Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Uitgeverij de ster, ginnekenweg 124, 4818 jk breda

Dovnload 2.11 Mb.

Uitgeverij de ster, ginnekenweg 124, 4818 jk breda



Pagina53/53
Datum28.10.2017
Grootte2.11 Mb.

Dovnload 2.11 Mb.
1   ...   45   46   47   48   49   50   51   52   53
273 De geldzucht van Judas Iskariot
[1] De leerlingen dankten Mij nu allen op die ene na, wat Thomas hem in stilte zeer kwalijk nam.

[2] En die ene (JUDAS ISKARIOT) zei: 'ik dank Hem in stilte voor alles wat ik ontvangen heb; maar jullie hebben volgens Zijn getuigenis meer ontvangen dan ik, - daarom is het nu toch ook terecht dat jullie de Heer danken voor wat je meer ontvangen hebt. jullie kunnen reeds allerlei wonderen verrichten; mij lukt er niet één, ook al geloof ik dat het me zal lukken - en jullie lukt al bijna alles! Voor wat ik derhalve nog niet ontvangen heb, kan ik niet bedanken, maar ik kan er alleen maar om vragen. Ik heb er weliswaar al heel vaak in stilte om gevraagd, maar tot nu toe behalve spijs, drank en leer nog steeds niets gekregen en daarom hoef ik alleen daarvoor te danken, -maar zeker niet voor de gave, wonderen te verrichten! Begrijp me, als je me wilt begrijpen!'

[3] Deze ene had dit weliswaar meer stilletjes voor zich uit gezegd, maar hij werd door de andere leerlingen en door Mij heel goed verstaan

[4] En IK zei tegen hem: 'Judas Iskariot, je hebt helemaal gelijk dat je Mij niet bedankt voor wat je niet in alle volheid hebt ontvangen zoals de andere leerlingen. Maar toen Ik jullie enkele maanden geleden eens voor Mij uitstuurde om in Galilea de mensen op Mij voor te bereiden, gaf Ik jou evengoed de macht om wonderen te verrichten als de anderen; maar geldzuchtig als je bent, begon je gewoon zaken te doen en liet je je met hoge bedragen duur betalen voor je verrichte wonderen. Daardoor heb je binnen enkele weken een grote som goud en zilver verworven, waar je met je hart aan hing. En omdat je hart alleen maar hing aan het meest waardeloze vuil van deze aarde, en aan de gave om wonderen te doen alleen maar omwille van het vuil, - omdat dit werkelijk het geval was bij jou, is om een wijze en goede reden deze gave je weer ontnomen, maar niet de leer, en zodoende is het ook jou wel mogelijk om de mensen te onderrichten over de komst van Gods rijk op aarde, wanneer je dat wilt; wil je dit echter niet, dan kun je het ook laten! Maar Ik ben van mening, dat wanneer je het niet erg vindt om te eten en te drinken, je het ook niet erg hoeft te vinden om een beetje te werken voor jezelf en voor Mij!"

[5] JUDAS ISKARIOT sprak zeer bedremmeld: 'Ach, dat doe ik immers ook heel graag, maar mijn broeders laten me het niet altijd doen, - ik wil geen ruzie maken en daarom ben ik dan maar weer rustig en zwijg!'

[6] IK zei: 'Ja, daar heb je alweer gelijk in, - maar alleen in zoverre, dat de broeders je pas niet verder willen laten prediken als je aan het eind van je preek onzuivere bedoelingen aan de dag begint te leggen. Laat dat dus voortaan, dan zul je ongehinderd kunnen en mogen prediken! Waarom doe je dat, om een aalmoes bedelen bij je toehoorders, terwijl bij Mij nog niemand van jullie ook maar één dag enige nood heeft geleden?! Doe het daarom zoals Ik het wil, dan zul je alles goed doen en zal niemand je ooit van de wijs brengen bij wat je doet! - Heb je Me goed begrepen?"

[7] JUDAS ISKARIOT zei: 'Ja, Heer en Meester, ik zal ook mijn best doen om aan Uw wil te voldoen! Maar laat me nu even naar buiten gaan; want ik houd het hier binnen gewoon niet uit!"

