Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Uitgeverij de ster, ginnekenweg 124, 4818 jk breda

Dovnload 2.11 Mb.

Uitgeverij de ster, ginnekenweg 124, 4818 jk breda



Pagina6/53
Datum28.10.2017
Grootte2.11 Mb.

Dovnload 2.11 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   53
19 De eigenlijke bedoeling van Roclus en zijn metgezellen
[1] ROCLUS zegt: "Ik zeg immers niet dat de wetten van de koning uit het Noorden onwijs of zelfs maar onrechtvaardig en gruwelijk zouden zijn; alleen voor mensen als wij zouden zij toch wel wat ongemakkelijk zijn! En ik meen daarom toch dat ik Rome, u en de oude Marcus geen oneer aandoe als ik heel stellig beweer, dat de huidige wetten van Rome mij veel liever zijn dan die van de noordse koning, die beslist niet onwijs zijn en wiens rijk volgens een oude sage zelfs tot aan het einde der wereld moet reiken en dus wel het grootste rijk van de aarde zal zijn. Of het hem echter mogelijk zal zijn, zijn wijze wetten aan alle volken van zijn uitgestrekte rijk ook maar te verkondigen, is een heel andere vraag! Geluk zij hem en zijn volken, als hij daartoe in staat zal zijn! -Maar sta mij nu toe dat ik nog een heel onschuldige opmerking maak; want nu ik eenmaal eerlijk moet zijn, ben ik graag heel eerlijk, en wars van alle achterbaksheid!

[2] U, eerbiedwaardige heer, heer, heer, heeft zoëven de opmerking gemaakt, dat een keizer geen wonderen zou kunnen doen en geen wereld zou kunnen scheppen; maar op z'n minst schijnt het mij toe dat dat niet helemaal zo is. Want dit prachtige, nieuwe huis van de oude Marcus, de grote tuinmuur, waaraan voor de bouw honderd van de beste metselaars minstens vijf jaar meer dan genoeg werk zouden hebben als je het uithouwen van de prachtige, rechthoekige granietblokken en de aanvoer daarvan meerekent, en dan ook nog het volledig cultiveren van zo'n grote tuin, en tenslotte, wat ik nu pas opmerk, het bouwen van een zeer grote, veilige haven en een aantal splinternieuwe grote zeilschepen, wat, zoals wij nauwkeurig vanaf een heuvel van de stad hebben waargenomen, allemaal als bij toverslag opeens kant en klaar aanwezig waren - ja, als dat geen wonder mag heten, dan doe ik afstand van alles wat bij mij mens heet en wil Ik een krokodil zijn!

[3] En omdat ik nu toch eenmaal zonder schipbreuk te lijden .dit weliswaar kleine, maar toch zeer netelige punt heb aangeroerd, moet Ik nu wel uit naam van mijn elf metgezellen eerlijk bekennen dat mijn hele eerdere, dwaze eis eigenlijk alleen maar een uitvlucht was om daardoor achter dit geheim te komen, en te weten te komen hoe zoiets mogelijk was! Want langs natuurlijke weg kon dat allemaal onmogelijk ontstaan! En.dus vertel ik u nu pas de waarheid dat de nieuwsgierigheid ons tegen wil en dank hierheen heeft gevoerd! Toen wij dat alles bliksemsnel zagen ontstaan, dachten wij allen eenstemmig: Daar moet of een god of een Indische, grote magiër aanwezig zijn, omdat zoiets met natuurlijke mensenkracht onmo­gelijk is uit te voeren! Wij besloten dan ook snel onder een of ander voorwendsel hierheen te gaan om achter het wonder en de meester van dat wonder te komen.

[4] Die hele rechtsaangelegenheid waar wij mee aankwamen is van nul en generlei waarde, en enkel een voorwendsel om een aanknopingspunt te hebben dat ons in de buurt brengt van het ontstane wonder. En kijk, de uitvlucht was goed, omdat wij toch bij de eigenlijke oorzaak van onze komst terechtkwamen! Wij verzoeken u daarom nu dringend om ons daarover opheldering te verschaffen, - koste wat kost! Wij willen niet alleen niets van de goede, rechtschapen, oude Marcus afnemen, maar verplichten ons nog bovendien voor hem het andere, nog braakliggende stuk grond op onze kosten - ook al moeten wij daarvoor de grond uit Europa hierheen laten komen! - zo goed mogelijk te cultiveren; maar gun ons alstublieft een blik achter het geheim van dit wonder'

[5] CYRENIUS zegt: 'Ja, dat geeft de zaak natuurlijk een heel ander aanzien, en daarmee zullen jullie duidelijk meer vooruitgang boeken dan met jullie eerdere, zeer onrechtvaardige eis, waarmee jullie bij mij heus slecht aan je trekken gekomen zouden zijn!"

[6] ROCLUS zegt snel: 'Ik wist dat, en door veel ervaring wijs geworden wisten wij dat allemaal heel goed! U bent nu al ruim dertig jaar onze rechtvaardige en tevens goedhartige heerser en wij kennen u en al uw zwakke kanten. Men moet u vooraf altijd een beetje boos maken als men iets buitengewoons van u te weten wil komen en zo ging het hier ook, hetgeen u ons zeker vanwege de goede zaak graag zult vergeven!"

