Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Uitgeverij de ster, ginnekenweg 124, 4818 jk breda

Dovnload 2.11 Mb.

Uitgeverij de ster, ginnekenweg 124, 4818 jk breda



Pagina35/53
Datum28.10.2017
Grootte2.11 Mb.

Dovnload 2.11 Mb.
1   ...   31   32   33   34   35   36   37   38   ...   53
167 Het afscheidsuur van de Heer bij Marcus
[1] Toen deze zaak zo snel mogelijk in orde was gemaakt, vroeg Cyrenius Mij of hij wel volkomen gehandeld had volgens Mijn wil die hij in zichzelf had waargenomen.

[2] IK zeg: 'Ja, geheel en al! Maar om Mij te zien en te spreken waren ze toch nog lang niet rijp genoeg. Wanneer ze daar wel rijp voor worden, zal Mijn Raphaël je dat laten weten, alsook Josoë.

[3] Het uur van Mijn vertrek nadert nu echter ook. Maar vraag Me niet waar Ik naar toe zal gaan! leder moet nu van hier weer naar zijn dagelijks werk terugkeren en goed voor zijn huis zorgen opdat, als Ik spoedig weer bij jullie kom, Ik alles in orde aantref Slechts een klein uurtje zal Ik nog bij jullie doorbrengen om jullie door en door te zegenen; maar dan moet Ik nog naar vele andere kinderen van deze wereld die in benarde omstan­digheden verkeren, om hen de ware troost en de juiste hulp te bieden.

[4] Probeer niet te achterhalen waar Mijn persoon zich bevindt, maar leef in de geest van Mijn leer, dan zal Mijn persoon niet ver van jullie zijn! Wie nog iets wil weten, kan komen en het vragen!:'

[5] Toen vroeg CYRENIUS: 'Heer, mag ook niemand U begeleiden naar een volgende plaats?"

[6] IK zeg: 'Behalve Mijn twaalf leerlingen deze keer niemand, ook Raphaël niet, die voorlopig tot Mijn hemelvaart afwisselend bij jou en bij Mijn lieve Jarah zal blijven! Maar jullie mogen hem tegenover de wereld vooral niet verraden; want dat zou tot gevolg hebben dat jullie hem ogenblikkelijk zouden verliezen! -Wie van jullie wil nog iets vragen? Laat hem dan komen en de vraag stellen!"

[7] MARCUS brengt zijn vrouwen zijn kinderen naar Mij toe en zegt: 'O Heer, zegen hen allen, als U vindt dat ze dat waardig zijn!"

[8] En IK zei: "Zij hebben allang Mijn volle zegen en jij ook! Wel zal Ik, omdat je dat zo graag wilt, over een tijdje weer eens naar je toe komen. Maar van nu af aan zul je vele gasten krijgen! Want degenen die een bad zullen nemen in jouw baden, zullen van de jicht genezen worden, al is deze nog zo erg; en wie zal drinken van de opwellende bron in de tuin zal bevrijd worden van iedere soort koorts. De melaatsen moeten echte; buiten de tuinmuur in zee baden, waar het badwater wegstroomt in de zee, dan zullen ze van hun melaatsheid bevrijd worden.

[9] Daarom zullen er velen komen en hier hun lichamelijk heil zoeken en ook vinden. Met je kinderen zul je deze vele gasten niet voldoende kunnen bedienen; daarom zul je dienstbare helpers aan moeten nemen. Daar zal Mijn dierbare vriend Cyrenius je in het begin bij helpen. Later zul je dienstbare geesten in overvloed hebben, want alle werkelozen en brode­lozen zullen je weten te vinden. Wie komt om werk te zoeken, moet je dit naar mogelijkheid geven; en aan allen moet ook Mijn evangelie gepredikt worden, opdat de dienende slaven ook vrije mensen worden.

[10] Als Ik je binnenkort weer eens bezoek, zul je wel amper tijd vinden om met Mij te praten; maar dat zal niet uitmaken. Want handelen volgens Mijn woorden is meer waard dan wanneer je nog zo veel praat en predikt.