[8] Hierop stond hij snel op en ging naar buiten. Hij deed dit echter omdat hij zich verraden en beschaamd voelde.

[9] De waard vroeg Mij hoe het kwam, dat de leerling die naar buiten was gegaan nog niet zo volkomen was als de anderen.

[10] IK zei: 'Beste vriend, dat komt door zijn bij tijd en wijle opkomende eigenbelang! Van beroep is hij pottenbakker en hij heeft daarmee op de markten veel geld verdiend. Maar toen hij over Mij hoorde, kwam ook hij naar Mij toe, hoorde Mijn woorden en zag Mijn daden. Toen vroeg hij Mij of hij ook Mijn leerling mocht zijn. Ik stond hem dat toe en zo werd ook hij Mijn leerling. Maar hij is nog steeds wat hij was, een zakenman, en geld beschouwt hij als iets onontbeerlijks voor het aardse leven; daarom wil hij dan ook graag voor altijd en eigenlijk alleen maar voor zichzelf wonderen verrichten, en zich evenals de magiërs daarvoor laten betalen. Maar omdat dit nooit verenigd kan en mag worden met Mijn wonderen, verloor hij door eigen schuld dit vermogen dat hem reeds eigen was, en daarom is hij nu steeds heimelijk in zichzelf een beetje ontevreden.

Maar verder is hij van alles op de hoogte en hij is een goed spreker, en als hij iemand over Mij en Mijn zending uit de hemelen onderricht, hebben zijn woorden altijd een goede werking, en daarom is hij zoals de anderen een uit Mijn aanvankelijk tweeënzeventig leerlingen uitverkoren apostel. -Nu weet je volledig wie hij is en wat je aan hem hebt:'

[11] DE WAARD zei: 'O, dan moet hij altijd zeer gerespecteerd worden en ik zal nog vaak een gesprek met hem aangaan! Maar nu zou ik toch willen weten wat er van de andere zestig leerlingen is geworden! Hebben ze niet het plan en de wil kunnen opvatten om U, zoals deze twaalf, op alle wegen en paden te volgen, om zo nog veel te horen en te zien wat voor hen zeker van het grootste belang zou zijn geweest?"

[12] IK zei: 'Ze hebben zoveel gehoord en gezien, dat ze precies weten wat ze moeten doen om het eeuwige leven te bereiken, en meer hebben zij niet nodig. Zij wilden Mij vanwege hun huiselijke omstandigheden ook niet steeds en overal heen volgen en zo liet Ik hen voorlopig gaan; maar ze zullen wel weer terugkomen en Mij volgen op alle wegen en paden, ­want ze hebben Mijn woord aangenomen en leven en handelen er nu naar, en ze verlangen er nu al zeer sterk naar om zo vlug mogelijk weer bij Mij te komen. Het zijn voor het grootste deel Galileeërs, zoals Ik en Mijn twaalf belangrijkste leerlingen. - Nu weet je ook dit overeenkomstig de volste waarheid; en als je nog iets wilt weten, vraag het dan!"
274 Over de Essenen en hun wonderen
[1] DE WAARD zei: 'Ik zou U wel graag nog iets vragen; maar U moet er niet boos om worden!"

[2] IK zei: "Vraag, wat je wilt!"

[3] DE WAARD zei: 'Goed dan! Kijk, toen ik in de tempel nog een leviet was, gebeurde het een keer tijdens een missie vanwege achterstallige betaling van de tiende, dat ik een paar Essenen trof. Deze waren zeer vriendelijk en vertelden mij met de verzekering dat het absoluut waar was, dat er in hun tempel, die groter is dan die in Jeruzalem, de grootste wonderwerken verricht werden.

[4] Daar worden alle zieken genezen en zelfs mensen die gestorven zijn weer in het leven teruggeroepen. Zelfs de elementen en krachten van de gehele natuur hebben ze volledig in hun macht en de zon, de maan en alle sterren moeten gehoorzamen aan hun wil, en zo verschijnt de mens in en bij hen pas als een ware heerser over de natuur, zoals de oervader Adam dat in vroeger tijden was voordat hij gezondigd had. Het schijnt zo te zijn dat bij hen zelfs de bomen, het gras, de stenen, het water, de lucht en alle schepselen spreken en hun het getuigenis van de volste waarheid geven, en wanneer Ik het niet kon geloven moest ik maar met hen meegaan en mijzelf persoonlijk van dit alles overtuigen.

