Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Uitgeverij de ster, ginnekenweg 124, 4818 jk breda

Dovnload 2.11 Mb.

Uitgeverij de ster, ginnekenweg 124, 4818 jk breda



Pagina48/53
Datum28.10.2017
Grootte2.11 Mb.

Dovnload 2.11 Mb.
1   ...   45   46   47   48   49   50   51   52   53

Ev. Matth. 18,10

[1] PETRUS zei nu: 'Ja, Heer en Meester, dit is ons nu volkomen duidelijk; daarom vraag ik U om ons in het vervolg, als het weer om dergelijke lessen gaat, ook meteen de verklaring te geven, opdat wij ons niet over ons eigen onverstand hoeven te ergeren!"

[2] IK zei: 'Dat zal Ik doen wanneer dat nodig is; maar wanneer Ik jullie eigen denkkracht sterker en jullie ziel actiever wil. maken, onthul Ik de beelden niet meteen. Want wie een goede leraar wil zijn moet zijn lessen zo aanbieden, dat zijn leerlingen daarbij steeds veel te denken en te zoeken hebben, anders maakt hij hen tot luie, trage zoekers naar allerlei waarheden.

[3] Ook het volgende zeg Ik jullie nog: De meester die leert moet. altijd een wijze zijn en moet hetgeen hij leert zelf tot op de bodem begrijpen. En de leerlingen moeten, zolang ze leerling zijn, altijd zijn als deze.kleintjes hier, die een hun gegeven leer aannemen en opvolgen ook al zien ze er nog lang niet de innerlijke zin van in; het juiste inzicht zullen ze in hun rijpere jaren wel krijgen."

[4] Enkele leerlingen dachten nu stil bij zichzelf, dat het nog lang zou duren tot ze zelf wijs en vol inzicht zouden zijn als ze zichzelf nu nog als even dom en onverstandig moesten beschouwen als deze domme, onervaren, haveloze kinderen, van wie er niet één op een of andere school de alpha, laat staan de omega had leren kennen!

[5] Maar IK zei: 'Pas op dat jullie niemand van deze kleintjes verachten! Want Ik zeg jullie: Hun engelen in de hemel zien altijd het aangezicht van Mijn Vader in de hemel!" (Matth. 18,10)

[6] PETRUS zei: 'Hebben wij dan geen engelen meer in de hemel die ook altijd het aangezicht van Uw Vader in de hemel zien? Ook zei U eens dat Uw Vader in U woont en volledig één is met U, en nu verplaatst U Hem weer naar de hemel die eindeloos ver hier vandaan is! Nee, dat kunnen we nu weer niet met elkaar verenigen! Hoe moeten we dat dan nu weer opvatten? Is Uw Vader dan afwisselend nu eens in U, dan weer in de hemelen? En hoezo bent Uzelf de ene keer de Vader Zelf en de andere keer weer slechts Zijn Zoon? -Wilt U ons hierover ook een helderder licht geven dan wij tot nu toe hadden?"

[7] IK zei: 'Natuurlijk hebben jullie ook je engelen in de hemel, en wanneer jullie die niet zouden hebben, zouden jullie Mijn leerlingen niet zijn! Maar die kleintjes hebben ze ook, en daarom moeten jullie hen niet verachten; want ze zijn volledig gelijkwaardig aan jullie! En Ik zeg jullie dat, omdat Ik maar al te goed weet dat jullie geen kindervrienden zijn.

[8] Wanneer jullie deze zachtmoedige, lieve kinderen; die zo zuiver zijn als engelen, niet kunnen liefhebben, hoe zullen jullie dan wel je naasten en jullie God liefhebben?

[9] Als jullie mensen willen opleiden in Mijn geest, moeten jullie reeds bij de kinderen beginnen; want waarlijk Ik zeg jullie: Het onderricht in de wieg is meer waard dan alle hogescholen van de wereld! En wie kinderen tot mensen wil ontwikkelen, moet hen liefhebben en het juiste geduld met hen hebben. Zo'n kind is van nature honderd keer armer dan een bedelaar; want het is arm van geest, arm aan fysieke krachten en arm aan bezittingen.

[10] Daarom zeg Ik jullie, en door jullie alle mensen aan wie dit evangelie gepredikt wordt, nog één keer: Wie zo'n kind opneemt in Mijn naam, neemt Mij op; en heeft hij Mij zo in alle liefde opgenomen, dan heeft hij ook de Vader in de hemel opgenomen en in zijn huis zal het niet aan zegen ontbreken. Want zulke kinderen zijn de echte en ware zegen van God Zelf in een huis waar zij zijn en verzorgd, gevoed en tot ware mensen gevormd worden, en het maakt niet uit of het een jongen of een meisje is; in hun jeugd zijn ze gelijk de engelen van de hemel.

[11] Maar, Petrus, vanwege jouw vraag over Mijn Vader in de hemel, en over hoe het zit dat Ik de ene keer zei dat Hij in de hemel is en een andere keer dat Hij in Mij woont en één is met Mij, moet Ik echt met je geheugen geduld hebben, omdat Ik anders uiteindelijk boos op je zou moeten worden!

