Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Uitgeverij de ster, ginnekenweg 124, 4818 jk breda

Dovnload 2.11 Mb.

Uitgeverij de ster, ginnekenweg 124, 4818 jk breda



Pagina3/53
Datum28.10.2017
Grootte2.11 Mb.

Dovnload 2.11 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   53
5. Kinderen van de wereld en kinderen van God
[1] RAPHAËL zegt: 'Zei ik je dan niet dat dit allemaal, dat wil zeggen alles wat hier stevig gebouwd is, in duizend jaar niet volledig zal vergaan? Alleen de verschillende vruchtbomen, de edele struiken en planten, evenals de vijf schepen zullen niet zo lang blijven bestaan; maar het metselwerk zal behoorlijk lang, ja zeer lang standhouden! Ook zelfs na tweeduizend jaar zullen daarvan nog sporen te vinden zijn; maar natuurlijk zal dan niemand meer in bovenaardse bouwers van deze muren geloven. Zelfs in deze tijd zullen de dichtstbijzijnde buren, wanneer zij dit alles zullen zien, zeggen, dat dit allemaal door de aanwezige Romeinen is gebouwd, want veel sterke handen brengen ook wonderen teweeg! Spreek de wereldse mensen echter niet tegen, want als er in een land tienmaal tien maal honderdduizend mensen op de huidige wijze leven, dan zul je over het geheel nauwelijks vijfduizend mensen aantreffen die dat na veel uitleggen redelijkerwijs van je zouden aannemen. Aan blind geloof zou jij echter niets hebben en wij hemelgeesten nog minder. Het is ook helemaal niet belangrijk of er veel of weinig mensen geloven; want de Heer kwam alleen maar vanwege Zijn geringe aantal kinderen op de wereld en niet vanwege de wereldse mensen. En zo zal het blijven tot aan het einde van deze wereld en haar tijden!

[2] Wanneer ook de Heer Zich weer zal openbaren op deze aarde, hetzij alleen door het Woord of soms in korte momenten ook persoonlijk, dan zal Hij dat altijd alleen maar doen aan Zijn ware kinderen, die van boven zijn. De wereld en haar kinderen zullen weinig of niets van Hem merken! Voor hen is de eeuwigheid lang genoeg om hen naar een heel onderge­schikt licht te brengen.

[3] Geloof maar niet dat dit hoogste licht uit de hemelen ooit alle mensen van de aarde zal doordringen! Alleen de ware kinderen, altijd een gering aantal, zullen daarmee zuiver en overvloedig voorzien worden, en de wereldse kinderen zullen zich alleen maar uit hun afval tempels en afgodenhuizen bouwen en deze met hun ijzeren wetten en blinde domme regels omheinen, maar toch nooit de weinige ware kinderen kunnen deren, want daar zal de Heer altijd zeer getrouw voor zorgen. Daarom zal onder de wereldse mensen geen Jeremia meer zijn klaagliederen aanheffen! -Maar ga nu naar de Heer en bedank Hem voor dit grote geschenk!"

[4] Nu gaat Marcus naar Mij toe en wil Mij met een stortvloed van uitgelezen woorden gaan bedanken.

[5] Maar IK zeg tegen hem: 'Bespaar je tong de moeite, want Ik heb de dank van je hart al vernomen en heb die van je tong dus niet nodig! Is iedere eerlijke gastheer zijn loon dan niet waard? Jij bent ook een eerlijke gastheer en je hebt ons onvermoeid bijna acht dagen lang bultengewoon goed verzorgd; dat kunnen we toch met voor niets. Van je verlangen. Deze herberg zal in het levensonderhoud van jou en je latere nakomelingen uitstekend voorzien! Maar zorg jij ervoor dat Mijn naam op deze plaats, dat wil zeggen bij je nakomelingen, onwankelbaar blijft bestaan; want met het verdwijnen van Mijn naam uit hun hart zouden zij ook weldra al het andere verliezen! Wie echter alles in de wereld zou verliezen, maar desalniettemin Mijn naam zou behouden, zou tenslotte niets verloren, maar alles gewonnen hebben; maar wie Mijn naam uit zijn hart zou verliezen, zou alles verloren hebben -ook al zou hij alle goederen op aarde bezitten!"
6. Gedragsregels van de Heer voor de waard Marcus
[1] 'Wees daarom vóór alles bezorgd over het behoud van Mijn naam in je hart! Wie die behoudt, behoudt alles; maar wie die niet behoudt, die is dan ook door alles verlaten!

