Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Uitgeverij de ster, ginnekenweg 124, 4818 jk breda

Dovnload 2.11 Mb.

Uitgeverij de ster, ginnekenweg 124, 4818 jk breda



Pagina26/53
Datum28.10.2017
Grootte2.11 Mb.

Dovnload 2.11 Mb.
1   ...   22   23   24   25   26   27   28   29   ...   53
122 Het belang van het daadwerkelijke christendom
[1] (DE HEER:) 'Jullie kunnen Mijn leer van woord tot woord met onuit­wisbare letters voor alle tijden der tijden optekenen, zodat er geen letter van verloren gaat, en jullie kunnen haar nog zo prediken en voorlezen aan alle volkeren, en als deze volkeren dan luidkeels roepen: 'O, kijk eens, dit is een zeer voortreffelijke leer en de mond van een God waardig!', maar er dan toch niemand mee aan het werk wil gaan en volop actief wil worden volgens de principes ervan en volgens hetgeen erin verlangd wordt, -heeft deze leer van Mij dan voor iemand enig nut, ook al is zij nog zo zuiver bewaard? Ik zeg jullie: Dat heeft geen enkel nut! Of heeft een zieke iets aan een medicijn, als hij dit niet inneemt en niet volgens het voorschrift van de ervaren arts gebruikt?!

[2] Als iemand echter maar iets van Mijn leer weet en dat meteen in praktijk brengt, dan zal hij daar al duidelijk een groter en levender nut van hebben dan iemand anders die weliswaar met alle eerbied over Mij en Mijn leer spreekt, maar nooit bij zichzelf het besluit kan nemen om haar in de daad om te zetten. Want de eerstgenoemde zal, doordat hij handelt volgens het weinige dat hij vernomen heeft, dit ook juist in zijn ziel tot leven brengen, en het kleine zaadje zal spoedig een grote oogst vanuit de levende geest opleveren die geen enkele kwade macht ooit meer kan vernietigen, terwijl de ander die Mijn leer aanprijst en zorgvuldig bewaart, door geestelijke honger geplaagd ook alle andere leren er bij zal halen en daarbij toch nog van geestelijke honger zal sterven. Zal diens ziel Mij aan gene zijde dan herkennen, als zij hier door haar doen en laten niet de ware geest van Mijn woorden geheel en al naar waarheid eigen heeft gemaakt?

[3] Stel, dat iemand van Mijn leer niet meer weet dan alleen dat men God boven alles lief moet hebben en zijn naaste als zichzelf, en hierover ernstig zou denken: 'Kijk, dat is een goede leer! Er moet een allerhoogst goddelijk wezen bestaan, dat in overeenstemming met alles wat door Hem is geschapen, zeer goed en buitengewoon wijs is en leeft en zich beweegt. ­Dit derhalve buitengewoon goede, wijze en almachtige Wezen moet men dus ook meer achten, waarderen, eren en liefhebben dan al het andere in de wereld. Mijn medemens is evengoed als ik een mens en door de Schepper met dezelfde rechten in deze wereld geplaatst. Hij mag daarom niet te gering geacht worden, maar mijn verstand zegt me zelfs dat ik voor hem hetzelfde over moet hebben als voor mezelf. Want acht ik hem te gering, dan doe ik dat ook mezelf, omdat ik ook slechts een mens en verder niets meer ben. Ik erken dat als een eerste levensprincipe, en wil me daar dan ook om te beginnen voor mijzelf daadwerkelijk streng aan houden!'

[4] Deze mens doet dat nu en probeert ook zijn omgeving daartoe te bewegen, deels door zijn voorbeeld en deels door zijn heel eenvoudige en sobere leer; zo vormt hij zijn gezin tot een waar toonbeeld van ware en God toegewijde mensen. En wat zijn in korte tijd de vruchten van deze prijzenswaardige onderneming? De mensen leven in vrede. Niemand verheft zich boven de ander. De verstandige zet zich er voor in om met veel geduld en liefde de minder begaafde op gelijk niveau te brengen, en maakt hem opmerkzaam op alle wonderen in de schepping die hij kent, en is gelukkig dat hij de zwakkere kon helpen.

