Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Uitgeverij de ster, ginnekenweg 124, 4818 jk breda

Dovnload 2.11 Mb.

Uitgeverij de ster, ginnekenweg 124, 4818 jk breda



Pagina5/53
Datum28.10.2017
Grootte2.11 Mb.

Dovnload 2.11 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   53
15 De Heer troost de Nubiërs, die niet zijn geroepen tot het kindschap van God
[1] De AANVOERDER zegt: 'Ja, Heer, alles is mij nu duidelijk en mijn ziel voelt zich nu alsof zij overal in thuis is! Maar ik merk bij Uw leerlingen dat zij vrijwel allemaal dit beeld van de drie soorten spiegels bepaald niet goed schijnen te begrijpen! Ik dank U innig voor Uw uitleg, die aan al mijn levensgevoelens volkomen beantwoordt; maar zoals gezegd, ik vind het onaangenaam om te zien, dat juist diegenen die dit alles het best zouden moeten begrijpen omdat zij oorspronkelijk tot het kindschap geroepen zijn, dit alles het minst schijnen te begrijpen!"

[2] IK zeg: 'Daar hoef je je weinig of helemaal niet om te bekommeren! Als jij het begrijpt, waar zou je je dan verder druk om maken? Zij zullen het dan wel begrijpen wanneer de tijd voor hen daar is; want zij zullen nog langer bij Mij zijn, terwijl jullie morgen naar jullie land zullen vertrekken!

[3] Het is immers van ouds een goed gebruik bij alle volken, dat de vreemde gast eerder bedacht wordt dan de kinderen des huizes. De.kinderen zullen daardoor met te kort komen! In eerste instantie kon jullie deze zaak gemakkelijk begrijpelijk gemaakt worden omdat jullie al bekend waren met het wezen van de spiegel; maar van Mijn ware leerlingen en kinderen heeft er nog nooit één een andere spiegel gezien dan alleen die van een rustig wateroppervlak. Als Ik hun echter deze zaak nader zal willen uitleggen, dan zal Ik Mij voor een beter begrip van de zaak even gemakkelijk de betreffende spiegels weten te verschaffen als Ik Mij het mensenbrein wist te verschaffen, en zoals Ik de oude Marcus dit nieuwe huis met alle toebehoren wist te verschaffen.

[4] Wees dus vanwege Mijn leerlingen en Mijn ware kinderen niet ongerust; want Ik Zelf geef je de verzekering, dat zij allen niet te kort zullen komen. Want vreemden komen en gaan weer; maar de kinderen blijven thuis! - Heb je ook dit begrepen?"

[5] De AANVOERDER zegt: 'En of ik het begrepen heb, - maar daardoor is mijn ziel niet vrolijker geworden; want het klonk uit Uw mond zo erg afstandelijk met de naam 'vreemde' aangeduid te worden! Maar wij zullen het eeuwig niet kunnen veranderen wat U van eeuwigheid reeds zo bepaald hebt en wij zijn U als vreemden toch gloeiend van liefde dankbaar voor al deze ook nooit verdiende, overgrote genaden die U ons hier hebt bewezen!"

[6] Dan springen bij de aanvoerder, evenals bij zijn dienaar, de tranen in de ogen en JARAH zegt heel zachtjes tegen Mij: 'Heer en Vader van alle mensen, zie, de beide Moren huilen!"

[7] Maar IK zeg: 'Dat is niet erg, Mijn lieve dochtertje, wantjuist daardoor worden zij kinderen van Mijn kinderen, die ook niet uit het huis van de grootvader gestoten worden!"

[8] Toen de beide Moren Mij dat hoorden zeggen, zonken zij voor Mij op hun knie en snikten luid, maar nu van blijdschap.

[9] En na een poosje riep de AANVOERDER luid: 'O God vol gerechtigheid­wijsheid, liefde, macht en ontferming, met een boetvaardig wezen dank ik U namens mij en mijn volk dat wij ons in ieder geval kinderen van Uw kinderen mogen noemen!"