[7] CYRENIUS zegt: 'Ja, maar waarop baseer je dan je bewering, dat dit alles op wonderbare wijze ontstaan zou zijn? Je hebt vandaag wel ontdekt dat het klaar was, maar je hebt zeven dagen lang er waarschijnlijk weinig of ook helemaal niet op gelet hoe mijn soldaten en krijgers daaraan gewerkt hebben!"

[8] ROCLUS zegt: 'Heer, heer, heer, laten we dat voor wat het is! Sinds u zich, zoals iedereen weet, temidden van een aanzienlijke krijgsmacht hier ophoudt, hebben wij onze heuvel vrijwel dag en nacht niet verlaten om van veraf te ontdekken wat er eventueel allemaal van hieruit door u Romeinen ondernomen mocht worden. Vandaag zorgde de wonderlijk heerlijke morgen er voor dat wij nog vroeger bij de hand waren. Onze blikken waren natuurlijk voortdurend op deze omgeving gericht. Tot een klein uur geleden zagen wij niets dan wat er, sinds wij deze streek kennen, te zien was; maar zoals gezegd, een klein uur geleden ontstonden hier huis, tuin, haven en schepen alsof ze zo maar uit de hemel vielen! -En dat zou geen wonder zijn?!

[9] Wij hebben toch drie uur geleden dat hele legioen Moren, of hoeveel dat er maar waren, hierheen zien gaan en wij hebben ook opgemerkt dat u vanmorgen van de berg bent afgedaald; want wij hebben tamelijk scherpe ogen! Dit is dus ontegenzeggelijk een buitengewoon groot wonder, en daarom zouden wij graag slechts een heel klein beetje uitleg willen hebben over hoe en door wie dat tot stand is gebracht! "

[10] CYRENIUS zegt: 'Nu vooruit dan, - als jij het beter weet dan ik, laat het dan maar een wonder blijven! Maar het 'hoe' en 'door wie' hoef je helemaal niet te weten; want daartoe is meer nodig dan alleen maar haastig hierheen te komen en op slimme wijze achter zo'n geheim te gluren!

[11] Als een verstandig staatsman meteen aan de hele wereld zijn speciale geheimen zou verklappen, zou hij met zijn politiek drommels weinig bereiken en zijn onderdanen zouden hem maar al te gauw rechts en links bij de neus nemen! Maar omdat een staatsman hoofdzakelijk door politiek zijn rijk en zijn onderdanen moet regeren, omdat ieder op zichzelf niet in staat is het algemene welzijn van staat en volk te onderkennen, zouden de verschillende maatschappelijke standen, die alleen oog hebben voor zich­zelf, zich daar nauwelijks voor lenen en daarmee zou een arm volk weinig gediend zijn.

[12] Een goed regeerder moet daarom juiste macht, kennis in alle zaken en scherpzinnige wijsheid bezitten, dan is hij pas een goed heer, gebieder en leider van vele duizendmaal duizenden blinde mensen, die helemaal niet in staat zijn om te beseffen wat voor een groot weldoener een goed heerser voor hen is! Dat een waar heerser zich om wijze redenen niet altijd door zijn onderdanen in de kaart kan laten kijken en daardoor voortijdig zijn goede plannen verraden, is zonneklaar en goed begrijpelijk en dus zal het ook zonneklaar en goed begrijpelijk zijn, waarom ik jou nu dit geheim met onthul; want je zult toch wel inzien dat een regeerder tot meer in staat moet zijn dan een ander mens, omdat hij anders beslist een erg onbedui­dend regent zou zijn! Wat voor eerbied zouden zijn onderdanen dan wel voor hem hebben, als hij tegenover hen in noodgevallen niet ook een beetje almachtig zou zijn? Ga nu maar het wonderwerk van dichtbij bekijkend. en kom daarna terug; misschien kan er dan met jullie op wat verstandiger wijze gesproken worden! Maar voor dit ogenblik zijn wij klaar'


20 Roclus bezichtigt het wonderbouwsel
[1] Daarop haasten de twaalf zich verheugd naar de tuin en zien stom van verbazing wat de tuin bevat en zij worden ook door Marcus zelf het huls binnengeleid, waar zij alles in grote bewondering in ogenschouw nemen. Maar Marcus vertelt hun net zo min als Cyrenius iets meer erover, ondanks al hun nog zo vriendelijke vragen; want Ik heb Cyrenius, zoals ook eerder Mathaël, ingegeven wat zij moesten zeggen, en zo werd hier de weg gebaand voor de mogelijkheid om ook deze rare snuiters, die nu met Marcus na een half uur weer heel nieuwsgierig naar ons toekomen, tot de geestelijke waarheid te bekeren.

[2] Toen Marcus met Raphaël, die hem het nut van alles wat zich in huls bevond had laten zien, en met de twaalf afgevaardigden bij mijn tafel kwam, zei RAPHAËL heimelijk tegen hem: 'Bespaar je ditmaal de Heer hardop te loven, die dat toch al luid genoeg uitje hart hoort; want het gaat er nu om dat deze twaalf Caesareeërs mogelijkerwijs ook tot de Heer bekeerd worden! Zij hebben eigenlijk helemaal geen geloof, maar zijn pure atheïsten uit de fraaie school van Epicurius, een van de voornaamste grondleggers van het dierbare genootschap van de Essenen.