[11] Want wie Mijn levende Woord, dit tot jullie gesproken evangelie, alleen maar instemmend aanhoort maar er niet volledig naar handelt, voor die is het van geen nut; hij blijft de oude en dezelfde wereldse dwaas en komt nooit op een groene levenstak, laat staan op een boom des levens!

[12] Wie veel heeft, zoals jij nu, moet veel geven, en wie weinig heeft moet weinig geven, opdat hij die niets heeft, ook wat heeft!

[13] En als je iemand onder je dienaren of gasten ziet die gierig is, stuur hem dan weg; want een gierig mens is in een betere mensengemeenschap een vretende kreeft, die het hart van de mensen verpest met toom en boosheid! Waar is de mens die niet op een gierige boos wordt omwille van het goede?! Hij zal hem verachten en op hem schelden! Maar zijn hart wordt er in zo'n stemming niet beter op! Stuur daarom iedereen die gierig is bij je weg en laat hem niet meer terugkomen, behalve wanneer hij zijn hoogst kwade eigenschap helemaal heeft overwonnen!"
168 Over gierigheid en spaarzaamheid
[1] (DE HEER:) 'Alle slechte daden die ooit door mensen op deze aarde zijn begaan, zijn voortgekomen uit de hebzucht van afzonderlijke mensen. Gierigheid is de vader van bijna alle zonden die men maar kan bedenken. Want eerst spaart men zich op inhalige wijze op alle mogelijke manieren, al zijn die nog zo slecht en verwerpelijk, waartoe men ook bedrog, diefstal en roof moet rekenen, een groot vermogen bij elkaar. Als men eenmaal rijk is, wordt men hoogmoedig en heerszuchtig; dan gaat men zich verschansen en beveiligen, huurt dienaren en knechten die iedereen moeten verdrijven die onuitgenodigd de woning van een groot en belang­rijk geworden gierigaard nadert. Vervolgens koopt de rijke een hele landstreek bij elkaar, wordt hier een echte heerser, perst zijn onderdanen vaak alle bezit af en gedraagt zich als een echte tiran.

[2] En als de gierigaard eenmaal buitengewoon rijk is, stort hij zich in een leven van alle mogelijke wellust, verleidt jonge meisjes, begaat hoererij en echtbreuk en nog talloze andere schandelijkheden. En omdat hij de hoogstgeplaatste in zijn land is, verleidt hij al gauw een heel volk door zijn slechte voorbeeld; want het volk zegt: ' onze heerser moet het toch beter weten dan wij; doet hij het, dan kunnen wij het ook doen!' En zo begint in zo'n land tenslotte iedereen te stelen, te roven, te moorden en met hoeren om te gaan, en van enig godsbesef is dan geen spoor meer te ontdekken!

[3] Sla de kronieken van de landen en rijken van de aarde er maar op na, dan zul je zien dat hun heersers aanvankelijk meestal uiterst gierige hebzuchtige handelaars waren vol hebzucht en winstbejag. Zij kochten in de loop der tijd met hun verworven schatten landen en volkeren en buitten hen uit door allerlei geweldmiddelen toe te passen; vaak brachten ze zelfs zulke veranderingen aan in de vaak heel goede zeden en godsdiensten van de aan hen onderworpen volkeren, dat er bij hen nog amper een spoor te ontdekken viel van hun oude zuiverheid.

[4] Daarom moet jij er vooral op letten, Marcus, dat er geen gierigheid binnensluipt in jouw genezingsinstituut, dar binnen korte tijd zeer druk door mensen bezocht zal worden. Ja, zelfs overdreven spaarzaamheid moet daar steeds verboden blijven; want die is gewoonlijk de kiem van de hebzucht!

[5] leder moet zoveel hebben als hij nodig heeft om te kunnen leven; van meer dan dat moet in jouw huis bij niemand sprake zijn! De privé-ge­schenken die niet zelden door de gasten aan je dienaren gegeven zullen worden, moet jij veilig in bewaring nemen en pas met rente teruggeven als je dienaren oud zijn geworden en te zwak om te dienen! En als ze sterven, dan moet je het gespaarde aan hun kinderen en kleinkinderen geven.