[12] Wat de hemel is en waar hij is, heb Ik jullie en met name jou, pas nog op de berg precies getoond en volledig helder uitgelegd; en ook over de ondeelbare en onscheidbare verhouding tussen Mij en Mijn Vader heb Ik al bijna te veel en te vaak gesproken, en kijk, nu weet je er al weer niets meer van!

[13] Is de Vader dan niet de eeuwige liefde in Mij? En waar deze is en woont, is daar niet de hemel en het ware Godsrijk?

[14] Ben Ik als Mens niet juist de Zoon van deze liefde die in Mijzelf woont, die alles wat bestaat en de oneindigheid vervult heeft geschapen sinds alle eeuwigheden? En omdat deze eeuwige en almachtige Godsliefde in Mij is, ben Ik dan niet volledig één met haar? -Zeg nu, of je dat nog niet inziet!'

[15] PETRUS zegt: 'Ja, ik zie het nu zeker beter in dan vroeger; maar toch bevinden zich hierin een aantal dingen die me eerlijk gezegd nog niet helemaal duidelijk zijn! En wat me nog niet zo helemaal duidelijk is, is het volgende: ik zie nog altijd niet in, waarom U de ene keer van Uzelf zegt dat U de Mensenzoon bent, een andere keer weer Gods Zoon en weer een andere keer dat U Jehova Zelf bent! Wilt U mij hierover nog een klein licht geven, dat is goed voor ons allen; want ik geloof dat niemand van ons dit echt goed begrijpt!"

[16] IK zeg: 'Ook dat heb Ik reeds bij gelegenheden waar Ik over het lijden sprak dat Mij te wachten staat heel duidelijk belicht; maar als iets jullie niet minstens tien keer zodanig duidelijk uitgelegd wordt dat je het helemaal met handen en voeten kunt begrijpen, begrijpen jullie het niet! Maar Ik zeg het jullie nu dan toch nog een keer:

[17] Noch Jehova in Mij, noch Ik als ziel als Diens eeuwige Zoon, maar alleen dit lichaam als de Mensenzoon zal in Jeruzalem gedood worden, maar op de derde dag als volledig verheerlijkt opstaan en dan voor eeuwig één zijn met Hem die in Mij is en Mij alles openbaart wat Ik als Mensenzoon moet doen en spreken, en die jullie nog altijd niet volledig kennen, ofschoon Hij al geruime tijd onder jullie spreekt en werkt. -En spreek nu jij weer, Simon Juda!'


247 Het mysterie van Golgotha

Ev. Matth. 18,11-14
[1] SIMON JUDA zegt: 'Ja, Heer en Meester, sommige dingen die uit Uw mond komen en zelfs voor het gezondste menselijke verstand niet echt helemaal helder en duidelijk willen worden, zouden nog besproken moeten worden. En dan staat er op de achtergrond, grijnzend als een monster, het strikt noodzakelijke en onvermijdelijke lijden dat de Men­senzoon te wachten staat; ik durf met zekerheid te beweren, dat deze noodzaak zelfs voor het gezondste en beste mensenverstand nooit helemaal duidelijk zal zijn!

[2] Al is deze daad nog zo noodzakelijk voor het bereiken van het door U reeds eeuwigheden geleden gestelde belangrijkste doel, dit feit zal weinig of niets bijdragen aan een geruststellende opheldering voor het menselijk verstand, en daarom zal dit te allen tijde de vraag stellen: 'Waarom moest de Almachtige dan zo vreselijk mishandeld worden door Zijn schepselen om hen de zaligheid en het eeuwige leven te kunnen geven? Waren Zijn zuiverste leer en het feit dat Hij wonderen deed die enkel en alleen aan God mogelijk zijn, niet voldoende? Als dit de mensen niet beter maakt, hoe moeten Zijn lijden en sterven dat dan doen?'

[3] Ik als een van Uw trouwste aanhangers zeg heel openhartig: Uw lijden zal voor veel goede mensen een steen des aanstoots zijn en ze zullen gaan wankelen in hun geloof Daarom vraag ik U ook nu al om een helder licht over deze gebeurtenis, opdat we dan te zijner tijd in staat zijn aan de vragende mensen ook een juist antwoord ter geruststelling te geven"

[4] IK zei: 'Je vraagt hier nu om een heel goede en juiste zaak die je, ook als Ik die jou heel goed uit zou leggen, als puur mens toch nooit helemaal goed en juist zult begrijpen; pas na Mijn opstanding, wanneer je weder­geboren wordt in de geest, zul je het grote waarom ook heel zuiver en duidelijk inzien.

