Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Uitgeverij de ster, ginnekenweg 124, 4818 jk breda

Dovnload 2.11 Mb.

Uitgeverij de ster, ginnekenweg 124, 4818 jk breda



Pagina50/53
Datum28.10.2017
Grootte2.11 Mb.

Dovnload 2.11 Mb.
1   ...   45   46   47   48   49   50   51   52   53

Ev. Matth.19, 10-12

[1] MIJN LEERLINGEN kwamen daarentegen naar Mij toe en zeiden: "Heer, als het er wat betreft de zaak tussen een man en een vrouw zo voorstaat, dan is het werkelijk niet goed om te huwen! (Matth. 19, 10) Want soms zijn vrouwen immers ware hellevegen tegenover hun man, en daarom denken wij dat het wat Uw orde betreft toch niet zo heel erg onpassend zou zijn om zich van zo'n vrouw te laten scheiden en vanwege het huishouden naar de hand te dingen van een andere vrouw. Want krijgt een man een slechte, ontuchtige vrouw, dan is er in zo'n huis toch altijd ruzie en twist en vallen er veel boze woorden, wat in het huis zelf en bij de buren altijd ergernis moet opwekken. Maar als zo'n man zich van zo'n vrouw laat scheiden, zal er spoedig volledige rust in zo'n huis heersen. En in dit geval zijn wij toch wel van mening, dat de scheidbrief van Mozes voor ieder menselijk gezond verstand volledig gerechtvaardigd is."

[2] Hierop zei IK tegen de enigszins verlegen leerlingen: 'Niet allen vatten dit woord (dat voor de Farizeeën gesproken werd), maar alleen diegenen aan wie het gegeven is om het te begrijpen (Matth. 19,11), en tot nog toe hebben jullie het ook niet begrepen, ofschoon het jullie gegeven is het te vatten; maar desondanks moeten jullie het begrijpen en dat zullen jullie ook!

[3] Ten eerste verwijs Ik jullie naar hetgeen Ik je over dit onderwerp reeds meerdere malen gezegd heb, en dat op uitputtende wijze.

[4] Ten tweede spreekt het vanzelf dat Ik jullie door Mozes nooit een scheidbrief gegeven zou hebben als Ik hiervan niet in sommige gevallen, die wel met redenen te omkleden zijn, de noodzaak had ingezien. Maar weten jullie dan niet wat voor een verderfelijk misbruik de Farizeeën in deze tijd en ook reeds lang daarvoor met echtscheidingen begaan?! Zijzelf stichten heimelijk allerlei onvrede in een overigens goed huwelijk en brengen het tenslotte zover, dat de echtelieden zich moeten laten scheiden. Wel, de echtscheiding wordt door de priesters voltrokken en kost veel geld, en dat is precies de reden waarom er in deze tijd zoveel echtschei­dingen voorkomen en waarom Ik in dit opzicht de Farizeeën Gods oerwetten voor ogen heb gehouden. Mijn macht kennen ze en daarom zijn ze ook met heimelijke boosheid verdwenen.

[5] En ten derde zeg Ik jullie nog iets, en luister daar goed naar en teken het zelfs op! Zie, er zijn onder de mensen van beiderlei kunne sommigen die reeds vanaf de moederschoot onvruchtbaar zijn, anderen, maar alleen mannen, die door mensen om wat voor reden dan ook ontmand zijn, en tenslotte zijn er mannen die zichzelf omwille van het hemelrijk ontmand hebben! Wie dat begrijpen kan, begrijpe het! (Matth. 19,12)

[6] Kortom, deze zijn niet meer geschikt voor een huwelijk, en ieder met zulke ontmande mannen gesloten huwelijk is volledig ongeldig en kan zonder enig bezwaar geheel gescheiden worden, en degene die niet onvruchtbaar is gemaakt kan zonder echtbreuk te plegen opnieuw trou­wen.