[2] Wie Mij echter waarachtig liefheeft en zijn naaste als zichzelf, die draagt Mijn naam waarachtig en levend in zijn hart -en heeft daaraan een schat die alle eeuwigheden hem met zullen kunnen afnemen, want God waarachtig metterdaad liefhebben, betekent meer dan heer te zijn over alle schatten, niet alleen van deze, maar van alle werelden in de hele oneindig­heid.

[3] Maar het is niet voldoende om Mij alleen uit verstandelijke overwegingen aan te hangen, maar het moet gebeuren vanuit de oprechte liefde in je hart.

[4] Allerlei armen zullen bij je komen; wat Je hun zult doen zonder aardse beloning, dat heb je Mij gedaan, en Mijn liefde zal het je vergelden.

[5] Als iemand bij je komt die naakt is, kleed hem! Wie zonder geld bij je komt, geef het hem als hij het in de wereld nodig heeft.

[6] Ik wilde weliswaar dat alle mensen als broeders zonder dit verderfelijke ruilmiddel samen zouden leven; maar omdat zij het al van ouds her in hun bestaan ingevoerd hebben om daarmee hun doen en laten als wereldse mens te vergemakkelijken, zal Ik dat ook zo laten, -maar pas door Mijn liefde zal het de mensen zegen brengen! .

[7] Waardeer het alleen met de maat van Mijn liefde, dan zal het je ook Mijn liefde en Mijn zegen brengen! Als iemand een 'groschen'* nodig heeft, geef hem er dan twee of ook drie, en Mijn liefde zal het je anderzijds tien­ en dertigvoudig vergoeden!

[8] Kortom, op welke wijze je iemand ook als arm ziet en hem uit liefde tot Mij met een blij hart helpt, je zult altijd kunnen rekenen op Mijn beloning die nooit achterwege zal blijven!

[9] Als er bijvoorbeeld iemand, die geld genoeg heeft, bij. jou komt baden omdat hij aan jicht lijdt, reken hem dan naar recht en billijkheld voor kost en onderdak, maar breng niets in rekening voor het bad.

[10] Als er echter iemand alleen maar voor zijn.plezier komt baden, laat die dan meer dan een ander betalen voor bad, logies en kost! Wil hij echter de waarheid van je horen, geef hem die dan voor niets; want daarin is hij arm!

[11] Komt er echter een wereldwijze die van jou de waarheid wil horen, geef hem die dan niet voor niets, maar laat je voor ieder woord een 'groschen' betalen; want voor zo'n waarheidszoeker heeft de waarheid pas dan waarde, als zij voor veel geld in zijn bezit is gekomen!

[12] Als een arme hongerige bij je is gekomen, geef hem dan te eten en te drinken en laat hem niet arm bij je weg gaan; komt er echter een die er genoegen in schept bij jou aan tafel mee te eten, laat die dan ook voor de arme naast hem betalen!

[13] Ondersteun alles wat armoede heet voor niets en laat alles wat alleen ma.ar met genoegen te maken heeft, betalen! -Heb je Mij goed begrepen?

[14] MARCUS zegt onder vreugdetranen: 'Ja, Heer!'

[15] IK zeg: 'Ga dan en laat alles aan je familie zien!"

[16] Marcus ging naar zijn familie, die uitermate verbaasd was, en gaf Mijn opdracht door, en allen gingen haastig naar het nieuwe huis en natuurlijk ook erin en bekeken alles uit en te na. De vrouwen de kinderen werden helemaal verdwaasd van puur geluk en zaligheid, en wisten van louter vreugde niet wat te doen. Maar nu vroegen allen die aan tafel zaten of ook zij dit buitengewoon opvallende wonderwerk in ogenschouw mochten nemen.

[17] IK zei: 'Beste vrienden! Dit werk zal blijven bestaan en jullie zullen het dan nog vaak genoeg kunnen bekijken en bewonderen; maar Ik zal niet blijven, behalve door de liefde in jullie harten.

[18] Blijf daarom hier bij Mij zolang Ik nog bij jullie ben; want Ik ben immers toch meer dan dat wonderwerk, waarvan Ik er talloze in een ogenblik tot stand zou kunnen brengen"

[19] ALLEN zeggen: 'Ja, ja, ja, o Heer, wij blijven, wij blijven allen bij U, o Heer; want U alleen bent meer dan alle wonderwerken van Uw macht, wijsheid en goedheid, die de hele oneindigheid vullen!"
7. Over de Romeinse opperpriester.