[3] Het zijn zes Grieken en zes joden, die allen volmaakt eensgezind en gelijk gestemd zijn en heimelijk de orde van de brave Essenen aanhangen. Kortom, deze twaalf zijn echte kopstukken, waarmee absoluut met gemak­kelijk te onderhandelen zal zijn. Zij zijn zeer rijk en bezitten onmetelijke schatten op deze aarde, wat de reden is dat zij met de opperstadhouder net zo gemakkelijk praten alsof zij zijns gelijken zijn. .

[4] Het zal moeilijk vallen hen te bekeren! Maar als het lukt hen -met zozeer door bepaalde opvallende wonderen maar veeleer door woorden ­tot de waarheid te brengen, dan is daarmee zeer veel gewonnen; want ieder van deze twaalf heeft als heer de beschikking over zo’n honderdduizend mensen.

[5] De Heer mag voorshands helemaal niet aan hen bekend gemaakt worden. Cyrenius blijft nu het middelpunt en na hem kom jij, als het noodzakelijk mocht zijn; en als alles goed gaat, dan kom ik pas en pas aan het einde de Heer Zelf! Blijf echter nu maar hier, want het zal een belangrijke jacht worden! Maar nu stil"

[6] CYRENIUS vraagt aan Roclus: 'Wel, hoe beviel je mijn wonderbouwsel? Kun je ook iets dergelijks ten tonele voeren?"

[7] ROCLUS zegt: 'Houdt u maar op over het wonderbouwsel, alsof u dat gemaakt zou hebben! U bent weliswaar een zeer machtig heer, heer, heer door het grote aantal soldaten dat u heeft en hun scherpe zwaarden; maar het huis en de tuin en de haven en de grote schepen heeft u net zomin gebouwd als wij!

[8] Met een hoop bouwlieden zou u het wel in 5-10 jaar hebben kunnen bouwen, dat geef ik u graag toe; want de macht van het zwaard en het geld is groot in deze wereld. Een van uw beroemde dichters die ik heb gelezen, zegt van de mensen: 'Niets is de stervelingen te moeilijk; zelfs de hemel wil de mens in zijn vermetelheid beklimmen!' (Horatius) En zo staat het met de mens, deze naakte stofworm! Geef hem middelen, macht en tijd en hij zal weldra bergen gaan verzetten, en zeeën en meren droogleggen en de rivieren een nieuwe bedding geven! Dat is op zichzelf echter alles bij elkaar geen wonder, maar een heel natuurlijk, met vereende krachten doelgericht handelen van de mensen.

[9] Maar het huis hier, de tuin en zijn zeer weelderige aanleg, de omringende en beschermende muur die er als gegoten en als uit één stuk marmer bij staat, evenzo de grote, hoge havenmuur die hier en daar mogelijk wel tot een diepte van 10-20 manslengten reikt, en dan nog de vijf grote vlaggeschepen met al hun tuigage! Nee, mijn overigens zeer wijze en buitengewoon machtige gebieder, dit tovert de vermetele mensheid evenmin als het 'tafeltje dek je! ' van de Perzische tovenaars in een oogwenk tevoorschijn, zoals dat hier voor ons het geval was en is en ook zeker blijven zal; want dit is geen fata morgana met ijle, niet bestaande luchtbouwsels, maar de degelijkste waarheid, die iedereen zal ondervinden als hij zin zou hebben met zijn hoofd door deze muren te willen rennen.

[10] Bij alle honderd magiërs die ik heb ontmoet, heb ik nog nooit gezien dat een of ander werk van hen blijvend was. Er gebeurt wel iets, waarvan men niet weet hoe en met welke middelen, en er wordt ook altijd iets zichtbaar; maar weldra vergaat het als een schuimbel op het water en als het eenmaal weg is, roept geen magiër het meer tevoorschijn! Maar ik zou de tovenaar wel eens willen zien die deze werken ook zo luchtigjes weg zou kunnen blazen! Bij u zou ik zonder meer mijn hele vermogen willen verwedden, dat het u nooit zou lukken dat alles enkel zo maar met een gedachtestreep weg te blazen!"


21 De atheïstische geloofsbelijdenis van Roclus
[1] (ROCLUS:) 'Daarom heb ik nu de volgende overtuiging: Weliswaar geloofde ik niet meer aan een godheid, maar wel aan een geheime, puur geestelijke, alomtegenwoordige kracht van de natuur, die zich overal ernstig en wijs en daarbij toch vriendelijk doet voelen en voortdurend volgens de aan haar ten grondslag liggende wetten binnen een bepaalde orde werkt en zich er beslist niet over bekommert wat de vergankelijke mensen uitspoken. Zij kent geen goed en geen kwaad; want dat veroor­zaken alleen de slechte mensen onder elkaar. De grote, heilige natuur weet daarvan niets!

[2] Het is een groot ongeluk voor de mensen om slaaf te zijn; maar wie heeft hem tot slaaf gemaakt? De grote heilige natuur zeker niet, maar alleen de bij toeval sterkere mens heeft uit pure lust om zelf niets te hoeven doen en daarbij toch goed en gemakkelijk te leven, de.zwakkere tot zijn lastdier gemaakt en in gelijke mate ook het vee. Wie wierp het harde, zware juk op de nek van de os wie belaadde de ezel, de kameel en het moedige paard en wie bouwde zelfs torens op de rug van de geduldige olifant? Wie vond het zwaard uit en wie de ketens, de kerkers en zelfs het zeer smadelijke kruis, waaraan jullie Romeinen de ongezeggelijkste en eigenzinnigste mensen, die ook zouden willen heersen en moorden, vastbinden en onder de ergste pijnen de dood laat ondergaan? -Alles, al die ellende is afkomstig van de mens!