[5] Wel, de zaak die ik voor de tempel in orde moest maken had helemaal geen haast, want wat men bij ons in één week niet kan verrichten, kan men ook heel gemakkelijk zonder enige terechtwijzing in de derde week nog verrichten. Zodoende had ik tijd en gaf ik gevolg aan de vriendelijke uitnodiging van de beide Essenen. We kwamen met behulp van drie snelvoetige kamelen die het tweetal bij zich had spoedig ter plaatse aan, omdat de plaats waar ik die tiende moest incasseren niet zover af lag van de behuizing van de Essenen.

[6] Ik werd door de beiden al gauw voorgesteld aan hun overste, een uiterst vriendelijke man die mij met veelliefde ontving en ervoor zorgde dat ik niets tekort kwam. Zijn gastvrijheid liet werkelijk niets te wensen over! Ik bleef daar gedurende acht dagen en overtuigde mezelf van alles wat het tweetal mij van te voren had verteld, overeenkomstig de volste waarheid. Ik heb er vaak aan gedacht en zou zelf graag naar hen overgestapt zijn; maar ik werd niet aangenomen vanwege mijn jonge leeftijd, wat me werkelijk erg speet.

[7] Wel, ik zou nu graag van U horen wat U van dit instituut zegt. Want hun wonderdaden zijn helemaal gelijk aan die van U, zodat Ik nu stilletjes steeds de mening was toegedaan, dat U misschien ook een Esseen was. Want ook zij zeiden me dat uit hen de Wereld messias zou voortkomen­ Wilt U mij dit verduidelijken!"

[8] IK zei: 'Laat je niet verblinden door de Essenen;. want hun woorden zijn leugens, hun daden bedrog en hun vriendschap is je reinste huichelarij! Bij hen heiligt het doel het middel waardoor het wordt bereikt; ook al is dit op zichzelf nog zo miserabel en slecht, het wordt goed en geheiligd als er voor de mensheid maar een goed doel mee bereikt wordt. Ze doen voor de mensen natuurlijk alleen voor geld veel goeds in aards opzicht; maar het goede is niet goed, omdat het puur.bedrog; is.

[9] Want wanneer iemand daar reeds hier in dit leven achter zou komen, wat immers niet onmogelijk is in een tijd van verlichting, dan zou hij dubbel ongelukkig zijn - ten eerste omdat hij voor veel geld op de schandelijkste wijze voor de gek is gehouden, en ten tweede omdat hij ook nog moet zwijgen, opdat hem niets ergs wordt aangedaan.

[10] Want deze zo geprezen en in alle streken van de wereld buitengewoon gewilde Essenen hebben overal een groot aantal spionnen die zich in allerlei menselijke verschijningsvormen in vele landen bewegen. Door hen ver­nemen de hoogste leiders en bestuurders van het grote instituut alles wat er ergens aan bijzonders is en gebeurt. En daarom is het absoluut met raadzaam om tegen hen te velde te trekken, omdat ze dat vast en zeker snel te weten zouden komen en dan wraak zouden nemen op hun vijand.

[11] Hiermee moet je tevreden zijn, Barnabe! Meer hierover zullen ook Mijn leerlingen je bekendmaken. Een van Mijn leerlingen was zelfs korte tijd geleden nog een vooraanstaand Esseen; hij zal je hun wonderdaden het best kunnen beschrijven, en dan zul je zeer verbaasd staan over je blindheld van toen.

[12] Maar nu zullen we nog even naar buiten gaan en daar gaan genieten van de vele sterren die aan de hemel staan!"

[13] Daar waren allen het mee eens; we stonden op van onze tafels en banken en waren spoedig daarop buiten.
275 Een blik in de sterrenhemel
[1] Allen waren verbaasd over de geweldige pracht van de hemel en de waard vroeg Mij wat deze talloos vele, grote en kleine sterren toch waren. En Ik legde het hen net zo uit als Ik dat ook al bij andere soortgelijke gelegenheden gedaan heb; Ik deed hier zelfs nog meer.