[5] Ik als de enige Drager van al wat bestaat en leeft, moet nu ook datgene wat sinds eeuwigheden door de vastheid van Mijn wil onderworpen was aan het gericht en de dood, verlossen en moet* (*verlossen en moet is toegevoegd) juist door het gericht en door de dood van Mijn vlees en bloed doordringen in het oude gericht en in de oude dood, om zo vanwege de in zichzelf rijp geworden materie van de dingen die banden voor Mijn eigen goddelijke wil in zoverre los te maken, dat daarna al het geschapene uit de eeuwige dood tot het vrije en zelfstandige leven kan overgaan.

[6] En dat is het waarom de Mensenzoon naar deze wereld is gekomen, om datgene wat in zekere zin van eeuwigheid verloren was, op te zoeken, het te verlossen en zo in staat te stellen zalig te worden. (Matth. 18,11)

[7] Wat denken jullie: Als iemand honderd schapen zou hebben en één ervan ergens in het bos verdwaalde, laat hij dan niet zijn negenennegentig schapen op de berg staan en het verloren schaap zoeken? (Matth. 18,12) En als het dan gebeurt dat hij het vindt, waarlijk Ik zeg jullie: Zal hij dan niet meer vreugde hebben over het teruggevonden schaap dan over die negenennegentig andere die nooit verloren waren? (Matth. 18,13)

[8] En zie, zo is het ook bij God, ofschoon Hij door Zijn almachtige wil alles wat de oneindige ruimte bevat heeft geschapen uit de eeuwige volheid van Zijn eeuwig talloze gedachten, ideeën en begrippen en het als buiten zichzelf heeft geplaatst door de vastheid van Zijn wil! En als dit alles voor eeuwig zo zou moeten blijven als het nu is, namelijk in het starre gericht en de dood, zou dit alles gelijk zijn aan het verloren schaap, dat echter nooit meer ergens te vinden zou zijn. En wat voor genoegen en vreugde zou een eeuwig dood, materieel schepsel God dan bieden?

[9] Ik kwam immers hoofdzakelijk om deze reden nu Zelf in een stoffelijk lichaam naar deze wereld, namelijk om het verloren schaap te zoeken en het naar zijn zalige bestemming te leiden.

[10] Gods Geest en wil wordt nu in dit lichaam van Mij, dus in de materie­zachter en als het ware buigzaam en oplosbaar gemaakt. Is dat gebeurd, dan moet deze materie van Mij in de grootst mogelijke vernedering en deemoediging gebroken en eerst losgemaakt worden, en Gods Geest, die in al Zijn volheid in Mij woont en één is met Mijn ziel, moet deze gebroken materie die door het vuur van Zijn liefde is gelouterd, opwekken en levend maken, en dan zal zij opstaan als overwinnaar van alle gericht en alle dood.

[11] Dat jullie nu nog niet helemaal helder in zullen zien hoe en waarom dit zo moet en ook zal geschieden, heb Ik jullie van tevoren gezegd; maar jullie kunnen er nu al wel uit opmaken dat deze gebeurtenis, hoe afschrik­wekkend het voor een puur menselijk oog ook mag zijn, toch noodzakelijk is om al het geschapene na een passende lengte van tijden terug te voeren tot het vrije, onafhankelijke en zuivere goddelijke leven.

[12] En nu Ik dit voor jullie voldoende heb onthuld om het te kunnen begrijpen, zullen jullie daardoor innerlijk - nu jullie zien wie de kleinen eigenlijk zijn -ook inzien, waarom het de wil van de Vader is dat zelfs niet de kleinste en geringste van hen ooit verloren gaat. (Matth. 18, 14)

[13] En daarom heb Ik deze kinderen ook aan jullie voorgesteld en jullie in een goedgeordend overeenkomstig beeld de wil getoond van Hem, die in Mij woont en voor eeuwig de Heer is over al het geschapene in de hele oneindigheid. En omdat Ik dit nu tot jullie heb gesproken en wij volop tijd en gelegenheid hebben, krijgen jullie nu nog een keer het woord om te laten horen wat jullie eventueel nog willen weten. -Petrus, heb jij nog iets?"

[14] DE LEERLING zei: 'O Heer en Meester, er zou nog wel heel wat zijn! Maar ik moet nu dit eerst nog iets meer verwerken; want als ik nu onmiddellijk met iets nieuws zou komen, zou me hetgeen ik zojuist heb vernomen meteen weer ontgaan en dan zou U ons dit grote licht voor niets hebben gegeven'

[15] Hierop viel er een korte stilte, en de leerlingen dachten goed na over wat Ik hun gezegd had.
248 Over het vergeven

Ev. Matth. 18, 15-22
[1] Buiten het huis van Petrus ontstond tussen enkele huiswaarts kerende vissers een luide ruzie en Petrus meende, dat we naar buiten moesten gaan om de boze twist te beslechten.

[2] IK zei: "Ja, doe dat, want het is ook een goed werk om de strijd tussen de mensen te beslechten en ervoor te zorgen dat hun boosheid overgaat; want deze is een produkt van de hel en verpest het hart voor jaren en maakt de ziel duister. Ga maar en beslecht de ruzie!'

