Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Uitgeverij de ster, ginnekenweg 124, 4818 jk breda

Dovnload 2.11 Mb.

Uitgeverij de ster, ginnekenweg 124, 4818 jk breda



Pagina40/53
Datum28.10.2017
Grootte2.11 Mb.

Dovnload 2.11 Mb.
1   ...   36   37   38   39   40   41   42   43   ...   53
190 Johannes is bang voor Hirams scherpe verstand
[1] Terwijl de beide vissers met hun vrouwen en kinderen het avondmaal voor ons bereidden, vroeg eindelijk weer de zeer schuchter geworden Judas Iskariot wie het schip naar de oude Marcus terug zou brengen als wij het niet meer nodig zouden hebben.

[2] IK zei: 'Bekommer je om betere dingen dan om zulke wereldse kleinigheden; want Hij die dit schip op wonderbaarlijke wijze voor Marcus heeft gebouwd, zal wel weten hoe Hij het hem terug moet bezorgen! Dat jij je toch nooit om geestelijke dingen kunt bekommeren, maar altijd alleen maar om wereldse zaken! Wat heb je dan aan de wereld, of wat zou je eraan hebben als je de hele wereld zou krijgen, maar daarbij grote schade leed aan je ziel? Wat kun je dan geven om je verdorven ziel vrij te maken?!

[3] Kijk eens naar deze arme vissers! Ze zijn de nuchterste, maar verder toch de vriendelijkste mensen, ze verwachten geen levensloon na de lichamelijke dood en toch is voor hen de hele wereld met al haar vergankelijke schatten een gruwel, en ze hebben zich daarom van de hele wereld op dit meest verlaten en eenzame hoekje van de aarde teruggetrok­ken. Nu hebben ze voor de eerste keer iets over iets hogere geestelijke zaken vernomen en reeds zijn ze vol tevredenheid, -en het zijn zeker voor de helft heidenen; jij echter bent een echte jood en behoort evenals Ik tot de stam van Juda en toch maakt opjou het geestelijke weinig of helemaal geen indruk! Zeg Me nu eens heel eerlijk, waarom je nu eigenlijk precies met Mij van plaats tot plaats rondtrekt!"

[4] JUDAS zegt een beetje verlegen: 'Nou ja, nu doe ik het weer helemaal fout omdat ik vroeg hoe het met dat schip moet! Ik heb daar toch geen slechte en oneerlijke bedoeling bij gehad! Vergeef me, als ik daardoor fout ben geweest!"

[5] IK zeg: 'Ja, ja, jou zal nog veel vergeven moeten worden! Pas er voor op dat uiteindelijk niet de wereldje meester wordt!"

[6] Hierop wilde ook Thomas Judas Iskariot nog enkele woorden in het oor fluisteren; maar Ik keek Thomas aan en hij hield zich stil en bleef geduldig.

[7] Toen kwam JOHANNES, Mijn lieveling, naar Mij toe en zei: 'Heer, zijn we met hen nu wel enigszins op de goede weg gekomen? Want als het nog moeilijker met hen wordt, zou ik U toch wel willen vragen of U het Zelf tegen hen op wilt nemen; want soms beklemt me de gedachte, dat mijn hart misschien toch mogelijkerwijs iets wat van U komt niet juist en snel genoeg kan begrijpen en dat het dan gemakkelijk iets van mijzelf in plaats van iets van U aangeeft, waardoor ik dan bij deze scherpzinnige denkers ogenblikkelijk in de grootste moeilijkheden zou komen! Zij letten immers op ieder woord en op iedere gezichtsuitdrukking daarbij, zoals een slimme vos zijn buit in de gaten houdt! Maar één onjuist woordje en zij laten het helemaal afweten!

[8] Philopold in Kana bij Kis had er ook veel van weg; maar het was toch veel gemakkelijker om met hem te praten. Bij deze mensen gaat het veel moeilijker, omdat ze werkelijk veel ervaring hebben en daarbij zo'n scherp verstand, als ik tot nog toe niet heb meegemaakt! Mathaël was ook een buitengewone geest; maar met Hiram hier zou hij het moeilijk hebben gehad! Daarom vraag ik U Heer, nog één keer, of U Zelf het met hem op wilt nemen als hij nog een fellere aanval doet!:'

[9] IK zeg: 'Mijn beste Johannes, dat zal nu met meer zo zeer nodig zijn. Hiram zal met betrekking tot de Messias nog wel menige tegenwerping naar voren brengen die je een beetje in verlegenheid zal brengen; maar wij beiden zullen hem ook wat dat betreft nu spoedig op de juiste weg brengen. Ga jij nu naar de hut en maak een vuur voor hen; want ze proberen nu al sinds ze ons verlieten, vuur te maken door stenen en hout tegen elkaar te wrijven, maar het lukt niet!"