[7] Maar is iemands vrouw onvruchtbaar, dan kan hij met de juiste instelling datgene doen wat de oude vaderen gedaan hebben om nazaat te verwek­ken en hij zal daarvoor niet voor het gerecht gedaagd worden. - Ik denk dat jullie het nu eindelijk begrepen zullen hebben"

[8] PETRUS zei: 'Op één ding na wel; maar wanneer iemand een vrouw heeft die puur uit aangeboren geilheid ondanks alle vermaningen en liefdevolle terechtwijzingen toch steeds hoererij bedrijft en dus totaal onverbeterlijk is, moet men zich van zo'n vrouw dan ook niet laten scheiden? Of wat is dan volgens Uw wil juist om te doen?"

[9] IK zei: 'Je kunt je van zo'n vrouw die duidelijk echtbreuk pleegt zonder meer laten scheiden, - maar zolang ze leeft mag je geen andere vrouw huwen! Want je kunt niet weten of je vrouw zich in de toekomst niet bekeert en vol berouw terugkeert naar je huis, zodat je dan een trouwe vrouw hebt die haar leven gebeterd heeft. Heb je echter in die tussentijd een andere vrouw gehuwd, en je vroegere vrouw die zich heeft gebeterd zou dan vol berouw bij je terugkomen, dan zou je haar vanwege je nieuwe vrouw niet meer kunnen aannemen, en zie, dat zou immers toch iets slechts zijn voor jou en nog slechter voor jouw nu beide vrouwen; want de eerste zou je geen barmhartigheid kunnen schenken en van de laatste zou je niet kunnen scheiden, en toch moet je zo barmhartig zijn als je Vader in de hemel barmhartig is. Maar als je de barmhartigheid niet kunt beoefenen, wat ben je dan en wat wil je dan doen om in Mijn orde te blijven? Heb je echter aandrang en veel natuur, kijk dan terug naar de oude vaderen; maar wees in je hart God trouwen hoed je voor geilheid, ontucht en hoererij!

Want zij die hoererij en echtbreuk plegen zullen Gods rijk niet binnengaan. - Heb je dat nu goed begrepen?"

[10] PETRUS zei: 'Ja Heer, nu is ook dat me duidelijk!"


257 De Heer zegent de kinderen

Ev. Matth. 19, 13-15
[1] Nu kwam onmiddellijk DE WAARD naar me toe en zei: 'Heer, geldt dat ook voor ons heidenen?"

[2] IK zei: 'Jazeker! Want er is slechts één God en Heer; Hij wil alle mensen gelijk opgevoed hebben, en Ik ben naar deze wereld gekomen om ook de heidenen de poort naar het licht en het leven te openen. En ooit zal de tijd aanbreken, en het is eigenlijk al zover, dat het licht van de joden genomen en aan de heidenen gegeven zal worden"

[3] Toen sprak DE WAARD: 'Heel goed, Heer en Meester, het is goed dat ik dat nu weet; ik zal mijn mensen ertoe aansporen dat ze bij Uw leer blijven en ernaar zullen handelen. Want ik heb nu door met wie ik te maken heb! U bent een God en geen mens; want Uw daden zijn nog nooit door een mens verricht, en woorden zoals U ze hebt gesproken zijn ook nog nooit uit de mond van een mens gekomen. Dit alles is slechts een God mogelijk!

[4] Maar nu heb ik nog een verzoek aan U, die nu een ware God voor mij bent geworden. Zie, wij hebben in deze plaats een groot aantal kinderen en ik denk dat wanneer U hen zegent op Uw waarlijk almachtige wijze ­dit later voor hen als volwassenen van groot zedelijk nut zal zijn! Heer, en -ik zeg -mijn God, heb ik een juiste wens aan U gericht?"

[5] IK zei: "Wel, ga dan en laat de kleinen tot Mij komen!"

[6] Hierop zond de waard snel zijn vele dienaren door de hele plaats om allen te verkondigen dat ze hun kinderen bij hem moesten brengen, waar de wonderbaarlijke Heiland hen zou zegenen en sterken.