[3] Petrus ging naar buiten en vroeg degenen die nog voor zijn huis aan het ruziën waren wat de reden was waarom ze zo'n erge ruzie hadden gekregen.

[4] Toen zei één van hen, die iets gematigder was, dat een knecht van een burger uit de stad, die geen visrecht had en zich hier in hun midden bevond, met haken op een van de beste visplaatsen had gevist en een aanzienlijke buit had gemaakt; en toen zij als vissers met een vergunning hem daarbij betrapt hadden, hem terecht hadden gewezen en hem volledig terecht zijn buit hadden afgenomen, had hij zich tegen hen verzet en was met de meest grove uitdrukkingen gaan bewijzen dat ook hij het volste recht had om te vissen waar hij wilde. Hij had evenwel geen pachtbrief en matigde zich zomaar dit recht aan, wat ze niet konden en mochten dulden.

[5] Toen PETRUS dit hoorde, zei hij: 'Die man is weliswaar een dief, maar laat hem nu toch maar gaan. Als hij deze overtreding nog een keer durft te begaan, lever hem dan pas over aan het gerecht; want jullie weten immers zelf, dat wij volgens de wet de vijand eerst zeven keer moeten vergeven!"

[6] Toen zeiden DE VISSERS die de visdief vast hielden: 'Wij hebben hem echter al zeven maal zijn overtreding vergeven; en over acht maal vergeven spreekt de wet niet, daarom willen wij hem nu voor de rechter brengen"

[7] PETRUS zei: 'Daar hebben jullie nu weliswaar het volste recht toe; maar doe mij nu een plezier en doe het beste, vergeef hem ook deze laatste, ofschoon reeds achtste keer! Maar als jullie hem voor de negende keer bij deze overtreding betrappen, breng dan pas jullie goede recht aan hem ten uitvoer!'

[8] Na deze woorden lieten ze de dief vrij, nadat hij hen eerst beloofd had om de overtreding nooit meer te begaan; zo werd de erge strijd dus bijgelegd en de strijdenden keerden rustig naar hun huis terug.

[9] Toen PETRUS weer bij ons in de kamer kwam, zei hij: 'Heer en Meester, de strijd is weliswaar bijgelegd, omdat ik mijn buren ertoe heb bewogen om ook voor de achtste keer de overtreding van de visdief door de vingers te zien; maar wettelijk gezien hadden ze hem deze achtste keer wel voor de rechter kunnen dagen. Het zou wel goed zijn, Heer, als U ook op dit aardse juridische gebied de wetten van Mozes iets nauwkeuriger wilde uitleggen, vooral in deze tijd, waarin ook de Romeinse wetten een grote invloed hebben gekregen op de levensomstandigheden van de joden en men niet meer zo goed weet of men zich nu meer aan de wet van Mozes of aan de Romeinse wet moet houden. In sommige opzichten is de Romeinse wet duidelijk humaner dan de Mozaïsche, die als staatswet in heel veel gevallen helemaal niet meer letterlijk toegepast kan worden. Welke wet is nu volgens Uw grote liefde en wijsheid beter?"

[10] IK zei: 'ik weet dat de zaken er nu zo voor staan en het voor een rechter moeilijk is met deze twee verschillende wetten recht te spreken, en ook om te bepalen hoe en wanneer iemand zich tegenover een ander heeft schuldig gemaakt, omdat bijvoorbeeld de ene wet goedkeurt wat volgens de andere wet een zonde is.

[11] Om nu voor jullie en ook door jullie voor alle mensen een bepaling te geven waarnaar iedereen zich dan moet richten, moeten jullie goed naar het volgende luisteren en het ook optekenen:

[12] Als een broeder zich tegenover jou schuldig maakt, ga dan naar hem toe en vertel het hem onder vier ogen met vriendelijke woorden en vraag hem om jou zoiets niet meer aan te doen. Heeft hij naar je geluisterd en het ter harte genomen, dan heb je hem reeds gewonnen. (Matth. 18, 15) Luistert hij echter niet naar je, neem dan afhankelijk van de zonde die hij begaan heeft één of twee getuigen, zodat de zaak dan berust op verklaringen van twee of desnoods zelfs drie getuigen. (Matth. 18, 16) Luistert degene die zich tegenover jou heeft schuldig gemaakt ook in het bijzijn van de meegebrachte getuigen niet, laat dit dan waar de meegenomen getuigen bij zijn weten aan de gemeente waar de zondaar toe behoort. Luistert hij ook niet naar deze en blijft hij ook tegenover haar halsstarrig, dan moet hij door jou, door de getuigen en door de hele gemeente tot heiden en slechte tollenaar verklaard en als zodanig beschouwd worden. (Matth. 18, 17)