[10] JOHANNES ging naar de hut en zei: 'Beste vrienden, ik geloof dat het jullie vandaag niet wil lukken om vuur te maken; want ik heb nu al een poosje naar de hut gekeken, maar nog geen vuur kunnen ontdekken en mijn vriend zei tegen mij: 'Ga voor deze goede en bezorgde mensen vuur maken!' En dus ben ik nu dan hier o m jullie te helpen met het maken van vuur'

[11] HIRAM en AZIONA zeiden: 'Je bent ons dan ook uiterst welkom; want onze beste stenen geven geen vuur en de stukken wrijfhout zijn in de hut enigszins vochtig geworden, en daarom lukt het ons niet om vuur te maken. Bij de buren gaat het al niet beter'

[12] JOHANNES zei: 'Leg het hout maar op de haard, het vuur zal dan meteen komen'

[13] Ze legden het hout op de haard en AZIONA zei: 'Wel, beste vriend ­het hout ligt er al op! Ik ben werkelijk nieuwsgierig op wat voor nieuwe manier jij nu vuur gaat maken!"
191 Het vuurwonder van Johannes
[1] JOHANNES zegt: "Kijk, zo!"

[2] Johannes sprak enkel: 'Moge het hout branden op deze haard hier en in de andere hutten!" , en op hetzelfde ogenblik laaide het vuur in de hutten hoog op.

[3] Toen sloegen ze BEIDEN van verwondering hun handen in elkaar en zeiden: 'Neen, dat kan alleen een God mogelijk zijn! Wij hebben al wel eens door magiërs vuur zien maken door middel van handen wrijven, maar enkel door het woord nog nooit! Het kan natuurlijk dat je een of ander geheim poeder hebt waarmee je met echt magische snelheid het hout hebt bestrooid, wat noch door mij noch door iemand anders is opgemerkt, en het poeder moet dan, met het hout in aanraking gekomen, onmiddellijk zijn gaan branden; hebben de oude Egyptenaren zo'n poeder niet gehad? Anders is dit een zuiver, hoogst onbegrijpelijk wonder'

[4] JOHANNES zegt: 'Op natuurlijke wijze zou dit met dat bepaalde poeder nog het best te verklaren zijn; maar ik was zo vrij om deze nood nu in één keer in al jullie hutten tegelijk te verhelpen, waarvan jullie je weldra kunnen overtuigen, -dus daarom zal er van dat bepaalde Egyptische vuurpoeder hier wel geen sprake zijn!"

[5] Johannes was nauwelijks uitgesproken, of daar kwamen de buren al deels vol angst en deels vol vreugde toegesneld en vertelden haastig wat er in hun hutten was gebeurd.

[6] Maar AZIONA stelde hen gerust en zei: 'Ga maar rustig en kalm naar jullie hutten terug; want wij weten reeds wat jullie is overkomen!'

[7] Hierop haastten de boodschappers zich naar huis en bereidden ook hun karige maal.

[8] En nu zei ook HIRAM: 'Ja, mijn beste en wonderlijke vrienden, nu zal ik ook voor korte tijd naar huis gaan om mijn zeker reeds gekookte vissen zonder zout of andere kruiden te gaan eten; daarna zal ik jullie onmiddellijk weer ten dienste staan!"

[9] JOHANNES zei: 'Blijf hier, en wees met de huisgenoten van Aziona onze gast!'

[10] HIRAM zei: 'Edelste vriend, dat zou voor mij meer dan teveel zijn van jullie steeds meer onbegrijpelijke goedheid! Maar ik moet voor jullie toch ook voor een nachtverblijf zorgen, daarom is het noodzakelijk dat ik even naar huis ga om in mijn hut althans voor één van jullie, vanwege de beperkte ruimte, een behoorlijke slaapplaats klaar te maken!"

[11] JOHANNES zei: 'Ook dat is niet nodig, want ons schip, waarop wij allen heel goed kunnen overnachten, is daar al voor ingericht; en misschien blijven we wel zoals gewoonlijk gedurende de hele nacht zelfs buiten onder de boom op het mooie grasveld zitten, dus je hoeft nergens meer voor te zorgen.’