[3] In de grote natuur is alles vrij; alleen de mens is als het ware een vloek voor zichzelf en voor de gezamenlijke andere vrije werken van de grote meesteres, de natuur! Luie mensen begonnen eens luchtkastelen te bouwen en bedachten de onbeduidende goden, die zij zich voorstelden en ook vormden zoals zij zelf waren, met alle menselijke, slechte eigenschappen. Met deze goden creëerde de mens dus nieuwe plaaggeesten, die op zichzelf de mens beslist nooit kwaad zouden doen; maar de mens bouwde voor deze door hem bedachte goden, die in werkelijkheid nooit ergens waren en ook nooit ergens zullen zijn, tempels, en wijdde zichzelf in .als hun plaatsvervanger, voorzien van allerlei dwang -, schrik­ en plaagmiddelen, en voerde daardoor naast zijn heerschappij over de zwakke mensheid ook de onverbiddelijkste tirannie van de door hem bedachte, onzichtbare wezens in. Zij, die in werkelijkheid nooit ergens hebben bestaan, bestaan nu steeds maar door tot kwelling van de arme mensheld, daarentegen des te meer tot nut en voordeel van de machtigen, omdat die door de machtige invloed die zij voorwenden uit te oefenen, veel gemakkelijker de mensheid blinde gehoorzaamheid opleggen, dan door het zwaard alleen. En dus kunnen uit de aard der zaak met het zuivere verstand denken wat men wij, toch staat overal de sterke, machtige mens klaar voor alles, alles wat maar ooit mogelijk is, en heerst weldra als een koning voorzien van zwaard en lans en gelijktijdig ook als een almachtige plaatsvervanger van de goden. Wee degene die zich als oningewijd mens verstouten zou achter de door de mensen geweven sluier van Isis te kijken! O wee, o wee, o wee, -die zouden door de goden wel toegetakeld worden!

[4] Dat was tot op heden mijn onafhankelijke geloof, dat echter nu door dit fenomeen een heel jammerlijke stoot in de ribben kreeg en Ik begin nu dan toch heel zachtjes te geloven aan een hoger goddelijk wezen, omdat ik maar al te duidelijk inzie dat geen mens zo'n werk met zijn bekende krachten tot stand kan brengen en ook nooit tot stand zal brengen. Dat kan dus alleen maar werk van een god zijn, die weliswaar ook alleen maar een soort mens kan zijn, maar een mens aan wie de krachten van de grote natuur gemakkelijk en altijd onvoorwaardelijk gehoorzamen, zoals gewo­ne soldaten aan een beproefd, inzichtrijk veldheer, van wie zij weten dat hij nog nooit een slag heeft verloren.

[5] Maar deze god mens zou ik hier nu willen leren kennen! U, geëerde Cyrenius, bent het in geen geval. Want als u dat zou kunnen, zou het grote Romeinse keizerrijk reeds lang door een berghoge muur omringd zijn, die zelfs een adelaar angstig zou maken als hij daar overheen moest vliegen. Geef ons, geëerde heer, heer, heer, daarover enige uitleg, dan zullen wij rustig weer naar huis gaan!"

[6] CYRENIUS zegt: 'Dat zou allemaal goed en best zijn, als dat zo maar even op staande voet zou kunnen gebeuren, maar het is niet zo eenvoudig als jullie je dat misschien voorstellen. Men kan een veldwachter wel vragen hoe laat het is, en hij zal je als de zon schijnt, met behulp van zijn in de grond gestoken stok, precies en zonder moeite het uur van de dag meedelen, waarvoor je hem dan een stater moet geven; maar op die manier gaat dat hier niet! Heb geduld, misschien komt er uiteindelijk toch nog wat tevoorschijn, maar dat zal wat meer kosten dan een stater voor een veldwachter!'

[7] ROCLUS zegt: 'Wel, voor zoiets kunnen we ook een pond goud en tien ponden zilver, of nog wel meer, op 't spel zetten!"

[8] CYRENIUS zegt: 'Ja, als men zoiets voor veel goud of zilver zou kunnen kopen, dan was het natuurlijk wat anders! Maar ik kan je in dit geval met stelligheid verzekeren, dat het voor geen enkele schat ter wereld verkregen kan worden! Waarvoor het echter wel verkregen kan worden, daarover moeten jullie eerst onderwezen worden en door menige proef zelf gelou­terd worden! Terwijl je doordrongen bent van volkomen ongeloof aan een persoonlijke god en aan andere persoonlijke, aan God gelijke wezens, en daarin formeel bent opgevoed, wil je van mij dadelijk te weten komen wie Degene is aan Wie het mogelijk was dit alles enkel door Zijn almachtige wil in een oogwenk tevoorschijn te roepen, om dan, als je onder elkaar bent, daar eens behoorlijk om te kunnen lachen! Dan zeg ik: Stop, beste mensen, wij zullen eerst eens zien of jullie in staat zijn om iets te geloven! Als je helemaal niet meer kunt geloven, dan kan ook de van mij verlangde mededeling niet gegeven worden! Kunnen jullie echter nog geloven, dan zullen jullie zodra dit geloof levend wordt, ook in staat zijn al het andere te ontvangen! -Hebben jullie mij goed begrepen?"

