Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Uitgeverij de ster, ginnekenweg 124, 4818 jk breda

Dovnload 2.11 Mb.

Uitgeverij de ster, ginnekenweg 124, 4818 jk breda



Pagina43/53
Datum28.10.2017
Grootte2.11 Mb.

Dovnload 2.11 Mb.
1   ...   39   40   41   42   43   44   45   46   ...   53
207 Het strandgoed wordt verzameld en opgeborgen

De nieuwsgierigheid van de dorpsbewoners
[1] Nu gingen Hiram en Aziona naar de hut en brachten direkt de beide vissers naar de Heer. Daarna wekten ze hun familieleden in hun hutten in de buurt en begonnen met het werk dat hun opgedragen was. Hun vrouwen en kinderen verbaasden zich natuurlijk buitengewoon over zulke kostbare geschenken en waren vol vragen en gedachten.

[2] Maar AZIONA en HIRAM zeiden: 'Nu moet er eerst gewerkt worden, de nodige verklaringen komen pas daarna!"

[3] Toen werd er monter opgeruimd en het werk was spoedig ten einde. Er werd ook meteen wat visgerei in het schip gebracht en de al tamelijk volwassen kinderen van Aziona en Hiram gingen meteen vissen en vingen in korte tijd een groot aantal zeer edele en grote vissen, zodat ze hun bassins die ze in het water hadden afgezet, bijna helemaal vol hadden.

[4] Ik had intussen de beide vissers zeer ernstig op het hart gedrukt, dat ze in hun hele leven nooit meer, ook niet als ze alle schatten van de wereld zouden krijgen, ook maar het kleinste verraad tegenover iemand moesten plegen. Daarna bezorgde Ik hun een oude maar nog goed bruikbare vissersboot van Aziona en gebood hun om te vertrekken en niemand te vertellen waar ze vandaan kwamen en waar het grote schip gebleven was. Want degenen wier eigendom het was, bestonden niet meer en degenen, aan wie het nu toebehoorde, bezaten het als eigendom volgens het strandrecht met alles wat het bevatte.

[5] De beiden bedankten Mij, beloofden heilig om heel hun leven de belofte te houden, gingen aan boord van hun boot en gingen er zo snel ze konden vandoor. Ze hadden er verscheiden uren voor nodig om thuis te komen, waar ze slecht ontvangen werden omdat ze geen enkele betaling mee naar huis brachten; want beiden hadden kwade vrouwen en moesten toen een week lang al het mogelijke doen om met vissen het verzuimde in te halen. Ze werden weliswaar bestormd met allerlei vragen -zoals: waar waren jullie en wat hebben jullie gedaan -maar ze zwegen als vissen in het water en gaven niemand uitleg en antwoord.

[6] Nadat Hiram en Aziona alles hadden ondergebracht, kwamen ze Mij van gans er harte bedanken voor de grote en kostbare strandbuit en vroegen Mij naar Mijn wensen voor het morgenmaal.

[7] IK zei: 'Breng wat jullie hebben, vissen die vers zijn en vanochtend gevangen werden, bovendien brood en wat wijn! Doe zoveel, dat ook jullie betere buren er aan kunnen deelnemen en nodig hen daarvoor uit! Bij het morgenmaal zullen we dan enkele buitengewoon belangrijke en gewichtige dingen bespreken en uitleggen. Ik zal voor jullie een goed begin maken met het bekeren van je buren en zo jullie werk aanzienlijk lichter maken. Nu kunnen jullie gaan en je zaken in orde maken! Ik ga nu echter met Mijn leerlingen een uur rusten"

[8] Beiden gingen nu, bereidden in de keuken alles voor en gingen toen zelf naar de buren die gedeeltelijk nog met de vissen bezig waren en brachten de bewuste uitnodiging voor het morgenmaal aan hen over. De buren waren heel verbaasd en tegelijk opgetogen over zo'n uitnodiging en vertelden meteen over hun verbazing wat betreft hun ongewoon rijke visvangst, die nu voor een maand lang verder werken overbodig maakte, zodat ze nu tijd wonnen om hun woningen een beetje te repareren.

