Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Uitgeverij de ster, ginnekenweg 124, 4818 jk breda

Dovnload 2.11 Mb.

Uitgeverij de ster, ginnekenweg 124, 4818 jk breda



Pagina20/53
Datum28.10.2017
Grootte2.11 Mb.

Dovnload 2.11 Mb.
1   ...   16   17   18   19   20   21   22   23   ...   53
91 Alles heeft zijn tijd
[1] .(DE HEER:) 'Ik ben echter een volle dag over Mijn tijd heengegaan tot jullie heil, en het was Mijn grote liefde voor jullie, die Mij dat liet doen.

[2] Jullie moeten dit zeker niet vergeten, en hetzelfde doen als een broeder tegen jullie zal zeggen: 'Verlichte afgezant van de Heer, blijf nog bij mij; want mijn hart vindt een geweldige troost en een grote, weldadige versterking in uw aanwezigheid!' Blijf daar dan, ook al zou het de tijd die jullie door de geest is voorzegd, ver overschrijden! Want waarlijk, Ik zeg jullie: Een dergelijk vrijwillig werk van naastenliefde zal door Mij hoog gewaardeerd worden!

[3] Het is vanzelfsprekend, dat men dit slechts een, twee of drie keer kan doen voor een vriend; vraagt hij dan echter weer om nog langer te blijven, troost hem dan met de verzekering, dat je hem spoedig weer ontmoet en spoor hem aan om voortdurend te handelen volgens Mijn leer, die Ik jullie allen nu gegeven heb, zegen hem dan in Mijn naam en vervolg jullie weg volgens de roeping van de geest, die nu door Mij in je woont als een levend woord en jullie zelf naar het eeuwige leven leidt!"

[4] CYRENIUS zegt: 'Heer, hoe is het nu? Gisteren nacht zei U dat U na deze dag hier weg zou gaan! Is dat al als geheel vaststaand op te vatten? Zou het niet mogelijk zijn dat U, o Heer, ons toch nog een dag schenkt?"

[5] IK zeg: 'De wijze Salomo zei ooit: ' Alles heeft zijn tijd!', en zo heb ook Ik Mijn goede en zeer nauwkeurig ingedeelde tijd, en Ik zal daarom dit keer niet aanjouw verlangen kunnen voldoen; want kijk, in het grote land van de joden zijn veel steden, plaatsen en dorpen, die allemaal door mensen bewoond worden! De meesten weten nog niets van Mij, zijn ook Mijn kinderen en wachten vaak al op de komst van de Vader uit de hemelen, en zullen ook zeer verheugd zijn als Hij door hen, zoals ook nu door jullie, gezien wordt. Maar, Mijn innige vriend, het is zeker niet zo, dat er helemaal niet aan je verlangen tegemoet gekomen wordt! Omdat jullie Mij zozeer liefhebben, wil Ik nog deze hele nacht en van de dag van morgen nog drie uur bij jullie blijven, omdat het ook Mij een gelukkig gevoel geeft om bij jullie te zijn; maar langer dan drie uur is in geen geval mogelijk, want zoals gezegd: Op deze wereld heeft alles zijn tijd en zijn orde!'

[6] CYRENIUS zegt: 'Maar U bent toch ook Heer over de tijd en kunt deze tegenhouden of zelfs ongedaan maken!"

[7] IK zeg: 'Wat je nu zegt is goed en juist! Maar Ik moet je er wel bij zeggen, dat juist omdat Ik Heer ben van de tijd, en de tijd vanuit Mijzelf verdeeld en vastgesteld heb en Ik in zekere zin de tijd eigenlijk Zelfben en omdat deze niets anders is dan Mijn hoogst eigen onveranderlijke orde, is het Mijzelf nagenoeg onmogelijk om in strijd met de tijd te handelen; want als Ikzelf in zou gaan tegen Mijn orde, dan zou je spoedig nog maar heel weinig van al die schepselen zien wier bestaan afhankelijk is van Mijn eeuwig onveranderlijke orde.