[13] Moge dat voldoende zijn voor jou en iedereen; wat verder gaat dan dit, is reeds uit den boze en veroorzaakt nog weer groter kwaad. Deze bepaling is uit Mijn goddelijke orde genomen en geldt niet alleen voor hier, maar ook voor het grote hiernamaals. Want waarlijk Ik zeg jullie: Wat jullie zo op deze aarde zullen binden en losmaken, zal ook aan gene zijde, zelfs in het hemelrijk, gebonden of losgemaakt zijn. (Matth. 18,18)

[14] En verder zeg Ik jullie, opdat jullie aan alle strijd en alle ongemak op aarde nog gemakkelijker een eind maken: Wanneer slechts twee mensen het samen eens worden over wat ze de Vader in Mijn naam willen vragen, zal hen dat ook gegeven worden door Mijn Vader, in de hemel en ook op aarde. (Matth. 18,19)

[15] Heeft iemand derhalve tegenover jou gezondigd, vergeef hem dan met heel je hart en vraag in Mijn naam aan de Vader of Hij het hart van de zondaar wil verbeteren, dan zal dat ook geschieden al naargelang je geloof en naarmate je hem, die zich tegenover jou heeft schuldig gemaakt, tevoren zelf hebt vergeven.

[16] Ik zeg jullie nog een keer: Waar twee of drie mensen voor een bepaalde zaak die goed is en overeenkomstig Mijn orde, in Mijn naam bijeenkomen, daar zal Ik in de geest bij hen zijn en verhoren waar ze Mij om zullen vragen. (Matth. 18,20)

[17] En Ik denk dat jullie en dat iedereen in alle mogelijke kritische levensomstandigheden en ook temidden van duizend verschillende vaak zeer met elkaar in tegenspraak zijnde wereldse wetten, door deze regels die Ik jullie nu gegeven heb, heel goed de weg zullen kunnen vinden!'

[18] Nu kwam PETRUS nogmaals naar Mij toe en zei: 'Heer, dat is nu allemaal goed en juist, en het spreekt vanzelf dat wij deze regels van U zelf zeker volledig in acht zullen nemen, en ze ook de andere mensen op het hart zullen drukken opdat zij ze trouw in acht nemen; maar het gaat me nu om één enkel kritisch punt en dat is het volgende: Hoe vaak moet ik, of een ander, iemand die tegen mij gezondigd heeft met vergeving tegemoet komen volgens de door U nu aan ons gegeven verzoenlijke regels? Is zeven maal volgens de wet van Mozes genoeg?"



(Matth. 18,21)

[19] Toen zei IK: 'Als het al volgens een bepaald getal moet gebeuren, dan is het Mozaïsche getal zeven te weinig, maar zeventig maal zeven maal dient dat te gebeuren! (Matth. 18,22) Want hieruit bestaat immers vooral het hemelrijk, dat er onder de mensen dezelfde liefde, eendracht en vergevingsgezindheid heerst als in de hemelen onder Mijn engelen, waar­van jullie er reeds enkele hebben leren kennen"


249 De gelijkenis van de slechte knecht

Ev. Matth. 18,23-35
[1] (DE HEER:) 'Om jullie echter het hemelrijk in de juiste verhouding nog aanschouwelijker voor te stellen, zal Ik het voor jullie met een overeen­komstig beeld verduidelijken. Volgens dit beeld is het hemelrijk als een koning die op een keer met zijn dienaren afrekening wilde houden. (Matth. 18;23) En toen hij daarmee begon, kwam er iemand die hem tienduizend pond schuldig was.

(Matth. 18,24) Omdat deze knecht en dienaar van de koning niets had waarmee hij zijn grote schuld kon betalen, gaf de koning bevel om de luie dienaar zelf, zijn vrouw, zijn mooie kinderen en alle andere bezittingen te verkopen, zodat uit de opbrengst alles betaald kon worden wat zijn knecht en dienaar hem schuldig was. (Matth. 18,25)

[2] Toen de dienaar zag dat hij nu samen met al de zijnen als slaaf verkocht was, viel hij voor de nog aanwezige koning neer en bad hem smekend als volgt: 'O, grote en machtige koning en heer, heb toch nog een beetje geduld met mij! Hef de verkoop op, laat me nog een tijdje vrij, dan zal ik zo goed ik kan proberen u de hele schuld te betalen!' (Matth. 18,26) Toen de koning dit vernomen had, werd ook zijn hart milder. Hij had medelij­den met deze dienaar en hief de hele verkoop op, schold de dienaar de hele schuld kwijt en liet hem vrij. (Matth. 18,27)

[3] Spoedig daarna ging deze knecht naar de stad van de koning, omdat hij daar enkele dingen te doen en te regelen had. En zie, daar trof hij een van zijn mededienaren die hem sinds korte tijd bij gelegenheid honderd penning schuldig was! Toen zijn mededienaar hem zag vroeg hij om nog een korte tijd uitstel, dan zou hij hem de schuld terugbetalen. Maar onze door de koning zo zeer begenadigde dienaar luisterde niet naar hem, maar greep hem woedend bij de keel en schreeuwde: 'Betaal me nu meteen wat je me schuldig bent; want ik heb al heel lang gewacht, mijn geduld is nu geheel ten einde!' (Matth. 18,28)