[7] Kort daarna werd er een groot aantal kinderen bij Mij gebracht, opdat Ik hen de handen zou opleggen en het zegen gebed over hen zou uitspre­ken.

[8] Daar de kinderen drongen om bij Mij te komen, omdat enkele levendige kinderen het eerst bij Mij wilden zijn, spraken de leerlingen hen op barse toon toe vanwege hun onfatsoenlijke dringen en wezen ze terecht. (Matth. 19,13) Toen werden de kleintjes schuchter en durfden niet meer bij Mij te komen.

[9] Maar IK vermaande de leerlingen en zei tegen hen: 'Ach, laat deze kleintjes toch; want hun behoort het hemelrijk!" (Matth. 19,14)

[10] Daarop moedigde Ik de kleintjes aan om zonder angst en schuwheid bij Me te komen. Toen kregen ze weer moed en snelden naar Mij toe. Ik legde hun allen Mijn handen op en zegende hen.

[11] Nadat deze handeling was voltrokken, ging iedereen na bedankt te hebben weer naar huis. (Matth. 19,15)

[12] DE WAARD kwam nogmaals naar Me toe en zei: "Heer en Mijn God! Zou U mijn huis de grote genade willen bewijzen om nog enkele dagen­weken of maanden hier te verblijven?"

[13] IK zei: 'Zolang je je aan de leer houdt die je van Mijn leerlingen hebt vernomen, zal Hij die je in Mij God noemde, bij je verblijven; maar wanneer je deze nieuwe leer verlaat in je geloof en je handelen ernaar, zal ook jouw God je verlaten. Maar Ik, die nu ook nog wat betreft Mijn lichaam een mens ben, moet nu spoedig van hier vertrekken; want met Farizeeën onder één dak te wonen zou niet bijzonder goed zijn -noch voor de ene, noch voor de andere partij.

[14] Ik heb nu ongevraagd jouw huis en deze hele plaats zeker een grote weldaad bewezen! Gedenk deze dag, en als jullie weer door een of andere nood bedrukt worden, roep Me dan vol vertrouwen in je hart, dan zullen jullie geholpen worden!"

[15] Hierop stonden we snel op en trokken weg uit deze plaats.
258 De rijke jongeling

Ev. Matth. 19,16-26
[1] Toen we een klein uurtje verwijderd waren van de plaats die we hadden bezocht, kwam ons een jonge man uit dezelfde plaats onderweg tegemoet. Hij was de dag tevoren ook getuige geweest van Mijn daden en lessen en was bovendien voor zijn jeugdige leeftijd zelfs een zeer bekwame schriftge­leerde, maar niet van beroep. Toen hij mij zag en herkende, kwam hij op Me af en vroeg Me of het hem toegestaan was een vraag tot Mij te richten.

[2] Ik stond het hem toe en HIJ zei: 'Goede meester, wat moet ik allemaal voor goeds doen om dat eeuwige leven, waarover uw leerlingen gisteren bij de Griekse waard Rauris zoveel wonderbaarlijke heerlijkheden vertel­den die zeker hoge waarheden bevatten, langs een kortere weg te bereiken dan die welke uw leerlingen aangaven?" (Matth. 19,16)

[3] IK keek hem ernstig aan en zei tegen hem: 'Hoe kun jij Mij, daar Ik jou slechts als mens bekend ben, goed noemen, terwijl je een schriftgeleer­de bent? "Weet je dan niet dat behalve God niemand goed is? -Maar als je het eeuwige leven wilt binnengaan, houd je dan aan de geboden!" (Matth. 19,17)

[4] DE MAN vroeg verder en zei: 'Welke geboden dan?"­ Hij stelde deze vraag, omdat hij dacht dat Ik hiervoor geheel nieuwe en totaal onbekende wetten had.