Kritiek op het heidense priesterdom in Rome
[1] CYRENIUS zegt: 'Heer, U weet hoe belangrijk en hoe zwaar mijn taak als bestuurder is; maar het komt mij nu voor alsof het niets voorstelt en alsof het vanzelf gaat, ook zonder mij, en alsof alles zich zonder mijn toedoen regelt! Ik kom mij nu bepaald al aardig voor als het vijfde rad aan een wagen; ik weet namelijk dat U, o Heer, nu alle zaken voor mij regelt en dat er tijdens mijn regering nog nooit een grotere orde heeft bestaan dan juist nu, omdat U, o Heer, voor mij zorgt!

[2] O gelukkig keizerrijk! Rome, mijn vaderhuls, hoezeer kun je je er in 't geheim over verheugen, dat de Heer Zijn genadig oog op je gericht heeft en ook uit jouw oude muren en burchten en hutten kinderen wil uitverkiezen! Heer, ik sta er met mijn leven voor in: Als U in plaats van hier in Rome zou zijn en voor de Romeinen zo'n teken gedaan zou hebben, dan zou er geen mens zijn die U niet de hoogste, goddelijke verering zou hebben betoond. Maar U kent Uw plan en kent Uw wegen, en het is daarom wel het beste zoals U het hebt geregeld en bepaald! "

[3] Tenslotte zei ook Mijn JARAH, die zich tot nu toe muisstil had gehouden: 'Geëerde stadhouder, zegt U maar niets over Rome! De eigenlijke Romeinen bevallen me nog wel, maar er zijn in Rome ook erg veel afgodenpriesters, die allen onder een zogenaamde Pontifex Maximus* (* Opperpriester bij de Romeinen) staan! Die hebben het volk in hun macht, en met hun Hades­ en zelfs eeuwige nooit aflatende, gruwelijke Tartarus straffen, geestelijk in de tang! Wee degene die de moed zou hebben zich in zo'n wespennest te steken! Heus, die zou het heel gauw erbarmelijk slecht vergaan! Ik geloof dat jullie priesters wat dat betreft nog duizendmaal erger zijn dan de priesters van onze tempel, die toch nog Mozes en de profeten op rug en borst dragen, ook al is dat merendeels maar uitwendig. Maar die van U hebben ook uitwendig niets; al hun doen en laten bestaat uit de grootste zelfzucht en de onbedwingbare lust meteen maar over alles te heersen.

[4] Op een keer hebben twee bij ons logerende, ondergeschikte priesters uit Rome verteld en beweerd, dat de PONTIFEX MAXIMUS zo’n hoog wezen is, dat zelfs Zeus in eigen persoon, die ieder jaar eenmaal de P.M. bezoekt, zich beslist drie tot zevenmaal voor hem buigt voor hij het waagt met zijn allerhoogste plaatsvervanger op aarde een woord te wisselen om hem heel eerbiedig nieuwe wetten voor het sterfelijke volk van de.aarde te .geven. Weliswaar geeft Zeus de P.M. deze eer niet bepaald ter wille van zichzelf, maar alleen ter wille van de domme stervelingen, die daaraan de onuitsprekelijke en onmetelijke hoogheid en majesteit moeten afmeten, waarmee de allerhoogste plaatsvervanger van de allerhoogste god op aarde bekleed is.

[5] Hij zou op aarde heer zijn over alle keizers, koningen, vorsten, veldheren en vele andere machtige heren, en ook de uitsluitende macht hebben over alle elementen. Stampt hij met zijn heilige voet toornig op de grond, dan trilt deze meteen van angst als een espenblad in een woedende storm, en de bergen op aarde beginnen vuur te spuwen en ondersteunen daarmee de vertoornde P.M., opdat hij des te meer in de naam van Zeus zijn altijd gerechtvaardigde wraak kan koelen.

[6] Goede of slechte jaren zouden van hem afhangen. Als hij de aarde zegent, zijn de oogsten op de hele aarde meteen overvloedig; zegent hij de aarde echter niet, dan zal het er op aarde met de oogsten erg slecht uitzien, -en spreekt hij een vloek over de aarde uit, dan is het uit met alles en dan komen er oorlog, hongersnood, pestilentie en nog duizend andere ongehoorde plagen over de aarde! Zeus niet meegerekend, moeten alle goden hem gehoorzamen; als zij weigeren, kan hij ze voor honderd jaar van de aarde verbannen, -wat echter nooit gebeurt en nooit zal gebeuren, omdat alle goden te zeer en te diep overtuigd zijn van de onuitsprekelijke hoogheid van de P.M.