[12] HIRAM zei: 'Ja, als dat zo is blijf ik natuurlijk nu zonder meer hier! Alleen, het enige wat in deze buurt een beetje onaangenaam is, vooral 's nachts, zijn de enorme zwermen van allerlei nare muggen en andere vliegende insecten; en dan zijn er ook nog veel slangen die 's nachts uit hun schuilplaatsen naar buiten komen en ons vaak erg lastig vallen. Er is hier weliswaar ook een groot aantal ooievaars en kraanvogels, die in grote scharen aan komen vliegen en hier hun zeer royale maaltijd houden; maar desalniettemin vermeerdert het ongedierte zich zienderogen zo erg, dat er iedere avond nog genoeg overblijft om ruim tien maal zoveel ooievaars en kraanvogels te voeden. Om die reden is het hier in ieder geval niet zo aangenaam om buiten te overnachten. Ik zou liever zien dat jullie de nacht op het schip doorbrengen, waar men zich in de vertrekken niet voor de insecten, noch voor de muggen en nog minder voor de slangen in acht hoeft te nemen!"

[13] JOHANNES zei: 'Maak je om al die dingen maar helemaal geen zorgen; want noch het een noch het ander zal jullie nu en ook in de toekomst ooit meer tot last zijn!"

[14] Bij deze woorden verliet Johannes de hut en kwam weer bij ons en wilde Mij vertellen wat er nu allemaal was voorgevallen.

[15] IK prees hem echter en zei: 'Alles voor deze mensen heb Ik Zelfprima geregeld! Maar Ik zeg jullie nu iets anders!"
192 Het wonderbaarlijke nachtmaal
[1] (DE HEER:) 'We zullen vandaag tegen middernacht met een regelrechte oorlog te maken krijgen! Want een tweede afvaardiging is gisteren uit Jeruzalem vertrokken, omdat die onder leiding van Zinka niets meer van zich liet horen, -door wie deze gestuurd is kunnen jullie gemakkelijk raden! Ze komen met een schip, en enkele vissers die jullie kennen, hebben hun bericht dat wij vandaag tegen de middag deze baai zijn binnengevaren. Ze zullen het vannacht weliswaar zeer moeilijk hebben in deze bocht, maar uiteindelijk geholpen door een paar deskundige en goed betaalde vissers toch hier aankomen. Er bevinden zich ook twee aarts-Farizeeën onder hen en een belangrijke schilddrager van Herodes. Vertel deze vissers hier intussen niets van, want wij zouden hen daardoor geheelonnodig bang maken, omdat ze ons nog niet volledig kennen en ons heimelijk nog steeds voor magiërs van het buitengewoonste soort houden!

[2] Met deze achtervolgers zal het niet zo goed aflopen als met die onder leiding van Zinka! Deze achtervolgen Mij met een eigen inzet en woede, wat bij Zinka niet het geval was; daarom zal hun onderneming hun zeer duur te staan komen! Want men moet verdwaalde en onder dwang staande mensen anders behandelen dan volslagen duivels! Vandaag zullen jullie Mij een keer als een onverbiddelijke rechter meemaken, bij wie in deze situatie geen liefde zal heersen! Maar nu geheel zwijgen hierover; want onze gastheren brengen zojuist het zeer goed toebereide nachtmaal!'

[3] Als AZIONA met zijn etensmand aankomt, zegt hij: 'Beste goddelijke vrienden! Alles is in orde, alleen hebben we geen tafel, geen banken en geen licht! -en het is toch al tamelijk donker geworden!"

[4] IK zeg: 'Dat geeft allemaal niets! Luister, magiërs als wij raken daardoor nooit in verlegenheid! Wij hoeven alleen maar te zeggen: 'Tafels, banken en licht hier!', en zie, alles wat nodig is voor ons gemak is er al!"

[5] Er stond zodoende in één enkelogenblik een grote, gedekte, lange tafel met goede banken eromheen, en op de tafel stond een grote naftalamp met helder, zonnewit licht, zodat de hele omgeving naar alle kanten hierdoor bijna daghelder verlicht was. Aziona en Hiram lieten van schrik en verwondering bijna de etensmand vallen, vermanden zich echter snel en zetten hem, iets voorzichtig nog, op de wonderbaarlijke tafel.