[9] AZIONA zei: 'Dat zal nu des te gemakkelijker gaan omdat wij vannacht, terwijl jullie rustig sliepen, een groot aantal voor het bouwen noodzakelijker werktuigen als goede buit in ons bezit hebben gekregen!"

[10] De buren vroegen wat er in deze nacht dan gebeurd was; want ze hadden in hun hutten zelfs in hun slaap een hevig gehuil en geschreeuw vernomen. Ook was het hun voorgekomen alsof het de hele nacht zo half licht was geweest. Enkelen van hen waren wel hun hut uitgegaan om te zien wat er aan de hand was, -maar ze hadden vanwege de kleine heuvels en hopen losse stenen tussen de hutten niet kunnen ontdekken wat het was. Ze hadden zich stil gehouden, deels hun hutten en vrouwen en kinderen bewaakt en ook met de gebruikelijke cynische gemoedsrust daarbij gedacht: 'Wel, de spoedig aanbrekende dag zal ons daarover wel de nodige opheldering geven!"

[11] Toen zei HIRAM: 'Ja, dat zal hij ook! O broeders, dat was een nacht, zoals we nog nooit hebben beleefd en waarschijnlijk ook nooit meer zullen meemaken! Maar laten we het er nu niet verder over hebben; bij het morgenmaal aan de tafels van Aziona zal jullie het een en ander duidelijk worden! Nu echter moeten jullie je klaar maken; want het morgenmaal zal niet lang op zich laten wachten!"

[12] EEN van hen vroeg: 'Maar er zijn gisteren toch vreemden, misschien joden of Grieken, per schip bij Aziona gekomen! Wat zijn dat voor mensen? Zijn ze er nog, of zijn ze al weer weg? Hebben deze mensen vannacht soms zo'n spektakel gemaakt?"

[13] HIRAM zegt: 'Maak je daar maar niet druk over! Die bewuste vreemden zijn in veel opzichten ons geluk, het zijn mensen van de edelste en volmaaktste soort en ze blijven vandaag en waarschijnlijk nog enkele dagen bij ons en zullen vandaag het morgenmaal met ons gebruiken. Ze zijn buitengewoon wijs en hebben een wonderbaarlijk machtige wil. Kortom, ze zijn vooral datgene, wat men anders in de waarste zin van het woord van de volmaakte goden zegt, namelijk dat ze hoogst wijs zijn en dat alle wetten van de natuur zich onvoorwaardelijk moeten buigen voor de macht van hun wil. Hiermee hebben jullie heel in het kort een beschrijving van de vreemden! Maar jullie moeten vooral geen vrees voor hen hebben; want het zijn buitengewoon goede en gemoedelijke mensen die iedereen alleen maar het beste en nooit iets slechts aandoen! En zorg nu dat jullie klaar zijn.’
208 De voorbereidingen voor het morgenmaal
[1] Toen de buren dit van Hiram vernomen hadden, maakten ze zich onmiddellijk klaar en kwamen met Aziona en Hiram naar ons toe.

[2] Maar toen ze ons voor de hut van Aziona nog slapend aantroffen zei EEN van hen: 'Ah, die slapen nog; dan kunnen we nog snel even naar huis gaan en onze familieleden vertellen wat ze voor de hele dag te doen hebben!"

[3] AZIONA zegt: 'O, laat dat! Die zullen wel weten wat ze te doen hebben; want mijn gasten zullen daar wel voor zorgen, zoals ze ook gisterenavond gezorgd hebben dat er overal vuur op de haarden kwam om de vissen te koken, en er in ieder huis voldoende zout kwam."

