) een behandelde tekst een werkvertaling, vlotte vertaling of creatieve vertaling te geven (DS 36)





Cultuurreflectie

DOELSTELLINGEN

LEERINHOUDEN

  • Ovidius en zijn werk in hun cultuurhistorische context situeren en die context bij de interpretatie van teksten betrekken (DS 38)

  • gevoelens, opvattingen, waarden en normen van een personage of Ovidius uit een tekstfragment afleiden (DS 39)

  • bijvoorbeeld:

  • Ovidius' houding tegenover zijn verbanning

  • de verhouding man - vrouw

  • gastvrijheid van Philemon en Baucis

  • liefde en seksualiteit binnen de Ars amatoria en de Remedia amoris

  • houding tegenover zelfdoding

  • concepten in verband met de relatie mens-natuur, mens-medemens, mens-samenleving of mens-het goddelijke in antieke cultuuruitingen analyseren en met hedendaagse visies vergelijken (DS 40)

  • bijvoorbeeld:

  • de hybrisgedachte bij Phaëthon

  • de relatie vader-zoon bij Daedalus en Icarus

  • het straffende optreden van Leto tegenover de Lycische lomperds

  • narcisme

  • symboliek van bomen in het verhaal van Erysichthon

  • niet-tekstuele cultuuruitingen uit de Romeinse oudheid in relatie met een behandelde tekst toelichten (DS 41)

  • bijvoorbeeld:

  • afbeeldingen van Orpheus in reliëfs, mozaïeken en op aardewerk

  • Daedalus en Icarus op fresco's en marmerreliëfs te Pompei

  • Narcissus op fresco's, mozaïeken, reliëfs en gemmen te Pompei

  • Adonis op sarcofagen

  • de receptie van de Romeinse oudheid illustreren (DS 45)

  • bijvoorbeeld:




  • aspecten van de Romeinse cultuur creatief verwerken (DS 46)

  • bijvoorbeeld:

  • een passage in een moderne vorm zoals een stripverhaal, filmscenario, toneelstuk herschrijven

  • een beeldmontage, geluidsmontage, mimespel maken

  • een afscheidsbrief van een personage (Icarus, Eurydice, …) schrijven

TOELICHTING

  • In poëzie is het ritme essentieel. Om het ritme te leren aanvoelen is het noodzakelijk dat de leraar de verzen ritmisch voorleest. De grondbeginselen van prosodie en metriek worden slechts aangeleerd voor zover zij mee inzicht bijbrengen in de betekenis en de esthetische waarde van het vers. Scanderen is dus geen doel op zich.

WENKEN

  • Het kan de moeite lonen de leerlingen in functie van de gelezen fragmenten een aparte lijst met frequent voorkomende typisch poëtische woorden te geven.

  • Samenwerking met collega’s van andere vakken kan erg verrijkend en efficiënt zijn.

      1. Onderzoekscompetentie

Opdrachten rond het ontwikkelen van de onderzoekscompetentie hoeven niet omvangrijk te zijn en doen een beroep op de oordeelsvorming van leerlingen op taalkundig vlak, bij tekstinterpretatie of bij culturele en esthetische kwesties. De vakgroep zet in dit verband een duidelijke leerlijn uit, passend binnen de schoolvisie op onderzoekscompetentie, waarbij een dubbele evolutie plaatsvindt:

  • van opdrachten waarbij een aspect van een volledig onderzoek aan bod komt, naar een opdracht waarbij meerdere aspecten aan bod komen;

  • van sterk door de leraar gestuurde opdrachten naar meer open opdrachten.

Die leerlijn wordt uitgezet over de tweede en derde graad. Het kan daarbij zowel gaan om individuele taken als om groepstaken die zo veel mogelijk in de klas uitgevoerd worden. Vanzelfsprekend worden daarbij activerende werkvormen gebruikt. Belangrijk is wel dat leerlingen bewust werken aan (deelfasen van) een eigen onderzoek.