[5] En omdat dit allemaal praktisch gebeurt, wordt het ook in het leven van de ziel opgenomen; daardoor wordt de ziel dan ook duidelijk steeds actiever en krachtiger:'
123 Wijsheid als gevolg van liefdevolle werkzaamheid
[1] (DE HEER:) 'Hoe werkzamer het er in de ziel aan toe gaat, des te lichter wordt het daar ook; want het basiselement van het zieleleven is het vuur. Hoe heviger dit element begint te werken, des te meer licht verspreidt het in en buiten zichzelf: Als de ziel dus steeds meer gloeit van leven, dan wordt het leven in haar ook steeds lichter en helderder en begint de ziel door dit intensievere levenslicht ook steeds meer de innerlijke levensgeheimen te doorzien en te begrijpen.

[2] Dit diepere schouwen en begrijpen verschaft de ziel weer nieuwe moed om God nog inniger lief te hebben en te bewonderen, en deze liefde is dan al een eerste vonk van Gods geest in de ziel; deze vonk groeit en neemt geweldig toe en korte tijd daarna worden de ziel en Gods geest geheel één, en de ziel wordt dan door de geest van God in alle waarheid en wijsheid binnengeleid.

[3] Als voor zo iemand nu alle wijsheid toegankelijk is geworden, zoals Ik jullie nu gedurende een aantal dagen aan een stuk door heb gepredikt en ook inderdaad heb laten zien, zeg Me dan eens, of dat soms is toe te schrijven aan het feit, dat aan deze mens elk van Mijn woorden die Ik tot Jullie heb gesproken, letterlijk precies en onveranderd is overgeleverd! 0 neen! Hem is niets anders ter ore gekomen dan enkel de beide wetten der liefde, alleen doordat hij deze precies, gewetensvol en daadwerkelijk in praktijk heeft gebracht, heeft hij al het overige verworven!

[4] Ofschoon Ik deze zaak aan jullie toch beslist door en door duidelijk heb uiteengezet, vragen sommigen van jullie zich toch af: 'Ja, hoe is het nu mogelijk dat door het praktisch in acht nemen van de beide geboden de ziel tot zo'n hoge wijsheid verheven wordt?' En Ik zeg jullie: Dat komt, omdat de ziel reeds vanaf het eerste begin zo is ingericht!

[5] Hoe wordt dan een druif rijp, zoet en geestrijk -het is immers maar een heel eenvoudig natuurlijk gewas? Dit wordt bewerkstelligd door het licht en de warmte van de zon. Door het licht en door de warmte worden de natuurgeesten in de wijnrank steeds actiever. En doordat ze steeds actiever worden en als het ware steeds bedrijviger door elkaar bewegen en er wrijving ontstaat, worden ze in zichzelf ook steeds vuriger en ontstaat er in hen steeds meer licht. En doordat ze in zichzelf steeds helderder en lichter worden, wordt ook wederzijds hun specifieke intelligentie* (* oorspronkelijk: Spezialintelligenz) ver­hoogd; hoe lichter hun intelligentie wordt, des te duidelijker wordt het hen dat ze tot een en dezelfde orde behoren; ze beginnen elkaar te omvatten, zich te ordenen en zich te verenigen. Als dit zich geheel en al heeft voltrokken, is de druif ook rijp en goed eetbaar geworden.

[6] Wanneer men het sap heeft verzameld en in een vat heeft opgeslagen, dan dulden de goed geordende natuurgeesten niet meer dat een vreemde stof, die natuurgeesten van een heel andere orde bevat, de goede orde verstoort die de natuurgeesten van het druivensap nu hebben aangenomen. Zodra zich iets vreemds in de most bevindt, dat tot een andere orde behoort, gist en bruist hij net zo lang tot het vreemde verwijderd is of tot het zich volledig naar zijn orde heeft gevoegd. Pas als dat gebeurd is, ontwaakt de geest van het innerlijke licht en de innerlijke warmte uit alle nu goed geordende natuurgeesten van het zuiver geworden druivesap; en de voorheen nog onzuivere most is daardoor tot een geestelijk sterke en zuivere wijn geworden.