[8] Als je slechts een enkelogenblik datgene wegneemt op grond waarvan iets bestaat, dan gaat op datzelfde ogenblik ook datgene, wat daarvan afhangt, teniet. Of stel je een stevige burcht voor op een vaste stenen rots! Je zegt dat deze burcht als voor de eeuwigheid gebouwd is. Indien Ik echter toe zou laten, dat de machtige rots zo zacht als boter zou worden, zou de stevige burcht zich dan ook staande houden?! Of stel je voor dat je op een goed en degelijk schip op zee vaart; zou je iets hebben aan je schip en zelfs aan de beste wind, als Ik het water liet verdrogen tot op de bodem?! Je zult er niet aan twijfelen, dat Ik zoiets goed zou kunnen! Het is dus duidelijk, dat tegelijk met de noodzakelijke voorwaarde, ook datgene wat daarvan afhankelijk is in het water valt.

[9] Ik regel de tijd overal en ben het eeuwige gericht daarin; maar in de heilige sfeer van de liefde bestaat eigenlijk geen tijd meer, en Ik kan alleen aan de liefde altijd nog iets toevoegen. En het blijft precies bij datgene wat Ik nu gezegd heb! Laat Marcus ons nu meer wijn brengen, opdat we de koelte van de nacht beter kunnen verdragen; want we blijven ook deze nacht buiten!"
92 De Farizeeën nemen aanstoot aan de vrolijke maaltijd van de Heer
[1] Marcus had van Mijn vraag naar wijn van veraf nog maar nauwelijks iets gehoord, of hij snelde al als een echte waard naar de kelder en bracht samen met zijn beide zonen meteen verscheidene kruiken vol met het allerbeste druivenat. Onze bekers werden tot aan de rand toe gevuld; allen dronken op het goede gedijen van de nieuwe leer uit de hemelen en konden de heerlijke wijn niet genoeg loven, roemen en prijzen.

[2] Dat Roclus en zijn collega's, die in zekere zin aan onze tafel zaten ­ook al was het dan het nieuw toegevoegde er dwars op staande deels, ook dezelfde wijn kregen, en allengs ook alle andere gasten, spreekt vanzelf; we grepen allen geducht naar de bekers en ook het goede brood werd daarbij niet versmaad.

[3] Maar aan de tafel met Farizeeën, die het dichtst bij de onze stond, waar de vijftig Farizeeën met hun woordvoerder Floran en hun overste Stahar uit Caesarea Philippi zaten, zag men dat ook Ikzelf flink naar de wijn en het brood greep.

[4] En STAHAR maakte tamelijk luid tegen Floran de volgende opmerking: Moet je toch eens kijken hoe deze profeet, die zogenaamd van Gods geest vervuld moet zijn, zich vol laat lopen en gulzig zit te eten! Ook lijkt hij absoluut niet afkerig te zijn van het vrouwelijk geslacht; want dat ene bekoorlijke meisje zit aldoor zo dicht tegen hem aan als zijn beide oren aan Zijn hoofd! En dan te bedenken wat volgens onze zedelijke voorschrif­ten, die van Mozes stammen, de mens allemaal verontreinigt! Als hij werkelijk vervuld is van de geest van de Almachtige, dan kan hij nu toch onmogelijk zelf in strijd met dezelfde geest, waarvan ook Mozes vervuld was, handelen!? Nou, nou, ik vind dat zeer bedenkelijk!

[5] Uit zijn leer en zijn daden blijkt duidelijk, dat hem van God uit een hoger vermogen verleend is dan ooit aan een mens verleend werd, en wie volgens zijn leer leeft kan voor God niet verloren gaan; maar wie zoveel drinkt en eet als hij, zal te zijner tijd na het laatste oordeel, waarover Daniël profeteerde, niet licht het paradijs binnengaan! Want er staat geschreven: 'Hoerenlopers en dronkelappen zullen Gods rijk niet binnengaan! 'Hoe denk jij daarover, mijn altijd zeer gerespecteerde Floran?"