[7] Een P.M. bezit derhalve een drievoudig oppergezag: ten eerste over alle goden behalve Zeus, waarmee hij natuurlijk op gelijke hoogte staat, ten tweede over de hele aarde en haar elementen, en ten derde over alle mensen, dieren en bomen, struiken en planten. Daarnaast gebiedt hij ook over alle planeten en over alle sterren, heeft hij de wolken, winden, bliksems, donder, regen, hagel en sneeuw in zijn hand en de zee beeft voortdurend voor zijn oneindige macht!

[8] En zo op die manier hebben die twee Romeinse priesters mij nog veel over hun P.M. voorgehouden. Een poosje dacht ik dat zij zich tegenover mij slechts een flauwe grap veroorloofden, maar ik overtuigde mij er helaas maar al te gauw van, dat de beide dwazen het heel ernstig meenden. Want toen ik hun daarop begon te vertellen over de enige, ware God van Abraham, Isaäk en Jacob, en over Zijn daden, begonnen zij mij hartelijk uit te lachen en deden hun uiterste best mij ervan te overtuigen dat ik het helemaal bij het verkeerde eind had; want zij hadden duizend tegen één bewijzen dat het zo was zoals zij mij verteld hadden.

[9] Ik vroeg hen of zij ook wisten of de P.M. sterfelijk of onsterfelijk was. Daarop versprak de ene zich wat overhaast en zei, dat de P.M. weliswaar op aarde nog sterfelijk is; maar dat Zeus hem, wanneer hij sterft, meteen in het hoogste Elysium opneemt, waar hij dan gedurende honderd jaar aan de tafel van Zeus eet en daardoor tenslotte ook in het rijk van de goden zelf een echte god wordt. Met dit verhaal was de andere het helemaal niet eens, want hij corrigeerde het meteen als volgt: 'Je hebt nu weer een hoop Germaanse onzin uitgekraamd! Sinds wanneer is een P.M. dan sterfelijk geweest?! Watje over hem zei, geldt alleen maar voor ons onderpriesters, vooral als het ons niet zou lukken volkomen de gunst van de P .M. te verwerven; de P.M. sterft nooit en kan niet sterven omdat Zeus hem voor altijd onsterfelijkheid heeft verleend! Kijk', zei hij verder, 'ik ken nu reeds de vierde, en van alle vier is er nog niet één gestorven en toch zit er steeds maar één onsterfelijke op de troon en zitten er geen vier, hoewel zij allen volmaakt onsterfelijk zijn, omdat geen P.M. ooit kan sterven, en ook de allerhoogste troon op aarde nooit kan verliezen.'

[10] Tenslotte zei ik toen weer: ‘Maar dat is immers totaal onmogelijk! Hoe kunnen er dan vier één zijn en één vier?! Dat komt mij echt als Germaanse onzin voor! Kortom’, zei ik, 'jullie hebben jullie P.M. bestem­peld als een wereldse nar, en overigens is hij net zo goed een sterfelijk mens als een van ons, en zijn macht bestaat bovenal uit de wapens van de keizer, de grote domheid en blindheid van het verwaarloosde volk en tenslotte uit een bepaald soort uiterst miserabele toverkunsten; want voor domme en geestelijk blinde volkeren kun je gemakkelijk wonderen doen! Ach, val mij met jullie domheden met lastig! Het is al voldoende dat jullie zo oerdom zijn, waarom zou ik het in jullie gezelschap ook nog moeten worden?'

[11] Hierover werden de beiden erg kwaad op mij en ook op elkaar, en zij begonnen weldra elkaar de bitterste verwijten te maken en gingen vechtend de deur uit. Ik vroeg hun nog vanuit het venster, terwijl zij als een paar honden aan het vechten waren, of de P.M. dit ook voorgeschreven had door een nieuwe wet van Zeus uit het Elysium. Maar gelukkig hoorden zij mij niet en bewezen elkaar steeds meer het PRO en CONTRA van de onsterfelijkheid van de PONTIFEX MAXIMUS, totdat tenslotte een paar van onze huisknechten hen uit elkaar haalden.