[6] Deze raad geldt in eerste instantie natuurlijk voor jou, maar later ook voor al je nakomelingen. En als er onder je dienaren iemand verkwistend is, maan hem dan tot juiste spaarzaamheid, plaats hem dan een tijdje buiten je gunst en laat hem zien, dat een verkwister ook vaak iemand is die zichzelf liefheeft en na verloop van tijd zijn broeders tot last is, terwijl hij in tijd van nood met zijn op de goede manier gespaarde geld zijn armere broeders bij zou moeten springen.

[7] Wie alleen voor zichzelf spaart en in ruimere zin ook voor zijn familieleden, spaart niet volgens Mijn orde; maar wie spaart opdat hij iets heeft om in tijd van nood ook voor armere broeders iets te hebben, prijs Ik en Ik zegen diens gespaarde geld en hij zal nooit nood lijden.

[8] Ik zeg niet dat iemand niet moet sparen voor zijn kinderen en voor zijn huis; dat is immers een eerste plicht van ieder ouderpaar. Maar andere armen moeten daar niet van uitgesloten worden; immers, Ik laat Mijn zon ook in dezelfde mate schijnen over hen die niet Mijn kinderen zijn!

[9] Wie zal doen zoals Ik doe, zal ook zijn zoals Ik ben en zal later ook daar zijn waar Ik eeuwig zal zijn. Maar wie zuinig is tegenover zijn broeders, moet weten dat ook Ik zuinig en zeer spaarzaam zal zijn ten aanzien van hem.

[10] Houd in jouw huis deze leer voortaan in ere, dan zal Mijn zegen nooit daarvan weggenomen worden! - Wel, heeft er nog iemand iets te vragen? Laat hij dan komen met zijn vraag!'


169 Een belofte voor hulpzoekenden

De Heer neemt afscheid van het huis van Marcus
[1] EBAHL, de vader van Jarah, komt naar Mij toe en zegt: 'Er is nu vast niets meer waarover wij U nog vragen zouden kunnen stellen; want we hebben hier zoveel waarheden gehoord en wonderbaarlijke dingen mee­gemaakt gedurende deze zeven dagen, dat wanneer we die over zevendui­zend jaar zouden verdelen, er in ieder jaar een flink aantal zou zijn en de mensheid dan ook ieder jaar genoeg zou hebben om zich te verbazen en daarover na te denken. We zijn nu buitengewoon rijk geworden aan waardevolle schatten voor de geest; het komt er nu alleen nog op aan om d.~ze schatten ook daadwerkelijk in ons leven te gebruiken, -want anders Zijn ze waardeloos voor onze zielen, om wier heil het in dit leven enkel en alleen gaat. Alleen rijst hier de vraag: Zullen wij, omdat we eigenlijk toch maar zwakke mensen zijn, hiervoor steeds voldoende wilskracht bezitten? Wat moeten we doen als we in de loop der tijd door allerlei gebreken overvallen worden, waarvoor zelfs de meest goedwillende men­sen vaak niet gespaard worden?"

[2] IK zeg: 'Ik zal de hulp, kracht en ondersteuning zijn van ieder ernstig streven. In tijd van nood zal Ik niemand verlaten die anders altijd trouw­hartig en Mij liefhebbend op Mijn paden gewandeld heeft. Maar als men door allerlei wereldse verleidingen van Mijn paden is afgeweken, heeft men het natuurlijk aan zichzelf te wijten als Mijn hulp in tijd van nood uitblijft, en dat net zo lang als de gevallene zich niet vol ernst, berouwen geloof tot Mij zal richten!

[3] Ik zal weliswaar eeuwig een en dezelfde trouwe herder blijven en achter Mijn schapen aangaan die op de een of andere manier verdwaald zijn; maar het schaap moet wel gaan blaten en zich laten vinden, overeenkomstig de hem eigen en onaantastbare vrije wil.