[6] Schouderophalend zegt FLORAN: "Dit huidige grote drinkgelag, want dat is het, komt me ook een beetje merkwaardig voor! Eigenlijk komt deze hele zaak nu op me over, alsof ik iets van een verborgen duivelse streek begin te ruiken! Met helemaal zuiver goddelijke dingen schijnt het daar niet toe te gaan! Wel, moet je kijken, hij heeft zich al weer ingeschonken! Ja, dat is werkelijk meer dan merkwaardig! En nu zo'n brok brood nadat hij een slok heeft genomen! Nou, nou, we zullen eens zien, als hij echt dronken is, wat hij dan aan zijn leerlingen zal geven!"

[7] STAHAR zegt: 'Jouw opmerking, vooral van die duivelse streek, leek me heel toepasselijk, en deze hele komedie komt me nu bijzonder vreemd voor! We hebben ons wel allemaal tot zijn leerlingen laten omvormen; maar als de zaken er zo voor staan, lijkt het me het juiste moment om ons weer met alle macht van die eer te distantiëren, want het lijkt me nu allemaal een geraffineerde begoocheling van satan te zijn! Daniël verkon­digt immers helder en duidelijk, dat er in een bepaalde tijd een machtige tegenstander van God onder de mensen zal optreden, en tekenen zal doen waardoor zelfs de uitverkoren engelen van God verleid zouden kunnen worden, als God dit zou toelaten! Is tenslotte hij nu de omschreven tegenstander van God!? Vrienden, als dat zo is, dan komt het er op aan dat we er zo snel mogelijk vandoor gaan, anders haalt de levende satan ons misschien het komende uur al met huid en haar!'

[8] Met zulke praatjes en commentaren hielden de vijftig Farizeeën aan die tafel zich al bezig vanaf het moment, dat Ik Mijn eerste beker wijn dronk. Roclus en zijn collega's, die toch al met de Farizeeën in hun maag zaten, merkten het echter.


93 Roclus richt scherpe woorden tot de Farizeeën
[1] ROCLUS, die volop overtuigd was van Mijn goddelijkheid, kon deze kwaadsprekerij geen geduldig oor meer lenen; hij stond op, ook reeds door de wijn met een flinke dosis moed toegerust, en zei luid: 'In zo'n hoogst bijzonder gezelschap op aarde, waar God, engelen en wij, Zijn verstandige schepselen, als broeders bij elkaar verblijven, mogen zwijnen geen tafel en geen plaats hebben! Weliswaar zijn ook zwijnen schepselen van God, alleen horen ze niet thuis in het gezelschap van mensen! Wat een onwijs, dwaas geklets! Als hongerige zwijnen beginnen te knorren, dan schuilt daar ongetwijfeld veel meer wijsheid in dan in dergelijk gepraat! Kortom, een Farizeeër is en blijft het toppunt van domheid, walgelijkheid met daarbij heerszucht en kwaadwilligheid, vooral zo'n overste en hoogst erbarmelijke schriftgeleerde van de joden!

[2] Deze onmensen ruiken overal de duivel! Zij zijn zelfs de mening toegedaan en onderwijzen dat ook, dat de duivels op aarde onafgebroken als speurhonden heimelijk jacht maken op alle mensenzielen, en dat ieder mens zonder meer des duivels en verloren is als hij niet gewijde amuletten uit de tempel bij zich draagt en deze ieder jaar minstens twee maal door nieuwe vervangt; maar van het feit, dat juist zijzelf de eigenlijke duivels op deze wereld zijn, merken ze niets! Daarom hoeft het hun helemaal niet te verbazen, als ze onder elkaar iets van duivelse stank in hun neus bespeuren; want dat is immers pas echt des duivels als men zelf een waarachtige vleesgeworden duivel is en niet van tijd tot tijd in de gaten heeft dat men werkelijk een duivel is!