[7] Dit is dus allemaal door de zon bewerkstelligd, dat wil zeggen door het licht en de warmte ervan. En precies zo gaat het met de mens en zijn ziel! Wanneer hij door een wet in acht te nemen die de beste orde uit God behelst, zijn ziel tot een steeds grotere werkzaamheid kan brengen, zal het in zijn zielook steeds lichter en levenswanner worden in alle sferen van het leven. Daardoor zal zij zichzelf steeds helderder en zuiverder kennen en zo ook de goddelijke kracht, die steeds meer in haar binnenstroomt en ook een steeds intenser en hoger leven in haar doet gedijen.

[8] Als de ziel deze kracht herkent, dan herkent ze ook God, van wie deze kracht uitgaat. En als ze dit noodzakelijkerwijs moet beseffen, dan kan het niet anders dan dat ze God ook steeds meer en meer liefheeft. Met deze liefde verwijdert ze dan zelf al het vreemdsoortige uit haar steeds zuiverder en volmaakter wordende levensorde en wordt steeds meer één met de orde van Gods geest in haar; omdat dit echter begrijpelijkerwijs het geval is en ook zeer zeker moet gebeuren, is het natuurlijk vanzelfsprekend, dat zo'n ziel, die dan geheel doordrongen is van Gods geest, wel op allerlei manieren moet groeien, ook wat kracht en sterkte betreft; en zo wordt zij zeker een waar kind van de allerhoogste God.

[9] Wanneer zo'n ziel dan tenslotte het lichaam verlaat en in het grote hiernamaals natuurlijk in het volste bewustzijn aankomt, dan zal ze ook God zeker meteen herkennen, omdat ze hier al volledig één met Hem is geworden en Hem tot het volste en helderste bewustzijn in zichzelf heeft gebracht, en dit om de duidelijke reden dat het bewustzijn van Gods geest, dat immers eeuwig het allerhelderste is, nu in zekere zin tot het helderste­ verenigde bewustzijn van de ziel zelf is geworden"
124 Het wel goed weten, maar niet doen
[1] (DE HEER:) 'Is het met al deze dingen dus alleen maar zo en nooit anders kan zijn, hoe onbeduidend lijkt dan jullie bezorgdheid over het zuiver houden van een tot jullie gericht woord! De mens heeft hier slechts heel weinig van nodig, maar een heel klein mosterdzaadje; als hij dit in de levensaarde van zijn hart legt en het dan ijverig en daadwerkelijk verzorgt, zal er een boom uit groeien en onder de takken van deze boom zullen ook de vogels van de hemelen hun woning vinden.

[2] Bezitten de Farizeeën soms niet de boeken van Mozes en de profeten nog volkomen zuiver en zonder dat er ook maar een lettergreep aan ontbreekt?! Maar wat brengt hen dat verder? Ondanks alles zijn het toch nog verscheurende wolven, die in schaapskleren rondlopen om des te meer verwoesting aan te richten op de vreedzame weiden der lammeren!

[3] Ik zeg jullie: Al het uiterlijke, al is het op zichzelf nog zo zuiver, doodt; alleen de geest heeft het leven en maakt alles levend waar hij in doordringt. Jullie moeten Mijn leer daarom ook heel kort en eenvoudig samenvatten, slechts voorzover de mensen deze over het algemeen nodig hebben. En wie deze leer in praktijk brengt, zal ook in de mate van zijn werkzaamheid de geest van God in zichzelf opwekken, en pas dan zal deze geest in het licht en het vuur van alle waarheid de ziel tot leven wekken, die dan in alle waarheid en wijsheid uit God binnengeleid zal worden; zij zal dan in en uit zichzelf dit en nog onuitsprekelijk veel meer, wat Ik jullie heb verteld, allerduidelijkst vernemen.

[4] Stel je nu voor dat Ik jullie Mijn hele schepping heel analytisch van het grootste tot en met het kleinste op wonderbaarlijke wijze zou onthullen door vele duizenden van Mijn engelen te ontbieden en hun op te dragen om alles op te schrijven met de hun mogelijke bliksemsnelle manier van schrijven! Ten eerste zouden we daarvoor zoveel van het witte perkament nodig hebben, dat daar bij lange na geen plaats genoeg voor zou zijn in een hele hulsglobe; en zeg Mij eens in de tweede plaats, als al deze eindeloos vele vellen volgeschreven zouden zijn, wanneer zouden jullie dan klaar zijn met het doorlezen van al deze geschriften! Ik hoop nu, dat jullie een beetje beginnen in te zien hoe dwaas dat zou zijn!