[4] 'Wat', zegt een BUURMAN, 'hebben die vreemden dat gedaan?! Nu, dat moeten dan wel buitengewone magiërs zijn! Die hebben ons zeker ergens in onze nood op een van onze reizen leren kennen, hebben misschien ergens in Caesarea Philippi bij de Romeinen naar ons geïnformeerd en zijn gekomen om ons te bezoeken en ons misschien ook een beetje uit de nood te helpen!"

[5] AZIONA zegt: 'Ze kennen welons hele doen en laten, maar op onze reizen hebben ze ons persoonlijk nooit gezien of ergens bezocht en het zijn allesbehalve magiërs, waarvoor ik ze in eerste instantie ook heb gehouden. In de loop van de dag heb je nog ruimschoots gelegenheid om te weten te komen wie zij, en vooral ook hun meester, zijn. Kort en goed, vooral de meester is iemand zoals er nooit eerder een heeft bestaan zolang de mensen op deze aarde denken en hun daden hebben opgetekend op de ijzeren tafels van het grote wereldgebeuren. Dat is voor het ogenblik genoeg; denk erover na! Ik moet nu in de keuken gaan zien hoe het met het morgenmaal is gesteld "

[6] Aziona gaat nu naar binnen en ziet dat zijn mensen daar zeer druk bezig zijn met alles te bereiden en klaar te maken, de haard brandt dat het een lust is en alle roosters, braadspitten, potten en pannen zijn volgepropt met vissen die ontgraat zijn op de in het morgenland gebruikelijke manier. Ook is er geen gebrek aan welriekende kruiden, waarmee de vissen op smaak gebracht worden. Aziona kijkt ook in de provisiekamer hoe het gesteld is met het benodigde brood. Hij vindt alle planken vol en er zijn verscheidene grote kruiken en andere kostbare vaten, die een buit zijn uit het schip en vol zijn met de beste wijn.

[7] En AZIONA roept heel verrukt: 'O Heer, U .alleen zij lof en eer; want dit alles is enkel Uw goedheid en macht!"

[8] Zijn vrouw hoorde dit echter en zij vroeg hem welke heer hij eigenlijk bedoelde; want tot nu toe had ze gedacht dat ze vrije mensen waren die geen heer boven zich hadden.

[9] Maar AZIONA zei: 'Jij bent een vrouw en daarom dom en je weet niets behalve hoe je vis goed klaar kunt maken. Wie heeft ons dit alles hier dan bezorgd? Kijk, Hij die dat gedaan heeft is ook onze Heer en onze grootste weldoener. En vraag nu niet verder, maar doe je werk goed!"

[10] Toen werd de vrouw dadelijk muisstil, want ze wist dat bij dergelijke gelegenheden met haar man niet veel te praten viel en weinig te beginnen was. Alleen het woord 'Heer' ging haar niet meer uit haar hart en ze dacht er heel diep over na.


209 Aziona en Hiram in gesprek met hun buren
[1] Aziona kwam weer bij zijn buren terug, die ondertussen voor het grootste deel al een plaatsje op het grasveld hadden gevonden. Hiram vroeg hem of het maal al gauw klaar zou zijn en of men iets zou doen om degenen die nog sliepen te wekken, zodat ze hun morgenmaal konden gaan gebruiken. .

[2] AZIONA zegt: 'Ik denk dat dit bij deze mensen volkomen onnodig zal zijn; want hun boven alles wakkere geest slaapt zeker nooit en weet alles wat er is en gebeurt en daarom zal het hem ook zeker niet ontgaan wanneer het maal volledig gereed zal zijn!"

[3] HIRAM zegt: 'Ja, ja, je hebt gelijk; die waken in hun slaap meer dan wij overdag, hoe wakker we ook zijn! Laten we daarom wachten tot ze wakker worden; we hebben immers tijd genoeg!'

[4] Een ANDERE BUURMAN zegt: 'Denk jij, Hiram, dat zij nu in hun slaap ook alles horen en zien wat er om hen heen gebeurt?"