[10] IK zeg: 'Wees gerust, Mijn vriend! Wie Ik aan neem is geen vreemde meer voor Mij! je ziet hoe de aarde vol bergen is, en daar zijn hoge en lage bij. De hoge zijn weliswaar de eerste en eigenlijke oerzonen van de aarde, en de lage zijn pas in de loop der tijd als afzettingen van de hoge ontstaan, -maar zie, terwijl de allereerste en allerhoogste hun toppen met eeuwige sneeuwen ijs sieren, zuigen de lage nakomelingen voortdurend de liefde­melk uit de borst van de grote moeder!

[11] Ik zeg jullie: Wie liefde heeft en liefde schenkt, is Mijn kind, Mijn zoon, Mijn dochter, Mijn vriend en Mijn broeder! Wie de liefde echter niet heeft en haar dus ook niet schenkt, is een vreemde en wordt als zodanig behandeld. Als Ik je echter Mijn vriend noem, dan ben je geen vreemde meer, maar behoor je tot Mijn huis door Mijn woord, datje getrouw in je hart hebt opgenomen. Maar ga nu getroost heen en verkondig dat alles aan je broeders!'

[12] De aanvoerder gaat nu met zijn dienaar naar zijn metgezellen en verkondigt hun alles wat hij nu van Mij gehoord heeft, en allen beginnen letterlijk te juichen van vreugde over dit bericht, dat voor en zo uitermate troostrijk is. Wij laten hen nu .over aan hun terechte vreugde. Maar Cyrenius die de uitleg met de spiegels ook niet al te goed begrepen had, hoewel hij een heel goed inzicht had in de verschillende spiegelsoorten, vroeg Mij of Ik hem daarover niet iets meer vertellen wilde. Maar Ik vroeg hem nog wat geduld te hebben, omdat wij het weldra met een wat treurig uitziende deputatie uit Caesarea Philippi te doen zouden krijgen. En Cyrenius stelde zich daarmee tevreden.


16 De deputatie uit Caesarea
[1] Nauwelijks had Ik dat gezegd of er kwamen al twaalf mannen om het oude huis heenlopen; het waren zes joden en zes Grieken. De Caesareeërs die nu in een paar hutten kampeerden, hadden namelijk via hun herders en vissers gehoord, dat de Romeinse stadhouder een groot stuk land aan de oude visser Marcus geschonken had en dat dit als zijn volledig eigendom omringd was met een ontoegankelijke muur. De Caesareeërs beschouw­den echter alle grond in de verre omtrek rondom de stad als land van de gemeente en wilden nu van Cyrenius horen met welk recht hij zich aan het eigendom van de stad had kunnen vergrijpen, omdat de stad daarover steeds zowel aan de Romeinen als ook aan Jeruzalem de cijns betaald had. Ik had Cyrenius echter al vooraf heimelijk een aanwijzing in zijn hart gegeven, en hij wist dan ook al van te voren waarover het zou gaan eer nog iemand van de afvaardiging zijn mond had opengedaan, en hij was daardoor ook voldoende voorbereid op het antwoord, dat hij de zeer vrijpostige, treurige afvaardiging zou geven. .

[2] Na alle buigingen stapte er een voorname Griek, Roclus.genaamd, op Cyrenius af, deed zijn mond open en sprak: 'Zeer rechtvaardige, gestrenge en doorluchtige heer, heer, heer! De zaak waarom het hier gaat is, dat aan Marcus de oude krijgsman en nu visser, door uw vrijgevigheid een aanzienlijk deel van onze gemeentegronden, waarvoor wij veel cijns betalen als omheind eigendom in handen is gegeven. Door onze herders die bedroefd waren over dat mooie stuk land, zijn wij dit nog droever uitziende bericht een uur geleden te weten gekomen.

[3] Welk ongeluk ons Caesareeërs, die vroeger zo welgesteld waren, heeft getroffen, daarvan getuigen de hier en daar nog rokende ruïnen. Wij zijn nu in de ware zin van het woord de armzaligste bedelaars van de wereld. Gelukkig is hij die bij de grote brand iets van zijn have kon redden! Ons arme saters was dat geluk niet beschoren, want het vuur greep zo snel om zich heen dat wij en nog velen van ons, de goden nog zeer dankbaar moeten zijn dat wij het vege lijf hebben kunnen redden. Enig vee is nu onze hele have, wij zijn nu weer nomaden geworden; maar hoe kunnen we zelfs dit laatste bezit behouden als uw vrijgevigheid voor geboren Romeinen onze beste gronden van ons afneemt en als volledig onaantastbaar eigendom omheint voor hen die het geluk hebben in uw hoge gunst te staan?!

