Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Uitgeverij de ster, ginnekenweg 124, 4818 jk breda

Dovnload 2.11 Mb.

Uitgeverij de ster, ginnekenweg 124, 4818 jk breda



Pagina49/53
Datum28.10.2017
Grootte2.11 Mb.

Dovnload 2.11 Mb.
1   ...   45   46   47   48   49   50   51   52   53

Ev. Matth. 19,1

[1] En IK zei: 'Maak je allemaal klaar voor de reis; Ik wil en moet vandaag nog vertrekken, en wel helemaal weg uit Galilea naar het land dat aan de overkant van de Jordaan ligt en aan het land van de joden grenst! (Matth. 19:1) Daar zijn we nog niet geweest en er is daar een groot aantal zeer weetgierige mensen en daarom zullen we daar vandaag nog goede zaken doen!"

[2] PETRUS zei: 'Heer, we moeten daar over het water naar toe reizen en ons schip zit onder de sprinkhanentroep; om het schoon te maken hebben twee ijverige mensen een halve dag werk'

[3] IK zei: 'Wat je zegt is juist en twee mensen zouden er ook wel een hele dag werk aan kunnen hebben; maar Ik ben sneller klaar met dat werk! Laten we maar vlug naar buiten gaan naar de zee, dan zal het schip al zijn schoongemaakt'

[4] En toen we aan de zee bij ons schip kwamen, ziedaar, toen was het helemaal schoon en er viel nergens meer een spoor van een sprinkhaan te ontdekken!

[5] Toen de leerlingen dit zagen waren ze er zeer verbaasd over en PETRUS zei: 'U bent werkelijk een zeer groot Meester in alle dingen; ook de sprinkhanen moeten aan Uw wil gehoorzamen! Zullen we nu meteen aan boord gaan en vertrekken, of zullen we eerst ons middagbrood eten met wat wijn erbij omdat het een tamelijk verre reis is?"

[6] IK zei: 'Waar hebben we dat allemaal voor nodig? Tot nu toe hebben we nog nergens, waar we ook waren, honger geleden, en daarom zullen we ook in het land waar we nu naar toe gaan noch honger noch dorst lijden. Inje huis heb je trouwens alles al in orde gemaakt, laten we daarom aan boord van het schip gaan! Hijs het zeil, maak dan het schip los van de paal, en één van jullie gaat aan het roer staan! Ik zal een goede wind laten komen, dan zullen we al gauw op de plaats zijn waar Ik naar toe wil!"

[7] Petrus vroeg Mij nog of hij met het oog op de verzorging en het bewaken van het schip aan de verre oever aan de andere kant misschien een paar van zijn vissersknechten mee moest nemen.

[8] En IK zei: 'Ja, doe dat; want zo gauw komen we hier niet terug!'

[9] Daarop riep Petrus twee van zijn vissersknechten. Deze brachten het schip snel in orde; de wind stak ook op en we vertrokken bijna zo snel als een pijl.

[10] Toen we zo met een ware stormsnelheid over het wijde wateropper­vlak gleden en dit ondanks de sterke en hevige wind slechts door heel kleine golven bewogen werd, viel dat de twee knechten van Petrus op en ze vroegen hem wat daar de oorzaak van zou kunnen zijn. Want als zeer ervaren oude vissers en schippers hadden ze zoiets nog nooit meegemaakt.

[11] PETRUS echter zei tot hen: 'Hoe kunnen jullie dat nu nog vragen! Zijn jullie dan al vergeten wat de grote Meester uit Nazareth, die onze Messias is, allemaal kan?!’

[12] Toen zeiden DE KNECHTEN: 'We wisten wel dat hij grote wonderen verricht; maar dat ook de wind en het meer hem gehoorzamen, wisten we niet! Hij moet waarlijk een groot profeet zijn, zo groot als Mozes en zo groot als Elia!"

[13] En PETRUS zei: 'Oneindig veel groter dan Mozes en Elia! Vraag nu niet verder, maar let op het schip; als de tijd rijp is zullen jullie wel meer over de goddelijkheid van de Heer vernemen! We komen nu spoedig bij de monding van de Jordaan en daar is het oppassen geblazen dat we niet in de stroming terechtkomen, want het is moeilijk om daar zonder gunstige tegenwind uit te komen"

[14] Beiden grepen nu stevig naar de riemen en pijlsnel waren we over deze enigszins gevaarlijke plek heen en hadden ook al de oever bereikt na een tocht van minder dan een uur.