[5] HIRAM zegt: 'Niet alleen wat hier is en gebeurt, maar ook wat er nu in de hele wereld, zelfs wat er nu in de gehele oneindigheid is en gebeurt ­eeuwigheden geleden gebeurd is en over eeuwigheden zal gebeuren!"

[6] DE BUURMAN zegt: 'Vriend Hiram, heeft de hitte van de zon soms te sterk op je hersenen ingewerkt? Jouw woorden zijn immers zo buitenge­woon verward, dat we allemaal in ernst medelijden met je beginnen te krijgen. Wie van alle sterfelijke mensen kan zich ooit een voorstelling maken van de oneindigheid der ruimte, wie van de eeuwige duur van de tijdstroom? Deze mensen zeker evenmin als wij, -en wanneer ze slapen al helemaal niet! Wel, ze mogen dan wel werkelijk wijs zijn en een machtige wil hebben; maar volledige kennis van de oneindigheid der ruimte, van de eeuwige tijd, de krachten, het licht en wezen van het leven kan geen enkele beperkte wijze op deze aarde bevatten, en dus ook deze vreemde­lingen zeker niet!

[7] En of er werkelijk ergens een goddelijk wezen bestaat dat door zijn kennis volledige duidelijkheid heeft over deze begrippen is een grote vraag, die tot nu toe ook zeker nog geen enkele sterfelijke wijze zo heeft beantwoord, dat andere mensen voldoende inzicht hebben om van zichzelf te kunnen zeggen: 'Nu hebben we ook daarover minstens enig idee!'

[8] Ja, beste Hiram, over deze begrippen is in Athene op de hoge school, die ook ik bezocht heb, veel gesproken, maar altijd zonder het geringste ook maar enigszins voldoende resultaat. Wat was de conclusie aan het eind van de vele besprekingen en redevoeringen?: Dat het de grootste overwin­ning van een wijze is, als hij inziet dat hij helemaal niets weet, en dat hijzelf als wijze niet eens op de onderste trap van die tempel staat waarin de godin van de wijsheid haar schatten achter stevige sloten en grendels bewaart!

[9] Ja, mijn beste vriend, over dit punt is met mij een beetje moeilijk te praten! Maar laten we er maar over ophouden; de gasten beginnen zich te roeren en ze moeten ons bij hun ontwaken niet aantreffen in een verhan­deling over de begrippen van het onmogelijke!'

[10] HIRAM zegt: 'Jij bent nu weliswaar de rotsvaste oude Griek en denkt ­dat mijn hersenen schade geleden hebben door de zon; maar hierin vergis je je geweldig! Over twee uur zul je hopelijk anders oordelen en spreken! Want wat er allemaal achter deze mensen schuilgaat zul je je pas dan iets beter kunnen voorstellen, wanneer je enige tijd met henzelf contact gehad zult hebben. Ik ben toch ook geen windwijzer en onze leider Aziona net zo min; maar wij zijn nu beiden geheel andere mensen geworden en hebben Diogenes geheel over boord geworpen. Hetzelfde zal zeker ook bij jou en bij alle anderen gebeuren. -Maar nu richt de Meester zich op en ook Zijn leerlingen, en nu moeten we Hem dadelijk vragen of Hij het morgenmaal al wil gebruiken"

[11] IK zeg: 'Wacht nog tot de zon boven de horizon verschijnt en zet dan het maal op tafel"

[12] Nu beginnen ook de leerlingen zich te roeren en op te staan uit het gras en van de banken. Enkelen gaan meteen naar de zee om zich te wassen; Ik doe dat echter niet en Aziona komt snel naar Mij toe om te vragen of Ik waswater nodig heb.

[13] Maar IK zeg tegen hem: 'Vriend, al dit water kwam uit Mij; waarom zou Ik het nemen om Mij te wassen? Maar om niemand aanstoot te geven, kun je Me een kruik vol bronwater brengen!'

[14] AZIONA haast zich en zoekt een lege kruik, maar vindt er geen; want alle kruiken en andere vaten zijn tot de rand toe gevuld met de beste wijn!