[4] Wie gebukt gaat onder een voor zijn kracht te grote levenslast, moet in Zijn hart tot Mij komen, dan zal Ik hem kracht geven en hem verkwikken! Want sommigen geef Ik een grotere last te dragen, opdat zij hun zwakte voelen en in hun hart naar Mij toe komen om Mij voldoende kracht te vragen, zodat ze hun grote levenslast gemakkelijker kunnen dragen; zo iemand zal Ik kracht geven tijdens iedere nood in zijn leven en hem een juist licht geven voor het bewandelen van de duistere paden van het leven van deze wereld. En wie deze te zware last wel voelt, maar niet naar Mij toe komt in zijn hart, moet het aan zichzelf toeschrijven wanneer hij bezwijkt onder de te zware last van het aardse leven.

[5] Dit is het antwoord op jouw vraag, Mijn vriend Ebahl! -Heeft iemand nog iets? Laat hem komen en vragen!"

[6] In diepste eerbied komt SCHABBI naar Mij toe, de woordvoerder van de ook nog aanwezige twintig Perzen, en hij zegt: 'Heer, staat U mij ook nog een paar woorden toer'

[7] IK zeg: 'Spreek Schabbi! Daarom heb Ik tegen iedereen gezegd: Kom en vraagt'

[8] SCHABBI zegt: 'Heer, dat U iemand zult helpen als hij U daarom vraagt, is zeker en staat vast; maar wat moeten dan die mensen die, zonder dat ze hieraan iets kunnen doen, onmogelijk iets van U, o Heer, kunnen weten en nog lange tijd niets over U zullen horen en weten, terwijl ze nu in de grootste levensduisternis leven en onmetelijke levenslasten te dragen hebben? Tot wie moeten die zich richten om hulp; en kracht in hun onbeschrijflijk grote nood?"

[9] IK zeg: "Er is geen plek op aarde waar het zonlicht niet komt, en zo is er ook niemand die niet op zijn minst een vermoeden heeft van een almachtig goddelijk wezen. Laat hij vragen, verlangen en hopen overeen­komstig zijn geloof, dan zal hij ook hulp vinden! Alleen zijn er nu zo veel mensen, die helemaal geen geloof hebben. Deze helpen zichzelf en maken op kosten van de anderen hun levenslast zo licht mogelijk; die hebben dan werkelijk geen hulp van ons nodig. Wie van satan zijn wil, moet het maar zijn, want iemand die dat zelf wil, geschiedt geen onrecht! En verder hoef je je maar datgene in herinnering te roepen, wat Ik over de verschillende levensomstandigheden van alle mensen op de hele aarde en voor alle tijden gezegd heb, dan zul je daarin alles helder belicht vinden!

[10] En nu is Mijn uurtje, waarin Ik onder jullie ben, ten einde. Jullie kunnen nu hier in Mijn naam nog langer bij elkaar blijven, maar Ik zal Me met Mijn leerlingen noodgedwongen op weg begeven. Laat niemand van jullie Me echter vragen, waarheen! Want voorlopig weet Ik het, als pure Mensenzoon, Zelf niet; alleen de Vader in Mij weet het en Hij zegt: 'Sta nu op en ga! Onderweg zal Ik je openbaren waarheen!'­ Vrede en Mijn liefde zij met jullie!'

[11] Toen zei Ik tegen Marcus: 'Maak het grote nieuwe schip los! Ik en Mijn leerlingen zullen aan boord gaan. En jullie, Mijn leerlingen, sta op en volg Mij! Bemanning hebben we niet nodig; het schip zal ongedeerd op de juiste tijd vanzelf zonder stuurman in de haven terugkomen" .