[5] Maar IK zei tegen hem: 'Die, welke Mozes heeft gegeven, zoals: Gij zult niet doden; gij zult geen echtbreuk plegen; gij zult niet stelen; gij zult geen vals getuigenis afleggen! (Matth. 19, 18) Eer uw vader en moeder; en: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf!" (Matth. 19,19)

[6] Hierop vroeg DE JONGELING: 'Wie moet of kan ik echter als mijn naaste beschouwen?"

[7] Daarop vertelde IK hem de bekende gelijkenis van de barmhartige Samaritaan, en hij begreep nu wie hij als zijn naaste moest beschouwen.

[8] En toen hij dit van Mij vernomen en ook ingezien had zei HIJ: 'Als dat zo is, geef ik u de volle verzekering dat ik dit allemaal reeds vanaf mijn jongensjaren heb gedaan! Wat mankeert er nog aan mij?" (Matth. 19,20)

[9] En ik antwoordde hem: 'Als je geheel volmaakt wilt zijn, ga dan heen en verkoop al je aardse goederen en verdeel ze onder de armen, dan zul je hiermee een schat in de hemel verzamelen! Kom dan en volg Mij, word Mijn leerling en leer van Mij de geheimen van het hemelrijk kennen!" (Matth. 19,21)

[10] Toen de jonge man dit van Mij gehoord had werd hij treurig, omdat hij vele en grote bezittingen had, keerde Mij de rug toe en vervolgde zijn weg. (Matth. 19,22)

[11] Dat verwonderde DE LEERLINGEN en ze zeiden: 'Dat is toch wel vreemd! De man leek er zich goed van bewust te zijn dat uit U een goddelijke geest spreekt; maar vanwege zijn ijdele, wereldse schatten keerde hij de almachtige, goddelijke geest liever de rug toe dan dat hij gevolg gaf aan Zijn oproep! Merkwaardig, buitengewoon vreemd! Wat moet dat ooit met zo iemand worden?"

[12] IK zei: 'Een rijke zoals deze zal moeilijk in het hemelrijk komen!



(Matth. 19,23) Let op wat Ik jullie nog verder zeg! Waarlijk, het is voor een kameel gemakkelijker om door het oog van een naald te gaan, dan dat zo'n rijke in Gods rijk komt!" (Matth. 19,24)

[13] Maar toen DE LEERLINGEN dit onderweg van Mij vernamen, schrokken ze zeer en zeiden: 'O jee, o wee, -als dat zo is, wie kan er dan in het hemelrijk komen en zalig worden?!' (Matth. 19,25)

[14] Maar IK keek de zeer verlegen geworden leerlingen vriendelijk aan en troostte hen door te zeggen: 'Bij de mensen zou zoiets inderdaad onmogelijk zijn, maar bij God zijn alle dingen mogelijk!

[15] Omdat Ik bij Aziona, de visser, reeds uitvoerig over dit onderwerp gesproken heb, namelijk hoe het mogelijk is dat zielen van nog slechtere mensen langs Gods geheime wegen nog zalig kunnen worden, zou het hier totaaloverbodig zijn om daar nog meer over te zeggen. Jullie zullen daar toch nog wel iets van weten?"


259 De leerlingen vragen naar het hemelse loon

Ev. Matth. 19,27-30
[1] PETRUS zei: 'O ja, dat staat mij en zeker ook alle anderen nog zeer goed voor de geest! Maar ik neem hier de vrijheid om U in naam van allen te vragen, wat ons later te wachten staat vanwege het feit dat wij alles hebben verlaten en U trouw zijn gevolgd?" (Matth. 19,27)

[2] Daarop antwoordde IK: 'Waarlijk, Ik zeg jullie die Mij zijn nagevolgd: Als jullie geheel wedergeboren zijn wanneer Ik zal zijn opgestaan en op de stoel van Mijn eeuwige heerlijkheid zal zitten, zullen ook jullie naast Mij eveneens op twaalf stoelen zitten en de twaalf stammen van Israël richten (Matth. 19,28), wat zoveel betekent, als dat jullie later in Mijn hemelen met Mij voor het eeuwige heil van alle mensen van deze aarde en ook van de andere werelden steeds zoals Ik bezig zullen zijn, en als beschermgeesten die voor de aardse mensen onzichtbaar zijn de mensen hier en ook nog aan gene zijde zullen bewaken, sturen en leiden! Want het ware hemelrijk en de groeiende zaligheid ervan bestaat enkel uit een steeds groeiende, ware liefdadigheid.