[15] Heel verlegen komt hij terug en zegt: 'O, Heer, vergeef me! Er is niet één vat in de hele hut dat niet tot aan de rand toe gevuld is met wijn!"

[16] IK zeg: 'Wel, breng Me dan maar een met wijn gevuld vat, dan was Ik Me een keer ook met wijn!"

[17] Snel was Aziona er met het vat wijn en Ik waste Me ermee.

[18] Toen drong de kostelijke geur van de wijn in de neus van de gasten en SOMMIGEN zeiden: 'Nu, dat is wat wij noemen nog heerlijker leven dan een patriciër in Rome! Want dat is ongekend voor ons, dat iemand zich ooit in zo 'n kostelijke wijn heeft gebaad, hoewel wel in andere welriekende oliën en wateren!"

[19] Maar toen Ik Aziona het vat weer in handen gaf, was het even vol als het eerst was, ofschoon het bij het wassen leek of Ik iedere druppel eruit gebruikt had. Aziona liet dat meteen aan de buren zien en deze waren stom van pure verbazing.
210 Epiphanes, de filosoof
[1] Een van hen, die eerder met Hiram over de begrippen 'oneindigheid', eeuwigheid enzovoort had gesproken en EPIPHANES heette, zei nu tegen Hiram: 'Wel, dat is al zo'n echt Perzisch staaltje, dat hem zeer goed gelukt is! Maar één ding begrijp ik niet en dat is: waar haalde Aziona die kostelijke wijn en dat kostbare vat vandaan?"

[2] HIRAM zegt: 'Ja, mijn vriend Epiphanes, ik zegje dat dit louter wonderen zijn van de wil van die Ene, die Zich zojuist met de wijn heeft gewassen! Hoorde je niet wat hij Aziona ten antwoord gaf toen deze Hem vroeg of Hij water nodig had?"

[3] EPIPHANES zegt: 'Ja, dat heb ik gehoord; dat had echter ook geheel het karakter van die Indo Perzische magiërs! Want die verstaan ook de kunst om zich direct met grootse en machtige woorden aan de leek voor te doen als scheppers van het vuur, het water en allerlei andere dingen, en lopen dan met een aureool rond dat iemand als Zeus zich amper zou geven als hij zou bestaan en de aarde zou betreden. Wel, je hebt het immers zelf gezien in Memphis, met wat voor een verschrikkelijk pathos de magiërs daar hun voorstellingen gaven! Uiteindelijk hadden ze zelfs ook ons verstand voor ruim driekwart om de tuin geleid en wij waren al bijna zover dat we hen zouden aanbidden. leder die iets buitengewoons tot stand kan brengen, kan ook met een goed geweten grootse dingen over zichzelf zeggen; en bij hem zal dat wel niet minder het geval zijn! Maar wat me hier nu echter werkelijk opvalt is, zoals ik al opmerkte, de wijn. Waar heeft Aziona die vandaan gehaald?"

[4] HIRAM zegt: 'ik had je dat daarnet al willen zeggen, maar je bent me te vroeg in de rede gevallen. Kijk, Hij hier, die tegen Aziona zei: ' Alle wateren van de aarde en ook van de hemelen komen van Mij; hoezo zou het Mij tot waswater moeten dienen?', heeft de wijn enkel en alleen door Zijn wil uit het water geschapen, en nu zelfs uit de lucht; want het vat had Hij eerst helemaal leeg gemaakt: -Wel, wat zegje daarvan?'~