[3] Zeg, jonge man (Raphaël),jij hebt toch daarstraks een steen in het niets laten verdwijnen, -zou het je niet mogelijk zijn om vijftig schurftige zwijnen te laten verdwijnen?! Stel je voor, wat deze kerels hier hardop onder elkaar durfden uit te spreken! Hij, de enige Schepper van wijn en brood zou nu zondigen, omdat Hij Zelf wijn drinkt en omdat een zeker alleronschuldigst engeltje van een meisje aan Zijn zijde zit! Ach, sta me toe, dat is, zolang ik hier ben die de Heer herkend heeft, absoluut ontoelaatbaar! Zij moeten weg! Ze hebben zoveel gehoord en gezien, ­en nu zeggen ze luid: 'Het zou kunnen zijn dat dit allemaal begoocheling van satan is!' Mijn vriend uit de hemelen, ik ben slechts van deze aarde; maar al kost het me zelfs mijn leven, ik duld niet dat zulke zwijnen de Heiligste van alle heiligen zo schandelijk met hun smerige, stinkende venijn bezoedelen! Weg met hen!"

[4] Nu pas werden de vijftig Farizeeën opmerkzaam op de uitval van Roclus, en hun overste STAHAR stond op en vroeg Roclus met een ernstig gezicht: 'Vriend Roclus, heb je het soms over ons?"

[5] ROCLUS zegt: 'Over wie anders? Jullie zijn immers satans zwarte gespuis en kunnen daarom geen licht verdragen! Hoe durven jullie de Heer en Meester van eeuwigheid, die jullie daarvan al zoveel buitengewone bewij­zen met woord en daad heeft geleverd, met jullie oude walgelijke venijn zo schandelijk bezoedelen?! Vrezen jullie dan niet dat zelfs de aardbodem zich hiervoor op jullie zal wreken?! Wie kan Hij zijn, die de berg in zee toeroept: 'Verga en ga te gronde!', en op hetzelfde moment gaat de berg te gronde?! Kan een duivel - volgens jullie opvatting - ooit deemoed en de hoogste liefde tot God en de naaste prediken?! O, jullie enorme ossen en ezels tegelijk, hoe vreselijk woest en verward moet het er in jullie hersenen uitzien, dat jullie niet inzien dat een duivel, als er volgens jullie opvattingen ooit een bestaan heeft, ten opzichte van God de Heer het meest machteloze en daarom allerarmzaligste wezen moet zijn naarmate het verder van de orde van God afstaat!

[6] Wanneer nu volgens het meest wijze en ware woord van de Heer alle kracht en macht slechts in de liefde tot God de Heer bestaat, welke kracht en macht heeft dan jullie Beëlzebub, die vol bittere haat tegen God is, tengevolge van deze smadelijke eigenschap? Als wij mensen al door gebrek aan juiste en ware kennis van God, en alleen daardoor ook zeker door gebrek aan ware en alles uitsluitende liefde tot Hem, zwakke en niets vermogende wezens zijn, hoeveel te meer dan jullie duivels, die God heel goed moeten kennen, maar Hem desondanks haten in een voor ons onbegrijpelijk hoge mate! Wel -, hoe is het mogelijk, dat een wezen dat God volop kent, Hem toch boven alles haat, -waarlijk, om dat te begrijpen en te kunnen verteren heb je zonder meer een Farizeese zwijnemaag nodig! Zo'n maag neemt weliswaar geen varkensvlees tot zich; maar de reden daarvan schijnt te zijn dat, zoals dat in de natuur gebeurt, het ene varken het andere niet vreet!

[7] Ik heb God de Heer nu meer dan alles in de wereld lief terwijl ik Hem pas een heel klein beetje heb leren kennen, en ik voel hoe mijn liefde tot de Almachtige, hoe meer ik Hem leer kennen, steeds groter wordt, en ik voel heel duidelijk in mezelf hoe daardoor ook mijn wilskracht duidelijk machtiger wordt. Zoals ik hier sta, neem ik het helemaal alleen tegen duizend maal duizend legioenen Farizeese duivels op! Met z'n allen kunnen ze nog geen strohalm optillen, - en dan beweren deze kerels dat deze Heiligste der heiligen van God Zijn verrichtingen met behulp van hun ingebeelde duivels tot stand brengt!? o, jullie verdorven gespuis, ik zal die almachtige duivels van jullie wel eens uitdrijven! Komt me goed uit, dat ik nu op deze kerels stuit, daar heb ik lang naar uitgekeken!"
94 Raphaël verklaart voor Roclus de begrippen 'satan , en' duivel'
[1] RAPHAËL zegt: 'Mijn beste vriend Roclus, neem je in acht; want dit waren wel verstokte Farizeeën, maar ze zijn nu leerlingen van ons gewor­den en zullen hun vergissing inzien! En met betrekking tot duivels heb je bepaald nog te weinig kennis om over hun invloed op mensen waar en juist te kunnen spreken. Pas als je daar nadere kennis van hebt, kun je daar ook over praten!