[9] ROCLUS zegt: 'Begrepen hebben wij het heel goed, want geen van ons is dom uitgevallen! Maar wat u wilt is voor ons voorlopig zo goed als onmogelijk, waarvoor wij u onze redenen gedeeltelijk al hebben uiteen­gezet en nog verder willen en kunnen duidelijk maken, als u ze wilt horen!"

[10] Gedreven door Mijn woord dat Ik hem in de mond heb gelegd, zegt CYRENIUS: 'Doe dat, dan zal ik daaruit opmaken hoever jullie je verwijderd hebt van de weg van de waarheid! Laatje redenen maar horen en dan zal ik heel goed in staat zijn daaruit op te maken of je waarachtig geestelijk gevormd kunt worden en of men jullie wens kan inwilligen! Want als je zuiver geestelijk niet meer gevormd kunt worden, dan kun je maar beter weer in vrede hier weggaan en leven volgens de leer van jouw Epicurius, die voor mij een van de allerminste wereldwijzen is!

[11] Ja, als rijk en fysiek kerngezond mens kan men het best volgens Epicurius in deze wereld leven; want het principe 'Men moet ter wille van zichzelf eerlijk en verdraagzaam ten opzichte van iedereen zijn, - maar altijd voor zichzelf het eerlijkst!' klinkt wel goed voor wereldse oren, maar de door Gods adem gewekte ziel van een mens huivert daarvan, omdat zo'n Epicurist toch altijd slechts een uitgeslapen egoïst is en alleen voor eigen welzijn zorgt! Wat kunnen hem alle mensen schelen. Kan hij geen voordeel van hen trekken, dan mogen zij allen door de bliksem gedood worden.

[12] Dat zijn zo de hoofdtrekken van een Epicurist! Hoeveel.geestelijks er in zo'n gemoed van steen huist, zal hopelijk zelfs wel voor iedere blinde overduidelijk zijn. Ja voor het rijk worden op deze aarde deugt de leer van Epicurius het meest, vooral wanneer zij met stoïcijns cynisme doorspekt wordt zoals dat bij jullie het geval is; maar voor het rijk worden naar de geest deugt zij allerminst, omdat zij de zuivere liefde tot God en de arme naaste totaal uitsluit. Dit was om Jullie wat zicht te geven op jezelf! En laat nu de redenen horen voor jullie echt Esseense atheïsme!"


22 Roclus bewijst zijn atheïsme
[1] ROCLUS zegt: 'U hebt gelijk, wij zijn zoals u zoëven een echte epicurist getekend hebt en daar bevinden wij ons op deze aarde heel wel bij! Voor ons atheïsme hebben wij zoveel steekhoudende bewijzen, dat wij daarmee de hele grote zee zouden kunnen vullen. Ik wil slechts nog enige aan de reeds meegedeelde toevoegen en ik hoop dat u daaraan genoeg zult hebben, en u zult ons ook met of tegen uw wil gelijk moeten geven! Wees dus nu zo genadig mij aan te horen!

[2] Kijk, alles wat ook maar enig bestaan heeft van wat voor soort dan ook, uit zich altijd op bepaalde ogenblikken op een wijze die voor alle mensen zonder uitzondering voelbaar is! Is het desbetreffende voorwerp met enig verstand begaafd, dan zal dit zonder veel moeite aan zijn werken te zien zijn; heeft echter het voorwerp, zoals bijvoorbeeld een beeldzuil, helemaal geen verstand, dan zullen daarvan of helemaal geen, of alleen maar zulke werken te zien zijn die het blinde toeval aan het ding begaan heeft of daaraan heeft toegevoegd. Waar dus enige, ook al is het nog zo beperkte, intelligentie aanwezig is, daar zal zij zich ook spoedig uiten door de van haar innerlijke intelligentie uitgaande, geordende, zichtbare werken.

[3] Bijvoorbeeld: Reeds de meest eenvoudige mosplant zorgt zelf eerst voor een eigen geordende vorm en ontwikkelt daarvoor ook haar orga­nisme, waarmee zij dan in het verdere verloop bloesem, zaad en daarmee het vermogen tot voortplanting ontwikkelt. Bij hoger staande planten is, na een bepaalde trapsgewijze ontwikkeling, een grotere en duidelijker intelligentie nog veel zichtbaarder en herkenbaarder.

[4] Overduidelijk treedt dan al bij de dieren een innerlijke intelligentie op; hun handelingen, ook al zijn die in aantal en in variatie nog zeer beperkt, overtreffen die van de mens in vele opzichten. De daden van de mens getuigen wel van zijn uiterst omvangrijke intelligentie, maar nergens wordt een uit het innerlijk afkomstige volmaaktheid zichtbaar, iets, wat de werken van de dieren zeker nooit en nergens ontzegd kan worden. Zo hangt ook wat het dier naar buiten toe doet, inniger met zijn wezen en karakter samen dan bij de mens, deze god van de aarde, het geval is.

