Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Uitgeverij de ster, ginnekenweg 124, 4818 jk breda

Dovnload 2.11 Mb.

Uitgeverij de ster, ginnekenweg 124, 4818 jk breda



Pagina46/53
Datum28.10.2017
Grootte2.11 Mb.

Dovnload 2.11 Mb.
1   ...   42   43   44   45   46   47   48   49   ...   53

Jezus in de buurt van Kapérnaum


Ev. Matth. hoofdstuk 17
234 De verheerlijking van de Heer op de berg Tabor

Ev. Matth. 17,1-2
[1] Op de zesde, eigenlijk zevende dag zei IK tegen de leerlingen: 'We hebben nu zes dagen eerlijk gewerkt en een goede oogst gehad ook in dit onvruchtbare gebied. Nu is het tijd dat we weer verder gaan; want elders zijn nog veel braakliggende velden en woestijnen die we zullen bebouwen, zegenen en vruchtbaar maken.

[2] Maar voordat we van hier weggaan, moeten jullie hier wachten tot Ik met Petrus, Johannes en Jacobus weer hier bij jullie terugkom van deze hoge berg, aan de voet waarvan we nu staan en die Ik dadelijk met de drie genoemde leerlingen zal beklimmen!"

[3] Degenen die achter moesten blijven vroegen Mij waarom zij niet ook mee de berg op mochten.

[4] En IK zei: 'Omdat Ik dat nu zo wil!"

[5] Toen werden ze stil en niemand durfde Mij meer iets te vragen.

[6] Alleen AZIONA zei bij zichzelf 'De hoogste berg is deze hier, die juist voor ons ligt; maar vanwege zijn steile hellingen is hij ontzettend moeilijk te beklimmen!"

[7] IK zei: 'Geloof Me, dat voor Mij geen enkele berg te steil is en geen enkele ooit te hoog! Over een paar uur komen we hier weer terug, zorg jij dat er een middagmaal klaar staat!" .

[8] Hierop nam Ik de drie bewuste leerlingen met Me mee en we gingen op weg. (Matth. 17, 1) Aan één kant was de berg goed te beklimmen en in enkele uren bereikten we de hoogste top; vanwege zijn hoogte zou de berg echter door gewone bergbeklimmers pas in twaalf a dertien uur beklommen kunnen worden, daarom was ook deze bergbeklimming van ons een soort wonder.

[9] Nu waren we op de hoogste top van waaruit men bijna geheel Galilea, Judea en Palestina kon overzien, ook een gedeelte van de echte, grote zee. Toen de drie leerlingen zo van pure verrukking over het indrukwekkende, heerlijke uitzicht gewoonweg straalden van geluk en Mij met heel hun ziel dankten voor het grootse heerlijke genot, werd ook Ik dermate verheer­lijkt, dat Mijn gezicht straalde als de zon en Mijn kleren zo lichtend wit werden als door de zon beschenen versgevallen sneeuw. (Matth. 17,2) De drie leerlingen waren geheel perplex en konden van verbazing nauwelijks een woord uitbrengen.

[10] Pas na een poos vermande PETRUS zich en zei: 'Heer, zijn we nu al in de hemel of slechts in het paradijs? Het is net alsof ik heel zacht fluisterende engelenstemmen om me heen hoor!'

[11] IK zei: 'Noch in de hemel, noch in het paradijs in specie* (* in het bijzonder) , maar heel eenvoudig en natuurlijk op de aarde! Maar doordat we zowel de hemel alsook het paradijs door de kracht van Gods woord in ons hebben, omdat het waars en goeds bevat, zijn we ook daadwerkelijk in de hemel en het paradijs tegelijk. Dat is het ook wat jullie gemoed doet stralen, en omdat jullie in je gemoed voor Mij stralen, straalde ook Ik zelfs naar buiten toe voor jullie ogen, opdat jullie inderdaad gewaar worden dat jullie tegelij­kertijd in het paradijs en in de hemel zijn omdat je innerlijk vol is van het ware van het geloof en daardoor van het goede van de liefde; want de echte hemel en het ware paradijs bestaat alleen hieruit, dat jullie in Mij geloven en datgene doen wat Ik jullie leer en Mij tenslotte in jullie daden met heel je hart liefhebben en zo het ware rijk van God in jezelf hebben, zonder dat het ergens anders op enige plaats bestaat. Als het echter eenmaal in jullie bestaat, is het ook plaatselijk overal in de hele oneindigheid, en waar jullie plaatselijk ook mogen zijn, hier op aarde of in de maan of op een van de vele sterren die louter hemellichamen zijn, zijn jullie door je zalige broeders omgeven, ook al kunnen jullie hen met je lichamelijke ogen niet zien vanwege jullie lichaam:'
235 De Heer in gesprek met Mozes en Elia

Ev. Matth. 17,3
[1] PETRUS zei: 'Heer, in de Schrift staat ergens: 'De zielen van de gestorven mensen worden in alle rust in de schoot der aarde bewaard tot de Jongste Dag, waarop zij dan weer uit hun lange rust opgewekt worden door de machtige bazuinen van de engelen. Dan zullen de goeden opstaan tot het eeuwige leven in Gods hemelrijk, maar de slechten zullen voor eeuwig verstoten worden naar het rijk van de hel en voortaan gepijnigd worden door de duivels."'

[2] IK zei: 'Hoe deze woorden van de profeet en van alle profeten begrepen moeten worden, heb Ik jullie al zo vaak uitgelegd dat het nu hoogst overbodig zou zijn om je daar nog verdere uitleg over te geven. Maar om jullie daadwerkelijk te genezen van deze zeer verkeerde opvatting zal Ik nu het innerlijk oog van je ziel ontsluiten, dan zullen jullie zelf zien hoe het er met die bepaalde rust van de zielen van reeds lang gestorven voorvaderen voorstaat en hoe de schoot der aarde er uitziet!"

[3] Daarop zei Ik luid: 'Ephata!', dat betekent: "Ga open!"

[4]. En zie, er verschenen twee profeten, Mozes en Elia, en zij spraken duidelijk met Mij over hetgeen er over een paar jaar met Mij zou gebeuren en of dit niet veranderd zou kunnen worden. (Matth. 17,3) Ik verzekerde hun echter dat Ik onmogelijk iets anders zou kunnen doen dan alleen datgene wat de Vader, die in Mij is en woont, wil.