[2] Nadat Ik bijna twee uur lang allen het noodzakelijkste hierover duidelijk had uitgelegd, en daardoor ongemerkt in hun gemoed de wens opkwam om zich nog veel duidelijker en diepgaander te overtuigen van de waarheid van het vertelde, bracht Ik hen allen, zonder dat ze konden vermoeden wat er met hen gebeurde, in een heldere, puur geestelijke toestand; en ze aanschouwden nu met een buitengewoon verheerlijkt gezicht de sterren en konden de ene na de andere bekijken alsof ze heel dichtbij waren.

[3] Er ontstond plotseling een groot gejubel, dat steeds heftiger geworden zou zijn als Ik het gezelschap nog langer in deze geestelijk gewekte toestand gelaten had; maar Ik riep hen allen weer terug in de natuurlijke toestand en niemand van hen begreep wat er met hem was gebeurd, dat hij zulke ongekend wonderbaarlijke dingen in de sterren had kunnen zien.

[4] Maar IK zei tegen hen: 'Jullie moeten er niet al te verwonderd over zijn! Ik heb door de macht van Mijn wil alleen maar jullie innerlijk geestelijk oog geopend en daardoor waren jullie dan ook in staat om deze verre werelden als van heel nabij te aanschouwen; want voor de geest bestaat er zo goed als geen aardse en dus ruimtelijke afstand. Maar denk daar nu thuis over na; dan zullen we er morgen nog het een en ander over zeggen! Ga nu naar huis en begeef je ter ruste, dan is de rust en het vieren van de sabbat hiermee beëindigd!"

[5] Hierop bedankten Mij allen en begaven zich naar hun woningen. Alleen de verre buur bleef gedurende de korte nacht bij ons. Ik ging met Mijn leerlingen ook rusten, en zo is er dus weer een sabbat met louter goede werken doorgebracht.

[6] De nacht ging snel voorbij en 's morgens vroeg waren reeds de meesten uit de buurt met hun vrouwen kinderen voor het huis van Barnabe bijeen en alle huisgenoten van Barnabe waren al druk in de weer om een goede ochtendmaaltijd klaar te maken.

[7] Ik ging met Mijn leerlingen dan ook spoedig naar buiten naar de wachtenden en Barnabe bracht Mij een werkelijk heerlijke ochtendgroet, zoals terloops ook Mijn leerlingen. Toen deden ook alle andere hier aanwezige buren hetzelfde en ze jubelden, dat ze Mij in hun midden hadden; ze konden er nog steeds niet over uit hoe ze gisteren de sterren­hemel aanschouwd hadden.

[8] Een van hen die in zijn geest helemaal op de oppervlakte van een verre planeet was geplaatst, en wel op Uranus, vroeg Mij of die vele en krachtige mensen die hij daar heel goed gezien had, al een soort zaligen waren. Hij had ze er tenminste voor aangezien; maar over één ding was hij wel verwonderd, namelijk dat hij hen nog veel ijveriger had zien werken dan zelfs de actiefste mensen op deze aarde. Vele zeer grote gebouwen had hij ook gezien en een groot aantal dat nog met alle ijver gebouwd werd. Nu vroeg hij zich af of de zaligen in het hemelrijk ook zoals de mensen hier op aarde hun huizen moesten bouwen.

[9] Toen zei IK tegen hem: 'Gedeeltelijk ook wel; maar de mensen die je op die wereld hebt gezien zijn nog lang geen geesten en derhalve ook geen zaligen, maar ze zijn voor die wereld even materiële mensen als jullie hier op deze planeet, alleen met het verschil dat alleen jullie, mensen van de aarde, ertoe geroepen zijn om Gods kinderen te worden, terwijl dat met alle andere mensen op de talloze myriaden hemellichamen over het algemeen niet het geval is, ofschoon ze er niet helemaal van buitengesloten zijn. Maar daar is er veel meer voor nodig dan hier op deze aarde, die er al van meet af aan voor bestemd werd.