[5] EPIPHANES zegt: 'Ja, als dat zo is, dan zou dat inderdaad heel bijzonder zijn! Er moeten weliswaar bepaalde magiërs uit Indië geweest zijn die een buitengewone kracht in hun wil en in hun blik hadden, zodat ze de wildste dieren ogenblikkelijk dermate in hun ban konden krijgen, dat deze als dood op één plek moesten blijven staan en met zich laten doen wat zo'n magiër wilde; ook de winden, wolken en bliksems schijnen ze werkelijk hun wil op te kunnen leggen! Dat is dus al eens gebeurd. Wel, of ze van water of lucht ook de beste wijn kunnen meken weet ik werkelijk niet; maar zoveel weet men van de oude magiërs wel, dat ze water in bloed, en regen in louter kikvorsen hebben kunnen veranderen. Alleen is daar natuurlijk wel een sterk geloof voor nodig; want zoiets hebben we nog nooit gezien. Maar dit hebben wij nu zelf gezien en we kunnen dus in ieder geval als volgt denken: Als dit mogelijk is, kan ook het andere mogelijk geweest zijn. Maar we zullen nu hierover niet verder oordelen. Aziona komt reeds met de maaltijd en wij bespeuren al honger, laten we daarom verdere besprekingen voor later bewaren!"

[6] Men wordt nu voor de maaltijd geroepen. Allen nemen plaats aan de vergrote tafel en beginnen op Mijn uitnodiging flink toe te tasten en te eten. De vissen zijn spoedig op en dan wordt er brood en wijn opgediend.

[7] Als de buren, die men nog als leken kan beschouwen, het buitenge­woon heerlijk smakende brood en de even voortreffelijke wijn proeven, worden ze pas opgewekt en Epiphanes zegt met onderzoekende blik: "Ja, nu begin ikzelf te geloven, dat we het hier niet met gewone en natuurlijke magie te doen hebben; want van zoiets heeft de mensheid volgens mijn nogal omvangrijke kennis nog nooit gehoord! O, die wijn is werkelijk oneindig goed!"

[8] IK zeg: 'Het komt goed uit, dat je met het begrip 'oneindig' bent gekomen! Want daarstraks heb je Hiram al verweten dat hij zijn hersenen verbrand had, omdat hij er met jou over begon te spreken dat de macht van Mijn wil doorwerkt in de gehele oneindigheid van de ruimte en de gehele eeuwigheid van de tijd, en hoe ook in Mij alle kracht, al het licht en al het leven verenigd is, en hoe dan ook alles wat de oneindige ruimte in geestelijk en natuurlijk opzicht vervult, enkel en alleen uit Mij is voortgekomen. Wat denk jij daar nu bij jezelf over? Wat versta jij onder de begrippen: oneindigheid, eeuwigheid, ruimte, tijd, kracht, licht en leven?

[9] Want weet je, beste vriend, als men tegen iemand zegt dat hij door de zon verbrande hersenen heeft wanneer hij zich ermee bezig houdt om dergelijke grote en veelzeggende begrippen zelfs op een buitengewoon mens te betrekken, dan moet men zelf nog betere begrippen hebben; want alleen dan kan men tegen zijn buurman zeggen dat hij verward is, als men zelf wat een bepaalde kwestie betreft betere inzichten heeft. Vertel jij Me daarom nu wat jij over de zojuist genoemde begrippen denkt!'

[10} EPIPHANES wordt door deze vraag van Mij een beetje verlegen, maar vermant zich dan toch spoedig en zegt: 'Ja, goede meester, om iemand daarover duidelijke uitleg te geven zou voor iedere sterveling wel eens een van de grootste onmogelijkheden kunnen zijn; want hier is werkelijk letterlijk van toepassing, dat niemand een ander kan geven wat hijzelf helemaal niet bezit!

[11] Hoe kan de beperkte, kleine mens de oneindige ruimte ooit bevatten? Hij kan met zijn gedachten vlucht nog zo zeer in alle richtingen in de diepten van de eeuwige ruimte dringen, dan blijft hij toch in vergelijking tot de onbeperkte totaliteit van de ruimte steeds op hetzelfde punt, dat tegen de totaliteit van de eeuwig oneindige ruimte toch zoveel als helemaal niets is; en om dezelfde reden kan een mens de tijd naar de toekomst of naar het verleden nooit bevatten, omdat hij ook in zijn ontstaan, bestaan en vergaan, even begrensd is als in de ruimte.