[2] Kijk, wat men 'satan' en 'duivel' noemt, is de wereld met al haar verleidelijke pracht. Natuurlijk is alle materie waar de wereld uit bestaat ook alleen maar een werk van God, en er ligt iets goddelijks in verborgen; maar daarnaast ook leugen, bedrog en verleiding, waaruit dan afgunst, gierigheid, haat, hoogmoed en vervolging ontstaat, en daaruit komt weer onnoemelijk en onmetelijk veel kwaad voort.

[3] En zie, dit valse, de leugen en het bedrog, is nu geestelijk gezien de 'satan', en alle afzonderlijke, daaruit noodzakelijkerwijs voortkomende ondeugden zijn datgene wat men 'duivels' noemt; en iedere ziel die zich geheel en al heeft overgegeven aan een van deze ontelbaar vele ondeugden, is een duivel in eigen persoon en een daadwerkelijke uiting van het een of andere slechte en kwade, en in zo'n ziel bevindt zich een moeilijk uitwisbare neiging om aldoor kwaad te doen op de wijze waarop ze haar leven gegrondvest heeft gedurende de tijd van haar lichamelijk bestaan.

[4] En omdat iedere ziel ook na de dood van het lichaam voortleeft en in de omgeving van deze aarde verblijft, komt het bepaald niet zelden voor dat zo'n ziel zich ook binnen de uitstralende levenssfeer van de mensen begeeft en door middel hiervan met de haar eigen slechte begerigheid ook in diegene iets slechts probeert wakker te maken in wiens levenssfeer zij een heel welkome voeding vindt, omdat deze nog in het lichaam levende persoon een niet onbeduidende natuurlijke neiging en drang in zich heeft tot eenzelfde ondeugd, gewoonlijk tengevolge van een slechte en verwaar­loosde basisopvoeding.

[5] Zulke zielen maken zich zelfs vaak meester van het lichaam van mensen en kwellen daardoor zelfs een ziel die hier en daar zwakke plekken heeft, en de Heer laat dit juist toe, om bij die ziel zo'n zwakke plek beter te maken; want pas daardoor krijgt die geplaagde ziel dan een ware en intense weerzin tegen een bepaalde zondige zwakheid van haar lichaam en stelt tenslotte alles in het werk om sterk te worden op dat punt waarop zij tevoren zwak was, waarbij de genade van de Heet haar ook op het goede moment te hulp komt.

[6] Zie, dit is, verstandelijk beredeneerd, datgene wat een jood, die weliswaar zeer ver afstaat van de waarheid van hoe het eigenlijk is, in feite onder het begrip 'satan' en 'duivel' zou moeten verstaan; maar omdat hij het niet begrijpt, ziet hij 'satan' en' duivel' als een geestelijk gepersonifieerde kwade wilsmacht, die er het grootste behagen in schept om de mensen van de weg af te brengen waarop zij zich binnen Gods orde bewegen.

[7] Maar deze gebrekkige zielen hebben daarbij absoluut geen Gods vijan­delijke bedoelingen; want ten eerste kennen ze God in de verste verte niet, en ten tweede zijn ze te blind, te dom en te dwaas, om wat voor bedoeling dan ook te hebben. Want ze kennen helemaal geen behoefte die op iets anders gericht is dan op zichzelf en ze handelen enkel en alleen uit zelfzucht. Ze trekken alleen tot zich wat hun zelfzucht dient, en onder elkaar zijn ze uiterst wantrouwig; daarom is een gemeenschappelijk ge­richte kracht bij hen absoluut onvoorstelbaar, en daarin heb je dan helemaal gelijk dat hun kracht totaal niets te betekenen heeft.