[15] Er lag daar waar we aan land gingen een plaats die overwegend door vissers bewoond werd, die voor het grootste deel Joden waren en voor een derde deel Grieken die daar met allerlei zaken handel dreven. Toen we aan de oever kwamen en aan wal gingen, was er veel volk, omdat er enkele Farizeeën uit Jeruzalem aanwezig waren om hun tienden in deze plaats te innen. Het spreekt vanzelf dat het volk naar ons toeliep en enkele iets beteren van deze vele mensen ook al gauw vroegen wie wij waren, wat we hier kwamen doen en of we misschien het een of ander wilden inkopen.

[16] PETRUS echter vermande zich en zei tegen de nieuwsgierigen: 'Laat ons eerst een herberg zoeken, dan zullen jullie nog vroeg genoeg horen wie wij eigenlijk zijn en wat wij hier willen!"
253 De genezing van de blindgeborene en van andere zieken

Ev. Matth. 19,2
[1] Petrus was nauwelijks uitgesproken of er kwam dadelijk een in aanzien staande EIGENAAR VAN EEN HERBERG naar hem toe en deze zei: 'Neem bij mij jullie intrek; want ik heb zeker de grootste herberg in de hele plaats en ben goedkoop, ofschoon ik een Griek ben! Zo te zien zijn jullie weliswaar joden, maar dat doet niet ter zake; want er wonen immers ook enkele Farizeeën uit Jeruzalem nu al verschillende dagen bij mij, die hier de tienden van de joden in ontvangst nemen"

[2] PETRUS zei: 'Dat is nu niet bepaald aangenaam voor ons! Overigens komt het enkel en alleen op onze Heer aan; wat Hij wil zal gebeuren!"

[3] DE WAARD zei: 'Wie van jullie is dan de heer, dat ik naar hem toe kan gaan en met hemzelf kan spreken?"

[4] PETRUS wees naar Mij en sprak: 'Deze hier is het!"

[5] DE WAARD kwam naar Mij toe, boog en zei: 'Wilt U met Uw mensen in mijn herberg Uw intrek nemen? Mijn huis is groot, zeer ruim en heeft vele vertrekken; bovendien ben ik een van de goedkoopsten in deze hele, niet onbelangrijke plaats."

[6] IK zei: 'Dat ben je wel, - maar wij hebben niets om je te betalen; daarom willen we deze nacht liever op ons schip doorbrengen! Bovendien heb je zieken in je huis en ook een arts die je zieken niet kan helpen, ofschoon je hem uit Jeruzalem hebt laten komen en hij je veel geld kost. En zie, zoals men zegt kan men beter geen onderdak zoeken in een huis dat door allerlei boze ziekten wordt bezocht!'

[7] Toen de waard dit van Mij hoorde schrok hij behoorlijk en vroeg Me heel verbaasd hoe Ik, die toch geheel onbekend was in deze plaats, dat kon weten.

[8] IK zei: 'ik zou je nog heel wat kunnen vertellen waar je nog meer versteld van zou staan; maar laten we daar verder over zwijgen!"

[9] Nu werd de waard zeer verlegen en vroeg of Ik desondanks bij hem wilde overnachten; want de zon had reeds de horizon bereikt en de avond stond voor de deur.

[10] Daarop zei IK: 'Ga je blinde zoon dan maar halen en breng hem bij Mij, dan zullen we zien of Ik hem kan genezen!"

[11] Hierop verliet DE WAARD snel de oever, spoedde zich naar huis en bracht zijn veertien jaar oude, geheel blinde zoon mee, leidde hem voor Mij en zei: 'Hier beste vriend, is mijn blinde zoon! Zo blind als hij nu voor u staat werd hij geboren. Alle artsen en magiërs hebben al geprobeerd hem te genezen; maar alles was puur tevergeefs! Nu, zoals u zojuist hebt opgemerkt, is er een werkelijke wonderdokter uit Jeruzalem bij mij in huis; maar hij kan precies zoveel als de vorigen! Nu komt het op u aan, beste vriend! Waarlijk, als u hem geneest, behoort mijn halve vermogen u toe!'

[12] Toen zei IK: 'Wanneer jij kunt geloven dat Ik jouw blinde zoon ziende maak, dan zal hij ook kunnen zien!'

[13] En DE WAARD keek Mij recht aan en zei: 'Ja, vriend, van u kan ik het geloven! In uw ogen ligt immers zo'n vastberadenheid, dat ze me zeggen: Uit deze mond is nog nooit een leugenachtig woord gekomen! En daarom geloof ik nu dan ook vast, dat u mijn zoon zult genezen."