[12] Dat men wel iets kan zeggen over een beperkte ruimte en over een afgemeten en begrensde tijd, weet men van oudsher uit ervaring; want het begrensde kan iets wat aan hemzelf verwant is, wel vatten, maar nooit iets wat in de hoogste graad niet aan hem verwant is. En bijna hetzelfde geldt voor het bevatten van de begrippen 'kracht', 'licht' en 'leven'. Wel bezit de mens kracht, licht en leven; maar tot nog toe is geen enkele wijze in staat geweest om hiervan een duidelijke en geheel en al begrijpelijke definitie te geven en zodoende ook ik niet, omdat ik bij alles wat ik ben het minst een wijze ben. U, goede meester, heeft mij gevraagd en ik heb u geantwoord. Als u ons deze begrippen volledig bevredigend kunt uitleggen, zullen wij u daarvoor zeer dankbaar zijn."


211 De mens als onvergankelijk wezen
[1] IK zeg: 'Goed dan, Ik zal het proberen, let dus goed op! Jij beweert namelijk dat datgene wat op zichzelf begrensd is, het onbegrensde niet en nooit kan bevatten; en toch zeg Ik je dat ieder mens, alsook de eeuwige ruimte die hem omgeeft, het oneindige en eeuwige in zich bergt en wel in iedere vezel van zijn materiële lichaam, laat staan in zijn ziel en heel in het bijzonder in zijn geest.

[2] Stel je de tot in het oneindige gaande deelbaarheid van ieder nog zo klein bestanddeel van je lichaam voor. Waar houdt deze op?! Stel je vervolgens het tot in het oneindige gaande voortplantingsvermogen van de mens, van de dieren en van de planten voor! Waar houdt dat op?

[3] Heb jij al ooit de grens ontdekt tot waar een gewekte ziel haar gedachten kan verheffen? En als de ziel al een oneindig gebied heeft wat haar gedachten betreft, wat moeten we dan wel niet zeggen van de eeuwige goddelijke geest in haar, die in zichzelf de kracht, het licht en het leven zelf is?

[4] Ik zegje: Deze geest is het, die alles in de mens schept en ordent; de ziel is echter als het ware slechts zijn substantiële lichaam, zoals het stoffelijke lichaam een behuizing is voor de ziel, en dat zo lang, tot deze hierin een bepaalde degelijkheid heeft bereikt. Is dit gebeurd, dan gaat de ziel meer en meer over in de geest en zodoende ook in het eigenlijke leven, dat in en op zichzelf een ware kracht is en het waarste licht, en voortdurend uit zichzelf de ruimte, de vormen, de tijd en de duurzaamheid van de vormen hierin doet ontstaan, deze met leven vervult en zelfstandig maakt. En zoals deze voortkomen uit de oneindigheid en eeuwigheid van het volledig ware leven, bevatten zij daarvan ook voor en in zichzelf het oneindige en eeuwige voor alle tijden der tijden en eeuwigheden der eeuwigheden.

[5] Niemand kan dus zeggen, beweren en van mening zijn, dat hij als mens een begrensd wezen is. In al zijn kleinste delen is nog oneindigheid en eeuwigheid voorhanden, en omdat dit zo is, kan hij ook het oneindige en eeuwige bevatten.

[6] Wie van mening is dat hij slechts gedurende een zeer beperkte tijd leeft, vergist zich enorm. Niets aan de mens is vergankelijk, ofschoon het materiële lichaam noodzakelijkerwijs wel veranderlijk is, zoals ook alle materie van de aarde dat is en wel moet zijn, omdat het eens haar bestemming is om, door de macht van het zuivere leven, zelf over te gaan in het zuivere leven en in het voortaan onveranderlijke leven.