[12] Allen begonnen te huilen toen Ik met de apostelen aan boord ging. Maar Ik versterkte hun bedroefde harten, voer snel naar volle zee en verdween spoedig uit het gezicht. Ze bleven echter nog de hele dag en de hele nacht samen en spraken met elkaar over Mij, Mijn leer en Mijn daden. ­Pas de volgende ochtend keerden ze huiswaarts en Cyrenius maakte aanstalten om de vele Farizeeën die hier bekeerd waren, allemaal naar hun nieuwe bestemming te brengen. Sommigen wilden Mij achterna varen, maar Raphaël hield hen er vanaf en zei, dat Ik toch al gauw weer naar Kis, Genezareth en ook hierheen zou komen. Toen werden allen rustig en loofden God, dat Hij hen zo'n grote genade waardig had bevonden. Binnen enkele dagen kwam er al een groot aantal gasten van Tyrus en Sidon om hier de wonderen te bekijken en van de geneeskrachtige bronnen te genieten, en Marcus nam ook meteen vele dienaren aan.


170 Petrus' blinde ijver en zorg om de Heer

(Ev. Matth. 16, 20-23)
[1] Toen we ons al ver buiten op zee bevonden, zei IK nogmaals tegen Mijn leerlingen: 'Waar we nu ook zullen komen, jullie moeten zwijgen en Mij niet verraden door te zeggen dat Ik Jezus, de Christus, ben!" (Matth. 16,20)

[2] Petrus kwam bij Mij en vroeg Mij of Ik nog niet wist waarheen het schip ons zou brengen; want hij stond aan het roer en zou graag weten wat voor koers hij moest nemen.

[3] Maar IK zei: 'Laat het schip gaan waarheen het gaat; de Vader weet wel waar wij deze keer moeten komen! Nu zijn wij nog onderweg om te onderrichten, en varen naar de benedenste grote baai waar we aan de andere kant van de stad Caesarea Philippi komen, daar zullen we ons enige rust gunnen. Maar over een paar jaar zullen wij op dit schip naar Jeruzalem varen, dan zal het om iets heel anders gaan. - Nu komen we bij een plaats heel dicht bij de zojuist genoemde stad, waar geen mens iets van ons heeft vérnomen, ondanks ons verblijf van meerdere dagen aan de andere kant van de genoemde stad. Zelfs de grote brand van de stad heeft de bewoners van deze plaats niet van streek kunnen brengen. Dat moest ook zo zijn, opdat jullie bij deze gelegenheid weer een ander soort openbaring mee­maken "

[4] PETRUS kwam naar Mij toe en zei: 'Heer, waar zal het om gaan in Jeruzalem, de plaats van het grote verderf? Want daar is nog nooit iets goeds vandaan gekomen wat de mensheid gelukkig stemt, en nog nooit heeft een eerlijk mens in die stad iets troostends te horen gekregen. Daar heersen vooral hoogmoed en vervolging. Daarom dacht ik, Heer, dat het beter geweest was dat U Jeruzalem net zo gestraft had als deze kleine stad, die deze straf natuurlijk wel reeds lang verdiend had. Acht maanden geleden waren we immers al in Jeruzalem en hebben ons ervan overtuigd, dat er met de bewoners helemaal niets te beginnen valt op een paar mensen na, die echter als een paar zwaluwen nog lang geen zomer maken. Daarom ben ik van mening, dat we over deze trotse en gruwelijke stad waar Johannes pas korte tijd geleden onthoofd werd, niet veel ophef hoeven te maken en haar voor altijd moeten mijden. Want zo'n stad is het immers eeuwig niet waard, dat U haar met Uw heilige voeten betreedt. Dat is natuurlijk maar mijn bescheiden mening, zegt U mij wat U daarvan denkt!"

[5] Vanaf deze tijd begon Ik er met Mijn leerlingen ernstiger over te praten dat Ik volgens de wil van de Vader wel naar Jeruzalem zou moeten gaan, en daar nog veel leed te verwachten had van de oudsten, hogepriesters en schriftgeleerden en dat Ik door hen gedood zou worden, maar op de derde dag weer uit de dood zou opstaan. (Matth. 16,21). En dat Ik dan voor eeuwig overwinnaar zou zijn van alle dood en alle vijanden van het leven, zoals Ik dat reeds op de berg van Marcus had vermeld.