[12] Nu vraag ik u echter, beste, geëerde Cyrenius, hoe zou het de Heer in Rome bij zulk oerdom volksfanatisme zijn vergaan? Zonder vuur en zwavelregen beslist meer dan slecht! O, de lieve Heer wist reeds van eeuwigheid waar het tijdens Zijn tijd op aarde nog steeds het beste en zinvolste zal zijn, en is daarom ook juist hier en nergens anders op de wereld temidden van Zijn mensen gekomen! Kijk, dat is nu mijn mening; wat denkt u ervan? Wat vindt u, of wat vindt de keizer in Rome dan van die omineuze PONTIFEX MAXIMUS?"


8. De godsdienstige verhoudingen in Rome in Jezus' tijd
[1] CYRENIUS zegt: 'Kindje, je hebt helemaal gelijk; zo staan in Rome, natuurlijk algemeen gesproken, de zaken met de PONTIFEX MAXIMUS en voorlopig is daar ook niets aan te veranderen! Maar Ik kan je ook heel beslist verzekeren, dat alleen het allerlaagste gepeupel, dat iedere bescha­ving mist, daar nog min of meer aan gelooft; van het betere volksdeel gelooft heus niemand dat meer, en daarom is er met ons Romeinen altijd nog wel iets aan te vangen.

[2] Vanwege het allerlaagste volk zal te eniger tijd de verbreiding van deze zuivere, goddelijke waarheden wel de nodige onprettige strijd opleveren, maar ook aanhangers die naar echt Romeinse zede met vreugde goed, bloed en leven voor deze leer zullen inzetten. Want je vindt op aarde niet makkelijk een ander volk dat voor de dood minder angst heeft dan juist de Romeinen! Als een echte Romein eenmaal voor iets gewonnen is, zet hij ook altijd zijn leven daarvoor in! Een ander volk doet dat niet, daarvan kun je volkomen verzekerd zijn!

[3] Onze priesters zijn een vijfde rad aan de wagen, en hun volksfeesten en preken dienen alleen om het volk te vermaken. Zedelijk stoort niemand zich daar meer aan. Daarvoor zorgt onze alles omvattende rechtsweten­schap, die een samenvatting is van de beste en meest wijze filosofen die als mensen ooit ergens deze aarde hebben betreden.

[4] De P.M. wordt door de staat alleen onderhouden terwille van de laagste bevolkingsgroep, en zijn eertijds vrije doen en laten heeft men zeer beperkt. Ja, een paar eeuwen geleden ging het er nog heel zeldzaam aan toe; toen was de P.M. wel zogezegd een soort god onder de mensen! Hij was op zichzelf steeds een zeer wijs mens en moest dat ook zijn, omdat hij anders niet licht zo'n hoog ambt had kunnen bereiken. Hij moest goed thuis zijn in de mysteriën van Egypte en volledig op de hoogte zijn met alle orakels en hun geheimen. Ook moest hij een volleerd magiër zijn, waarvan hij altijd voor een geheim college van oudste patriciërs van Rome een uiterst streng examen moest afleggen. Bezat hij alle noodzakelijke eigenschappen dan werd hem het hogepriesterambt verstrekt met alle rechten, voor­ en nadelen.

[5] Daarna kon hij weliswaar van alles ten opzichte van het volk onderne­men, maar hij moest in 't geheim steeds voor de patriciërs een gepast respect hebben en ook doen wat zij verlangden. Wilden zij oorlog, dan moest hij zijn profetische mededelingen altijd zo inkleden, dat het volk daaruit de noodzakelijkheid van de oorlog als wil van de goden zag; maar de eigenlijke goden waren toch alleen maar de patriciërs van het rijk en met hen de voornaamste burgers, kunstenaars en dichters, die allereerst van de gedachte uitgingen dat men slechts de fantasie van de mensen een weliswaar veelomvattende, maar toch duidelijke richting moest geven, om hen te bewaren voor de ergste afdwalingen.

[6] Want ieder mens heeft een natuurlijke fantasie. Als deze verwaarloosd wordt, kan de edelste mens daardoor een verscheurend beest worden; wordt zijn fantasie echter bestuurd en naar edeler vormen geleid, waaron­der hij zich heel ordelijk begint te gedragen, dan zal de fantasie ook zelf edeler vormen gaan voortbrengen en in een zuiverder denken en streven overgaan en haar beste innerlijke scheppingen willen realiseren.