[5] Ga naar Memphis, Thebe, Karnag en Alexandrië! Daar zullen jullie bibliotheken aantreffen, allemaal zo echt en juist mogelijk; maar Ik verze­ker jullie, dat geen mens ze in vijfhonderd jaar geheel en al kan doorlezen! Er zou werkelijk Methusalems leeftijd voor nodig zijn om alle schriften en tekens slechts éénmaal door te lezen! En wat zou iemand er aan hebben als hij deze verbazingwekkende moeite zou hebben genomen? Hij zou het gelezene zeker al van dag tot dag, ja uiteindelijk, als hij al flink in de war geraakt zou zijn, van uur tot uur en van minuut tot minuut totaal vergeten, en er voor zijn leven ook niet het minste profijt van hebben.

[6] Merken jullie nu wat voor een totaal andere weg Ik jullie met Mijn leer wil wijzen; waarop men binnen de kortste tijd, als men het maar echt wil, toegang tot alle wijsheid der hemelen verkrijgen kan!

[7] Ik ben deze weg, en de waarheid en het leven. Wie Mij waarachtig liefhebbend in zijn ziel heeft opgenomen, maar niet alleen maar gelovig wat betreft het vernomen woord, maar ook geheel en al wat zijn handelen betreft, tot hem zal Ik altijd in de geest komen, en Ik zal Mij aan hem openbaren en hem verlichten zoals een helder opgaande zon de voordien duistere velden van de aarde.

[8] Met één innerlijke, geestelijke blik zal hij meer over de diepste oorsprong leren kennen dan door tienmaal honderdduizend jaar lang te lezen, gesteld dat het iemand gegeven was om zo lang te leven.

[9] Jullie hebben nu zelf sinds verscheiden dagen, die Ik steeds onderwij­zend en handelend in jullie midden heb doorgebracht, toch heel wat vernomen en gezien, en jullie ziel is daardoor zeer wakker gemaakt, en in jullie hart is liefde, geloof en volledig vertrouwen gekomen; maar als je het alleen hierbij zou laten, dan zouden jullie er werkelijk nog weinig aan hebben voor je ziel, en jullie kennis en weten zou niet meer worden dan wat het nu is.

[10] Jullie moeten van nu af aan zelf werkzaam worden volgens Mijn leer, dan zal je ziel levendiger en lichter worden en pas dan zal Mijn geest in jullie ziel Zijn intrek nemen en je in alle wijsheid binnenleiden.

[11] Daaruit bestaat dus de nieuwe school van het ware leven en de enig ware kennis van God en het leven zelf, en Mijn leer heet een waar evangelie*,

(* 'Evangelie' betekent: 'goede, blijde boodschap') omdat het de mensen leert gaan op de enig juiste en ware weg ter verkrijging van het ware eeuwige leven en van de enige ware liefde en wijsheid van God.

[12] De leer is weliswaar niet groot, en als ze in een boek wordt geschreven, kan ze door iedereen die kan lezen in enkele uren doorgelezen worden. Maar hoe ijverig men ook leest, alleen door te lezen zal men er niet meer profijt van hebben dan wanneer iemand alleen maar uiterlijk met Mijn leer heeft kennis gemaakt, -wat wel in de eerste plaats dient te gebeuren.

[13] Want dit is te vergelijken met een eerste noodzakelijke stap om op reis te gaan; want als Ik van hier naar bijvoorbeeld Damascus zou moeten reizen en nooit de eerste stap zou zetten, dan spreekt het vanzelf dat Ik ook de tweede stap niet zal kunnen zetten en nog minder de daarop volgende stappen die Mij naar Damascus moeten brengen. Maar ook als Ik de eerste stap nog zo stevig zet, en daarna ook de tweede, derde en vierde, dan heeft dat nog geen enkele zin wanneer Ik daarna blijf staan, en het teveel inspanning zou vinden om zo lang door te blijven lopen tot Ik in Damascus ben aangekomen.

[14] Ik heb jullie nu heel duidelijk gemaakt wat je moet doen om waarachtig het eeuwige leven en al zijn gerechtigheid te verwerven. Handel daar dus naar, dan zal Mijn belofte aan jullie allemaal volledig in vervulling gaan; want van het vele wat Ik tot nog toe geopenbaard heb, is dit, wat Ik je nu gezegd en geopenbaard heb, wel het grootste en het belangrijkste voor jullie leven.