[3] En Ik voeg er nog aan toe: Wie zijn huis, broeders of zusters, vader of moeder, of zijn vrouwen kinderen, of zijn akkers, tuinen, weilanden en kudden verlaat omwille van Mijn naam, zal dit alles in Mijn rijk honderd­voudig terugkrijgen en daardoor het ware, eeuwige leven erven. (Matth. 19,29)

[4] En dit moeten jullie ook onthouden: Wie nu de eersten zijn kunnen daar heel gemakkelijk de laatsten zijn, en wie nu de laatsten zullen zijn, zijn daar gemakkelijk ook de eersten!" (Matth. 19,30)

[5] Dat begrepen de leerlingen niet en PETRUS vroeg: 'Wat moet dat betekenen, wat wilt U daarmee zeggen? Want wat U spreekt, geldt voor de hele eeuwigheid en wij willen alles wat uit Uw mond komt precies weten en begrijpen! Dit lijkt op ons te slaan, en het zou niet bepaald mooi zijn wanneer wij in het andere rijk de laatsten zouden zijn alleen omdat we hier de eersten waren!"

[6] IK zei: 'Mijn beste zoon Simon Juda, daarom zeker niet; maar wanneer iemand van jullie denkt dat hij beter is alleen omdat Ik hem het eerst heb uitverkoren, dan zou hij daardoor immers al in een hoogmoedswaan verkeren waarmee hij in het hemelrijk zeker nooit tot de eersten zou kunnen behoren. Iemand die Ik over meer dan duizend jaar zou hebben opgewekt en uitverkoren, zou wat de uitverkiezing betreft zeker een van de laatsten zijn; maar als hij in hoge mate deemoedig zou zijn in zijn roeping, zodat hij zichzelf steeds als de onwaardigste beschouwt voor die genade, maar desondanks toch trouwen volhardend zou zijn in zijn roeping, -ofschoon hij geen bewijzen zou hebben van de volledige echtheid ervan, maar het enkel en alleen met het geloof zou moeten stellen, -zou zo'n geroepene dan niet tot de eersten behoren in het hemelrijk?

[7] Ik zou deze opmerking niet gemaakt hebben, als jullie niet reeds hier gevraagd hadden naar het loon voor wat jullie nu voor Mij geloven te doen! Dat was ook niet zo mooi van jou, Simon Juda, en jullie allen, dat jullie nog naar een beloning informeerden, terwijl Ik jullie door het feit dat Ik jullie heb uitverkoren toch een grote weldaad zo~wel geestelijk als lichamelijk heb bewezen! Heb Ik jullie daarmee onrecht gedaan dat Ik jullie een kleine terechtwijzing gaf?"

[8] PETRUS zei: 'Helemaal niet, Heer en Meester; zoals ik het nu zie was deze veel te gering vergeleken met onze grote domheid! -Maar ik heb nu een andere vraag, en dat is: Waar wij nu naar toe gaan!"

[9] IK zei: 'We zullen een zeer verborgen plaats bezoeken en daar rust nemen; want we hebben tot nu toe hard gewerkt. Op ingespannen arbeid moet ook rust volgen; laten we daarom maar flink doorlopen, dan zullen wij deze verborgen plaats spoedig bereiken! Daar zullen jullie Mijn engelen waarachtig zien opstijgen en neerdalen; laten we dus maar flink doorlopen!"
260 De Heer bezoekt met Zijn leerlingen een plaats in het gebergte
[1] Na een paar uur lopen bereikten we de verborgen plaats, die zoals vele andere plaatsen geen naam had. Zowel joden als Grieken gaven hun bewoonde plaatsen vaak geen naam, zodat ze niet zo gemakkelijk gevon­den konden worden in verband met de belastingheffing door de Romeinen en de leenvorsten; want als zo'n plaats eenmaal was ontdekt, beschreven en van een naam was voorzien, was hij ook belastingplichtig.