[7] En zo is dus de hele godenleer niets anders dan een fantasieproduct dat steeds meer geordend wordt, en is uitgedacht om de algemene menselijke fantasie te besturen en deze zoveel mogelijk met alle menselijke middelen praktisch zichtbaar en effectief te maken. Voor ons wijze en ervaren patriciërs deed zich vanzelf heel begrijpelijk de noodzaak voor dat wij moesten schijnen te zijn wat het volk in onze ogen moest worden.

[8} Zoals het echter toen was, zo is .het ook nu nog, alleen met het verschil dat nu het proletariaat ook reeds in veel is ingewijd waarin vroeger wij patriciërs alleen ingewijd waren, en daarom gelooft het nog maar heel weinig aan het hogepriesterlijk ambt. De meesten geloven wel aan een hoger goddelijk wezen, maar velen geloven nergens meer aan, en een ontwikkelder deel is volgeling van Plato, Socrates en heel vaak van Aristoteles.

[9] Die priesters echter die jou de P .M. beschreven hebben, zijn voor een deel op hun manier vaak werkelijk zo dom dat ze alles woordelijk geloven wat hun ingeprent werd; maar dikwijls zijn het heel sluwe deugnieten, die voor het volk hoog van de toren blazen en doen alsof ze iedere dag met de goden aan het Perzische schaakbord zitten! Zelf geloven zij echter alleen maar de woorden van Epicurius, die ongeveer zo luiden: Ede, bibe, lude! Post mortem nulla voluptas; Mors enim est rerum linea*. (* Eet, drink, speel! Na de dood is er: geen plezier: meer:; want de dood is het einde van alles )

[10] Als jij, allerliefste Jarah, die voor je leeftijd overigens wonderbaarlijk wijs bent, denkt dat wij net zo zijn als de twee onderpriesters, dan zou je ons groot onrecht aandoen; want wij Romeinen zijn precies zoals ik hier nu verteld heb. Al het andere kan alleen maar een waardeloze uitspraak van een leek zijn, die het wezenlijke van Rome net zo weinig kent als jij het voorheen hebt gekend, maar wat ik je nu als mederegeerder van Rome heb onthuld. Nu je dat echter weet, moetje ons Romeinen toch wel met meer begrip beoordelen en behandelen! -Wat vind je, is mijn verzoek aan jou terecht of niet?"


9. De voorspelling van de Heer over het lot van Rome en Jeruzalem
[1] JARAH zegt: 'Dat spreekt immers vanzelf! Wanneer het zo is zoals u mij nu heel duidelijk hebt uitgelegd, dan heb ik tegen u ook helemaal niets in te brengen. Als de wil goed is, kan ook het gevolg daarvan welbeschouwd niet slecht zijn, ook dan niet wanneer het er voor de ogen der wereld niet gunstig uitziet. Ik laat mij allerminst door de schijn bedriegen; maar ik zie ook in dat men van nature veel eerder tot een oprechte, goede wil kan komen dan tot de zuivere waarheid, die dan vervolgens voor de goede wil tot een echt doeltreffend levenslicht wordt. De goede wil heeft u volgens uw verhaal al steeds in algemene zin gehad; sporadische vertroebelingen hebben aan het geheel weinig of niets kunnen veranderen.

[2] Nu krijgt u bij uw goede wil echter ook nog het meest zuivere licht van de eeuwige waarheid, waardoor uw reeds van oorsprong goede wil ook de juiste wegen en ware middelen tot het bereiken van het beste resultaat moet krijgen, en van u is dus duidelijk alleen het allerbeste te verwachten! -O Heer, zegen U deze eenvoudige woorden van mij, opdat zij tot een voor alle tijden blijvende waarheid worden!"

[3] IK zeg nu: 'Ja, Mijn onnoemelijk beminde Jarah, zij zullen gezegend zijn, jouw wondermooie, zeer ware woorden!

[4] Rome zal lange tijd de beste verblijfplaats van Mijn leer en Mijn bijzondere genade blijven, en deze grote keizerstad zal een leeftijd in de wereld bereiken die maar zeer weinig steden in Egypte zullen bereiken, maar niet zo ongeschonden als Rome. Vijanden van buitenaf zullen deze stad vrijwel nooit kwaad doen; als zij tot verval komt, zal zij dat slechts aan de tijd en haar weinige vijanden van binnenuit te danken hebben!

[5] Maar verder zal jammer genoeg ook in deze machtige stad Mijn leer in een soort afgoderij veranderen; desalniettemin zal Mijn woord en nog altijd over het geheel genomen de beste levensmoraal daarin bewaard blijven.