[6] Toen schrok PETRUS gewoonweg en zei tegen Mij, terwijl hij Mij naar zich toetrok, op min of meer gebiedende waarschuwende toon: 'Heer, dat mag in geen geval met U gebeuren, en U bent tegenover ons en alle mensen verplicht Uzelf te sparen!" (Matth. 16,22)

[7] Maar Ik draaide Me snel om en zei ook op heel ernstige toon: "Satan, ga weg van Mij! Je ergert Me; want jouw bedoeling is niet wat goddelijk is, maar alleen wat op heel banale wereldse wijze menselijk is! (Matth. 16,23)

[8] Daar schrok PETRUS hevig van, hij viel voor Mij neer, vroeg Mij om vergeving en voegde er huilend aan toe: 'Heer, toen we op deze zelfde zee naar de plaats voeren waar we nu meerdere dagen zijn gebleven, zei U tegen Mij vanwege mijn geloof 'Simon Juda, jij bent Petrus, een rots, op wie Ik Mijn kerk zal bouwen, en de poorten van de hel zullen haar niet overweldigen! Jou zal Ik de sleutel van het hemelrijk geven. Wat jij op aarde zult ontbinden, zal ook in de hemel ontbonden zijn, en wat jij op aarde zult binden, zal ook gebonden zijn in de hemel!' Heer, dit waren letterlijk Uw heilige woorden uit Uw heiligste mond, gericht tot mij, arme zondaar. Ik heb mezelf daar nooit om geroemd en mij steeds voor de geringste onder ons gehouden, -en vanwege een weliswaar slechts menselijke waarschuwing, die echter alleen maar ontsproot uit mijn grote liefde voor U, hebt U mij tot vorst van de hel gemaakt! Heer, wees toch genadig en barmhartig voor de armzalige visser Petrus, die eerst zijn net in zee wierp, toen vrouwen kinderen verliet en U volgde!'


171 Het wezen van satan en van de materie

(Ev. Matth. 16,24-28)
[1] IK richtte Mij weer vriendelijk tot Petrus en zei: 'Ik heb je niet in het minst gekleineerd door je in scherpe bewoordingen het menselijke van je te laten zien! Alles wat er op deze wereld aan menselijks is aan de mens ­zoals zijn vlees en de verschillende behoeften hiervan om puur aardse redenen -, bevindt zich in het gericht en is daarom hel en satan, die het toonbeeld is van alle gericht, alle dood, alle nacht en alle zinsbedrog; want al het schijnbare leven van de materie is slechts een drogleven en de waarde ervan is zoveel als niets.

[2] leder mens die in een bepaald opzicht in de materie terugvalt, is in zoverre dan ook satan, als hij geluk in de materie en in het schijnleven ervan vertegenwoordigt.

[3] Als iemand echter nog in zijn lichaam vrij wil worden van satan, moet hij het kruis dat Ik nu reeds in de geest draag, op zijn schouders nemen en Mij navolgen! (Matth. 16,24) Want Ik zeg jullie: Wie zijn leven (in aards opzicht) wil behouden, zal het (het geestelijke) verliezen; maar wie zijn leven (in aards opzicht) omwille van Mij zal verliezen, die zal het (het geestelijke) vinden! (Matth. 16,25)

[4] Wat zou het een mens baten, als hij de hele wereld met al haar schatten zou winnen, maar daarbij schade zou lijden aan zijn ziel? Of wat kan een mens geven, om zijn ziel weer los te maken van de banden van de materie, het gericht en de dood? (Matth. 16,26)

[5] Wel zal het ooit gebeuren dat Ik, nu als Mensenzoon, terug zal komen in de heerlijkheid van de Vader met alle engelen, wier macht jullie kennen, maar Hij zal ook dan handelen zoals nu, en alleen een ieder kunnen helpen en vergelden naar de mate van zijn hoogst eigen werken. Wie dood wordt bevonden, zal ook dood blijven tot aan de tijd van de grote opwekking van al degenen, die in de graven van het gericht zijn gebleven, en ook daar zal ieders liefde, wil en geweten rechter zijn voor altijd! (Matth. 16,27)