[5] Toen bogen DE BEIDE PROFETEN zich diep en zeiden als met één stem: 'O Heer, Uw wil alleen is heilig en geschiede altijd en eeuwig zoals bij ons in de hemelen ook bij alle mensen en geesten op aarde! Wij beiden waren toen wij op aarde leefden groot, en stonden in hoog aanzien omwille van Uw naam; maar wij zouden liever nu met U samen zijn op aarde, zoals deze drie en nog die anderen die niet hier zijn, ofschoon ze nu en nog lange tijd omwille van Uw naam veracht en vervolgd worden!"

[6] IK zei tegen Elia: 'Jij was toch niet zo lang geleden ook met Mij samen op de aarde, -heeft hetgeen Herodes je lichaam heeft aangedaan je goed gedaan?"

[7] ELIA zei: 'Op aarde niet, maar hier des te meer en ik zou, ondanks de grootste zaligheid die nu voor eeuwig mijn deel is, uit liefde voor U nog honderd maal de weg van het vlees willen afleggen, hoe ellendig en doornig deze ook is!"

[8] Hier werden de leerlingen door een machtige slaap overmand, zodat ze op de grond gingen liggen en voor korte tijd heel vast insliepen.

[9] Maar IK sprak met de beide profeten en zei tegen Elia: 'Aan het eind der tijden van deze aarde zul je nog een keer in het vlees tot de mensen van deze aarde gezonden worden, maar niet meer met een verhuld innerlijk geestelijk oog, maar even helder en nog helderder dan de beide vorige keren onder de namen 'Sehel' en later 'Elia', en broeder Moisez (Mozes) zal je begeleiden, maar puur in de geest; want zijn vlees blijft tot aan het einde der tijd eigendom van de aarde.

[10] En dan zal al het vlees van deze aarde vergeestelijkt worden; jij zult dat echter nooit meer nodig hebben omdat Ik je al voor eeuwig een nieuw lichaam heb gegeven. Waak echter goed over de kinderen van Israël, tot Ik binnenkort weer huiswaarts kom wanneer Mijn grootste werk voltooid zal zijn! Dan zal Ik je ook een vaste stoel in Mijn nieuwe rijk geven. Want zie, nu is het de tijd die Ik je vroeger op aarde heb getoond, waarin Ik alles nieuw schep: eerst Mijn geestenwerelden, en later zal ooit hetzelfde ook met de materie gebeuren, tot deze de juiste graad van volledige gisting bereikt zal hebben! -Laat ons nu deze drie weer uit hun slaap opwekken!"


236 De drie leerlingen verkeren met de geesten van Mozes en Elia

Gods geest in de mens als gids tot alle waarheid

Ev. Matth. 17,4-9
[1] Nu werd het drietal weer wakker, ze stonden van de grond op en zagen Mij, Mozes en Elia zonder lichtende glans, wat heel aangenaam voor hen was, omdat ze door het te sterke licht van voorheen zeer sterk verblind werden. Ze vertelden hoe ze in hun droom met vele profeten uit vroegere tijden gesproken hadden over alle toestanden van het leven aan gene zijde, precies alsof ze op aarde waren en handelden; ze waren over veel geheime zaken voorgelicht.

[2] Mozes en Elia onderwezen hen nog verder over de meest verschillende toestanden in het grote hiernamaals.

[3] Het drietal was zo verrukt en gelukkig, dat PETRUS luid uitriep: 'Heer, het is hier goed om te zijn! Als U wilt, zullen we hier drie hutten bouwen: voor U een, voor Mozes een en een voor Elia!" (Matth. 17,4)

[4] En terwijl hij nog over het bouwen van de hutten sprak werden zij plotseling door een dichte, lichte wolk overschaduwd zodat ze boven zich geen handbreed verder meer iets konden zien en konden waarnemen. [5] En zie, EEN STEM sprak uit de wolk: 'Zie, dit is Mijn geliefde Zoon, in wie Ik Mijn welbehagen heb, -naar Hem moeten jullie luisteren!" (Matth. 17,5)

[6] Omdat het drietal dit hoorde als het machtige rollen van een sterke donderslag schrokken ze geweldig en vielen op hun knieën. (Matth. 17,6)

[7] Maar IK ging meteen naar hen toe, raakte hen aan en zei tegen hen: 'Sta op en vrees niet!" (Matth. 17, 7)

[8] Toen ze hierop hun ogen van de grond opsloegen, zagen ze niemand meer dan Mij alleen en begonnen zich hevig te verbazen over alles wat ze gezien hadden en wat er gebeurd was. (Matth. 17, 8) Het drietal wilde Mij nu nog van alles vragen, met name over de betekenis van alles wat ze in hun droom hadden gezien.

[9] Maar IK zei: 'Dit alles zal jullie geest, die eigenlijk Mijn geest in jullie is, jezelf in je ziel openbaren, dan zullen jullie het levend in je hebben; want als Ik het jullie nu verklaar, zullen jullie het verklaarde in je kennis opnemen en dan geloven dat het zo is omdat Ik het jullie zo verklaard heb. Maar dan zijn jullie nog lang niet in de volle waarheid en wel daarom, omdat het verklaarde niet jullie eigendom is maar alleen van Degene die het jullie vanuit Zijn levende schat verklaard heeft; maar wanneer jullie geest het je in je ziel openbaart, is de openbaring jullie eigendom, en dan bevinden jullie je pas in de volle waarheid.

[10] De geest echter van wie Ik zeg dat hij jullie geest is, is ook Mijn geest in jullie en deze kent alle dingen en verhoudingen zoals Ikzelf en kan jullie alle wijsheid binnenleiden. Maar nu is hij in jullie nog niet gewekt en volledig werkzaam, dat wil zeggen, dat hij weliswaar op zichzelf wel wakker en werkzaam is, maar zijn waken en werken is voor jullie, ofschoon het voor jullie bestemd is, nog als iets vreemds en iets wat je nog niet eigen is, omdat jullie ziel nog niet zuiver genoeg is om zich volledig met Mijn geest te verenigen.

[11] Maar pas wanneer Ik na Mijn jullie reeds bekend gemaakte lijden naar Mijn hemelen zal zijn opgevaren, zal Ik de heilige geest van alle waarheid over jullie ziel uitgieten en haar ermee verenigen. Deze geest, die dan in jullie voor eeuwig volledig één met jullie zal zijn, zal je dan in alle waarheid en wijsheid binnenleiden.