[6] Vooral in later tijden zal de geest van Mijn leer er in grote mate verdwijnen. De mensen zullen op de buitenste schors kauwen en die aanzien voor het geestelijk levensbrood; maar dan zal Ik haar wel door de juiste middelen geleidelijk aan weer op de rechte weg terugbrengen! En ook al zou zij nog zoveel hoererij en echtbreuk begaan hebben, dan zal Ik haar toch weer te juister tijd reinigen!

[7] Overigens zal zij echter altijd een verkondigster van liefde, deemoed en geduld blijven, waarom men van haar in alle tijden veel door de vingers zal zien, en de groten der aarde zullen zich dikwijls om haar verenigen en uit haar mond de woorden van haar heil willen horen.

[8] In het algemeen zal op deze aarde iets nooit lang helemaal zuiver blijven, dus ook Mijn woord niet; maar in Rome altijd nog het meest zuiver, vanwege het doel van het leven, en als vereerd overblijfsel uit de geschie­denis!

[9] Die verzekering geef Ik je, mijn beste vriend Cyrenius, en Ik geef hem nu hier als volledige, ware zegening van de mooie en waarachtige woorden van onze allerliefste Jarah!

[10] Het ene millennium na het andere zal je laten zien en melden, dat deze uitspraak van Mij met betrekking tot de duur en de plaats van Rome volledig in vervulling zal gaan!

[11] Jeruzalem zal zo verwoest worden, dat men al in deze tijd niet meer zal weten waar het eens heeft gestaan. Wel zullen de latere mensen daar een kleine stad met dezelfde naam bouwen; maar de vorm en de plaats zal anders zijn. En zelfs dit stadje zal door vijanden van elders veel kwaad te verduren krijgen en verder zonder aanzien en belang een nest van allerlei gepeupel blijven, dat met moeite een kommervol bestaan in stand zal houden van het mos van de stenen uit de huidige tijd.

[12] Ja, Ik wilde deze oude godsstad wel tot voornaamste van de.aarde maken; maar zij heeft Mij niet erkend, en behandeld als een dief en moordenaar! Daarom zal zij voor altijd vallen en zich in de toekomst met meer verheffen uit het puin van de oude, welverdiende vloek, die zij zichzelf op de hals heeft gehaald en met eigen mond heeft uitgesproken! ­Mijn allerliefste Jarah, ben je nu met deze zegen van Mij tevreden?

[13] JARAH zegt tot tranen geroerd: 'O Heer, U mijn enige liefde! Wie zou er niet tevreden zijn met datgene wat U zegt, o Heer, en vooral met zo'n grote voorspelling die ver en.diep tot in de verste tijden reikt. Ook mijn beste, geëerde Cyrenius schijnt daarmee zeer tevreden te zijn en ook Cornelius, Faustus en onze Julius. Of echter de kinderen uit Jeruzalem, waarvan er ook een aantal aan deze tafel en nog een aantal aan andere tafels rondom ons zitten, met Uw voorspellingen met betrekking tot Jeruzalem ook zo tevreden zullen zijn, lijkt me een heel andere vraag; want van hun gezichten straalt niet die blijheid als van de gezichten van de Romeinen"

[14] Na deze steekhoudende opmerking verhieven zich ENIGEN die uit Jeruzalem waren en zeiden: 'Weliswaar moet men zijn vaderhuis geen ondergang toewensen zolang het geen woonplaats is geworden van dieven en rovers; maar als het dat eenmaal is, dan moet het ook niet gespaard blijven! De nakomeling heeft daar -zonder angst voor het begaan van een zonde -het recht het met eigen hand boven de hoofden van de daarin wonende booswichten te verwoesten en ieder spoor van enig bestaan voor eeuwig uit te wissen.

[15] Als Jeruzalem nu naar ons beste weten niets anders is dan een nest van roofmoordenaars, waarom zullen wij dan treuren als de Heer dit nest zijn reeds lang verdiende loon wil geven en zeker ook zal geven?! Het trieste daaraan is alleen, dat deze godsstad, die zo buitengewoon begenadigd is, het tenslotte ondanks alle waarschuwingen voor de derde maal zover heeft gebracht rechtstreeks door God Zelf uitermate gevoelig gestraft te worden! Maar Zijn bekende lankmoedigheid en geduld is voor ons ook het zekerste bewijs hoezeer die stad een zeer strenge tuchtiging verdiend heeft, en daarvoor werkelijk niet in het minst medelijden verdient of zelfs maar te betreuren is.