[4] Wij willen u daarom alleen maar smekend vragen, of de nu zo overgelukkig geworden Marcus aan ons een schadevergoeding moet geven of niet! Zo helemaal zonder schadevergoeding zou deze onteigening in onze huidige, penibele situatie toch wel iets zijn dat in de geschiedenis der mensheid moeilijk ergens zijn weerga zou vinden. - Allerhoogste heer, wat hebben wij armen te verwachten?"

[5] CYRENIUS zegt: 'Waar hebben jullie het over en wat willen jullie, brutale halfmensen?! Dit grondstuk heeft sinds vijfhonderd jaar bij deze berg en deze vissershut behoord, en was volkomen waardeloos omdat het een pure zand­ en steen woestenij was. Er behoorden echter nog twintig morgen land bij die niet omheind en dus aan de stadsgemeente overgelaten werden om vrij en naar believen over te beschikken. Bovendien hebben jullie je nu aan mij voorgedaan als berooide armen en bedelaars, die hun hele hebben en houden zijn kwijtgeraakt! Wat moet ik nu over die boosaardige leugenachtigheid van jullie zeggen?! Ik weet wel dat jullie huizen in de stad door het vuur zijn verwoest, en ik weet precies hoe groot jullie schade is; maar ik ben ook bekend met jullie grote bezittingen in Tyrus en Sidon en ik weet dat juist jij, Roclus, daar zoveel schatten bezit, dat je je zonder meer met mij zou kunnen meten! En datzelfde geldt voor alle elf die nu met je hierheen gekomen zijn!

[6] Jullie twaalven hebben nog zoveel schatten en rijkdommen, dat jullie zelf de door het vuur verwoeste stad minstens tienmaal zouden kunnen opbouwen; en toch komen juist jullie om je over je armoede te beklagen ­en mij van onrecht te beschuldigen omdat het zuiver rechtmatige eigen­dom van de oude Marcus, die in iedere vezel van zijn leven een man van eer is, van dat van jullie werd afgezonderd! Zeg maar welke naam ik jullie moet geven!

[7] Ga en bekijk de grond die Marcus buiten de tuinmuur nog volledig in bezit heeft! Het is nog ruim twintig morgen land. Ik verkoop het aan jullie voor tien zilvergroschen. Als jullie vinden dat het dat waard is, betaal dan de tien groschen en de grond is van jullie! Behalve in de Sahara in Afrika vind je nergens op de goede grote aarde een slechtere gleba* (* Gleba: latijn voor 'aardkluit'.); want behalve zand en dode steenslag en hier en daar een verkommerde distel zul je niets vinden!

[8] Maar jullie zijn rijke mensen, jullie kunnen van ver weg aarde laten aanvoeren en daarmee deze kleine woestenij bedekken en tot vruchtbaar land maken! Ook kunnen jullie van ver weg een zeer dure waterleiding aanleggen om het op die manier gecultiveerde grondstuk in de zomers, die hier meestal droog zijn, behoorlijk te irrigeren, en dan hebben jullie een heel behoorlijk stuk land rechtmatig in jullie bezit gekregen! Maar met die ongemotiveerde aanspraken zullen jullie bij mij eeuwig niets bereiken, .en ik zal jullie metterdaad bewijzen, dat na jullie huidige zeer onrechtvaardige verzoek altijd slechts de sterkere het recht aan zijn kant heeft! -Wat willen jullie nu doen?"

[9] Behoorlijk geschrokken van de krachtige taal van.de opperstadhouder zegt ROCLUS: 'Heer, heer, heer! Wij zijn het niet zelf die aanspraken wilden laten gelden, maar wij zijn slechts vertegenwoordigers van degenen die in de verwoeste stad in volle ernst een jammerlijk bestaan lelden. Wij hebben al veel voor hen gedaan, en de hele stadsgemeente, die nu totaal verarmd is, heeft ons slechts uit dankbaarheid al de omliggende gronden volledig in eigendom gegeven, en tegen ons gezegd, dat ook deze gronden aan de zee hun gemeentelijk eigendom waren!