[4] Toen viel de mededienaar nogmaals op zijn knieën en vroeg met tranen in zijn ogen: 'Heb toch nog een klein beetje geduld met me, dan zal ik alles betalen!' (Matth. 18,29) Maar de dienaar en knecht van de koning wilde van geen geduld meer iets weten, liet de arme knecht door de gerechtsdienaars oppakken en hem in de gevangenis gooien; hij moest daar blijven tot zijn hele schuld betaald was uit zijn in beslag genomen inkomsten. (Matth. 18,30)

[5] De andere medeknechten die dit hoorden en zagen, werden zeer bedroefd en boos op de zo onbarmhartige dienaar van de koning; ze gingen alles wat er gebeurd was aan de koning vertellen. (Matth. 18,31)

[6] Toen de koning dit hoorde liet hij de onbarmhartige dienaar onmid­dellijk bij zich komen en sprak tot hem met toornig gezicht: 'Luister, jij slechte knecht! Heb ik jou niet alle schuld kwijtgescholden, toen je me daarom vroeg? (Matth. 18,32) Waarom heb jij je dan niet ook zo ontfermd over jouw medeknecht zoals ik me over jou heb ontfermd?' (Matth. 18,33)

[7] De knecht verstomde van schrik en angst, omdat hij inzag hoe goed en rechtvaardig de koning was, en dat hij degene die misbruik maakte van zijn genade en liefde streng pleegde te straffen. De koning werd nu pas echt boos en leverde de onbarmhartige over aan de even onbarmhartige beulen, net zo lang tot nu ook van zijn in beslag genomen inkomsten de hele grote schuld betaald was. (Matth. 18,34)

[8] En zie, zo ook zal Mijn hemelse Vader tegenover jullie handelen, als jullie de mensen niet met heel je hart de zonden en schulden vergeven die ze tegenover je hebben begaan! (Matth. 18,35) En het eigenlijke hemelrijk bestaat dan ook juist hierin, zowel wat het grootste als wat het kleinste betreft, dat er onder de zaligen nergens ook maar enige vijandschap of afgunst of haat bestaat, maar dat onder hen de grootste harmonie, de grootste eendracht en de grootste wederzijdse liefde heerst.

[9] En daarom is het ook niet nodig, dat er op deze wereld een bescher­mende rechtbank bestaat die het recht moet bepalen tussen beledigers en beledigden, maar het enige tegenover Mij geldende beschermrecht moet jullie goede en verzoenlijke hart zijn, dan zullen jullie er bij deze rechtbank heel goed vanaf komen, met de minste onkosten en rechterlijke vonnis­gelden, en degene die tegen jullie gezondigd heeft zal veel eerder in waarheid jullie vriend worden, dan wanneer hij hiertoe door een rechter­lijke uitspraak gedwongen zou zijn. - En zeg Me nu of jullie dit allemaal in de grond der zaak hebben begrepen!"
250 De noodzakelijkheid van wereldse rechtbanken

De oorzaken van misdaden en het verhoeden ervan
[1] PETRUS zegt: 'Heer en Meester! Dat zeker, en zo zou het ook het allerbeste zijn; maar ook wanneer wij dit allemaal nauwkeurig in acht nemen, en eveneens de vele andere mensen die deze leer van ons zullen krijgen, is het toch wel zeer de vraag of de wereldse rechtbanken daardoor met meer zullen blijven bestaan.

[2] Kijk, als iemand mij iets bepaalds heeft aangedaan, zal ik het hem zeker ook zeventig maal zeven keer vergeven als degene die mij beledigd heeft het er werkelijk op aan zou laten komen; maar als hij zo slecht en gemeen is dat dit voor hem nog niet genoeg is en hij mij vaker beledigt dan zeventig maal zeven keer, -wat moet er dan met zo iemand gebeuren? Ik ben van mening dat het dan toch wel tijd werd om zo'n misdadiger aan de wereldse rechtbank over te leveren, zoals ook Uw barmhartige koning dit tenslotte deed, omdat zijn grote zachtmoedigheid niets hielp; hij liet de onbarm­hartige knecht toen toch aan zijn beul over. -Wat zegt U, Heer, van deze mening?"

[3] IK zeg: 'Mijn beste Petrus, daar zeg Ik niet veel op, omdat Ik jullie voor zo'n onverbeterlijk geval onmiddellijk na de ruzie van de vissers voor jouw huis al heel duidelijk de juiste instructie heb gegeven en ieder van jullie toch zeker begrepen heeft wat men in zo'n geval moet doen en hoe men daar mee om moet gaan!