[12] Van het visioen dat jullie hier gehad hebben, moeten jullie echter niemand iets zeggen voordat Ik zal zijn opgevaren, zoals Ik jullie nu bekend heb gemaakt; en zeg ook niets over wat Ik bij Caesarea Philippi heb verricht en hier beneden bij deze vissers! -En nu gaan we weer bergafwaarts naar het dorp van onze vissers! "

[13] En we begonnen aan de terugweg; onderweg waarschuwde Ik het drietal ook dat ze ook de andere broeders niets van het visioen moesten zeggen tot de vastgestelde tijd, dat wil zeggen, tot na Mijn opstanding en hemelvaart.



(Matth. 17,9)
237 Incarnaties van Johannes de Doper

Ev. Matth. 17,10-13
[1] Toen we nog op de weg bergafwaarts waren, kwam Petrus bij mij en vroeg wat het te betekenen heeft als de schriftgeleerden zeggen dat Elia vóór de komst van de Messias moet komen om alles voor te bereiden en zo de wegen voor de Heer gereed te maken. (Matth. 17,10}

[2] Daarop zei IK tegen Petrus: 'Hierin hebben de schriftgeleerden gelijk en jij nu ook met je vraag! Elia zou wel tevoren komen en alles voorbe­reiden



(Matth. 17, 11), maar Ik zeg jullie: Elia is er reeds geweest, maar ze hebben hem evenmin herkend als nu Mij, en met hem gedaan wat ze wilden. Precies zo zullen ze ook doen met Mij, de Mensenzoon, zoals Ik dit jullie van te voren al meerdere malen heb verkondigd. (Matth. 17, 13) Ik zeg jullie: Deze geheel verkeerde soort zal met eerder rusten dan dat zij het doel van haar wraak heeft bereikt, maar daardoor dan ook haar gericht!

[3] Johannes, in wie Elia's geest woonde, deed tekenen, onderwees en doopte, en bereidde zo het volk voor Mij voor. Wat gebeurde er daardoor met hem? ­

[4] Ikzelf onderwijs nu een zuiverste levensleer en verricht tekenen die op deze aarde nog nooit verricht zijn en voortaan ook met meer in deze grootte en op deze schaal verricht zullen worden; daarom hebben ze ten aanzien van Mij nog des te meer toorn­ en wraakgevoelens en zullen ze onder toelating van boven met Mij doen wat Ik jullie reeds van te voren heb aangeduid.

[5] Bij jullie komt weliswaar steeds opnieuw de oude vraag op waarom Ik Mezelf zoiets door de mensen laat aandoen. Maar ook daarover hebben jullie al meer dan voldoende onderricht gehad, laten we daarom nu naar het dal gaan naar onze broeders!'

[6] Nadat Ik deze woorden gesproken had zag het drietal pas in dat Johannes de Doper eigenlijk Elia was. (Matth. 17, 13)

[7] Terwijl we nog verder bergafwaarts gingen naar het dal vroeg PETRUS Mij nogmaals: 'Heer, het is toch wel een beetje merkwaardig met Elia. Hij was dus in volle ernst reeds driemaal op deze aarde en altijd -zeg -in het vlees?

[8] De eerste twee keer als Sehel en later als Elia is hij niet gestorven maar onmiddellijk met geheel verheerlijkt lichaam naar de hemelen opgevaren, ofschoon hij evenals ook de laatste keer uit een vrouw ter wereld is gekomen; maar deze laatste keer moest hij werkelijk ontlichaamd worden. Wat is er met zijn vroegere twee lichamen gebeurd, en wat zal.er nu met dit lichaam gebeuren? Zal hij in Uw hemelrijk, als alles voltooid zal zijn, met drie lichamen rondlopen? Want er staat immers geschreven, dat op de jongste dag ook de lichamen op zullen staan en weer met hun zielen verenigd zullen worden! Hoe moeten we dat opvatten?

[9] IK zei: 'Wat de opstandig van het lichaam en de Jongste Dag betekent, heb Ik al in Caesarea Philippi en daar beneden in het dorp meer dan volledig duidelijk gemaakt. Heb je Mijn woorden dan niet onthouden? Waarom moet Ik je een en hetzelfde steeds herhalen? Je weet er wel iets van, maar zonder samenhang, en dat komt door je nog zeer sterke Jodendom, waardoor je ondanks Mijn talrijke verklaringen in je oude, wonderlijke fantasie nog altijd alles letterlijk opvat!

[10] Aanvaard de juiste opvatting en wordt in dit waarachtig zuiverste licht van Mij verstandig, dan zul je niet meer zulke dingen vragen die je allang vóór ieder ander zou moeten begrijpen!

[11] Is dan niet de dag waarop een kind ter wereld komt diens jongste dag? En is zelfs niet iedere dag die je meemaakt een jongste dag, maar je geboortedag daarentegen, die vroeger ooit een jongste dag voor je was, nu je oudste dag?

[12] Het vlees waaruit je lichaam nu bestaat zal ontbinden, overgaan in wormen en planten en de zielen daarvan, en er zullen daaruit geheel vreemde wezens voortkomen die dan eeuwig niets meer te maken zullen hebben met je ziel en met je geest. Begrijp het! De jongste dag voor je ziel zal, na wat Ik je nu heb uitgelegd, toch duidelijk de dag zijn waarop je uit je lichaam genomen zult worden"
238 De opstanding van het vlees
[1] (DE HEER:) 'En onder de opstanding van het vlees moet je de goede werken van de ware naastenliefde verstaan! Deze zullen het vlees van de ziel zijn en tegelijk met haar op de jongste dag in de geestenwereld na de ware bazuin roep van deze leer van Mij als een gedegen etherisch lichaam tot het eeuwige leven opstaan. Al had je honderd keer op de aarde een lichaam gedragen, aan gene zijde zul je maar één lichaam hebben, en wel het lichaam dat Ik je zojuist noemde. -Heb je dat nu begrepen?"