[6] HIRAM keek nu eens Mij, dan weer Johannes aan met verwonderde, maar ook zeer onderzoekende ogen, alsof hij zich afvroeg: 'Nu zou ik toch wel graag willen weten, wie van beiden de belangrijkste en de eigenlijke meester van het gezelschap is!', en hij zei tenslotte hardop: 'Waarlijk, als dat ook tot het rijk der magie behoort, dan zou alleen daarvoor al in Alexandria tienduizend pond puur goud betaald worden!"

[7] Hier kon ook JUDAS Iskariot zijn mond niet meer houden en zei tamelijk luid voor zich uit: 'O, als ik dat zou kunnen, - geen uur zou ik meer in dit domme beloofde land blijven, waar men altijd en overal alleen maar achtervolgd wordt! "

[8] Deze keer was het Jacobus die hem een wenk gaf en hem aan Mijn eerdere vermaning herinnerde. Toen werd hij stil en zei geen woord meer.

[9] Aziona riep nu al zijn huisgenoten uit de hut en liet hen het nieuwe wonder zien, en ZIJN VROUW riep uit: 'Man, dat zijn geen magiërs, dat moeten goden zijn; want dit is iets ongehoords'

[10] AZIONA zei: 'Je zou wel eens helemaal gelijk kunnen hebben; alleen is het de vraag of de hoge goden van de Olympus wel genoegen nemen met onze vissen!"

[11] Zijn VROUW, die een Griekse uit Athene was en derhalve een nog echt overtuigde heidin, zei: '0 man, zoiets heb ik van de hoge goden meermaals gehoord! Want de goden houden alleen in hun hoge hemelen van de allergrootste pracht; maar op aarde nemen ze altijd slechts bij de eenvoudigste en meest gewone mensen hun intrek en zijn ze tevreden met de eenvoudigste kost. Ja, ja, mijn lieve man, zo is het vast en zeker'

[12] AZIONA zegt: "Wel, wel, het zal wel zo zijn; maar nu is het wel weer goed! Ga maar weer naar de hut en maak alles goed in orde!"


193 Het naderende schip met de achtervolgers
[1] Hierop begaf de vrouw zich met enkele kinderen weer naar de hut en begon zelfs bij haar werk met de kinderen de grote Zeus te prijzen voor die meer dan grote genade, maar maakte niettemin tegen de kinderen de opmerking, dat het land waar de goden verschijnen niets goeds te wachten staat, maar enkel slechte zaken zoals oorlog, hongersnood, pest en grote overstromingen.

[2] Maar DE KINDEREN zeiden: 'Maar deze goden zien er toch heel vriendelijk uit! We zullen hun morgen vragen of ze niet al te verschrikkelijk onheil over de aarde laten komen!"

[3] DE MOEDER zei: 'Wees nu maar kalm en stil! Dat zullen de vaders wel met hen bespreken; want wij begrijpen daar te weinig van."

[4] Daarop werd het stil in de hut en wij verorberden met Aziona en Hiram ons avondmaal, dat de beiden buitengewoon goed smaakte, en met name de wijn en het brood, die Hiram niet genoeg kon prijzen. Toen we de vissen gegeten hadden, bracht Aziona de mand weg en kwam weer bij ons terug; we bleven toen met brood en wijn meteen aan tafel zitten en niemand bespeurde ook maar iets van slaap. Tot een uur voor middernacht brachten we de tijd door met allerlei niet zo belangrijke verhalen.

[5] Hierna pas stond HIRAM op, staarde een poosje naar buiten naar de baai en zei toen met een zekere bedruktheid: 'Mijn vrienden, dat lijkt me niet in orde; voor ons allen dreigt een groot gevaar! Ik zie een met vele krijgers en gerechtsdienaren bemand schip de baai binnenvaren! Waarlijk, die hebben niets goeds in de zin! Vriend,jij hebt dit licht zo mooi geschapen, doof het, zodat ze de richting verliezen en in de nacht op een zandbank terechtkomen! Morgen zullen we hun dan vragen wat ze hier te zoeken hadden, en hun schip zal voor ons een goede buit zijn als ze ons met vijandige bedoelingen wilden bezoeken"

[6] IK zei: 'Laten we het licht maar aan laten! Weldra zul je wonderen van onze macht te zien krijgen! Maar eerst moeten ze helemaal bij ons komen; en dan zullen we hun laten zien waartoe naar jullie zeggen de goden in staat zijn!"