[2] Maar er was ook nog een andere reden voor het feit dat kleine plaatsen daar vaak geen naam hadden en dat was de volgende: Om het koloniseren en cultiveren van de onherbergzame en woeste streken te vergemakkelij­ken en sneller te laten verlopen was het bij de Romeinen gebruikelijk, dat een nieuwe kolonisatie met de bijbehorende nieuw gebouwde plaatsen gedurende twintig, dertig, veertig tot vijftig jaar geen belasting hoefde te betalen, al naargelang een streek meer of minder tijd nodig had voor de volledige cultivering. Wel, dat de joden en Grieken, die nooit bijzonder goede vrienden van het betalen van belastingen waren, deze humane Romeinse wet zeer in hun voordeel wisten uit te buiten, zal zeker niemand ook maar enigszins betwijfelen. Daarom gaven ze een nieuw gebouwde plaats geen naam, en als een Romeinse commissaris hun er ooit naar zou vragen, zou de plaats pas tien jaar oud zijn, ook al had deze er al meer dan een halve eeuw op zitten. Nadat zo'n plaats dan door een commissaris bezichtigd was kreeg hij een nummer maar nog geen naam; pas vanaf dat moment werd de nieuwe plaats na het verstrijken van de wettelijke temlijn belastingplichtig en kreeg een naam.

[3] En zo was dus dit kleine plaatsje waar we zojuist aankwamen naamloos, en hoefde er dus ook nog geen belasting betaald te worden. Deze omstandigheid werkte ook vaak in ons voordeel; want de bewoners van zulke nieuwe of beter gezegd belastingvrije plaatsen waren veel vrijgeviger en toegankelijker. En zo was het ook hier weer het geval. We kwamen precies tijdens zonsondergang op de vooravond van de sabbat in dit waarlijk zeer verborgen plaatsje aan.

[4] De plaats lag hoog in de bergen in een dal dat echt vruchtbaar was en bijzonder geschikt voor veeteelt; maar het was maar van één kant toegan­kelijk en zelfs daar heel moeilijk. Mensen met hoogtevrees zouden het waarschijnlijk nauwelijks wagen om langs deze steile paden naar boven te gaan. Het dal zelf lag volgens de huidige meting meer dan vierduizend voet boven de zee, wat in Azië evenwel niet al te veel zegt, omdat daar nog veel hoger gelegen bewoonbare plaatsen waren en ook nu nog zijn.

[5] Toen we dus in deze plaats aankwamen zagen al gauw meerdere inwoners ons en ze riepen snel hun oudste en leider, om ons te vragen waarom we hierheen gekomen waren. De leider, een reeds grijs geworden jood, was terstond aanwezig, hij bekeek ons en vroeg toen wat wij hier van plan waren en wat ons ertoe had gebracht om naar deze van de hele wereld afgesloten en ontoegankelijke plaats te klimmen.

[6] En IK zei tegen hem: "Vrede zij met je en met deze hele, waarlijk niet onbelangrijke plaats. Gods rijk is nabij gekomen, wat jullie bescheiden en eenvoudige mensen tijdens de rust die Ik hier bij jullie wil nemen, nog ruimschoots zullen leren inzien! Maar voor dit moment vraag ik je of wij niet voor korte tijd onderdak bij je kunnen krijgen?"