[5] De werken van de mensen zijn eigenlijk slechts na-aperij en bestaan slechts uit grove, uiterlijke voortbrengselen, die iedere eigenlijke, inner­lijke, reële waarde missen. De mens kan weliswaar uit alle mogelijke kneedbare stoffen een soort bijenwascellen namaken, ja hij kan ze ook natekenen en naschilderen, -maar wat een plompheid spreekt daaruit, nog afgezien van de stof waaruit de bij haar cellen bouwt! Het schijnt trouwens dat de natuur zich met de mensen als het ware een scherts veroorloofd heeft! Hij is kennelijk in het bezit van een veelomvattende intelligentie en ook beseft hij wat ware volmaaktheid is; maar ook al doet hij zijn uiterste best, hij bereikt deze toch nooit of te nimmer!

[6] Als wij aannemen dat alle organische wezens ook bezield zijn en de ziel overal het werkende principe is -hetzij meer of minder volmaakt, dat maakt hier niets uit -, dan kan men deze veronderstelling als evidente waarheid aannemen, doordat men logisch op juiste wijze vanuit de werking terug redeneert naar de oorzaak, of van de handelingen naar de kracht,/die wij dan de 'ziel' willen noemen. Afhankelijk van de graad van volmaakt­heid en ordelijkheid van de werken van een ziel leidt men dan ook op logische wijze ten eerste haar bestaan en ten tweede haar bekwaamheid af. Vinden wij echter de een of andere chaotische wirwar, wild en ordeloos door elkaar, zonder enige actie of beweging, dus zonder enig spoor van leven, dan denken en zeggen wij: Daar heerst de dood, die van zichzelf totaal onbewust is en wiens bezigheid bestaat uit een volledig tenietgaan, -een verschijnsel dat men in de herfst bij zeer veel bomen en struiken kan waarnemen, wanneer het vroeger zo mooie, goed geordende loof van de boomziel in wilde onordelijkheid naar beneden valt, verdort en in de loop van de winter vrijwel geheel vergaat.

[7] Maar wie zou in de grootste ordeloosheid ook nog een werkende ziel willen zien?! Een vervliegen en tenietgaan daarvan -ja, -maar geen nieuw of zelfs volmaakter ontstaan! Wel wordt door het vergane loof de bodem van de aarde vetter en ontvankelijker voor de vochtigheid uit de lucht en daardoor voedzamer voor de daarop groeiende planten; maar het afgevallen loof zal nooit daaruit als zodanig weer ontstaan, omdat de ziel ervan zo goed als niet meer bestaat.

[8] Men kan daarom gevoeglijk de volgende regel zo vaststellen, dat men zegt: Hoe geordender en volmaakter een werk is, des te volmaakter is ook de kracht die dat werk voort heeft gebracht, die men 'ziel' of ook 'geest' noemt. Men kan dus logischerwijs het bestaan van een geest of haar capaciteit aflezen aan haar produkten of werken.

[9] Maar waar vinden wij zulke geordende werken, dat wij daaruit ook maar met enige waarschijnlijkheid een allerhoogst, meest wijs en tevens almachtig, goddelijk wezen af zouden kunnen leiden? Maar al te bekend is de leerstelling van alle theïsten en theosofen* (* god gelovigen en godgeleerden): 'Zie naar de aarde, haar bergen, velden, zeeën en rivieren en naar alle ontelbare creaturen die haar bewonen! Alles wijst op het bestaan van hogere goddelijke wezens!' -, of, zoals bij de blinde joden, op slechts één god, wat eigenlijk wel iets verstandiger is, en ook gemakkelijker, dan het hebben van zoveel onzicht­bare heren, waar men met de een blijkbaar ruzie moet krijgen als men de ander huldigt en offers brengt. Ik zou wel eens willen weten wie er tegelijkertijd met Juno en Venus overweg zou kunnen, of met Mars en Janus, of met Apollo en Pluto!

[10] Ook daarmee zijn de joden weer iets beter af, want zij hebben een Jehova die tevens heer is over hun Pluto, die zij 'satan' noemen. Alleen is de Pluto van de joden een erg domme sukkel, omdat hij zijn dienaren in plaats van te onderscheiden en te belonen heel kwaadaardig en slecht bejegent; en geen enkele eerlijke jood zal er zich daarom iets van aantrek­ken als hij zijn Pluto zo diep mogelijk veracht. Hoe energieker hij de joodse Pluto veracht en tegen diens wil handelt, des te meer komt hij in de gunst bij Jehova; maar een echte Romein en Griek zou ik dat niet aan willen raden! Wie dat zou doen, staat bij de zeer boosaardige Pluto priesters niet veel goeds te wachten. Het is daarom beter Pluto net zo goed offers te brengen als Zeus, anders springt Pluto de arme zondaar op zijn nek en Zeus kan van rechtswege niets tegen Pluto doen of iets bereiken; want het Suum Cuique** (** ieder het zijne) staat als een wet van het noodlot bovenaan, waartegen zelfs Zeus niet in kan gaan zonder gevaar te lopen met alle andere goden in botsing te komen"