[2] PETRUS zei: 'Ja, Heer en Meester, het is me nu duidelijker dan ooit! Maar Ik kan me nog een tekst van een profeet herinneren die ongeveer als volgt luidt: 'In je vlees zul je eens je God aanschouwen; houd het daarom zuiver en verontreinig het niet door allerlei zonde! Met een zondig lichaam zul je Gods aangezicht nooit aanschouwen!' Zo ongeveer luidt de tekst, en het is voor het menselijk verstand moeilijk om er iets anders in te zien. Hoe moet men dit dan in de ware betekenis opvatten?"

[3] IK zei: 'Zoals het zojuist gezegde! 'In je vlees zul je God aanschouwen' betekent zoveel als: In je goede werken volgens de welbekende wil van God zul je je God aanschouwen, omdat het alleen de werken zijn die de ziel verricht met haar lichaam, dat haar enkel als werktuig is gegeven; en alleen die werken zijn het die de ziel ofwel de adel voor God of ook het tegendeel geven. Zuivere werken geven het zuivere, onzuivere werken het onzuivere. Het zuivere denken volgens de zuivere wetenschap en een kuis en zuiver gedrag alleen, zonder of met te weinig werken van naastenliefde, verschaft een ziel nog lang geen geestelijk lichaam en derhalve ook geen aanschouwing van God.

[4] Want iemand wiens ziel nog zo lang zo blind is dat ze niet inziet, dat niet het pure weten alleen, maar vooral de werken volgens het zuivere weten en het zuivere geloof van de ziel de ware levensbestendigheid geven, is er nog zeer armoedig aan toe en lijkt op iemand die heel goed weet hoe hij een huis moet bouwen en ook het beste bouwmateriaal in overvloed bezit, maar die niet kan besluiten om aan de slag te gaan met het werk. Zeg Me, zal zo iemand wel ooit een huis bezitten en zich, als er stormen opsteken en de winter komt, daarin kunnen verbergen en zich beschermen tegen het ontketende geweld van de wilde elementen?

[5] Wat heb je in de storm aan de vaste overtuiging en wetenschap dat de goed gebouwde muren van een huis bestand zijn tegen de stormen zodat degene die in het huis woont volledig veilig is voor hun geweld, als j e geen huis bezit en je op je weg door de nog zeer onherbergzame woestijn van je leven ook nergens meer een huis van een ander kunt bereiken?

[6] Nee, Mijn geliefden, het nog zo zuivere weten en geloof heeft geen stevige muren die jullie beschermen tijdens de stormen; maar de werken van de ware naastenliefde zijn en hebben dat wel. Deze zijn het ware blijvende lichaam van de ziel, haar woonhuis, haar land en haar echte wereld. Onthoudt dit goed, niet alleen omwille van jezelf, maar vooral omwille van hen aan wie jullie na Mij het evangelie zullen prediken! Als ze het woord van het heil eenmaal zullen weten en geloven, spoor hen dan aan om de ware werken te verrichten van de door Mij zo vaak geboden naastenliefde!

[7] Want waarlijk, Ik zeg jullie: Als iemand zegt dat hij God boven alles liefheeft, maar daarbij geen oog heeft voor de nood van zijn arme broeder, zal hij God nooit in zijn vlees aanschouwen! Want de Farizeeën en schriftgeleerden zeggen ook dat zij God dienen in de zuiverste mate en betekenis, en door hun gebeden en offers de zondige mensheid voortdu­rend met God verzoenen; maar in plaats daarvan kleden ze het volk geheel uit, en bij hen is er nooit sprake van enige naastenliefde. Wat heeft dat dan voor zin? Het is noch voor de Farizeeën noch voor het volk van nut!

[8] Want ten eerste heeft God nog nooit enige hulp van mensen nodig gehad en nog minder een brandoffer van geslachte dieren. Maar het offer dat de ware naastenliefde God brengt in goede liefdeswerken ziet Hij met welgevallen aan, en Zijn levenszegen zal dan ook niet achterwege blijven. -Begrijp je nu, Petrus, wat het betekent: 'in zijn vlees God aanschouwen'?"

[9] PETRUS zegt: 'Ja Heer, nu is het me helemaal duidelijk; want U, o Heer, hebt het ons nu toch zo duidelijk uitgelegd, dat we het gewoonweg met handen en voeten hebben begrepen. Wij danken U daarvoor! Maar nu zijn we ook alweer in het plaatsje; en in plaats van middag zal het nu al bijna avond zijn!"

[10] IK zeg: 'Dat geeft niets! We zullen wat brood en wijn nemen en dan meteen verder gaan! Laten we dus maar vlug het kleine stukje weg afleggen!"


239 De zegen van matigheid

De toebereiding van het vlees van onreine dieren
[1] Wij versnelden onze pas en bereikten spoedig Aziona’s woonhuis waar de andere leerlingen op ons wachtten en Aziona, Hiram en Epiphanes reeds een goed maal voor ons gereed hadden staan, bestaande uit vissen brood en wijn.

[2] PETRUS zei evenwel terzijde tegen Mij: 'Heer, U hebt onderweg tegen ons alleen over brood en wijn gesproken, en nu zijn er ook vissen! Mogen Wij nu ook vis eten?"

[3] .Maar IK wees hem terecht,, vanwege deze echt tempelachtig joodse, kleinzielige bedenking en zei: Eet wat je voorgezet wordt, het zal noch je lichaam noch je ziel schaden; alleen voor onmatigheid moet iedereen zich hoeden, dus ook jullie.

[4] Wat boven de maat is, is voor ieder mens slecht. Onmatigheid bij het eten veroorzaakt maagziekten, - onmatigheid bij het drinken echter veroorzaakt naast maag­ en borstkwalen ook geilheid van het vlees en brengt allerlei soorten en vormen van ontucht voort.

[5] Wees daarom in alles matig en nuchter, dan zullen jullie in een altijd gezond lichaam ook een gezonde en opgewekte ziel hebben! En wie voedsel klaar maakt voor zichzelf en voor anderen, moet het vers en goed bereiden, dan zal het hem met schaden! Onthoudt dit ook naast de vele andere dingen!'

[6] Maar PETRUS vroeg nog: 'Heer, zondigen de heidenen, die voor het overige vaak zeer respectabel zijn, niet wanneer ze het vlees van onreine dieren eten? Want ons joden is dat verboden en wie het zou eten, zou een grove zonde tegen de wet van Mozes begaan."

[7] IK zei: 'In geval van nood kun je als strenge jood het vlees van alle dieren eten, en het zal. goed voor je zijn; want alle voeding die een mens noodgedwongen tot zich neemt wordt door Mij gereinigd, -alleen moet hij hierbij een nog grotere matigheid in acht nemen!