[15] Ik heb jullie nu heel veel wonderen van Mijn scheppingen onthuld en geopenbaard, en daarom hebben jullie van Mij heel veel geleerd; maar jullie weten nu enkel wat je hebt gehoord en gezien. Meer dan dat weten jullie echter niet. Maar met de huidige openbaring heb Ik jullie nu haarfijn en overduidelijk getoond, wat jullie en iedereen te doen staat om tot de onbegrensde zelfaanschouwing van alle wonderen van de eindeloos grote schepping van God te geraken, die dan niet meer zal vergaan, maar eeuwig zal blijven bestaan."


125 De noodzaak om zichzelf te onderzoeken
[1] (DE HEER:) "Dus jullie moeten nu je best doen om hiernaar te handelen; doe alle moeite en onderzoek jezelf of je niets nalaat, zodat je uiteindelijk niet hoeft te zeggen: 'Kijk nu eens, nu heb ik gedurende tien tot twintig jaar alles gedaan wat de nieuwe leer me voorschreef, en toch ben ik nog geen stap verder gekomen, ik merk nog altijd niets van een bijzondere verlichting in mezelf, en van het zogenaamde eeuwige leven bespeur ik ook nog bitter weinig in mezelf! Wat mankeert er dan nog aan?'

[2] En daarom zeg Ik tegen jullie: Ga zorgvuldig bij jezelf na, of er niet nog sterke, wereldse, baatzuchtige gedachten jullie hart besluipen, of jullie hart, en daarom ook jullie ziel, niet af en toe bevangen is door hoogmoed, door een zekere te overdreven zuinigheid -een jongste zus van gierigheid -, eerzucht, neiging tot oordelen, graag gelijk willen hebben, neiging tot lichamelijke wellust, en door meer van dergelijke zaken! Zolang dit nog bij de een of de ander het geval is, zal hij de belofte, dat wil zeggen het volledig in vervulling gaan ervan, aan zichzelf nog niet meemaken.

[3] Want kijk maar naar de most en de zuivere, geestrijke wijn in een vat of een zak! Zolang er zich nog grove en vreemde bestanddelen in de most bevinden, zal deze gisten en niet tot zuiverheid komen; maar als deze bestanddelen er eenmaal geheel en al uit verwijderd zijn, wordt het rustiger en rustiger in het vat, de most wordt helder en wordt een zuivere, volle geestrijke wijn­

[4] Het zal vaak voorkomen, dat menigeen er niet ver vanaf is het Godsrijk in zijn ziel ten volle te bezitten, en toch zal hij het niet in bezit nemen, omdat hij zichzelf te weinig onderzoekt en niet in de gaten heeft met wat voor aardse eigenschappen zijn ziel mogelijk nog behept is. Als hij zichzelf echter zorgvuldiger zou testen, zou hij spoedig ontdekken dat hij bijvoorbeeld nog zeer gevoelig is en nog gemakkelijk door een kleinigheidje beledigd kan worden.

[5] 'Ja', zegt dan iemand, 'moet een mens dan helemaal geen eergevoel hebben?' O ja, zeg Ik, de mens kan zeer zeker eergevoel hebben, maar dat moet van de edelste soort zijn! Wanneer iemand, die nog zwak van geest is je heeft beledigd, moetje niet boos op hem worden,.maar naar hem toe gaan en zeggen: 'Vriend, mij kun je nergens mee beledigen; want ik houd van jou en alle mensen! Degenen, die tegen mij vloeken, zegen Ik en die mij kwaad doen, doe ik zoveel ik kan alleen maar goed! Maar het is niet netjes, dat iemand een ander beledigt; doe dat daarom voortaan met meer voor je hoogst eigen heil! Want je zou met je steeds groeiende zucht tot beledigen wel eens iemand kunnen treffen die je dat zeer kwalijk nam en je dan grote en zeker heel onprettige. Onaangenaamheden zou kunnen bezorgen, en dan heb je het alleen aan jezelf te wijten datje iets onaange­naams is overkomen! ‘

[6] Als jullie met iemand, die je heeft beledigd, zonder de minste kwaadheid in je hart zo kunt spreken, dan hebben jullie een volkomen gerechtvaar­digd, edel en goddelijk eergevoel in je hart. En als je vanwege zoiets nog een klein beetje van een soort boosheid in jezelf bemerkt, en bitter en onvriendelijk op zo iemand reageert, dan is dat nog het gevolg van geringe, in jullie ziel verborgen hoogmoed, en alleen al hierdoor kan de vereniging van je ziel met Mijn lichtgeest in jezelf nog lang worden verhinderd.