[10] In dat geval, dachten wij, kan het ons beslist niet onverschillig laten dat iemand op onbevoegde wijze daar een deel van neemt, cultiveert en het gecultiveerde deel meteen laat omheinen met een ontoegankelijke, massieve muur, en dat met een werkelijk sprookjesachtige snelheld, -wat natuurlijk jullie Romeinen die door de oorlog zeer bedreven zijn, wel mogelijk kan zijn, omdat jullie in het veld niet zelden in weinige ogen­blikken een legerplaats voor honderdduizend man op kunnen zetten!

[11] Nu de zaak dus heel anders blijkt te zijn, zien wij eenvoudig van onze eisen af en gaan naar huis! De nog overblijvende twintig morgen land die buiten de muur liggen, kan de oude, brave burger ook nog voor zichzelf erbij laten omheinen en wij verklaren hierbij dat hij noch door ons, noch door de stadsgemeente ooit in zijn vrije bezit gestoord zal worden. Maar wij geloven toch wel dat hij aan de stad, vanwege zijn alleenrecht als visser, voortaan de van ouds gebruikelijke tiende moet afdragen!"

[12] CYRENIUS zegt: 'O ja, maar jullie moeten bewijzen wanneer de stad dit recht verkregen heeft! Mij is in dit opzicht geen document bekend, omdat ik tijdens mijn huidige, nu reeds bijna vijfendertig jaar lange diensttijd daar nooit iets van gezien heb. Want pas onder mij heeft het vroegere dorp stadsrechten verkregen en wel ter ere van mijn broeder die Rome meer dan veertig jaar had bestuurd. Mij zijn derhalve alle plaatselijke omstandigheden van deze stad precies bekend. Van een vis-tiende die deze stad wettig te vorderen zou hebben, weet ik niets; wel weet ik dat men die onwettig uit naam van de stad gevorderd heeft en dat mijn Marcus verplicht was jullie die steeds te betalen, waarvoor hij als hij kwaad zou \Villen een volledige terugbetaling zou kunnen eisen, wat hij echter niet Zal doen omdat hij een te eerlijk en te ingoed mens is. Maar dat hij in het vervolg aan jullie geen onrechtmatige tiende zal betalen, daar sta ik voor in.

[13] In plaats van jullie nu enig recht te geven, maak ik jullie als afgevaardigden van deze stad bekend dat ik uit hoofde van mijn macht, uitgaande van de keizer, de oude Marcus benoem tot overste over de stad en haar wijde omliggende gebied, en hem bekleed met alle macht die ik zelfheb, en dat in het vervolg alleen hij over jullie en al jullie aangelegen­heden volledig recht mag spreken, en dat jullie allen aan hem de verplichte schatting af moeten dragen! Dat zeg ik jullie nu mondeling, maar hij zal zich geheel volgens de wet met de papieren, de staf en het zwaard en de gouden weegschaal der gerechtigheid legitimeren! Slechts in heel bijzon­dere gevallen zal een beroep op mij gedaan kunnen worden, maar verder zal hij alles beslechten! -Bent u daarmee tevreden?"
17 De wijze wetgeving in Mathaël’s koninkrijk aan de Pontus
[1] ROCLUS zegt: 'Tevreden of niet tevreden, - wat kunnen wij doen tegen uw macht? Onmachtige wormen moeten immers met alles instemmen; want wee hen als zij zich ook maar enigszins in het stof van hun nietigheid beginnen te roeren, dan worden zij meteen door de vrolijke vogels uit de lucht opgemerkt, gevangen en gegeten! De zwakke moet immers de machtige gehoorzamen als hij wil leven en dus zullen ook wij Marcus, die nu heer, heer is, moeten gehoorzamen als wij niet gegeten willen worden. Maar aangenaam -om heel eerlijk te zijn -is het voor ons beslist niet dat deze oude, ruwe krijgsman over ons zal heersen; want het is de meest onverbiddelijke mens die wij ooit meegemaakt hebben. Rechtschapen is hij, daar kan niemand aan twijfelen en hij heeft, gezien zijn vele ervaringen, ook een oordeel dat altijd gezond en juist is; maar voor de rest is hij de meest onmaatschappelijke mens, en van menslievendheid is bij hem absoluut geen sprake! Wel, wel, dat is een felicitatie waard, dat hij onze autoriteit is geworden! Werkelijk, zowel ons als onze kinderen en kinds­kinderen zullen goede tijden te wachten staan! Emigreren zou nu beslist het beste zijn, - maar waarheen?"