[7] Hiermee stelde Hiram zich tevreden; maar AZIONA zei: 'Zie, beste vrienden, ik had jullie nog gevraagd of jullie soms door een vijand achtervolgd werden! Maar jullie zeiden: ' Absoluut niet! ' Hadden jullie er ons maar iets van gezegd, dan hadden wij hun het binnenvaren in deze bocht wel dermate moeilijk gemaakt dat ze daar dertig jaar lang genoeg aan hadden om over na te denken!"

[8] IK zei: 'ik wist wel wat er, zonder dat wij daar schuld aan hebben, zou gebeuren; maar als Ik het jullie meteen gezegd had, zou het afgelopen zijn geweest met jullie noodzakelijke rust. Jullie zouden ontzettend veel moeite hebben gedaan om de ingang tot jullie baai te versperren, -en waartoe dan? Ik heb immers meer dan voldoende macht voor meer dan honderd­duizend van zulke vijandige schepen! Waarvoor dan nog zulke voorberei­dingen? De buit en het schip behoren dan zonder meer aan jullie toe en dat zal niet gering zijn! Ze hebben grote sommen geld bij zich om mensen om te kopen en om zichzelf goed te verzorgen, en nog een groot aantal andere aardse kostbaarheden, die jullie in je grote armoede goed van pas zullen komen. Ik heb dit heimelijk in Mijzelf allemaal voorzien en heb jullie vooral daarom niets gezegd.

[9] Als jullie het schip door list en geweld, wat ook heel gemakkelijk gekund had, buitgemaakt zouden hebben, dan zouden jullie kort daarna weer bezoek vanuit Jeruzalem hebben gekregen van een tienmaal groter vijandelijk schip, en allemaal zonder uitzondering als roofmoordenaars behandeld zijn. Maar nu hoeven jullie hiervoor niet in het minst bang te zijn; want Ikzelf zal jullie in de geest, ook al zal Ik niet persoonlijk bij jullie zijn, altijd beschermen en ervoor zorgen dat jullie niets kwaads overkomt.

[10] Maar nu komen de werkelijk enorme woestelingen al aardig dichtbij en zij zullen nu weldra samen met de beide vissers, die ons alleen verraden hebben, aan land gaan; let maar goed op wat hen zal overkomen!"

[11] AZIONA zei: 'Als ze maar geen werpprojectielen bij zich hebben!"

[12] IK zei: 'O, nee hoor, ze hebben alleen maar enkele spiesen, lansen, zwaarden en kettingen bij zich; maar nu kalmte, beste vrienden!'


194 De achtervolgers staan terecht
[1] Op dat moment hoorde men RUWE STEMMEN honend en lachend uitroepen: 'Hoera! Hahahaha, daar zitten de vrolijke vogels met Griekse verlichting allemaal mooi bij elkaar, en wij hebben ze in één keer in onze macht!"

[2] Meteen kwamen de TWEE AARTSFARIZEEËN met de burchtvoogd van Herodes en meerdere gerechtsdienaars met grimmige gezichten op onze tafel af en zeiden: 'Als jullie niet zwaar geketend naar Jeruzalem gebracht willen worden, moeten jullie ons gewillig volgen! Bij de geringste tegen­stand zullen jullie onmiddellijk met de zwaarste kettingen geboeid wor­den!"

[3] Maar IK zei: 'is er bij jullie in ieder geval tot morgen dan helemaal geen genade en welwillendheid meer mogelijk? Want of jullie nu vandaag of morgen met ons, onschuldigen, wegvaren om je wraaklust te koelen, zal toch geen verschil maken!"

[4] De VOOGD en de BEIDE FARIZEEËN schreeuwen: 'Nee, nu onmiddellijk moet het zonder enige genade! Kom, voorwaarts!"

[5] IK zei nu met een zeer machtige en ernstige stem: 'Goed dan! Omdat in jullie geen vonkje barmhartigheid aanwezig is en jullie tot ware aartsduivels zijn geworden, is ook uit Mijn hart alle erbarming voor jullie geheel verdwenen! Jullie geschiede overeenkomstig jullie hart, gezindheid en onnoemelijk boosaardige daden!"

[6] Bij deze woorden van Mij werden allen plotseling stijf en door ondraaglijke pijnen aangegrepen, ze begonnen te jammeren en te smeken en beloofden alles te doen wat Ik ook maar van hen zou verlangen, - als Ik hen maar wilde bevrijden van zulke ondraaglijke kwellingen! Ze wilden liever duizend maal sterven dan nog maar een ogenblik lang deze ondraag­lijke pijn verdragen!