[4] Maar het is natuurlijk vanzelfsprekend, dat er op deze wereld voor grote en grove overtreders van de rechten van de mensen ook gezaghebbende en grote wereldse rechtbanken moeten zijn en bestaan, omdat anders tenslotte niemand nog zeker zou zijn van zijn leven. Maar wat de kleinere misstappen betreft die niet zelden tussen jullie mensen plaatsvinden, die moeten voor de rechterstoel van het barmhartige en verzoenlijke hart bijgelegd worden, opdat de kleine misstappen van de mensen onder elkaar niet uitgroeien tot grote zware misdaden; want waarlijk Ik zeg: roof, doodslag en moord zijn uiteindelijk immers niets anders dan gevolgen van eerdere kleine misstappen van mensen onder elkaar, die ontstaan zijn om louter kleine, wereldse redenen van eigenbelang en eigendunk. -Een kleine gelijkenis zal dat nu voor jullie nog duidelijker belichten:

[5] Een rijke en in aanzien staande vader is in het bezit van een zeer mooie en lieve dochter, waar een jonge, maar arme, ofschoon behoorlijk goed ontwikkelde man, heel erg verliefd op wordt en dat des te meer, omdat de lieve dochter hem reeds meerdere malen door allerlei vriendelijke gebaren en tekenen maar al te duidelijk te verstaan heeft gegeven dat zij in haar hart genegenheid voor hem voelt. Wel, deze verder eerlijke en brave jonge man vat eindelijk moed en gaat met heel natuurlijke goede bedoelingen naar de vader van de mooie dochter en vraagt om haar hand. Maar de vader, vanwege zijn grote rijkdom uiterst trots en hard, laat de eerlijke, arme man die om de hand van zijn dochter vraagt, door zijn knechten de deur uitzetten en door zijn honden van zijn erf jagen.

[6] Door deze onbehoorlijke ontvangst is nu het hart van de arme man vol toorn, boosheid en wraakzucht, en hoe meer hij nu nadacht over de absolute onmogelijkheid om een schoonzoon van de rijke man te worden, des te meer groeide de gedachte aan wraak om de harde trotse man op zeer gevoelige wijze te deemoedigen. En toen deze boze gedachte volledig rijp was geworden, was er ook reeds sprake van plan, besluit en wil en daad, en de jonge man werd tot moordenaar van de rijke man.

[7] Maar hij zou dat zeker niet geworden zijn wanneer hij door de rijke man als mens was behandeld. De rijke man, in zijn trotse gewichtigheid­ meende dat het niet eens zo erg was om de arme aanbidder op de zojuist beschreven wijze de deur te wijzen; maar voor hem die buiten de deur werd gezet, was het te veel en hij werd daardoor een misdadiger ~ een moordenaar, verborg zich toen uit vrees voor de wereldse rechters in de dichte bossen en werd daar de schrik van de mensen.

[8] En leer nu uit dit kleine beeld, dat in de meeste gevallen de hardheid van de mensen hun armere medemensen tot misdadigers maakt. Daarom moeten jullie altijd en overal bij degenen die jullie het een of ander hebben aangedaan, denken aan wat Ik jullie heb aanbevolen en duidelijk heb laten zien, dan zullen grote misdadigers zeldzaam worden op aarde en de goede mensen zullen dan heersen over de armen van de aarde. -Hebben jullie dat allemaal goed begrepen?"

[9] Nu bevestigden allen dat ze deze leer goed begrepen hadden. De leerlingen die volgens hun eigen zeggen deze leer nu wel begrepen hadden, dachten toch nog veel na over hetgeen daarin voorkwam, en Johannes en Matthéus tekenden het belangrijkste op; Jacobus en Thomas maakten ook voor zichzelf aantekeningen, maar dan meer over de uitleg. Ze waren er wel twee uur mee bezig.

[10] En toen het belangrijkste was opgetekend zei PETRUS: 'Nu kan deze leer niet meer voor ons verloren gaan en daarmee is reeds veel gewonnen! Maar het wordt nu avond en ik zal er toch voor moeten gaan zorgen, dat we een avondmaal krijgen!" ..

[11] IK zeg: 'Wie heeft jou dan gezegd dat het.nu al avond wordt? Kijk eens naar buiten, naar de stand van de zon! Ik zeg je, wanneer we nu opstaan en met een goede wind over de hele lengte van de zee varen, komen we zeker nog vóór zonsondergang aan de grenzen van het joodse land aan de overkant van de Jordaan!"

[12] Petrus keek nu naar de stand van de zon en was zee: verwonderd, en wel over het feit dat hij zich in de beoordeling van de tijd zo enorm had kunnen vergissen; want het duurde nog drie uur tot de zon onder zou gaan.


251 Een zwerm sprinkhanen
[1] Petrus herstelde zich snel en vroeg Mij naar de oorzaak van deze vergissing en IK zei tegen hem: 'Ga naar buiten naar de zee, dan zul je meteen zien wat de oorzaak is."

[2] Petrus deed wat Ik hem had gezegd en zag zover zijn oog reikte het wateroppervlak geheel met sprinkhanen bedekt. Zelfs ons schip dat in de haven van Petrus lag, was helemaal vol met deze insecten. Petrus was ontsteld toen hij dit zag, kwam snel de kamer in naar Mij toe en vroeg Me of de talloze sprinkhanen die nu de zee bedekten er de oorzaak van waren geweest, dat hij zich in de tijd vergist had.