[2] Dan staat MATHAËL Op en zegt: 'Wel, als jullie emigreren willen, kom dan naar wat nu mijn rijk is, dat achter Klein-Azië aan de wijde Pontus ligt. Het is een groot rijk door twee grote zeeën begrensd, in het westen door de Pontus en in het oosten door het Mare Caspium*. (* De Kaspische Zee ) Daar zullen jullie onder mijn wetten, die echter wel heel streng zijn, veilig en werkelijk zeer rustig kunnen leven. Alleen dit zeg ik jullie, dat er in mijn rijk zelfs geen schijn van onrechtvaardigheid mag voorkomen en iedere leugen uiterst hard en onverbiddelijk bestraft wordt; maar een geheel rechtvaar­dige, waarheidslievende, onzelfzuchtige burger zal onder mijn ijzeren scepter het beste leven hebben!

[3] Niemand zal bij mij vrij zijn van cijns; want wie in staat is om enig werk te doen, moet werken en iets verdienen! Wie echter iets verdient kan ook cijns aan de koning afdragen, die steeds voor het welzijn van het hele rijk moet zorgen en daarom altijd vele en grote schatten tot zijn beschikking moet hebben om een leger te onderhouden dat sterk genoeg is om een mogelijke brutale vijand het hoofd te kunnen bieden.

[4] Hij, de machtige koning, moet scholen en tuchthuizen onderhouden en de grenzen van het rijk voorzien van sterke onoverwinnelijke vestingen, waar geen vijand zo gemakkelijk overheen kan springen, -maar waarvoor zeer veel geld nodig is.

[5] Daaruit zien jullie hoe streng een koning er op toe moet zien dat ieder mens hem de verplichte cijns betaalt; en jullie kunnen dus nu wel emigreren naar mijn rijk, als jullie het eens zijn met de verplichtingen die ik van iedere onderdaan met onverbiddelijke strengheid zal eisen! Mijn toestemming hebben jullie; mocht jullie het juk van Rome onder het beheer van de oude Marcus te zwaar drukken, dan weten jullie nu reeds waarheen je kunt emigreren!

[6] Maar om jullie in algemene zin bekend te maken met mijn instellingen, vertel ik jullie ook nog, dat er bij mij aan niemand ooit een onbeperkt recht op inkomsten verleend wordt. Iedereen staat het weliswaar vrij een vermogen bijeen te garen, maar dat mag op straffe des doods niet groter worden dan tienduizend pond. Al het meerdere dat iemand verwerft, moet hij zeer gewetensvol in de algemene staatskas storten; doet hij dat niet­ hetgeen volgens mij heel snel ontdekt en bewezen kan worden, dan wordt het hele vermogen verbeurd verklaard; de overtreder van deze zo buiten­gewoon heilzame wet voor het algemene welzijn van de staat zal daarbij nog andere zware straffen opgelegd krijgen.

[7] Bovendien wordt het ook niemand toegestaan de toegestane tiendui­zend pond in al te korte tijd te verwerven; want het is maar al te duidelijk dat zo 'n verrijking in een te korte tijd niet mogelijk is zonder allerlei bedrog en andersoortige gewelddadige afpersingen, behalve dan in geval van een geschenk of een erfenis of een eventuele vondst.

[8] Maar voor schenkingen, erfenissen en alle soorten vondsten bestaat in mijn rijk de volgende zeer wijze bepaling dat daarvan steeds de helft afgedragen moet worden aan de staatskas, waaruit in de eerste plaats de onmondige kinderen opgevoed en verzorgd worden, evenals ook andere arme mensen die niet tot werken in staat zijn. Kortom, in mijn rijk is alles zo geregeld dat daar niemand nood zal lijden, maar ook niemand een onnodige overvloed zal hebben! Alleen een buitengewoon goed, wijs en zeer rechtvaardig mens kan ook over twintigduizend pond beschikken, ­maar over meer echter niemand in mijn hele rijk behalve ik en mijn allervertrouwdste ambtenaren en veldheren!