[16] Volenti non fit iniuria!* (* Die het zelf willen, geschiedt geen onrecht!)

Als iemand op klaarlichte dag in een kuil wil vallen, moet men dan medelijden met hem hebben of om hem treuren? Wij niet! Voor echte oerdomme ezels en ossen voelden wij nog nooit medelijden, vooral niet als zij tegenover iedereen de wijsheid in pacht willen hebben; en heel speciaal verdienen zij geen medelijden, wanneer zij hun voorgewende grote wijsheid, die echter in de grond van de zaak alleen maar de grofste domheid is, door allerlei slechtheid en door een doortrapte sluwheid voor echt willen laten doorgaan.

[17] Het is zeker juist, dat een zieke mensenziel meer medelijden verdient dan het gebrekkige lichaam van een ziek mens. Wanneer er echter bij een lichamelijk ziek mens, die nog bij zijn volle verstand is, een knappe en kundige dokter komt die een goede diagnose stelt en de patiënt stellig zou kunnen helpen en zou helpen, maar de zieke, in plaats van vol vreugde de heilzame raad van de dokter aan te nemen, de man door zijn knechten de deur uit laat gooien, -wie, vragen wij, zal er met zo'n zieke ziel dan nog medelijden hebben? Wij niet, en beslist ook niemand anders! Zo'n, zeg maar, beest van een mens moet dan maar ten prooi vallen aan een ziekte die mogelijkerwijs erg bitter en pijnlijk is, en pas door zijn pijn leren hoe dom het was de kundige arts de deur uit te gooien!

[18] Domheid als zodanig verdient medelijden, omdat een dom mens er niets aan kan doen dat hij reeds vanaf de wieg dom is gebleven; maar er zijn mensen -zoals de meeste hogepriesters, Farizeeën en schriftgeleerden -die niet dom zijn, maar zichzelf opzettelijk dom houden om de arme ­door hen dom gemaakte mensheid dan des te gemakkelijker voor hun in de hoogste graad zelfzuchtige doeleinden te kunnen gebruiken! Dergelijke mensen hebben geen zieke zielen; zij zijn alleen maar erg sterke en gezonde wolven in schaapskleren en verdienen niet anders dan met de scherpste pijlen neergeschoten te worden, want daar zou ieder medelijden van willekeurig welk menselijk hart dan ook een grove domheid zijn.

[19] Wie op de hele aarde treurt er nu over de nacht die door de opgaande zon aan zijn eind komt? Of welke dwaas zal er huilen om de hinderlijke winter, om een razende storm, om een epidemie die opgehouden is, en om voorbije slechte jaren? En wij geloven dat het nog een veel grotere domheid zou zijn daarover te treuren nadat de Heer ons eens Zijn grootste genade zal bewijzen. Ja, het is erg treurig dat Jeruzalem het grootste geestelijke licht niet wil herkennen en aannemen; want dat betekent dat zij zich helemaal in hebben laten lijven bij de satan van de wereld! Waar dat echter zo is, laat het daar maar vuur en zwavel uit de hemel regenen! Sodom en Gomorra rusten reeds lang terecht op de bodem van de Dode Zee wie zou die goddelozen willen bewenen? En zo zal men ook Jeruzalem niet bewenen!

[20] En jij, lieve Jarah, hebt je in je oordeel over ons dan ook enigszins vergist! Kijk, de schijn is niet altijd een afstraling van de waarheid en bedriegt ons wel eens! Geloof je niet dat het zo is en waarschijnlijk ook voor altijd zo zal blijven? Hebben wij gelijk of ongelijk?"

[21] JARAH zegt: 'Maar Heer, U mijn liefde, waarom moet het mij nu overkomen dat ik de mensen steeds verkeerd en niet juist kan beoordelen? Het is zonder meer al bijna ergerlijk! Eerst heb ik van Cyrenius weliswaar slechts zachtjes, maar toch een terechtwijzing gekregen, nu alweer een van een groep mensen! Zij hebben allemaal gelijk, - alleen ik blijkbaar niet, omdat zij de waarheid aan hun kant hebben en ik niet. O Heer, geef mij toch een beter inzicht, opdat ik met mijn beoordelingen niet steeds ernaast zit:'


1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   53

  • 7. Over de Romeinse opperpriester.
  • 8. De godsdienstige verhoudingen in Rome in Jezus tijd
  • 9. De voorspelling van de Heer over het lot van Rome en Jeruzalem

  • Dovnload 2.11 Mb.