[8] Het vlees van varkens is goed; maar het geslachte dier moet zeer goed uitbloeden, dan ongeveer zeven dagen lang in zout en azijn met thijm­kruiden liggen. Daarna moet men het uit deze marinade halen, met linnen goed afdrogen en het dan enkele weken lang in de rook van goed hout en kruide.n hangen tot het helemaal hard en goed droog wordt. Als men het dan wil eten, moet men het tevoren in half water half wijn met thijm en peterselie koken, dan zal men hiermee goed en gezond voedsel op tafel hebben; maar deze dieren moeten steeds in de winter geslacht worden.

[9] En zoals met de varkens moet men ook met de andere onreine dieren handelen, wil hun vlees bij een matig gebruik de mens niet schaden. En zoals men het met de landdieren doet, moet men bet ook met het verschillende gevogelte in de lucht doen en de veelsoortige dieren in de grote zeeën!

[10] En nu, Petrus, zul je wel weten watje mag eten en hoe, opdat je niet zondigt tegen je maag en tegen je ziel! Maar laten we nu snel het maal tot ons nemen en dan meteen verder trekken!"

[11] Wij gingen aan tafel en gebruikten de maaltijd.

[12] AZIONA kwam echter en zei: 'Heer en Meester, wilt U dan niet liever morgen in de vroegte weggaan dan nu in de avond?! Het is van hier naar iedere mij bekende plaats uren gaans en de nacht zal U inhalen voordat U bij een of andere plaats aankomt!"

[13] Maar IK zei: 'Blij fin je hart bij Mij en in Mijn leer, dan zal Ik ook zo bij jullie zijn, hier gedurende jullie aardse tijd en eeuwig aan gene zijde! Maar nu moet Ik van hier weggaan; want niet ver hier vandaan wachten er velen op Mij. Daar moet Ik snel heen en hen helpen. Maar in de winter zal Ik jullie zoals nu weer enkele dagen lang bezoeken; want Ik zal niet ver van hier, in Kis in de buurt van Kana, de winter doorbrengen. Maak nu voor Mij ons schip los, dan zal Ik met Mijn leerlingen meteen van hier vertrekken!"

[14] Hierop gebeurde snel wat Ik bevolen had. Ik besteeg het schip dat snel werd afgestoten en we voeren met gunstige wind weg. We voeren om het noordelijk deel van de voet van de berg en kwamen spoedig in een kleine baai, die precies tegenover de baai lag waar we nu enkele dagen geweest waren, aan de andere kant van de door Mij beklommen berg.

[15] Aan de oever van de baai lag een dorp waar behoorlijk veel volk woonde en samenkwam; want het was een handelsplaats waar men het beste zout op de markt bracht, ook de zuiverste aardolie, hout voor de bouw, vaatwerk voor het koken en allerlei ander huishoudelijk gereed­schap. Daarom was deze plaats zeer welvarend en werd steeds door veel mensen uit alle streken en plaatsen vaak bezocht; tevens was het de plaats waar Mijn leerlingen naartoe waren gegaan toen Ik hen een paar maanden geleden voor korte tijd voor Mij uitgestuurd had om de mensen op Mij voor te bereiden, en vanwaar Ik hen toen weer op wonderbaarlijke wijze naar Mij terugriep op de berg bij Kis; zodoende was Ik daar reeds min of meer bekend en Mijn leerlingen nog meer, die daar bij de zojuist vermelde gelegenheid verscheidene dagen hadden doorgebracht.
240 Genezing van een bezeten jongen

Ev. Matth. 17, 14-21
[1] Wij landden, maakten ons schip vast en gingen nog op klaarlichte dag aan land. Op deze dag was er een grote jaarmarkt en er was veel volk aanwezig.

[2] En toen we bij het volk kwamen werden we al gauw door veel mensen herkend; EEN van hen kwam er naar Mij toe, viel aan Mijn voeten (Matth, 17, 14) en zei: 'Heer, ontferm U over mijn zoon, hij heeft een ernstige ziekte; hij is maanziek zoals de artsen zeggen en daardoor valt hij vaak in het vuur en het water, wat hem veel lijden bezorgt! (Matth, 17, 15) Toen nog niet zo lang geleden Uw leerlingen hier waren en door oplegging van hun handen vele zeer ernstig zieken genezen hebben, bracht ik ook mijn zoon bij hen; maar zij konden hem niet helpen. " (Matth, 17, 16)

[3] Toen zei IK tegen dat deel van Mijn leerlingen wier geloof nog niet tot een rots was geworden en die daar een paar maanden geleden in Mijn naam gewerkt hadden: 'O ongelovige en verkeerde soort! Hoe lang moet Ik dan nog bij jullie zijn en hoe lang jullie nog verdragen? Breng de zieke hier bij Mij!" (Matth. 17,17)

[4] Meteen stond de vader van de zieke zoon op, snelde naar zijn huis en bracht hem spoedig bij Mij. Toen de jongen bij Mij was, trok hij een erbarmelijk verwrongen gezicht; want de boze geest door wie de jongen bezeten was, ging nog een paar maal in hem tekeer terwijl hij voor Mij stond en stootte daarbij door de zeer verwrongen mond van de jongen enkele ernstige vloeken en verwensingen uit, die hier niet weergegeven hoeven worden. Ik bedreigde de boze geest streng en beval hem het lichaam van de jongen onmiddellijk te verlaten en af te dalen naar de hel. Toen ging de boze geest zichtbaar uit de knaap en de jongen werd meteen volledig gezond. (Matth, 17, 18)

[5] DE BOZE GEEST had de gedaante van een grote, zwarte, ruigharige kat en vroeg Mij: 'Gij Zoon van de Allerhoogste, bespaar me de hel en bestraf me door iets anders!"

[6] Maar IK zei: 'Ga weg van hier en doe boete voor je vele gruwelen, die je tachtig jaar geleden hier op aarde in het vlees hebt begaan, in de kale afgronden van de dalen op de maan waar je eerder was!"

[7] Toen kreeg de boze geest de gedaante van een aap met grote vleer­muisvleugels en vloog er onmiddellijk pijlsnel vandoor. Dat verbaasde de mensen en velen waren ontzet door deze aanblik.