LEERPLANDOELSTELLINGEN

LEERINHOUDEN

  1. een onderzoeksvraag over een gegeven onderzoeksthema met betrekking tot de Latijnse taal, literatuur of cultuur formuleren (SET 36, 38)

  • een onderzoeksmethode met aandacht voor:

  • verschillende soorten onderzoek, zoals een beschrijvend, verklarend en waarderend onderzoek

  • (on)haalbaarheid van een onderzoeksvraag

  • eenduidigheid van een onderzoeksvraag

  • hoofd- en deelvragen

  1. op basis van door de leraar geselecteerde bronnen informatie verzamelen en ordenen, of onder begeleiding de waarde van een bron inschatten (SET 37, 38)




  1. onder begeleiding van de leraar informatie verwerken (SET 38, 39)

  • een onderzoeksmethode met aandacht voor:

  • een kritische houding

  • soorten informatie zoals feit en mening

  • hoofd- en bijzaken

  1. volgens opgegeven criteria schriftelijk of mondeling rapporteren over werkwijze en resultaten (SET 38, 40)

  1. aan de hand van feedback door de leraar of klasgenoten reflecteren op de gevolgde werkwijze, onderzoeksresultaten of rapportering (SET 38, 41)

  • een onderzoeksmethode met aandacht voor:

  • zelfreflectie

  • onderzoeksresultaten van anderen met betrekking tot hetzelfde thema

TOELICHTINGEN

  • Onderzoekscompetentie is een geïntegreerd geheel van kennis, vaardigheden en attitudes. De leerinhouden weerspiegelen dat: zij vormen geen voorwerp van reproductiegerichte kennisvragen maar moeten bij concrete onderzoeksopdrachten geëvalueerd worden. Procesevaluatie is daarbij onontbeerlijk: de deelfasen van een onderzoek dienen elk van feedback voorzien te worden.

  • Onderzoeksopdrachten hebben betrekking op het betrokken wetenschapsdomein. Voor Latijn kunnen zowel taalkundige, literaire als historisch-culturele onderwerpen aan bod komen, al of niet in combinatie.

  • Vertalen kan voortvloeien uit een onderzoeksvraag met betrekking tot tekstbegrip. Vanzelfsprekend mag het aanleren van de onderzoekscompetentie niet tot vertalen beperkt worden.

  • Leerlingen kunnen individueel of in groep aan onderzoekscompetentie werken. Extra opdrachten buiten de lesuren worden in het kader van de haalbaarheid zo beperkt mogelijk gehouden, zowel met het oog op ondersteuning in de klas door de leraar als om de studielast voor de leerling te bewaken.

  • DS 47: het soort onderzoek bepaalt de onderzoeksvraag en onderzoeksmethode.

WENKEN

  • DS 47: leerlingen door henzelf of anderen geformuleerde onderzoeksvragen laten groeperen en klasseren kan een prima insteek zijn om hen met verschillende soorten onderzoek te laten kennismaken.

  • DS 47: een goede onderzoeksvraag formuleren is een even fundamentele als moeilijke taak. Men kan leerlingen daarbij ondersteunen door hen vragen te leren stellen bij geselecteerde informatie zoals vergelijkingsteksten en inleidingen op een auteur of genre.

  • Het is belangrijk dat leerlingen bij het begin van een nieuwe opdracht duidelijk zicht hebben op de volgende aspecten:

  • tijdschema en omvang van het onderzoek;

  • werkverdeling school-thuis;

  • eigen aandeel bij groepswerk;

  • ondersteuning door de leraar;

  • evaluatiecriteria (inhoudelijk en formeel);

  • schoolgebonden afspraken rond onderzoekscompetentie.

  • In het servicedeel zijn enkele praktijkvoorbeelden opgenomen.


1   2   3   4   5   6   7

  • Taalreflectie
  • Lectuurreflectie
  • Cultuurreflectie
  • Onderzoekscompetentie

  • Dovnload 459.76 Kb.