[6] Maar zij die leven volgens Mijn woorden, en werken verrichten van ware zelfverloochening en innerlijke vrije liefde, zullen de dood niet zien en nooit voelen. Waarlijk, tot Mijn en jullie grote vreugde kan Ik jullie zeggen, dat sommigen van jullie geen dood zullen smaken en voelen, en getuigen zullen zijn van alles, totdat, zoals ook voorheen is besproken, de Zoon des mensen in Zijn rijk zal komen; zij zullen Hem zien en met Hem heersen, eeuwig! Maar daarvoor is zeer veelliefde nodig tot God en de naaste." (Matth. 16,28)

[7] Waarlijk, als er ergens vaders of moeders zijn, die er alleen maar zorg voor dragen dat hun kinderen in deze wereld goed verzorgd zijn en die de waarde van het zieleleven van hun kinderen niet belangrijker vinden ­dan hebben die voor zichzelf en hun kinderen een graf voor de eeuwige dood gegraven; want wat tot de wereld behoort is altijd van satan, dus van het gericht en van de dood der materie!

[8] De materie is er natuurlijk wel voor bestemd om door de kracht van een zuivere geest van gene zijde gewekt te worden tot de opstanding uit de lange gerichten; maar dan moet de materie volgens de haar goed ingeprente vrije intelligentie overgaan in de juiste vorm en het wezen van haar geest van gene zijde, die een licht is uit God. Gebeurt dat niet van de kant van de materie, dan keert de geest van gene zijde weer terug naar zijn oerbron, en de materie, waarvan het de bedoeling was dat zij voor altijd met leven vervuld zou worden, valt weer terug in haar oude gericht en zal daar lang moeten blijven aleer er ooit weer een geest van gene zijde haar op wil wekken voor een nieuwe levensproef

[9] En omdat dit nu eenmaal zo is en ook niet anders kan zijn, kwam Ikzelf dan ook immers van boven naar jullie, mensen van deze aarde, en laat jullie nu de volle waarheid zien van alle levensvormen en van hun goede of slechte omstandigheden. En voor jou, Petrus, zal het nu hopelijk ook duidelijk zijn, waarom Ik daarstraks tegen je gezegd heb: 'Ga weg van Mij, satan! ' - En nu koers zetten naar de grote baai!"
172 De Heer met zijn leerlingen in het vissersdorp bij Caesarea
[1] Ruim twee uur gaans onder het nu aanwezige kuuroord van Marcus, bevond zich de grote baai die door de vissers ook wel het 'Witte Meer' werd genoemd; hier voer men heen. Dit was het ondiepste gedeelte van de zee en daarom een beetje moeilijk te bevaren met een groter schip ­omdat men daar de diepere vaargeulen goed moest kennen om niet op een zandbank te blijven steken. Maar ons schip ging toch de baai in en liep nergens vast, waarover zelfs de twaalf apostelen zeer verbaasd waren, omdat niemand de roeiriemen of de stuurriemen bediende. Het schip werd dus door een onzichtbare macht geleid en zeer goed bestuurd, zoals alle apostelen, die verstand hadden van varen, erkenden.

[2] Daarom kwamen we ook al voor de middag op de plaats van onze nieuwe bestemming aan en namen onze intrek bij een arme visser, die ons allen hartelijk opnam. De plaats had geen eigen naam, men noemde het gewoon 'vissersdorp bij Caesarea'. Al spoedig kwam er een groot aantal arme vissers en vissersvrouwen bij ons en vroegen ons wat we hier eigenlijk zochten, en wat we in dit meer dan arme plaatsje van plan waren.

[3] IK stelde hen gerust en zei: 'Dat zullen jullie nog wel merken! Maar zeg Me eerst, of wij dertienen enkele dagen in alle stilte hier kunnen blijven!"