[8] Maar IK kalmeerde hen en zei: 'Vrees niet; want Mij is alle macht gegeven in de hemel alsook op deze aarde, en deze geest die de knaap zeven jaar lang gepijnigd heeft, zal voortaan nooit meer in de buurt van deze aarde komen!"

[9] Toen vroeg DE VADER van de nu kerngezonde jongen Mij: 'Heer, waarom moest dit toch mijn zoon overkomen, terwijl hij tot nu toe nog nooit ook maar schijnbaar gezondigd heeft, en trouwens ook mijn hele huis altijd streng volgens de wet heeft geleefd? En toch moest juist de alleronschuldigste zo'n lange tijd ellendig gemarteld worden! Zoiets kan toch immers alleen maar door de toelating van God gebeuren! Maar waarom laat God zoiets toe?"

[10] IK antwoordde: 'Wie God bijzonder liefheeft stelt Hij op de proef en als hij de beproeving goed doorstaat, heeft hij ook voor eeuwig zijn heil gevonden!

[11] De ziel van jouw zoon stamt van één van die grote werelden waarvan er talloos vele boven en onder deze aarde het oneindig grote hemelruim vullen. Omwille van haar heil was naast de beproeving van het dragen van het vlees ook deze noodzakelijk, waardoor ze nu reeds in de jeugd die kracht verwierf die menig andere ziel niet verkrijgt, ook al zou ze honderd jaar lang de druk van haar zware vlees te verduren hebben.

[12] Geloof Me: De mensen weten niet en kunnen ook niet weten waarom iets bestaat en gebeurt; maar God weet absoluut alles!

[13] Deze boze geest echter was tachtig jaar geleden een varkenshandelaar, die op grote schaal woekerhandel dreef, hij werd zeer rijk en dreef als jood tenslotte zelfs slavenhandel, waarbij hij grote gruwelijkheden beging­. Uiteindelijk stierf hij een ellendige dood en het was zijn lot om, zelf duivel, in het rijk der duivels te komen.

[14] En omdat het hem daar slecht beviel, begon hij in zichzelf te keren en dacht bij zichzelf 'Waarom moest ik dan een duivel worden? Daar was mijn slechte vraatzuchtige lijf schuld aan. Laat me nog een keer terugkeren in het goede nuchtere vlees van een onschuldige knaap, daarin zal ik dan tot een engel worden! En als het lichaam van de jongen ook maar de kleinste begeerte naar vraatzucht voelt, zal het door mij onmiddellijk getuchtigd worden!

[15] En zie, omdat dit een heel ernstig besluit was van de weliswaar zeer slechte ziel, werd het haar in feite toegestaan. Het resultaat ervan is nu voor de knaap goed, en de vroeger zeer kwade ziel heeft nu voor zichzelf reeds een betere richting en al iets meer menselijks aangenomen. De rest zullen de uiterst kale en onherbergzame afgronden van de dalen op de maan doen!"

[16] Hierop stelde DE MAN Mij nog een vraag en zei: 'is de maan dan ook een wereld? En hoe werd mijn zoon dan maanziek? Want behalve zijn bezetenheid moest hij wel maanziek zijn, omdat de volle maan een grote invloed had op zijn lijden"

[17] IK zei: 'Dat de maan ook een soort aarde en wereld is, zul je nu nog moeilijk of helemaal niet begrijpen, ofschoon het zo is; maar Mijn leerlingen begrijpen het en de latere nakomelingen zullen het maar al te goed begrijpen en inzien. Maar dat je zoon steeds zo'n grote vrees had voor de volle maan lag niet in zijn natuur, maar in die van zijn plaaggeest die oorspronkelijk uit die zeer magere en hoogst onherbergzame wereld stamde. De rest hoef je niet te weten"

[18] Toen VELE OMSTANDERS dat ook hoorden, zeiden ze: 'Dat is toch een merkwaardig mens! Hij verricht wonderen als een groot profeet en meteen daarna begint hij te beuzelen en praat als een krankzinniger'

[19] Maar DE MAN ging naar hen toe en zei heel ernstig: 'Hij is zeker niet krankzinnig, - maar wij zijn het, omdat wij zijn wijsheid helemaal niet kunnen vatten!"

[20] Er ontstond een kleine woordenstrijd tussen hen, waar de genezen knaap echter door enkele zeer rake opmerkingen een eind aan maakte.

[21] Daarop kwamen Mijn leerlingen bij Mij en vroegen Me: 'Heer, vertel ons nu waarom wij niet in staat zijn geweest om deze geest uit te drijven; we hebben immers enkele andere geesten in Uw naam uitgedreven?" (Matth. 17,19)

[22] IK zei: 'Ten eerste vanwege jullie ongeloof! Want Ik zeg jullie: Waarlijk, als jullie een vast geloof hebben zonder twijfels, al is het maar zo groot als een mosterdzaadje, dan kunnen jullie tegen deze hoge berg zeggen: 'Verhef je van hier naar de overkant van de zee!', en hij zal zich ook meteen verheffen, en jullie zal niets onmogelijk zijn! (Matth. 17,20) Maar deze soort verdwijnt alleen maar door bidden en vasten. (Matth. 17,21)

[23] Toen jullie hier waren had de knaap nog niet de hoogste graad van vasten en bidden bereikt, zoals zijn bezitter dat verlangde. Maar nu is dat het geval en nu had de gelovigste van jullie hem ook uit kunnen drijven, ofschoon de geest zich zeker nog zeer hardnekkig betoond zou hebben. Maar nu was het zo beter. - Het wordt nu echter al avond, want de zon daalt reeds onder de horizon, laten we daarom naar het huis van de man gaan wiens zoon Ik genezen heb!"
241 Het verblijf van de Heer in Jesaïra

en het bezoek in Petrus' vissershut bij Kapérnaum
[1] De man hoorde dit, en was buitengewoon blij dat Ik besloten had om bij hem onderdak te nemen. Hij bereidde een avondmaal en was zeer vriendelijk tegen ons, alsook zijn hele huis. Maar hij raadde ons af naar Jeruzalem te gaan; want hij was daar onlangs geweest vanwege de handel en had maar al te duidelijk vernomen wat voor onverzoenlijke haat de Farizeeën vooral tegen Mij hadden.