23 Roclus' mening over goden en priesters
[1] (ROCLUS:) 'Wij hebben, met een paar zijsprongetjes, nu twee godsbe­grippen, die bij elke mens met een redelijk ontwikkeld verstand alleen maar de lachlust opwekken. Bij de Egyptenaren, Grieken en Romeinen wemelt het van grote, kleine, goede en slechte goden; bij de joden zit er maar één op de troon die zeer ernstig en streng rechtvaardig is, maar daarbij toch goed en zo nu en dan barmhartig. Maar kwaad maken mogen de joden, die hij zijn volk noemt, hem ook niet; want verliest hij eenmaal zijn geduld­ dan valt met hem niet te schertsen. Hij dompelt dan meteen de hele mensheid gedurende een jaar onder water, en als dan het water - god weet waarheen - wegloopt, zijn er miljoenen genezen en hebben nergens meer weet van! Of hij laat over een zondig volkje meteen een halve maand lang bliksem -, zwavel­ en pekvuur uit de hemel regenen, en met de zonde is ook het volkje van de aarde verdwenen! Ook met pestilentie en andere kwalen is de enige god van de joden zeer vrijgevig; en als hij eenmaal begint zijn tuchtroede over een volkje te zwaaien, dan is er van een spoedig einde nog lang geen sprake! Bij de joden komt derhalve al het goede en kwade van een en dezelfde god, terwijl bij ons Grieken vele goden het een of het ander regelen. Wie er nu met zijn godendom beter aan toe is, zal hier wel moeilijk te bepalen zijn.

[2] Maar wat praten we over goden in de hemel of in de Orcus en Tartarus!? Het zijn allemaal verzinsels! De luie, arbeidsschuwe priesters zijn de goden, en de ene god van de joden is de hogepriester in Jeruzalem! Deze lieden hebben een schat aan ervaringen en kennis, waarvan zij wijselijk niets doorgeven aan het blindgemaakte en verder met alle mogelijke geweld blind gehouden volk. Slechts in hun boosaardige kaste worden de vaak zeer uitgebreide ervaringen van vele eeuwen en de meest uiteenlopende kunsten en wetenschappen bewaard in de vorm van altijd onaantastbare, heilige geheimen. Daarmee bedrijven zij hun listige spel met de mensen, die hun daarvoor uitermate veel moeten offeren, om dan door hen des te gemakkelijker zo grof mogelijk bedrogen en op alle levensgebieden mishandeld te kunnen worden. Mijn hele vermogen en zelfs de laatste vonk van mijn leven geef ik degene die mij het feitelijke tegendeel kan bewijzen!

[3] In de oertijden kunnen er hier en daar wel eerlijke en rechtschapen mensen geweest zijn die vanaf hun geboorte reeds een bijzondere scherp­zinnigheid bezaten en mettertijd allerhande ervaringen hebben opgedaan, en die graag en met alle liefde hun geestelijke verworvenheden met hun niet zo hoog ontwikkelde medemensen deelden en vervolgens ook de zegeningen daarvan aan hun broeders door goede en blijvende resultaten gewaarwerden. Het moet wel heerlijk zijn geweest te leven in een volksgemeenschap waarin geen mens voor de ander iets uit zelfzucht geheim hield, en allen tot hun voordeel in alles ingewijd waren in wat de ervarenste onder hen wist! Maar hoe lang kon zo'n gelukkige toestand duren?

[4] Die eerste weldoener van zijn medemensen werd door hen beslist op handen gedragen en zijn opvolger niet minder. Dat wekte afgunst op bij sommigen die hielden van een lui leventje, en zij verlangden ook om door hun medemensen op handen gedragen te worden. Zij probeerden ook hun ervaringen in bepaalde opzichten uit te breiden, maar begonnen tevens steeds meer geheimzinnig te doen om zich daardoor bij hun medemensen belangrijk te maken. Iemand die het een lange tijd volgehouden had stom als een vis, maar met een verheven gezicht, rond te wandelen en die natuurlijk door veel nieuwsgierigen heel indringend gevraagd werd waar­om hij steeds zo zonder iets te zeggen en diepzinnig kijkend rondliep, antwoordde daarop: 'Als jullie zouden weten wat ik weet, en gezien, gehoord en ervaren zouden hebben wat ik gezien, gehoord en ervaren heb, dan zouden jullie van stomme verbazing nog woordelozer zijn en diepzinniger kijken dan ik!’

[5] Wanneer heel eenvoudige mensen, die branden van nieuws­ en weetgierigheid, zoiets van een listige boef en dagdiefhoren, laten zij hem niet meer met rust aleer hij met voorwaarden komt waaronder hij hen iets van zijn oneindige voorraad wil mededelen. De voorwaarden worden bereidwillig aanvaard en de slimme boef heeft zich daardoor opgeworpen tot profeet en priester bij zijn medemensen, die hij dan allerlei mystieke zaken begint voor te spiegelen die noch hij en nog minder iemand anders begrijpt en kan begrijpen, omdat deze alleen maar te vinden zijn in het nogal fantasierijke brein van onze boef, die door zulk listig bedrog tenslotte alle echte wijze oudsten tot zwijgen brengt, en wel hoofdzakelijk doordat hij het volk tot zich trekt en aan het verstand brengt dat hij alleen meer weet en begrijpt dan tienduizend van hun oude wijzen.

[6] Om zijn drogleer dan bij het volk volledig en blijvend ingang te doen vinden, hoeft hij slechts een aantal tovertrucjes toe te voegen en het arme ­goede volk laat zich door hem, de harte­ en gewetenloze bedrieger meteen met ontelbare scherpziende, scherphorende en gewoonlijk almachtige goden opschepen!