[7] DE LEIDER sprak: 'Jullie zijn geen slechte mensen, dat heb ik op het eerste gezicht gezien; maar jullie zijn een soort avonturiers en dat geeft niets, daarom kunnen jullie wel onderdak krijgen in mijn woning. Maar jullie moeten mij heel veel vertellen over hoe het er nu in de wereld aan toe gaat; want ik ben nu al ongeveer twintig jaar lang niet naar beneden geweest, naar de zondige wereld en weet er dus weinig of helemaal niets van! Ook de bewoners van dit plaatsje gaan maar af en toe naar het in de buurt gelegen stadje of plaatsje Nahima, vanwege het zout dat wij hier niet hebben. Maar in Jeruzalem zijn we, ofschoon we overtuigde joden zijn, al in geen twintig jaar meer geweest. Want daar heerste toentertijd al niets anders dan leugen, bedrog, heerszucht en de stinkendste hoogmoed vanuit de tempel tot in alle lagen van het volk. Hoe zal het er nu dan wel niet uitzien?

[8] Als echte jood trok ik me daarom ook uit ware liefde tot God terug op deze plaats met nog enkele anderen die dezelfde instelling hadden als ik; zodoende stichtten wij hier een weliswaar vrije, maar zo zuiver mogelijke, God de enige Heer trouw toegewijde gemeente, en Hij heeft ons hiervoor al zeer rijkelijk gezegend.

[9] Jullie zijn ook joden en.zullen de tempel in Jeruzalem nog wel zeer hoog achten in verband met jullie zieleheil? Maar jullie zijn nooit schriftge­leerden en. dienaren van de tempel geweest en kunnen daarom ook helemaal met vermoeden wat voor een huiveringwekkend en elk beter menselijk gevoel tartend misbruik er binnen de muren van de tempel gemaakt wordt van de heiligste rechten van de mensen! Ik en verscheidene van mijn vrienden waren daar zeer verontwaardigd over! Wij gingen er vandoor en vonden dit dal, waar we meteen de nodige voeding voor ons lichaam vonden.

[10] In de loop der tijd bouwden we hier deze werkelijk aardige huizen en. we leven hier nu heel gemoedelijk en vreedzaam met elkaar en geven altijd alleen God de eer. Maar één ding moet ik jullie vragen, namelijk dat jullie ons tegenover niemand verraden wanneer jullie weer terugkeren naar de zondige wereld! Dan zijn jullie hier zeer welkome gasten. Laten we nu naar mijn huls gaan dat God de Heer nu zeker welgevalliger is dan de tempel van Salomo in Jeruzalem. In mijn huis bij een goede maaltijd zullen we nog veel bespreken en daar zullen jullie ons pas goed leren kennen!"


261 In het huis van het plaatselijk hoofd

De wonderbaarlijke wijn
[1] Wij gingen nu naar het werkelijk lieflijke en ruime huis in het dal en werden onmiddellijk bediend met brood, zout en verse melk. De leider verontschuldigde zich dat hij ons geen wijn kon aanbieden; maar hij had verscheidene zakken bosbessensap, dat niet minder goed smaakte dan wat voor Wijn ook. Als we deze wilden proeven, zou hij met groot genoegen een paar kruiken vol met dit sap voor ons op tafel laten zetten.

[2] Ik zei: 'Doe dat; wij willen je boswijn proeven! Als hij ons smaakt zullen wij je nog om een paar kruiken vragen.~'

[3] Toen ging onze gastheer naar zijn kelder en bracht ons een paar kruiken vol bosbessensap, dat geheel als wijn smaakte omdat het in feite ook wijn was; want het druifje, momenteel ook “Johannisdruifje" genoemd, hoort Immers ook tot de verschillende druivensoorten; de vrucht ervan is ongeveer de kleinste druivensoort. Kortom, we dronken deze boswijn met een beetje water vermengd heel graag, en het deed de heer des huizes veel plezier dat de wijn ons zo goed smaakte.

[4] Toen de beide kruiken leeg waren, wilde de waard ze meteen weer gaan bijvullen; maar IK zei tegen de nu reeds zeer spraakzaam geworden maker van de bosbessenwijn: 'luister, laat dat nu en vul de kruiken in plaats van met boswijn liever met heel fris water, dan zal Ik het water onmiddellijk in een allerbeste wijn veranderen!"