[7] Als dus de vele, meest verschillende delen en onderdelen van de materie, en dus ook van het menselijk lichaam, veranderd worden, houden ze daarom nog niet op te bestaan, maar ze bestaan eeuwig verder in een meer geestelijke en daarom meer edele vorm en soort. Of kan iemand van jullie soms zeggen dat hij als kind gestorven is, omdat hij nu als grijze oude man niets heeft behouden van zijn eerste kinderlijke vorm?

[8] Hier hebben jullie een tarwekorrel. Leg hem in de aarde! Hij zal gaan rotten en als datgene wat hij nu is onmiskenbaar vergaan; maar uit de ontbinding zullen jullie een halm zien groeien en daar bovenuit zal zich een aar ontwikkelen, voorzien van honderd korrels. Maar wie van jullie ziet nu die kracht in deze korrel, die er echter toch in moet zitten, omdat er anders uit deze ene korrel niet een aar met honderd korrels van dezelfde soort voort kan komen?

[9] En nu hebben we 100 korrels die we ook in de aarde gaan leggen! Hieruit krijgen we dan al 100 aren, elk met 100 korrels, dus alles bij elkaar 10.000 korrels. En zie, die 10.000 korrels, die 100 halmen en aren, moeten ook al in die ene korrel geestelijk aanwezig zijn geweest, zoals deze korrel zelf al inbegrepen moet zijn geweest in die ene korrel die als eerste uit Gods hand in een vruchtbare vore van deze aarde viel, omdat men zich anders niet kan voorstellen dat voortplanting mogelijk kan zijn. Jullie hebben hier opnieuw een bewijs, hoe zelfs iets oneindigs en eeuwigs in één zo'n korrel aanwezig is.

[10] Jullie denken nu weliswaar bij jezelf 'Ja, dat is wel met een korrel het geval die weer als zaad in de aarde gezaaid wordt; maar wat gebeurt er met de korrels die tot meel worden gemalen en dan als brood door mensen of ook door dieren gegeten worden?' Ik zeg jullie: Waarlijk, die korrels zijn er nog beter aan toe; want daardoor gaan zij al in een meer volkomen leven over, waarin ze zich dan als een geïntegreerd deel van een hoger leven evenzeer, en nog meer echter in zichzelf, in talloze ideeën en levendige begripsvormen kunnen vermenigvuldigen; alleen het zeer materiële kaf wordt als uitwerpsel uitgescheiden, waardoor het dan echter ook tot een meer edele vruchtbare humus van de aarde wordt, waaruit zich de kiemgeest in de verschillende zaadkorrels vormt en de onsterfelijkheid aantrekt. Wat er echter met het stro en het kaf van de planten gebeurt, gebeurt op een nog veel edeler manier met het vleselijk lichaam van de mens.

[11] En zo kunnen jullie niets aan de mens vinden wat vergankelijk en begrensd is, maar alleen wat veranderlijk is op weg naar een bepaald geestelijk doel, en zodoende is het best mogelijk dat een mens oneindige en eeuwige zaken, tijd, ruimte, kracht, licht en leven heel goed begrijpt, omdat dit allemaal in hem aanwezig is.

[12] Maar natuurlijk komt het vooral op het onderricht aan, dat een licht voor de ziel is. Als dit ontbreekt, zoals dat nu bij de meeste mensen het geval is, dan ontbreekt eigenlijk alles, en zonder zo'n geestelijk licht ziet en begrijpt de ziel van de mens zelfs nog minder van hetgeen in haar is, dan een blinde in de nacht begrijpt van hetgeen zich om hem heen bevindt en ook maar in zijn buurt komt.

[13] En, zeg Me nu, Epiphanes, of je Mijn mening begrepen en opgeno­men hebt! Daarna zal Ik je pas zeggen of Ik met Mijn geest wel de oneindige ruimte en de eeuwigheid doordring. Spreek nu geheel vrij en zonder schroom!’

1   ...   39   40   41   42   43   44   45   46   ...   53


Dovnload 2.11 Mb.