[7] Of een van jullie wordt meerdere keren aangesproken door een en dezelfde arme man, die om een niet geringe aalmoes vraagt. Jullie hebben het wel en kunnen de arme nog duizend maal zoveel geven als jullie hem al gegeven hebben; maar omdat hij min of meer brutaal is ergeren jullie je aan hem, en jullie wijzen hem de deur terwijl je hem te verstaan geeft, dat hij niet zo vaak moet komen en denken dat men hem iedere keer wanneer hij komt een aalmoes geeft!

[8] Ja, kijk, dat zijn voor een werelds denkend mens wel heel verstandige woorden, en de bedelaar heeft zo'n kleine terechtwijzing ook verdiend; maar degene die de arme man zo tegemoet treedt, is toch nog lang niet rijp voor Mijn rijk, want Ik laat Mijn zon alle dagen opkomen en schijnen over goede en slechte mensen, en ten gunste van alle schepselen.

[9] Dezelfde straal die de vergulde paleizen van de koningen verheerlijkt en in de wijnranken het edelste van alle sappen zuivert, doet rijpen en zoet maakt, verspreidt ook zijn licht over poelen en riolen en ergert zich niet aan het gekwaak van de kikkers en het getjirp van de krekels. Achter een dergelijke terughoudendheid zit nog iets karigs, en die karigheid en te grote geldelijke zuinigheid komt bepaald dicht in de buurt van gierigheid en vertroebelt de levensmost van de ziel; en zolang dat nog ononderbroken het geval is, produceert de ziel geen zuivere en geestrijke levenswijn.

[10] Wie echter welgesteld is, en als zodanig alleen maar echte grote vreugde ondervindt door te geven, en de arme er niet op aankijkt dat hij hem al diverse keren een kleine gave heeft geschonken, is dan wat dit punt betreft reeds klaar om Mijn rijk binnen te gaan, als hij tenminste geen rekening hoeft te houden met een andere kleine fout in zijn ziel.

[11] Daarom zeg Ik tegen jullie, dat je jezelf steeds in. alles nauwkeurig moet onderzoeken en je moet verheffen tot het levensniveau waarop je in jezelf helder en bewust waarneemt datje vrij bent van alle aardse slakken"
126 Naastenliefde als regelaar van spaarzaamheid
[1] (DE HEER:) 'Ja', zegt weer iemand van jullie bij zichzelf, 'dat is allemaal wel juist van dat zelfonderzoek; maar waar haalt men een maatstaf die altijd juist is voor het zuivere gevoel en het geweten? De mens raakt vanaf de wieg vertrouwd met de gevoelens die het volk heeft ten aanzien van wat moreel juist is, en vindt alles goed wat hij volledig beantwoordend aan deze gevoelens doet; ja, als hij in strijd hiermee zou handelen, zou hij menen dat hij een zonde begaat.

[2] Bij een volk hoort spaarzaamheid een aanbevolen en aan.geprezen belangrijke deugd te zijn: Wie in zijn jeugd en op mannelijke leeftijd spaart, hoeft als hij oud is geen gebrek te lijden, en wie niet werkt en spaart zal ook niet eten! ,

[3] Mijn beste vrienden! Deze op zichzelf absoluut niet afkeurenswaardige principes zijn Mij heel goed bekend. Ze kunnen en moeten overal waar een volk in groepen met elkaar samenleeft, bestaan en gehandhaafd worden, maar steeds in de voor het leven edelste zin van het woord. Opdat ze echter alleen in deze zin in de samenlevingen van mensen bestaan en nooit onderschat en overdreven worden, moeten ze vergezeld gaan van een houdbare en zeer betrouwbare regulator. En waaruit moet deze regulator bestaan? Uit niets en niemand anders dan alleen uit de ware en zuivere naastenliefde, waarvan de verstandige belangrijkste grondregel als volgt luidt: Voor zijn naaste wenst en doet de mens van harte precies alles waarvan hij redelijkerwijs en wijselijk kan wensen en willen, dat anderen het ook voor hem zelf willen doen en overhebben.