[2] Maar IK zei: 'Vriend, Ik ken hun geheimste gedachten! En wat ze Mij willen en ook nog zullen aandoen weet Ik ook precies. Maar ook al zullen ze Mij doden, het zal hen niets helpen; want na drie dagen zal Ik de dood overwinnen en opstaan en weer bij de Mijnen zijn tot aan het einde der wereld! - Maar nu niets meer hierover; geef ons een goede slaapplaats voor de nacht, dan gaan wij slapen, want onze ledematen zijn erg moe gewor­den!"

[3] De gastheer deed dat meteen en wij begaven ons ter ruste. We sliepen al gauw de hele nacht en waren voor zonsopgang al weer op de been. En onze gastheer zette ook al zijn hele huis aan het werk en liet voor ons een ochtendmaal klaarmaken. Toen we dat tot ons genomen hadden, vroegen de leerlingen Mij wat ons nu verder te doen stond:

[4] En IK zei: 'We reizen nu verder; want hier is niet veel te doen!'

[5] Toen vroeg DE GASTHEER: 'Ik zou juist denken dat hier zeer, veel te doen is; want in deze plaats woont toch een groot aantal mensen!

[6] IK zei: 'Dat is wel waar; maar het zijn grotendeels puur .handelslieden en die hebben ofwel weinig, of helemaal geen belangstelling voor ons. Daarom zullen we ergens anders naar toe gaan, waar niet zoveel handels­lieden en wisselaars zijn."

[7] Hierna stond Ik op met Mijn leerlingen en we begaven ons op het schip en voeren snel weg. Tegen het midden van de dag kwamen we na een deze keer enigszins langzame tocht langs de oever in ons oude Jesaïra. Toen de mensen ons hier zagen, liepen ze ons in scharen tegemoet en vroegen Mij hun zieken te genezen.

[8] Maar IK zei: 'Ik ben niet alleen maar gekomen om jullie zieken te genezen, maar veeleer om jullie te verkondigen dat het rijk Gods dicht bij jullie is gekomen, zoals Ik dat niet zo lang geleden al eens gedaan heb; maar toen hadden jullie daar niet zoveel aandacht voor omdat Jullie Mij van Nazareth kenden, en nu verwachten jullie er helemaal niets van! Daarom blijf Ik ook niet bij jullie en genees Ik jullie. zieken ook niet! Ga naar je artsen, die zullen wel raad weten met jullie zieken!

[9] Sommigen werden er boos over, maar anderen bleven en vroegen Mij voortdurend om hun zieken te genezen.

[10] Maar IK zei: 'Goed dan, wie van jullie gelooft dat Ik de beloofde Messias ben, moet zijn zieke in Mijn naam de handen opleggen, dan zal het beter met hem gaan, met wat voor kwaal hij ook behept is!"

[11] Toen schreeuwden VELEN: 'Wij geloven, wij geloven!'

[12] Daarop verlieten ze haastig de oever en snelden naar hun zieken, waarvan er sommigen onmiddellijk fris en gezond werden. Maar degenen die niet echt in hun hart geloofden, legden hun zieken tevergeefs de handen op en liepen weer naar de oever om met Mij te overleggen waar het aan ontbrak, omdat hun niet lukte wat toch enkelen van hun buren wel gelukt was. Ik was echter niet meer ter plaatse, maar al ver weg en wel naar een plaats waar Petrus zijn vissershut had, niet ver van Kapérnaum:

[13] Daar bleven we een paar dagen en rustten een beetje uit van onze vermoeienissen en hielpen de familie van Petrus bij het vissen. Hier lieten we ook het schip achter en reisden toen te voet verder door Galilea en bezochten een groot aantal plaatsen, dorpen en gehuchten. Ik en de leerlingen verkondigden het evangelie en vonden vaak een goed gehoor, maar ook vele tegenstanders. Want op deze reis deed Ik weinig wonderen omdat er te weinig geloof voor was. Over het algemeen bevonden er zich in het noordelijk deel van Galilea toentertijd te veel Grieken en Romeinen, en een groot aantal tovenaars en magiërs trokken er steeds doorheen en deden daar hun werk; daarom zeiden wonderen daar ook niet veel en stonden niet in hoog aanzien. Het was daarom beter hier intussen slechts het goede zaad uit te strooien, het te laten opkomen en er pas rond een jaar later weer naar toe te gaan en er verder voor te zorgen.
242 De Heer spreekt over het lijden dat Hem te wachten staat

Ev. Matth. 17, 22-23
[1] Toen wij onze reis door noordelijk Galilea beëindigd hadden, vroegen DE LEERLINGEN Mij: 'Heer, we zijn nu een paar maanden lang in Opper ­Galilea rondgetrokken van plaats naar plaats en bijna van huis tot huis en hebben Uw leer gepredikt; velen hebben deze met veel liefde en geloof aangenomen en zich zo van het heidendom tot het jodendom bekeerd. We zijn nu bijna klaar met Galilea; wat moeten of wat zullen we nu beginnen? Moeten we soms naar het U en ons vijandig gezinde Judea trekken of naar Iturea, Trachonitis of Klein-Palestina?"

[2] IK zei: 'Wanneer jullie de mensen Mijn woord onderwijzen, spreken jullie goed en verstandig; maar wanneer jullie hierover of over de domste dingen van de wereld met Mij praten, dan zijn jullie net als de heel gewone mensen, en denken en praten jullie zoals zij! Als Mijn tijd komt, de tijd van Mijn lijden dat Ik jullie nu al meerdere malen heb voorspeld, dan zal hij er ook onherroepelijk zijn; maar zolang die tijd er niet is, kunnen we honderd maal naar Jeruzalem en Bethlehem gaan, en niemand zal de hand aan ons slaan! -Hebben jullie Mij begrepen?"

[3] PETRUS zei: 'Ja Heer; want nu hebt U weer eens heel duidelijk gesproken! Maar vertelt U ons nu ook eens heel duidelijk waar Uw lijden uit zal bestaan!"