[10] Wel was er nog een heel grote aarde die het licht van deze zon ontving. "Die had dezelfde bestemming, maar de bewoners ervan hadden hun grenzen enorm overschreden en daarom gebeurde het, dat er een heel groot gericht over hen kwam zoals dat ook een keer met deze aarde gebeurd is, die er toen niet veel beter aan toe was. Die aarde werd geheel verwoest en vernietigd en met haar ook haar bewoners die mateloos trots en zondig waren geworden.

[11] Meer hierover kunnen jullie van Mijn leerlingen vernemen; als jullie getrouw blijven handelen volgens Mijn leer, zal jullie dat alles in de loop der tijd door je geest getoond worden wanneer deze één wordt met je ziel; hij zal jullie dan in alle wonderbaarlijke waarheden binnenleiden. "

[ 12] T oen waren allen weer verbaasd over Mijn alwetendheid, en dankten, loofden en prezen Mij ervoor dat Ik hen Mijn bezoek waardig had geacht.

[13] Nu kwam ook Eliza heel opgewekt aanlopen; zij had het ijverigst meegewerkt aan de bereiding van het ochtendmaal en nodigde ons daar nu voor uit. De buren verontschuldigden zich omdat ze thuis reeds hadden ontbeten.

[14] Maar BARNABE zei: 'Dat maakt nu helemaal niets uit! Er is op iedereen gerekend, evenals gisteren bij het avondmaal, laat ze daarom welgemoed aan de tafels plaats nemen!"

[15] Daarop ging iedereen weer naar binnen en men nam het morgenmaal vrolijk tot zich. Na de maaltijd kregen de leerlingen veel te doen; want de mensen uit de buurt begonnen hun vragen te stellen over de Essenen, en van het een kwam het ander. Het stellen van de vragen en het uitleggen ervan duurde bijna tot de avond en er werd geen middagmaal genoten, behalve wat brood en wijn. Bij deze gelegenheid gaven enkele leerlingen ook blijk van hun vermogen om wonderen te doen, wat de mensen uit de buurt buitengewoon verbaasde en hen des te serieuzer het plan deed opvatten om nauwgezet volgens de vernomen leer te gaan handelen.

[16] Ik was steeds met onze Barnabe bezig, bij welke gelegenheid hij ook gewag maakte van de twee wonderen die Ik als twaalfjarige jongen in de tempel had verricht en dat deze wonderen weliswaar een enorme indruk op hem hadden gemaakt, maar dat hij desondanks toch steeds van mening was gebleven dat Ik van de school der Essenen was; nu zag hij echter dat juist het tegendeel het geval was en hij besefte nu volkomen, dat Ik inderdaad Degene was waarvoor Ik Mijzelf destijds in de tempel had uitgegeven. Kortom, de hele gemeente en ook Barnabe waren nu gewon­nen en er bleef heel veel tijd over om over verschillende dingen te praten; en zo werd het ook al spoedig avond, waarbij het natuurlijk niet ontbrak aan een avondmaaltijd.


276 De Heer neemt afscheid van het dorp in de bergen
[1] De volgende dag gingen we naar de ver weg wonende buur en daar brachten we de hele dag alsook de hele nacht door. Hier gebeurde het dat Ik Mij en ook de andere gasten voor allen zichtbaar door de engelen van de hemel liet bedienen. Hun verwondering nam toen al helemaal geen einde meer en de bewoners hadden helemaal het gevoel alsof ze in de hemel waren. Ze spraken ook over velerlei dingen met deze zuivere hemelgeesten ,en loofden hun grote wijsheid en grote macht; want er werden in deze nacht vele wonderen verricht en wel ten behoeve van deze zeer brave bergbewoners.

[2] Een van de vele wonderen was ook, dat de verre buur een geheel nieuw en doelmatig huis kreeg en ook nog andere dingen in overvloed, ook etenswaren en wijnen van de beste soort. Zo werd voor alle bewoners ook voor een groot aantal nuttige huisdieren gezorgd en werden hun tuinen goed bebouwd; ook werden al hun woonhuizen goed gerepareerd en van bedrijfsgebouwen voorzien, voor ieder overeenkomstig zijn behoefte. Dat deze mensen hierdoor van pure verwondering en dankbaarheid gewoon­weg overvloeiden, behoeft natuurlijk geen nadere toelichting.