[8] Dat wil zeggen, dat hun kracht niets is ten aanzien van mensen die zich eenmaal volledig de liefde en de wil van de Heer hebben eigen gemaakt. Maar bij mensen die nog halfslachtig zijn, bij wie noch het geestelijke ­noch het materiële de doorslag geeft wanneer je dat in de weegschaal zou leggen, kan toch een duidelijk merkbaar overwicht aan de materiële kant van de morele weegschaal ontstaan, wanneer er in hun ziel de een of andere begeerte aanwezig is die door toedoen van een gelijkgestemde demon versterkt wordt. Dan maakt de ziel zich natuurlijk veel moeilijker uit het materiële los om in het geestelijke over te gaan.

[9] Als een ziel in het materiële vertoeft, dan gaan er na verloop van tijd ook steeds meer gelijkgezinde demonen aan de materiële levensweegschaal hangen, deze slaat steeds duidelijker door, het materiële wordt op die manier steeds zwaarder en het geestelijke natuurlijk geringer. En zie, zo blijkt dan, dat de 'duivels' van de joden of de 'demonen' van de Grieken uiteindelijk toch in de ziel, in de tijd dat deze zichzelf ontwikkelt, een zeer aanzienlijke schade kunnen aanrichten, zonder dat ze eigenlijk de wil hadden haar schade toe te brengen!"
95 Roclus' tegenwerpingen
[1] ROCLUS zegt: 'Hoe kan een intelligent wezen iemand schade toebrengen zonder dit te willen?! Een demon moet immers nog altijd minstens zoveel zelfbesef en zelfbewustzijn hebben, dat hij weet wat hij wil; en als hij dit weet, is hij strafbaar voor zijn kwade wil! En het toelaten van zulke geheime influisteringen van kwade demonen in een onschuldige mensenziel vind ik ook niet helemaal in orde; als ze al om een of andere geheime wijze reden toegelaten worden, dan kan die arme ziel toch niet schuldig zijn als ze door de heren duivels bedorven wordt!

[2] Als de duivels echter geen intelligentie hebben en derhalve nog minder een vrije wil, dan kunnen ze de zielook geen schade toebrengen, -en als ze haar al schaden, dan heeft noch de ziel die beschadigd werd noch de duivel die geen intelligentie of wil heeft, enige schuld; die komt dan alleen op rekening van degene die zoiets toeliet! Zo oordeel ik daar vrijuit over en ik aarzel geheel niet om dit hier openlijk uit te spreken!

[3] Maar hebben de duivels, zoals men zegt, zelfs een zeer scherpe intelligentie -wat waarschijnlijk zo is, omdat ze bij een arme ziel meteen in de gaten krijgen op welk punt deze in de materiële sfeer zwak is -, dan hebben ze ook een wil die haar schade toe wil brengen; en ook in dit geval is de ziel zonder schuld, en dragen alleen de duivels en degene, die ze toeliet, hier wederom alleen de schuld!

[4] Geef mij wapens en zeg me wie de vijand is, dan zal ik zeker verhoeden dat hij mij gemakkelijk te lijf gaat! Maar als ik de vijand, die mij aanzienlijke schade kan toebrengen doordat hij mij heimelijk en onzichtbaar tot de afschuwelijkste ondeugden kan verleiden, niet ken, en ik dan bovendien naderhand nog de schuld en de hoogst kwalijke gevolgen ervan moet dragen, -nou, dan bedank ik voor zo'n leven!

[5] Dat is dan hetzelfde als een zwak iemand naakt uitleveren aan een kudde hongerige wolven, hyena's, leeuwen, tijgers en panters. Als hij zich door hen heeft laten verscheuren en opvreten, draagt hij ook nog de schuld, en moet daarom ook nog door de rechter veroordeeld worden, omdat hij zich als een geheel weerloos, zwak wezen ten eerste door bewapende, meedo­genloze beulsknechten naar de wildernis heeft moeten laten slepen, en ten tweede, omdat hij daar door de wilde dieren is verscheurd en opgevreten!