[9] Als jullie met deze staatsinrichting van mij tevreden zijn, pak dan je spullen en verhuis naar mijn rijk!"

[10] ROCLUS zegt: 'O, scherpzinnige koning van de Pontus en het Mare Caspium, wij wensen u veel geluk in uw rijk, maar zullen van uw prijzenswaardige aanbieding toch geen gebruik maken! Onder die omstan­digheden zijn we maar liever Romeinse slaven dan uw belangrijkste rijksonderdanen. Nee, zo'n staatsinrichting zou ons wel gestolen kunnen worden! De Moren daar hebben beslist een meer menselijke! Is er hier soms nog zo'n koning die ons zo'n prachtig voorstel wil doen?!

[11] Het kan best zijn dat uw regering het erg goed doet, als men zich daaraan eenmaal gewend heeft zoals de os aan zijn juk; maar nu? Dan zien we nog liever tien steden boven onze hoofden afbranden en twintig Marcussen heerser over ons worden! Het ga u goed, wijze koning van het ijsgrauwe Noorden!"
18 De rechtsstrijd tussen Cyrenius en Roclus
[1] Daarop wendt ROCLUS zich weer tot Cyrenius en zegt: 'Heer, heer, heer, waar is Marcus, die nu onze heer en gebieder is, dan kunnen wij hem onze eerbied betuigen!"

[2] CYRENIUS zegt: 'Dat heeft zo'n haast niet; want met een eerbetoon vol lege woorden is hij niet gediend, en andere schatten heeft hij niet nodig, omdat hij daarvan al meer dan genoeg heeft.

[3] De beste huldiging voor hem zal zijn, dat jullie altijd eerlijk en openhartig bij hem komen en hem jullie wensen voorleggen; dan zal hij jullie aanhoren en volledig recht doen! Iedere leugen echter, die hij door zijn scherpzinnigheid onmiddellijk ontdekt, zal hij zeer streng en onver­biddelijk straffen! Want het is de uitdrukkelijke wil van de keizer en ook van mij, om leugen en bedrog uit het hele rijk te verbannen en slechts de zuivere waarheid, gepaard aan een even zuivere en onbaatzuchtige liefde, te laten heersen over alle mensen die wijd en zijd tot Rome behoren; want alleen onder de scepter van de waarheid en de liefde kunnen volkeren waarlijk gelukkig leven. En wie zal zeggen of ik geen lust heb om de zeer wijze regeringsbeginselen van de noordse koning ook in het Romeinse rijk in te voeren; want ik vind dat ze voor de ware verbroedering van de mensen binnen een groot rijk uitermate wijs en doelmatig zijn.

[4] Door zulke wijze beperkingen moeten binnen een staat waarheid en liefde tot een tweede, waarachtige en betere natuur voor de mensen worden! Want naar mijn huidige inzicht begunstigt niets zo sterk leugen, bedrog en zelfzucht als onbeperkte bezitvorming. Een wijze beperking van deze ware vader van leugen, bedrog en zelfzucht, hoogmoed, heerszucht en gierige meedogenloosheid is werkelijk met geen goud te betalen en ik zal deze opvatting binnenkort ter toetsing aan de keizer toesturen. Maar intussen zal ik in ieder geval in het regeringsgebied waar ik absolute macht bezit deze noordse regeringswijze zo snel mogelijk invoeren; want wer­kelijk, zij is zo wijs alsof een God die gegeven heeft!'