[5] Dat verbaasde DE WAARD uitermate en hij zei: 'Wel, ik ben werkelijk erg nieuwsgierig naar dit kunststuk!"

[6] De beide grote kruiken werden onmiddellijk, geheel met water gevuld, op de tafel gezet en de waard zei: 'Er staat nu op tafel wat u verlangd heeft, en laat ons nu zien, vriend, wat u kunt en waartoe u in staat bent!'

[7] En IK zei tegen hem: 'Neem een van beide kruiken in je hand en proef de inhoud!"

[8] De waard proefde de inhoud en was daarbij zo verrast, dat hij onmiddellijk al zijn huisgenoten bij elkaar riep en ieder liet proeven. Allen beweerden nog nooit zo'n buitengewoon goede wijn over hun tong te hebben gekregen. Maar nu wilde ook ieder weten hoe het in zijn werk ging, dat er uit het zuiverste water zo'n hemels goede wijn ontstond.

[9] DE W AARD zei tegen de vele vragenstellers: 'Ja, beste mensen, dat moeten jullie aan hem daar in het midden vragen! Voor mijzelf is dit het grootste raadsel! Zoiets is sinds mensenheugenis nog niet voorgekomen en het is absoluut ongehoord!'

[10] Nu richtte de waard zich tot Mij en zei: 'Meester der meesters in uw mij onbegrijpelijke, wonderbaarlijke kunst! Geef ons toch een beetje opheldering over hoe en op welke manier u dit mogelijk was! En kent u nog meer van die kunststukken?"

[11] IK zei: 'Beste vriend, op je eerste vraag kan Ik je op het moment geen antwoord geven; maar morgen zul je er wel vanzelf achterkomen! Maar op je tweede vraag kan Ik je zeggen, dat eigenlijk niets Mij onmogelijk is en dat Ik je enkel en alleen door de macht en kracht van Mijn wil talloze wonderdaden zou kunnen laten zien! Ben je het daarmee eens?"

[12] DE W AARD zei: 'U geeft wel hoog op van uzelf, terwijl u toch slechts een mens bent! Hebt u er niet aan gedacht dat alleen God almachtig is?! Als alle dingen u mogelijk waren zou u immers God Zelf moeten zijn, of u zou dat moeten bewerkstelligen met behulp van Beëlzebub, het hoofd van alle duivels, waarvoor u volgens mij een veel te eerlijk, vroom en open gezicht heeft, waarvan men kan zeggen: Kijk, dat is een waar evenbeeld van God!

[13] Ik wil echter helemaal niet doen alsof ik alles weet, en denk aan de tijd terug dat ik in Jeruzalem was en ook in andere steden, met name ooit in Damascus, waar ik een Indische magiër heb leren kennen, die ook met de grootst mogelijke overdrijving van zichzelf beweerde dat hem niets onmogelijk was. Hij heeft serieus dingen gepresteerd waarvan ik evenmin inzag hoe het mogelijk was, als van de manier waarop u nu het water in de beste wijn hebt veranderd. Maar het is altijd al zo geweest dat magiërs en kunstenaars hun vooral voor ons leken toch al wonderbaarlijke capaci­teiten overdreven; maar men ziet dat graag door de vingers, omdat ze eigenlijk toch wel buitengewone mensen zijn. Maar één ding zou ik vanavond van u, meester der meesters, toch nog willen zien!"

[14] IK zei: 'Zie, ieder mens oordeelt naar zijn verstand, en zo ook jij, en het zou helemaal niet aardig van Mij zijn daar iets tegenin te brengen! Als je tot een dieper inzicht zult komen, zul je ook anders oordelen; daarom praten we hier niet eerder over! Je hebt Me voor vandaag nog om een zogeheten kunststukje gevraagd, en dat wil Ik ook doen. Maar opdat je niet bij jezelf denkt dat Ik alleen maar kan uitvoeren wat Ik kan moet jij zeggen wat Ik voor je moet doen!"


1   ...   45   46   47   48   49   50   51   52   53


Dovnload 2.11 Mb.