[6] Hoe bevalt jouw hemelse wijsheid het voorbeeld van een dergelijke rechtspraak?! Vriend, als het zo gesteld is met demonen en duivels, en de arme ellendige mensenziel is de enige die de schuld en de gevolgen ervan draagt, met of zonder intelligentie en wil van de haar tot verderf strekkende duivels -dan, dan is er geen wijze, liefdevol rechtvaardige God, maar misschien enkel zo'n toverachtig, blind, almachtig wezen, dus een soort fatum, dat steeds evenals de hooggeplaatste Romeinen de grootste vreugde beleeft aan dieren die tegen elkaar opgehitst worden en woeste stierenge­vechten, en waartegen de mens alleen maar kan zondigen als hij zich met de juiste middelen heeft ingespannen om wijsheid te bereiken!

[7] Voorwaar, ik zeg je: Als het echt zo is als je zegt, dan hebben de Farizeeën wel gelijk! Ik heb de Heer Zelf over zo veel horen spreken en ik kan op basis daarvan zeggen, dat jij, mooie bode van Gods hemelen, er dit keer een beetje naast zit; en ik blijf erbij, dat ik alleen met mijn huidige liefde tot de Heer het eerder genoemde aantal Farizeese duivels totaal uit het veld sla!'
96 Demonen en hun invloed
[1] RAPHAËL zegt, terwijl hij zachtmoedig glimlacht: 'Zie, mijn vriend, ook jij hebt al drie volle bekers wijn achter je kiezen, dat wil zeggen de geest daarvan en daarom is je verstand nu nog kritischer dan daarvoor! Je hebt aan jouw kant gelijk als je beweert dat de demonen, al is hun aantal nog zo groot, absoluut geen enkele macht kunnen uitoefenen over een mens die zich volledig in de liefde tot God bevindt; want van een onderling verenigde kracht kan bij hen geen sprake zijn daar ieder van hen zich in de grootste zelfzucht en eigenliefde bevindt en daarom niemand op de gedachte komt om z'n buurman op een of andere manier te steunen, uit vrees dat deze heimelijk en heel verborgen weer een voordeel zou kunnen behalen, waardoor het hem dan zeker tevergeefs zou berouwen.

[2] Als ze met elkaar in zekere zin op roof uitgaan, dan verraadt ook niemand aan de ander zijn zorgvuldig geheim gehouden plan, en komen ze dan als toevallig op de plaats van de roof samen, dan ontstaat daar tussen hen zelf vaak de bitterste oorlog. Want degene die zich het eerst op de buit werpt, is een vijand van ieder die zich buiten hem ook op de buit werpt, en hij probeert deze te verdringen. Een derde maakt volleedvermaak van deze gelegenheid gebruik en steelt dan voor zichzelf; en begint naast hem ook een vierde voor zichzelf te stelen, dan vliegen deze twee elkaar ook in de haren en dan steelt nummer vijf weer rustig voor zichzelf: Komt er een zesde bij, dan ontstaat er onmiddellijk weer een nieuw gevecht, en dan kan nummer zeven weer net zolang zijn gang gaan tot de achtste in zijn buurt komt. Allen vechten nu en niemand laat zich door de ander de plaats van de roof en de reeds gemaakte buit zelf ontnemen.

[3]Je ziet, dat daarbij zeker geen enkele duivel de ander op wat voor manier dan ook helpt; maar door hun hoogst zelfzuchtige neiging vermeerderen ze desondanks het gewicht van de algemene buit en het gaat dan ongeveer zo, als wanneer je twee volkomen gelijke gewichten op de schalen van een weegschaal legt en deze daardoor aan geen van beide kanten doorslaat­. Maar smeer je een drupje honing, dat nauwelijks iets weegt, op een gewicht, dan lokt de zoete geur meteen duizenden bijen; deze zullen op het gewicht gaan zitten en onwillekeurig direct een doorslag tot gevolg hebben.

[4] Kun je God daarom van onwijsheid beschuldigen, omdat Hij de bij het reukvermogen en de begeerte naar honing heeft gegeven en de honing zelf de geurige en aanlokkelijke zoetheid?! Of is de Heer onwijs, omdat Hij Zijn schepselen niet alleen hoogst doelmatig, maar ook buitengewoon mooi, ieder schepsel op zijn eigen manier, gevormd heeft?! Is het soms onwijs van Hem, dat Hij een jonge vrouw een buitengewoon bekoorlijke en aantrekkelijke vorm heeft gegeven, zodat zij voor de zintuigen van de grovere man op deze wereld de allerhoogste waarde heeft en hij zijn vader en moeder verlaat om met intens genoegen zijn tedere en lieve vrouw toegedaan te zijn?!