[5] ROCLUS zegt: 'Dom is zij zeker niet, omdat zij reeds, al is het bij benadering, al enkele eeuwen bestaat; maar haar hier nu willen invoeren, in deze aan allerlei vorsten en viervorsten verpachte landen, dat zal niet zo gemakkelijk gaan. Met absolute macht kan men weliswaar veel tot stand brengen, maar toch bij lange na niet alles, omdat een keizer toch ook de verdragen die hij gesloten heeft met vorsten, die ook niet helemaal machteloos zijn, niet van vandaag op morgen ongedaan kan maken. Hij moet deze als een recht, dat van hemzelf uitgaat en door hemzelf is vastgesteld, zo lang respecteren tot de daarvoor afgesproken tijdsduur voorbij is, of tot de deelnemers aan het verdrag de afgesproken verplich­tingen kwaadwillig of door onmacht niet gehouden hebben, wat afhanke­lijk van het gemaakte en gesloten verdrag tot hele of gedeeltelijke opheffing daarvan leidt! Zolang de keizer echter de landen aan bepaalde vorsten verpacht en zij in hun landen ook het recht hebben voor hun onderdanen wetten uit te vaardigen, omdat zij daar duur genoeg voor betalen, zolang moet de keizer het vastgestelde recht ook respecteren. Wij allen leven wel in een bepaald opzicht onder Romeinse wetten wanneer wij ons schuldig maken aan een misdaad tegen de staat, wat bij ons echt niet het geval is; maar voor al het andere staan wij onder de wetten van een op dit ogenblik heersende pachtvorst, die ons tijdens de overeengekomen pachttijd tegen willekeurige inmenging van de keizer volledig moet beschermen.

[6] Weet u, eerbiedwaardige heer, heer, heer, wij kennen precies ons standpunt en hebben in dit geval geen commentaar nodig! Wij kennen onze verplichtingen ten aanzien van Rome en die ten aanzien van onze vorsten. Eer wij ons recht bij u zoeken, gaan wij naar onze vorst. Verwijst hij ons naar Rome, dan gaan wij pas naar u. Daarom geloven wij, dat het u voorshands misschien toch niet zo gemakkelijk zou vallen om hier in heel Palestina de wijze regeringsnorm van de noordse koning in te voeren!"

[7] CYRENIUS die nu wat verhit raakt, zegt: 'Je hebt weliswaar eensdeels gelijk dat afspraken gehouden moeten worden; maar aan één ding heb je niet gedacht, namelijk dat de keizer zich wijselijk steeds in ieder pachtcontract van een land de onvoorwaardelijke, ogenblikkelijke ontbinding daarvan heeft voorbehouden, wanneer hij dat nodig mocht achten in verband met de regering. De pachter kan in dat geval alleen de keizer om een eenjarige vergoeding smeken en de keizer heeft, vanaf het ogenblik van de bekendmaking van zijn wil, het bestuur over het voorheen verpachte land en iedereen moet zich naar zijn wetten voegen. Wel heeft de pachter het hem genadiglijk verleende recht om aan de keizer voor te stellen dat, wanneer de pacht hem gelaten wordt, hij zich alle recht ontzegt wetten uit te vaardigen, maar dat hij geheel volgens het gegeven keizerlijk decreet zijn regering voort zal zetten, waarop de keizer dan natuurlijk, als hij dat wil, zijn pachtverdrag weer geldig verklaart; maar dwang is daarbij ondenkbaar, wel de zuivere, vrije genade van de alleenheerser.

[8] Voor Palestina heb zelfs ik dezelfde volmachten ten opzichte van iedere pachter en kan iedere pacht ogenblikkelijk helemaal ontbinden! Je vergist je dus deerlijk als je denkt dat een keizer op enigerlei wijze afstand zou doen van een recht, en zichzelf de handen zou binden. O, zo wijs is beslist iedere vorst dat hij niemand een recht geeft, dat wil zeggen binnen zijn rijk, dat hij naar omstandigheden niet enkel door zijn woord al in het volgende moment helemaal zou kunnen opheffen!

[9] Een keizer kan alles wat hij wil ten uitvoer brengen! Alleen wonderen kan hij natuurlijk niet tot stand brengen en hij kan geen wereld scheppen; maar verder kan hij wel alles tot stand brengen, oude wetten verwerpen en nieuwe daarvoor in de plaats geven, -ja, hij kan zelfs de oude goden en hun vele tempels verwoesten en in plaats daarvan voor de ene ware God een nieuwe, buitengewoon prachtige tempel bouwen, en niemand zal tegen hem mogen zeggen: 'Heer, heer, heer, wat doet u?!' En daarom kan hij reeds morgen de wetten van de wijze koning in zijn hele rijk laten proclameren. Wie zal zich daar tegen willen en kunnen verzetten zonder dat de toom van de machtige keizer hem zou treffen?'

1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   53


Dovnload 2.11 Mb.