[7] Maar IK zei: 'ik heb jullie slechts tot morgen ook om genade en erbarming gevraagd, en dit niet gevonden; daarom zullen ook jullie nu geen genade en erbarming bij Mij vinden! De enige genade die Ik jullie kan geven bestaat uit het volgende: De verscheurende beesten uit dit gebergte zullen een einde maken aan jullie zeer slechte leven en met jullie datgene doen, wat jullie al met zoveel onschuldige mensen hebben gedaan! Ja, zelfs de kinderen bleven niet gespaard voor jullie onbeschrijflijke en ongekende wreedheid!

[8] Jullie waren destijds nog als jonge kerels de fanatieksten bij de kinder­moord in Bethlehem, omdat jullie toen al dachten met hen ook Mij te doden. Maar Jehova 's eeuwige geest die Mij altijd met alle macht en kracht vervuld heeft, heeft dat weten te verhinderen. En na die daad hebben jullie nog talloze ongehoorde gruwelen aan de arme mensheid begaan, waarvoor het menselijke verstand nog helemaal geen namen heeft gevonden; daarom heb Ik Zelf gewild dat jullie juist hierheen moesten komen, om als duivels in menselijke gedaante jullie lang reeds welverdiende loon te ontvangen!"

[9] Hierop jammerden ze nog meer en smeekten om genade en beloofden totale beterschap van hun slechte leven. Ze vroegen of Ik alleen deze ene keer genade voor recht wilde laten gelden. Daarbij werd hun gekerm vanwege de pijn steeds erger, zodat Aziona en Hiram en zelfs enkele van Mijn leerlingen voor hen begonnen te smeken.

[10] IK zei: 'Geloof Me: Zo gauw Ik hen nu voor maar tien tellen van hun welverdiende kwellingen bevrijd, zullen ze zich onmiddellijk als woedende tijgers op ons storten en ons willen verscheuren! O, Ik weet het beste hoe men met engelen, mensen en echte duivels om moet gaan! Waarlijk, voor deze tussen Mijn mensenkinderen gesmokkelde aartsduivels bestaat er in Mijn hart geen erbarmen meer'

[11] Maar de booswichten huilden steeds erger en vroegen om erbarming.

[12] Maar IK zei: 'Dadelijk zullen diegenen er zijn, die een einde aan jullie lichamelijke kwellingen zullen maken, en jullie zwarte zielen zullen de draken bewonen van de heetste woestijnen in Afrika voor tienduizend maal duizend jaar, begraven in het gloeiende zand, Amen!"

[13] Nu dreunde er van alle kanten uit het gebergte een machtig gebrul­ zodat alle arme bewoners van deze plaats erg angstig werden.

[14] Ik stelde hen echter gerust en zei tegen Aziona: 'De beide vissers moeten nu van de pijn bevrijd worden; neem jij hen gevangen en breng hen naar de hut!"

[15] Aziona deed dat. Toen de beiden, die zich door geld hadden laten verleiden, in bewaring waren gebracht en Aziona weer bij ons aan tafel kwam, besprongen meteen een hele massa tijgers en grote beren de nu verschrikkelijk huilende booswichten, pakten hen met hun tanden beet en sprongen er haastig met hen vandoor naar het gebergte alsof ze slechts mussen in hun bek hadden. Spoedig verstomde al het gekerm; want de beesten die Ik voor dit doel helemaal van de Ganges hierheen gedreven had, waren spoedig klaar met deze maaltijd en begaven zich toen snel weer naar hun land van herkomst.

[16] Ik zei nu tegen iedereen: 'Laat hiervan nooit één woord over iemands lippen naar buiten komen; want dat zou hem uiterst slecht bekomen! De beide vissers zullen pas morgen hun opdracht krijgen en zullen op deze wereld geen verraad meer plegen"