[5] En zoals al in de buitenwereld is te zien dat het ene wezen het andere op een bepaalde manier aantrekt, des te meer is dat in de wereld van de geesten het geval; en als dat niet zo was, hoe zou er dan een aarde, een maan, een zon en talloze andere hemellichamen in de onmetelijke schep­pingsruimte kunnen bestaan?! Een atoom voelt zich aangetrokken tot zijn buurman; beide trekken elkaar aan. Wat deze beide doen, doen dan talloze aeonen atomen, al het gelijke trekken ze aan, en tenslotte ontstaat daaruit een wereld, zoals de Heer dit de afgelopen nacht aan al Zijn leerlingen heel tastbaar heeft laten zien en zoals je dit in het aan jullie overhandigde grote boek ook volop beschreven zult vinden.

[6] En als het zo is, is het dan onwijs van de Heer, dat Hij, omdat dit strikt noodzakelijk is, iedere ziel haar onvoorwaardelijke vrijheid van wil en kennis laat en daarnaast natuurlijk ook de daaruit voortkomende gevolgen?! Of zou je God als uiterst wijs kunnen prijzen, als iemand van hier naar Jeruzalem zou willen reizen en daarvoor zijn voeten ook in beweging zou zetten, maar ondanks al zijn wil en zijn goede kennis van de weg niet in Jeruzalem zou komen, omdat God niet wilde dat iemand het overeenkom­stige resultaat van zijn willen en kunnen ten deel valt; maar dat deze mens in plaats van in Jeruzalem, waar hij belangrijke zaken heeft te regelen, in Damascus zou komen, waar hij helemaal niets te doen heeft?! Zeg me, of je zo'n goddelijke voorziening voor wijs zou houden! Of vind je het ongerijmd, als je op 'n dag wanneer je geheel met honing bestreken de vrije natuur ingaat, eenvoudig bedolven en opgegeten wordt door bijen, wespen, horzels en allerlei vliegen?!

[7] Wanneer nu echter jouw ziel de een of andere geur van een zondige neiging inje uitstralende levenssfeer verspreidt en de reeds van het lichaam bevrijde, maar nog in eenzelfde lievelingsgeur verkerende zielen deze geur in jouw uitstralende levenssfeer als het ware ruiken, tenslotte op je afstormen en zich tegoed doen aan jouw overvloed, zonder eigenlijk te weten wat ze doen, maar enkel en alleen in steeds grotere getale op je afkomen omdat ze in jouw sfeer de kost vinden die ze wensen, dan is dat zeker niet onwijs van de Schepper, die eeuwig niets zozeer respecteert dan de onvoorwaardelijke vrijheid van iedere ziel. Immers, iedere ziel heeft toch altijd middelen genoeg in handen om zich van de ongewenste gasten te ontdoen, zo vaak en wanneer ze dat wil!

[8] Wil je buiten in de natuur niet door stekende insekten lastig gevallen worden, was en reinig je dan van die dwaze honinglaag, dan zul je met rust gelaten worden; en als je niet door demonen, die je ziel zwak maken, lastig gevallen wilt worden in je uitstralende levenssfeer, maak dan de jou bekende orde van de Heer tot je levensprincipe, dan verzeker ik je, dat geen enkele demon in de buurt van je levenssfeer zal komen!

[9] Geloof me, als je door een in en uit jezelf ontstane levensverkeerdheid de demonen niet lokt en aantrekt, dan zullen ze jou zeker niet aantrekken, verlokken en verleiden; heb je ze echter aangetrokken, dan heb je het aan jezelf te wijten als ze, zonder het eigenlijk te willen, door hun aandrang jouw ziel in diezelfde slechte neiging nog meer zullen verharden."

1   ...   16   17   18   19   20   21   22   23   ...   53


Dovnload 2.11 Mb.