[14] IK zei: 'De andere artsen hebben hun zalfjes, en de magiërs hun toverstaf, - Ik heb echter noch een zalfje en nog minder een toverstaf; Mijn wil is alles, en als Ik het nu wil, wordt je zoon onmiddellijk ziende!'

[15] Toen Ik dit had uitgesproken werd de blinde jongen ogenblikkelijk volkomen ziende en schreeuwde van vreugde, omdat hij nu de mensen zag, de zee, de omgeving en alles wat er was.

[16] DE WAARD kwam dicht op Mij toe en zei: 'O, u grote en waarachtigste heiland, hoe moet ik u nu op passende wijze bedanken voor deze waarachtige genade? Want waarlijk, alleen wie dat kan wat u kunt, kan genade uitdelen; want wat heeft een blinde aan duizend genadegaven en weldaden van de kant van de machthebbers van deze aarde, als zij hem ondanks al hun macht en goedheid het licht van zijn ogen niet kunnen geven!? Maar u heeft hem vanuit een innerlijke, mij geheelonbegrijpelijke macht het gezichtsvermogen gegeven en daarmee heeft u mij en mijn liefste zoon een onuitsprekelijk grote genade bewezen. Maar als loon daarvoor is hetgeen ik u voorheen beloofd heb veel te weinig! 0, zeg mij wat ik u nu schuldig ben, dan zal ik met alle liefde en vreugde gevolg geven aan uw wens!'

[17] IK zei: 'Geef ons vandaag onderdak, doe goed aan de armen en maak zo het kwade weer goed watje hen vaak hebt aangedaan!'

[18] De waard beloofde dit allemaal strikt in acht te nemen en te doen en bad Mij vurig mee naar zijn huis te komen. Ik en de leerlingen en ook de twee vissersknechten van Petrus gingen nu met de waard mee, en al het volk dat getuige was van de genezing van de blinde jongen, volgde ons op de voet.

[19] Onderweg riepen VELEN van het volk: 'O, waarachtigste heiland­ genees ook onze zieken, we hebben er vele! Want ziet u, wie bij ons eenmaal ziek wordt, wordt nooit meer beter, maar kwijnt langzaam weg tot in het graf. Dat is wel een echt slechte eigenschap van deze omgeving, die verder zo mooi is. 0, beste heiland, schenk ook ons armen zo'n heilzame genade als u de blinde zoon van de waard hebt bewezen! Uw wil geschiede!'

[20] En IK sprak: 'Welnu dan, het geschiede volgens jullie wil en geloof! Ga nu naar jullie vele zieken en overtuig je ervan of er in jullie huizen en slaapplaatsen nog ergens een zieke te vinden is!' (Matth. 19,.2)

[21] Na deze woorden van Mij gingen allen, op enkelen na die geen zieken hadden, snel weg om zich er thuis van te overtuigen of hun zieken waarachtig genezen waren. Het liep al flink tegen de avond toen ze in hun huizen aankwamen, en ze vonden geen zieken, maar allen, met wat voor ziekten of gebreken ze ook behept waren geweest, waren genezen alsof ze nog nooit enige ziekte gehad hadden.

[22] Zij die genezen waren wisten echter niet wat er was voorgevallen, en waarom ze allemaal opeens gezond waren geworden, en ze vroegen onmiddellijk naar de oorzaak van zoiets totaal ongehoords. Toen vertelden hun huisgenoten over Mij en hoe Ik reeds vóór hen, aan de oever van het meer, de blindgeboren zoon van de rijke waard ziende had gemaakt, en hoe nu zeker ook alle andere zieken van de waard beter waren geworden.

[23] Toen de genezen mensen dat hadden vernomen, verlieten ze snel hun huizen en gingen naar het huis van de waard. Daar vroegen ze smekend of ze Mij konden zien om Mij hun dank te betuigen.