[17] Nu kreeg HIRAM weer moed om te spreken en zei tegen Mij: 'Nu pas weet ik wie onder jullie de heer is, en ik moet bekennen dat ik u nu zonder twijfel voor een waarachtige god houd! U bent weliswaar de goedheid zelve; maar uw toorn is zeker het verschrikkelijkste op de hele wereld en onder alle sterren! Wat moeten dat wel niet voor ellendige booswichten geweest zijn, dat u met hen niet het geringste mededogen kon en wilde hebben!"
195 Het levensverhaal van de achtervolgers
[1] IK zei: 'ik zegje: In deze tijd bestaat er op de hele aarde niets ellendigers! Ik zeg je: Er leven nu op de hele aarde zeer veel, ontzettend veel uiterst slechte en boosaardige mensen die helaas door hun opvoeding vanaf hun geboorte meestal slecht zijn geworden. Maar bij dezen hier heeft het waarlijk nooit aan de beste opvoeding ontbroken en ze werden onderwe­zen in alle goede dingen; maar reeds in hun kinderjaren hebben ze zich al door allerlei huichelarij anders voorgedaan dan ze waren, zodat men hen overal naar voren haalde en hen steeds naar mogelijkheid eerde. Daarom kregen ze al in hun jonge jaren zeer aanzienlijke taken, maar begonnen dan al spoedig, vaak door grof misbruik te maken van hun ambtelijke bevoegdheden, de mensen maar al te zeer te onderdrukken en werden zo steeds gevoel­ en gewetenlozer. Door hun listigheid hadden ze bij alles succes en zo bereikten ze, met name de drie hoofdaanvoerders, die schoolkameraden waren, heel hoge posities en bevonden zich toen pas echt op de juiste plaats om hun ware satansdrift de grootst mogelijke ruimte te bieden, en alles wat maar in hun aartsslechte geest opkwam werd tot elke prijs uitgevoerd.

[2] Hoeveel zachtaardige meisjes en jongens tussen de acht en twaalf jaar hebben ze niet tot de dood toe geschonden, zelfs onder de grootste martelingen, en daarna hun lichaam als voer voor hun vele honden geworpen! En als bijvoorbeeld treurige ouders het waagden om slechts uitgebreid te onderzoeken wat er met hun kinderen gebeurd was, konden ze er al bij voorbaat op rekenen dat hun laatste uur spoedig geslagen had. En hun gerechtsdienaren en gezworen helpers waren op zichzelf geen haar beter, maar indien mogelijk nog gruwelijker. Wanneer je je dit allemaal en vaak nog duizendmaal slechtere dingen erbij voorstelt, zul je Mijn toorn hier heel goed kunnen begrijpen.

[3] Ze wisten echter ook heel goed, dat niemand hen bij de Romeinen zo gemakkelijk kon verraden als Ik, omdat ze reeds veel over Mij gehoord hadden. Daarom stuurden ze er ook steeds achtervolgers op uit om naar Mijn persoon te zoeken, maar altijd zonder resultaat; daarom wilden ze nu zelf het gewenste werk uitvoeren. Maar Mijn geest in Mij zei: 'Tot hier en niet verder! ' En zo hebben ze nu hier hun lang verdiende loon ten volle ontvangen.

[4] Raap hun wapens en kettingen bij elkaar; want jullie zullen ze kunnen gebruiken als nuttig huisgereedschap en in de winter om vis te vangen! Daar, onder die rotswand in het bos zullen jullie hun verscheurde kleren vinden en ook afgekloven botten, omdat ze daar door de dieren verorberd werden. Maar ga daar pas over een maand heen, tot ook de mieren eerst hun plicht gedaan hebben! Jullie zullen daar nog een groot aantal aardse kostbaarheden vinden, die jullie in de loop der tijd bij gelegenheid goed aan Griekse handelslieden kunnen verkopen; maar voorlopig heeft dat nog tijd!

[5] Het schip bevat vijfhonderd pond goud, zilver en nog een aantal andere kostbaarheden, -dat behoort jullie allemaal toe, ook het schip; maar wees bij de verdeling eerlijk en onzelfzuchtig, neem watje nodig hebt! Het schip is hier zo goed als gestrand en heeft geen bezitter en komt dus volgens het Romeinse strandrecht -primo occupanti ius* (* De eerste heeft het recht van in bezit name ) - geheel aan jullie toe! Zijn jullie daarmee tevreden?'

[6] AZIONA en HIRAM antwoordden: 'Heer en Meester van alle macht, wijsheid en kracht van de volmaakte geest van een allerhoogste Godheid! Wie zou er nu niet tevreden zijn? En des te meer daar we nu inzien dat het werkelijk een geschenk van boven is!"


1   ...   36   37   38   39   40   41   42   43   ...   53


Dovnload 2.11 Mb.