[3] En IK antwoordde en zei: 'inderdaad! Toen ze vanuit Egypte aange­vlogen kwamen, verduisterden ze als een dichte wolk zo zeer de zon, dat jij hier in de kamer inderdaad bij jezelf moest denken dat het al avond geworden was. Maar Ik zag in Mezelf de oorzaak van de zo vroeg ingevallen avond en maakte jou erop attent, -en dat is dan ook alles wat Ik je hierover te zeggen heb!"

[4] Petrus was hiermee geheel tevreden en ging nog eens naar buiten om het grote natuur spektakel te bekijken.

[5] Andréas en Philippus echter, die enigszins geïnteresseerd waren in natuuronderzoek, vroegen Mij hoe zulke enorme sprinkhanenmassa's konden ontstaan, op welke plaats ze nu eigenlijk precies ontstonden en waar ze voor dienden.

[6] IK zei: 'Beste vrienden, het is wel heel prijzenswaardig om in de natuur wat rond te kijken -want het is een groot boek geschreven door Gods almachtige hand en het geeft iedere rechtschapen onderzoeker de mooiste bewijzen van de liefde en wijsheid en macht van de Vader in de hemel -; maar een te fanatiek onderzoeker kan bij zijn te ijverige onderzoekingen gemakkelijk op een dwaalspoor komen, waardoor hij geheel van God afraakt en tenslotte al het ontstaan en bestaan enkel afleidt van de blinde en stomme krachten van de natuur.

[7] En zie, juist zulke verschijnselen kunnen de pure natuuronderzoekers het eerst geheel van God af doen raken; want ze zien in de natuur een niet systematisch, doelloos en overdadig reproductievermogen van leven, dat niet per se een wijze God nodig zou hebben. Ze kunnen echter door middel van onderzoek dat enkel en alleen uiterlijke zaken observeert natuurlijk nooit een innerlijke oorzaak van zulke gebeurtenissen ontdek­ken, omdat ze met hun ziel, die zich alleen maar in de materie verdiept, nooit met de licht­ en liefdegeest van God in aanraking kunnen komen en deze vatten.

[8] Maar wie in zijn ziel Gods geest aangevoeld en volledig gevat heeft zal dan van zijn geest zelfleren hoe zulke verschijnselen ontstaan en waarom, -en pas wanneer iemand zo in de geest is ontwaakt, moet hij de dingen van de natuur gaan onderzoeken en ze op deze wijze onthuld laten zien aan zijn onkundige en onmondige broeders, opdat deze zich er daardoor des te meer op toeleggen hun geest in hun ziel te doen ontwaken.

[9] Maar om op onze sprinkhanen terug te komen, die ontstaan weliswaar overal in de warmere gebieden van de aarde, maar meestal op bepaalde tijden in Egypte en het zuidelijk deel van Azië. Daar vindt door de hoedanigheid van het klimaat de sterkste productie van natuurlijke levens­geesten plaats, ofwel ze ontwikkelen zich daar het eerst en het meest omdat daar de materiële grond van de aarde, de warmte van de zon, haar sterke licht, de steeds machtige dauwen nog een aantal andere omstandigheden zo'n grote inwerking hebben, dat er altijd zeer veel aardgeesten die vóór die tijd nog gebonden waren, vrij worden, zich dadelijk met de luchtgees­ten verbinden, zich dan in zekere zin in een lichte materie verpoppen en zich voorts in de pop met een lichaam bekleden en het dierlijke aardse leven binnengaan.

[10] Op deze wijze ontstaan in de zeer wanne landen van de aarde ook de sprinkhanen en wel zeer vaak, ofschoon ze ook uit hun eigen eieren uitgebroed kunnen worden.

[11] Ik zeg jullie: Alles, bomen en planten en alle dieren van de aarde, is ervoor bestemd om de gerichte geesten uit de harde materie te verlossen, en dat gaat van stap tot stap tot aan de mens toe. Wat er dan met de mens gebeurt weten jullie nu inmiddels, en zodoende hoef Ik over het natuur­verschijnsel dat wij hier zien verder niets meer uit te leggen. -Maar roep Petrus nu naar binnen; dan zal Ik hem en jullie iets mededelen!"

[12] Andréas en Philippus doen onmiddellijk wat Ik hun gevraagd heb en Petrus kwam nog maar net de kamer binnen of hij vroeg wat het was, dat Ik hun wilde gaan zeggen.


Aan de overkant van de Jordaan aan de Zee van Galilea

Ev. Matth. hoofdstuk 19
252 De Heer vaart met Zijn leerlingen naar de overkant van de zee
1   ...   45   46   47   48   49   50   51   52   53

  • Aan de overkant van de Jordaan aan de Zee van Galilea Ev. Matth. hoofdstuk 19 252

  • Dovnload 2.11 Mb.