[4] IK zei: 'ik heb jullie toch al bij de oude Romein Marcus en nog eens bij de arme vissers meegedeeld, en ook al eerder toen we naar Caesarea gingen, wat er met Mij vanaf nu over ongeveer een paar jaar in Jeruzalem zal gebeuren. Waarom vragen jullie er nu dan toch weer naar? Ja, jullie hebben er een grote angst voor en daarom vragen jullie vanwege je angst; maar opdat jullie zielen zich daaraan zullen wennen zeg Ik jullie nu weer:

[5] In die tijd zal het gebeuren dat Ik, maar alleen als Mensenzoon, overgeleverd word in de handen van mensen van de wereld. (Matth. 17,22) Ze zullen aan Mij weliswaar datgene wat van de Mensenzoon is doden; maar op de derde dag zal de gedode Mensenzoon -zeg -met huid en haar weer opstaan en meer dan nu, levend uit het graf komen als eeuwige overwinnaar van dood en hel, en jullie zullen Mij weer zoals nu in jullie midden hebben. (Matth. 17,23) Maar jullie zal daarom geen haar gekrenkt worden! -Begrijp eindelijk eens waar het hier om gaat'

[6] ALLEN zeiden: 'Ja Heer, van nu af aan begrijpen we het en zien we het ook wel zo'n beetje, en het schijnt ons toe alsof we woorden in ons vernemen die als volgt luiden: Men moet zelfs van te voren ook een onsterfelijk lichaam hebben om de zeer sterfelijke, blinde en slechte mensen de ogen voor het leven volledig te kunnen openen"

[7] En IK zei daarop: 'Amen, zo is het; want wie niet zelf helemaal door en door geestelijk levend is, kan voor de ander niet het volle eeuwige leven veilig stellen! Daarom ben Ik naar deze wereld gekomen om dat door woord en daad te bewerkstelligen, en daarom moet ook dit geschieden. Want ook Mijn lichaam is nu nog evengoed sterfelijk als dat van jullie; maar daardoor zal het onsterfelijk worden, en daarna zal Ik ook voor jullie het volste eeuwige leven volkomen veilig kunnen stellen. - Hebben jullie dat nu begrepen?"

[8] Nu begrepen de leerlingen het al beter en werden rustiger.


243 Petrus en de tollenaar

Ev. Matth. 17, 24-27
[1] Onder nog enkele van dit soort gesprekken, waardoor de leerlingen hun bedroefdheid te boven kwamen, kwamen we ook in de buurt van Kapérnaum. Daar was een tolhuis; dit stond in de buurt van de zee van Galilea en men verlangde er van iedereen de tolpenning voor de weg.

[2] Daarom ging DE TOLLENAAR, die ons goed kende naar Petrus en zei: 'Betaalt jullie Meester de tolpenning gewoonlijk niet?" (Matth. 17,24)

[3] En PETRUS antwoordde: 'Jawel hoor, als iemand die van Hem verlangt; maar ten eerste zijn we geen vreemden die volgens de wet de tolpenning moeten betalen, en ten tweede heeft niemand van ons geld, ook de Meester niet. Je weet dat daar aan zee, nauwelijks tweehonderd passen hier vandaan, mijn huis staat. We gaan er nu heen en zullen daar zeker enkele dagen blijven en ik zal je dan dadelijk de tolpenning komen brengen"

[4] Toen zei DE TOLLENAAR: 'Het heeft geen haast; behalve jullie Meester die niet uit Kapérnaum komt zijn jullie anderen immers vrijgesteld omdat jullie van hier zijn."

[5] Toen dit afgehandeld was, gingen we verder naar het huis van Petrus en toen we daar waren vroeg IK aan de leerlingen: 'Wat denk je ervan, Simon Petrus? Van wie verlangen de koningen op deze aarde nu eigenlijk precies tol of cijns? Van hun eigen kinderen of alleen maar, wat Mij goed bekend is, van de vreemdelingen?" (Matth. 17,25)

[6] PETRUS zei: 'Zoals ik bij het tolhuis met de tollenaar heb besproken ­wettelijk alleen maar van vreemdelingen!"

[7] Toen zei IK verder: 'Dus zijn wij als kinderen vrijgesteld! (Matth. 17,26) Maar om deze hebzuchtigen niet te ergeren, en omdat jij volgens de verzekering van je familieleden ook thuis absoluut geen geld bezit, moet je een stevige vishaak nemen, naar de zee gaan en de haak uitwerpen; de eerste vis die je naar boven haalt moet je nemen; als je zijn bek opendoet zul je er een stater in vinden! Neem deze, breng hem weg en geef hem aan de tollenaar voor Mij en jou!" (Matth. 17,27)

[8] Petrus deed nu meteen wat Ik hem had opgedragen. En zie, een zalm van zeven pond kwam aan de haak en bracht de stater - en ons een goede maaltijd; want deze vissoort is de beste en gezondste van een binnenzee. Toen Petrus terugkwam van het tolhuis, vertelde hij dat de tollenaar bezwaar maakte om de hele stater aan te nemen en dat hij maar een halve wilde aannemen; maar hij, Petrus, had hem te kennen gegeven dat zij met z'n twaalven immers evenveel gebruik gemaakt hadden van de weg als de Meester voor Zijn persoon alleen. Dat vond de tollenaar redelijk en nam uiteindelijk de hele stater aan.

[9] Maar IK zei: 'Nu, laten we de vis maar klaarmaken en de tollenaar laten voor wat hij is!"

[10] JACOBUS echter vroeg Mij hoe de stater in de bek van de vis was gekomen.

[11] En IK zei: "De Romeinen in Kapérnaum vermaakten zich ermee om staters in de zee te werpen naar hun scheepsjongens die heel goed kunnen zwemmen, en deze moesten ze er dan uithalen. Maar deze werd door onze zalm gepakt en die kauwde er een poos op. Maar omdat het metaal niet fijn te kauwen is en daarom ook niet verslonden kon worden, bleef het in de bek van de vis vastkleven; en Petrus ving juist deze vraatzuchtige zalm des te gemakkelijker omdat hij zeer vraatzuchtig was. Het wonderbaarlijke voor mensen hieraan is alleen, dat Ik dat wist. -Maar zie nu dat we wijn en brood krijgen en daarbij de vis!'

[12] Ieder deed zijn best om snel het verlangde te brengen. De wijn moest natuurlijk weer op de bekende wonderbaarlijke wijze verkregen worden. Al gauw was alles klaar en wij gingen aan tafel zitten.



De Heer in het huis van Simon Petrus


Ev. Matth. Hoofdstuk 18
244 De grootste in het hemelrijk Over de ergernissen
1   ...   42   43   44   45   46   47   48   49   ...   53

  • De Heer in het huis van Simon Petrus

  • Dovnload 2.11 Mb.