[3] 's Ochtends eindigde dit nachtelijk gebeuren en alle buren keerden aan Mijn zijde zeer blij, buitengewoon gesticht, en vol hoogste dankbaarheid naar huis terug, en allen bekeken vol zalige bewondering hun sterk verbeterde huizen, tuinen en akkers. Maar ondanks dit alles konden ze geen afscheid van Mij nemen en Ik moest nu eens in het ene, dan weer in het andere huis hun gast zijn samen met de leerlingen, waar dan steeds veel over allerlei toestanden in de wereld gesproken werd.

[4] En zo werd dit arme volkje dubbel geholpen, namelijk fysiek en moreel Maar toen de tijd dat Ik daar zou blijven verstreken was en.Ik erover begon dat Ik spoedig van hier zou vertrekken en naar een feest in Jeruzalem zou gaan, werden allen zeer bedroefd en Barnabe vroeg Mij hoe het toch mogelijk was voor Mij om naar deze erg gedemoraliseerde, goddeloze stad te trekken.

[5] Toen zei IK: 'Vriend, waar de meeste zieken zijn, is ook de behoefte aan een arts het grootst'

[6] Op hun dringend verzoek bleef Ik toch nog enkele dagen daar en Ik heb hen nog over een aantal goede en nuttige dingen onderwezen alsook Mijn leerlingen, die het er ook niet bepaald helemaal mee eens waren dat Ik naar dit herfstfeest in Jeruzalem zou gaan.

[7] Maar IK zei tegen hen: 'Zo is de wil van de Vader en dan kan het nooit anders zijn!"

[8] Toen ze dit hoorden gaven ze toe en brachten er niets meer tegenin.

[9] Het was een dag vóór de sabbat dat we op weg gingen. Want we wilden op' de sabbat waarop het feest begon, in Jeruzalem aankomen en dus moesten we op de dag ervoor reeds de plaats verlaten waar we verscheiden weken rust hielden, om op sabbatmorgen in Jeruzalem te zijn; want van hieruit was het nog ruim een dag reizen daarheen.

.[10] Na de morgenmaaltijd zegende Ik de plaats en zijn bewoners en begaf Me op reis, door allen begeleid, door de nieuwe uitgang die tevoren nog door niemand was betreden. Bij de uitgang door de grot zei Ik Mijn begeleiders dat ze om moesten keren en beval hen nog één keer het volle geloof aan Mij en de liefde tot God aan. Ik zei hen ook nooit wankelmoedig te worden in het geloof, dan zou Ik verheerlijkt over een paar jaar weer bij hen komen en hun allen de kracht van Mijn geest verlenen. Hiervoor dankten allen Mij en vroegen Mij om hen niet te vergeten ook als Ik ver weg was.

[11] IK zei echter: 'Mijn dierbare vrienden! Vergeten bestaat met bij Mij; dat bestaat alleen bij mensen. Wie Mij niet vergeet, die vergeet ook Ik eeuwig niet. Blijf Mij daarom trouw zolang jullie in het vlees wonen, dan zal Ik jullie geven wat Ik je al meerdere malen verzekerd en zelfs getoond heb, het onvergankelijke, eeuwige leven in Mijn rijk. Amen!"

[12] Hierna ging Ik snel op weg, terwijl de begeleiders ons nog een uur lang nakeken en ons hun groeten en goede wensen nastuurden. .



[13] Toen keerden ze om, vol met de beste voornemens en vol goede wil; en tegelijk besloten ze, omdat ze nu zo goed van alles waren voorzien en het niet meer nodig was om vanwege het zout naar Nahim te gaan, ook deze in­ en uitgang zo te bedekken dat die door niemand meer ontdekt zou kunnen worden. En wat ze hadden besloten, voerden ze ook secuur met vereende krachten op deze dag, voor sabbat uit en waren zodoende geheel van iedereen afgesloten en leidden daar een streng leven geheel volgens Mijn leer.

Einde van het vijfde deel
1   ...   45   46   47   48   49   50   51   52   53


Dovnload 2.11 Mb.