[24] IK ging naar hen toe en zei: 'Ga nu naar huis en zondig van nu af aan niet meer; want als jullie opnieuw in je oude zonden vervallen, zullen jullie daardoor ook weer in je oude ziekten vervallen! Houdt de geboden welke Mozes heeft gegeven, dan zal alle onheil ver van jullie blijven"

[25] Hierop liet Ik hen allen gaan en onze waard, die nu bultengewoon blij en vrolijk werd omdat ook al zijn andere zieken genezen.waren, wist nu helemaal niet meer wat hij allemaal voor ons moest doen uit dank voor de hem bewezen weldaad.
254 De Heer met de Zijnen in het huis van de Griekse herbergier

Waarheid maakt vrij
[1] Omdat de waard een Griek en ook nog heiden was, maar toch heel goed wist dat de joden niet alles mochten eten wat de Grieken, die nog heidenen waren, aten, vroeg hij Mij: 'O, grote heer en meester, wat eet u gewoonlijk 's avonds en wat eten deze mannen, die zeker uw leerlingen zijn? Hoewel ik een heiden ben weet ik toch uit ervaring, dat de Joden een aantal dingen niet eten die wij wel plegen te eten en daarom vraag. ik ook, waarmee ik jullie, beste mannen, van dienst kan zijn. Want nu zijn jullie geheel heer in dit huis en ik ben slechts jullie gehoorzame knecht; beveel mij daarom naar believen, dan zal ik alles doen wat Ik kan om Iedere wens van jullie naar mogelijkheid te vervullen!"

[2] IK zei: 'Geef ons wat brood en wijn en daarna een goede slaapplaats! Meer hebben wij niet nodig."

[3] Het deed de waard bijna verdriet dat Ik niet iets meer en iets beters had verlangd. Maar desondanks ging hij naar zijn voorraadkamer en bracht ons zelfbrood en wijn, en dat in de juiste hoeveelheid. We namen plaats aan een grote tafel en de waard nam met zijn kinderen ook aan dezelfde tafel plaats, at en dronk met ons, en toen de wijn zijn tong een beetje losmaakte, begon hij ons enkele dingen te vertellen die hij had meegemaakt; zodoende kwamen ook de wonderwerken van de Essenen en die van de Farizeeën ter sprake, alsook de tien belangrijkste wetten van Mozes.

[4] De waard was van mening dat deze wetten wel heel erg goed waren, -maar men hield zich er niet aan, en het allerminst deden dat de joodse priesters, die hun geloofsgenoten toch altijd een goed voorbeeld zouden moeten geven. Daar Ik zo'n grote, en zeker hoogst wijze heiland was, zou Ik hem ook wat dat betreft een juiste verklaring kunnen geven. Maar het belangrijkste was, dat Ik hem goede raad gaf over de kwestie, of hij na meerdere verzoeken van de kant van de Farizeeën tot het jodendom moest overgaan of verder Griek moest blijven. De leer van de joden beviel hem in feite beter dan zijn eigen leer die eigenlijk alleen maar een poëtisch produkt van de fantasie was, waar maar heel weinig waars in school.

[5] Daarop antwoordde IK hem: 'Blijf uiterlijk wat je bent, maar wees innerlijk een ware jood, wat je heel gemakkelijk kunt doen, omdat je daarbij tegenover geen enkele priester iets verplicht bent! Dat de Farizeeën­ vanwege je grote rijkdommen, liever hebben dat je bij hen hoort dan dat je een vreemde voor hen bent, zul je wel inzien! Blijf daarom watje bent en zoek de waarheid en de grond van het leven en het bestaan! Want alleen de waarheid zal je vrij maken en hiermee zul je hoog boven al het priesterdom staan en boven alles wat de wereld wijsheid noemt. -Heb je Me nu wel begrepen?"

[6] DE WAARD zei: 'Ik heb u begrepen; alleen moet ik nog een bijzondere vraag stellen, namelijk: Wat is de waarheid? Ja, de zuivere waarheid zou de mens zeker absoluut vrij maken, -maar waar kan ik haar vinden, wie kan mij haar laten zien, wie geven?"

[7] IK zei: "Dat kan Ik en ieder van deze leerlingen van Mij, -maar Ikzelf het beste; want Ikzelf ben de waarheid en het leven, omdat Hij die in Mij woont dat van eeuwigheid is!'

[8] DE WAARD zei: "Heer en meester, dat begrijp ik niet! Hoe moet ik dat opvatten!'

[9] IK zei: 'Hier om Mij heen zitten Mijn leerlingen, vraag het aan hen, zij zullen het je wel uitleggen; want het is beter om over zich te laten spreken dan om zelf te spreken! Ikzelf ga intussen naar buiten om Mij te verkwikken in de koele avondlucht:'

[10] Hier stond Ik op en ging helemaal alleen naar buiten. De leerlingen onderwezen de waard nu over het belangrijkste met betrekking tot Mij. En toen het de waard duidelijk werd wie en wat Ik ben, kwam hij ook spoedig naar buiten naar Mij toe en dankte Mij samen met zijn kinderen innig voor de grote genade die Ik hem bewezen had. De kinderen deden hetzelfde. Ik zegende hen allen en wij begaven ons ter ruste; want het was reeds behoorlijk laat in de nacht geworden.