[4] Wie goed bij deze grondregel stilstaat, zal gauw zien dat hij als geen ander alle mensen zal aansporen tot een zekere ijver en ook tot ware en edele spaarzaamheid voor het leven; want als het mij onaangenaam is, dat een ander niets uitvoert terwijl ik werkzaam ben, dan moet ik ook niet terwijl een ander werkt, werkeloos toezien!

[5] Als iedereen dit uit ware, edele naastenliefde voor het leven doet, dan zullen er in een samenleving spoedig nog maar heel weinig mensen zijn die men 'armen' zou kunnen noemen. Behalve mensen die lam zijn, gebrekkig, blind, doof en melaats, zullen er weinigen meer zijn die de gemeenschap tot last zijn; maar deze moeten dan wel met een vreugdevol hart voorkomend verzorgd worden.

[6] Er zullen in een gemeenschap ook een of meer leraren zijn, die geen tijd hebben om met het werk van hun handen in hun levensonderhoud te voorzien. De gemeenschap dient dan in zoverre voor hen te zorgen, dat het voor hen niet nodig zal zijn om de tijd die voor het onderwijzen van jullie kinderen en jezelf bestemd is, te besteden aan werken op het land! Dat is ook een daad van bijzondere naastenliefde, die hoog bovenaan staat. Want degene die jullie hardwerkend van geestelijke en derhalve ware levensschatten voorziet, moeten jullie natuurlijk geen gebrek laten lijden wat zijn lichamelijk leven betreft.

{7] Wie echter een dergelijke genade van Mij gekregen heeft en geroepen is om voor de mensen in Mijn naam een leraar te zijn, moet wel bedenken dat hij die genade voor niets van Mij gekregen heeft en zich daarom niet moet laten betalen voor het doorgeven hiervan! Een echte leraar zal ook datgene wat hij voor niets van Mij gekregen heeft, voor niets doorgeven. En degenen die door hem onderwezen worden, moeten dan uit ware liefde tot Mij de leraar, die Ik naar hen gezonden heb, wel op eigen initiatief met alle liefde opnemen en op geen enkele wijze gebrek laten lijden; want het spreekt natuurlijk vanzelf, dat wat zij voor iemand doen die door Mij gezonden is, beschouwd wordt alsof ze het voor Mijzelf gedaan hebben!

[8] Maar wat ze doen, behoren ze altijd met grote vreugde te doen, opdat het hart van de leraar niet bedroefd wordt vanwege de hardheid van de harten van de leden van de gemeenschap, en hij met vreugdevol hart ziet, hoe Mijn woord uit zijn mond meteen de edelste vruchten van het ware, innerlijke leven begint te dragen.

[9] Jullie zien nu, dat de ware, edele en laten we zeggen verstandige naastenliefde voor dit aardse leven de betrouwbaarste maatstaf is om na te gaan, of en hoe zuiver het er in de ziel uitziet. Gebruik deze daarom vóór alles, dan zullen jullie hiervan spoedig de zegenrijkste vruchten oogsten voor de schuren van het eeuwige leven in het licht van Mijn geest binnen in jezelf! - Mathaël, hoe denk je nu over het zuiver houden van deze leer die Ik nu aan jullie heb gegeven? Is ze zo voor alle mensen tot aan het einde aller tijden zuiver te houden of niet?"

[10] MATHAËL zegt, diep getroffen door de waarheid van Mijn woorden: 'Heer, een korte pauze slechts, en dan wil ik U ook door middel van woorden danken voor deze te belangrijke opheldering en terechtwijzing van al mijn bezwaren! Ja, deze lofprijzing moet luid uitgesproken worden! Maar nu is mijn hart nog te ontroerd en te berouwvol, daarom een weinig rust voor mijn ziel, o Heer, Gij, eeuwig hoogst Wijze!'


1   ...   22   23   24   25   26   27   28   29   ...   53


Dovnload 2.11 Mb.