[4] ONZE GASTHEER zei: 'Wat mij betreft is dat zonder meer goed! Alleen moet ik jullie van te voren zeggen, beste vrienden, dat ik wel een heel goede wil, maar geen middelen heb om jullie ook maar schamel te verzorgen; want het gaat me vooral sinds de brand van Caesarea erbarmelijk slecht! De dagelijkse kleine verkoop van onze vis is natuurlijk geheel opgehouden, en andere verdiensten hebben wij, arme bewoners van dit dorpje, niet. Wij zijn dus allemaal zonder uitzondering aan de bedelstaf geraakt en hebben behalve onze vissen helemaal geen levensmiddelen en we kunnen jullie daarom ook niets anders aanbieden dan vissen zoals wij die zelf hebben, klaarmaken en eten. De toebereiding ervan is heel eenvoudig bij ons. De vissen worden alleen maar gekookt en zonder zout en brood en andere kruiden gegeten. Want eerlijk gezegd: wij zijn door de brand van Caesarea, meer dan de inwoners zelf wier huizen verbrand zijn, zonder meer bedelaars geworden en we hebben niet eens geld genoeg om zout te kunnen kopen! Ach, het gaat ons nu erbarmelijk slecht; als jullie met mij en mijn gezin een paar dagen honger willen lijden, dan zijn jullie van harte welkom!

[5] Maar wees nu zo goed en zeg me wat jullie toch naar deze bijna nooit door vreemden bezochte en voor grote schepen moeilijk bevaarbare baai heeft gebracht! Een storm in ieder geval niet; want naar deze uithoek, waar aan alle kanten hoge bergen omheen liggen, vindt ook deze de weg niet. Of worden jullie soms vervolgd, en zoeken jullie hier zolang asiel tot een bepaald gevaar voorbij is? Maar och, dat maakt me ook niets uit! Als ik jullie dus een dienst kan bewijzen, dan zal het mij alleen maar veel vreugde verschaffen. Mijn vragen zijn wel een beetje onbescheiden, - maar verge­ven jullie het mij, beste vrienden! Ik ben nu eenmaal van nature al nieuwsgierig en ik weet graag aan wie ik onderdak verschaf Dat jullie geen arme mensen zijn, is al meer dan duidelijk door jullie grote, bijna geheel nieuwe schip, dat heel zeker tegen de honderd zilverlingen heeft gekost. Voor ons is het werkelijk een grote, zeldzame verrassing, als vreemden per vergissing de weg hierheen vinden; en als ons een dergelijk geluk ten deel viel, waren er altijd wel moeilijkheden met de bezoekers van deze onvruchtbare en afgelegen streek. Daarom hoop ik dat jullie mij, als hoofd van dit bedelaarsdorp, meteen melden wat ik vooral van jullie, en alleen geheel volgens de waarheid, eerlijk zou willen horen!'

[6] IK zeg: 'Wel, als je zozeer geplaagd wordt door nieuwsgierigheid, weet dan, dat wij nu eenmaal net als jij Galileeërs zijn en bovendien op weg hierheen door absoluut niemand vervolgd zijn, maar vrijwillig hier naar toe zijn gekomen om voorlopig deze zeer merkwaardige streek te bezich­tigen, een van deze hoge bergen te bestijgen en, als dat gaat, jullie te helpen in je Mij zeer welbekende grote nood! –Ben je daarmee tevreden? Wel, spreek dan!"

[7] HET HOOFD zegt: 'Geheel en al; want dat jullie Galileeërs zijn, zal geen mens betwijfelen en daarom kan men jullie woorden ook geheel en al geloven, wat natuurlijk bij Grieken en Romeinen niet mogelijk is, omdat ze bijna altijd anders praten dan ze denken, wat bij ons 'liegen' heet. Rusten jullie maar uit onder de schaduw van deze enige boom die ik heb, dan ga ik intussen naar mijn hut om te kijken hoe ik een behoorlijk middagmaal voor elkaar kan krijgen!"

1   ...   31   32   33   34   35   36   37   38   ...   53


Dovnload 2.11 Mb.