255 Het verbod van echtscheiding

Ev. Matth. 19,3-9
[1] Toen we 's ochtends goed uitgerust en gesterkt van onze rustplaatsen opstonden en naar buiten gingen, was onze waard ook al op en de beide knechten van Petrus bevonden zich ook al op het schip om spoedig weg te varen. Maar we zeiden hun dat ze nog op hun ochtendbrood moesten wachten, dat onze waard hun ook meteen liet overhandigen. Toen voeren ze weg omdat wij het schip nu langere tijd niet meer nodig hadden.

[2] Op uitnodiging van onze waard gingen ook wij nu aan het ochtend­maal. We waren hier nog maar nauwelijks mee klaar, of er kwamen ook al andere mensen om Mij, de wonderman zoals ze zeiden, te zien en te spreken. Daaronder waren ook joden en Grieken en ze vertelden elkaar wat Ik door Mijn pure wil allemaal tot stand had gebracht.

[3] Omdat er, zoals reeds vermeld, ook Farizeeën in dit huis verbleven, hoorden deze ook wat er zich gisteravond allemaal afgespeeld had; ze kwamen al gauw tot de conclusie dat Ik de hun reeds bekende timmer­manszoon uit Nazareth moest zijn. Hierop kwamen ze onze kamer binnen en begonnen Mij met allerlei vragen op de proef te stellen, waarop Ik hun steeds een uiterst doeltreffend antwoord gaf en hun de mond snoerde.

[4] Er woonden hier enkele mannen die ontevreden waren met hun vrouwen. Deze verlangden van de hier aanwezige Farizeeën de schelding.

[5] Daarom stelde EEN VAN DE FARIZEEËN Mij weer een vraag: 'Luister, wonderbaarlijke en alwijze meester! Is het wel juist dat een man zich van zijn vrouw laat scheiden om een bepaalde gegronde reden?" (Matth. 19,3)

[6] Ik keek hem strak aan en zei: 'Waarom stellen jullie deze vraag nu aan Mij? Hebben jullie niet in de Schrift gelezen dat Hij die in het begin de mensen heeft gemaakt het zo heeft geregeld, dat zij slechts één man en één vrouw waren?! (Matth. 19,4)

[7] En toen het eerste mensenpaar stond voor Hem die hen gemaakt had, en Deze wel zag dat de man groot welgevallen had aan de mooie vrouw, sprak deze Ene, die jullie nog nooit gekend hebben: 'Zie, daarom zal in de toekomst een man zijn vader en moeder verlaten en zijn vrouw aanhangen, en deze twee zullen tot één vlees zijn!' (Matth. 19,5) En als dit volgens Gods woord zo is, zijn zij nu niet twee, maar één vlees. En wat God zo heeft samengevoegd, moet de mens niet scheiden'

(Matth. 19,6)

[8] Toen zeiden de FARIZEEËN: 'Als u zo goed thuis bent in de Schrift, zult u ook wel weten, dat dezelfde Mozes die de schepping van de mens beschreef, een formele scheidbrief heeft nagelaten die zo goed als geheel wettelijk is, en geboden heeft dat men om een gegronde reden moet scheiden van zijn vrouw."



(Matth. 19,7)

[9] Daarop gaf IK ten antwoord: 'Mozes heeft jullie wel een scheidbrief gegeven, volgens welke jullie van je vrouw kunt scheiden; maar hij deed dit alleen vanwege de hardheid van jullie hart. Vanaf het allereerste begin van de mensheid op deze aarde was het echter niet zo, maar zoals Ik het jullie zojuist gezegd heb.



(Matth. 19,8)

[10] En verder voeg Ik daar nog het volgende aan toe: Wie van zijn vrouw scheidt, al is het vanwege erge hoererij, en met een andere vrouw trouwt, pleegt echtbreuk. En wie met de gescheiden vrouw trouwt, pleegt ook echtbreuk. (Matth. 19,9) En wat echtbreuk voor een zonde is weten jullie allang, daarover hoef Ik jullie geen verdere opheldering te geven"

[11] Hierop verlieten de Farizeeën Mij zonder verder een woord te spreken.
256 Uitzonderingsgevallen met betrekking tot huwelijkszaken

1   ...   45   46   47   48   49   50   51   52   53


Dovnload 2.11 Mb.