[7] En wee de eerlijke en goedmenende, rechtschapen man die uit waar inzicht en reine, onbaatzuchtige liefde tegen het volk zou zeggen: 'Geloof deze valse profeet niet; want ieder woord uit zijn mond is een keiharde leugen waaruit alleen brandende eigenliefde en tirannieke heerszucht blijkt, die jullie die nu nog vrij zijn, spoedig met zware ketenen,zal binden! Hij zal jullie onverdragelijke wetten onder de titel 'wil der goden' opleggen en op het overtreden daarvan de zwaarste straffen, ja zelfs de marteldood zetten. Dan zullen jullie en je kinderen onder de zware druk van zo'n valse leraar zuchten en weeklagen en luid om redding roepen! Maar jullie roepen zal volkomen tevergeefs zijn, want tegen de macht van de tiran, die noch een hart noch een greintje menselijke naastenliefde bezit, zal moeilijk iets gedaan kunnen worden!'

[8] Tegen zo'n oppositieleer, die in de begintijden van het knechten van de volkeren zeker wel vaak voorgekomen zal zijn, kan toch geen recht­vaardig en gezond mensenverstand iets inbrengen! Maar het volk liet zich inpakken door een aantal wonderen en geloofde of aan één, of zelfs aan een aantal goden van allerlei soort en liet zich door hen, dat wil zeggen door hun plaatsvervangers, die buitengewoon trots en hoogmoedig en gruwelijk heerszuchtig en zelfzuchtig waren, meer dan onbarmhartig mishandelen, in plaats van te beginnen zelf na te denken en terug te keren tot het oude, natuurzuivere, menselijke verstand. Als men, zoals ik en ook mijn elf metgezellen, tamelijk goed op de hoogte is met een en ander, zal men wel begrijpen waarom ik een atheïst ben"


24 Roclus probeert zijn atheïsme als juiste wereldbeschouwing te bewijzen
[1] (ROCLUS:) 'Nu op deze wijze vrijwel onweerlegbaar en meer dan duidelijk is uitgelegd hoe alle goden zijn ontstaan en hoe hun priesters in de loop der tijd de eigenlijke, machtigste gebieders over leven en dood van hun broeders zijn geworden, zult u, geëerde heer, heer, heer, ook begrijpen hoe en waarom wij atheïsten zijn geworden! Kijk, wij die maar met weinigen zijn, hebben de duidelijke weg naar het oude, zuivere mensen­verstand gevonden en zijn weer teruggekeerd naar de grote heilige moeder natuur, die voor ons een zichtbare, wonderdoende godheid is die altijd onveranderlijk volkomen ordelijk werkt, terwijl alle andere door de mond van de een of andere mens zich openbarende godheden niets anders zijn dan een bedenksel van een aan een hersenziekte lijdende, werkschuwe luilak, die van de een of ander een paar magische kunsten geleerd heeft of deze zelf heeft uitgedacht, om zich aan de blinden te presenteren als een door God verkozen werktuig, dat diens wil aan hen verkondigt.

[2] De natuur heeft nog nooit een plaatsvervanger nodig gehad en de zon heeft het ook nog nooit in haar hoofd gehaald om uit de ontelbare armzalige mensen een plaatsvervanger voor zichzelf uit te kiezen; zij werkt zelf, geeft licht en verwarmt alles op een onvergelijkbare wijze! Kortom, in de hele grote natuur is alles in orde behalve de mens. Ook de mens, deze grootste en volmaaktste apensoort, laat wat zijn natuur aangaat en wat zijn vorm betreft zeker niets te wensen over.

[3] Maar de mens, of liever het met het woord begaafde, rechtop gaande, dus volmaaktste dier, heeft dan ook een denkvermogen en een zich daaruit vrij ontwikkelend verstand. Daardoor kan en moet hij de heerschappij voeren over alle wezens die onder hem staan. Maar deze voorkeur die de natuur aan de mens heeft gegeven is hem niet genoeg; in zijn verwaandheid aan god gelijk te zijn wil hij ook zijn soortgenoten met voeten treden! En daar ligt dan het kritieke punt waar de mens zijn grenzen overschrijdt en zich tot god maakt. Maar omdat toch ieder mens, als hij niet doofstom of zelfs totaal waanzinnig is, zichzelf niet zomaar zoals hij is, als een mens met net zo'n lichaam als alle anderen, rechtstreeks zelf tot god kan uitroepen ­wat hij beslist zou doen als hij niet bang zou zijn door het hele volk daarvoor uitgelachen en zelfs bestraft te worden -, daarom stelt hij zich tevreden slechts plaatsvervangend voor god op deze aarde op te treden; want als men daarmee maar slim genoeg begint en een goede ondergrond heeft waarop men bouwt, dan houdt dat vele eeuwen stand.

[4] Wel moet men bij het instellen van een plaatsvervangerschap van God ook enige duidelijk wijze en voor de burger nuttige voorschriften toevoe­gen, dan heeft men het pleit voor duizend jaar gewonnen bij het van nature steeds kinderlijk goede, meegaande mensengeslacht! Tegenover één wijs voorschrift kan men dan de bijgelovigen wel duizend van de absurdste leugens en domheden wijsmaken, en die worden door de goedwillige, maar tevens zeer blinde, arme mensheid heel eerbiedig en bereidwillig aangenomen. Van begrijpen kan natuurlijk geen sprake zijn, omdat zulke goddelijke mysteriën als hersenspinsels van een slimme vogel nooit begre­pen kunnen worden. Maar dat doet er niets toe, want de mensheid beschouwt immers datgene altijd het liefst, wat voor haar het meest onduidelijk, onbegrijpelijk en vreemdsoortig is.

[5] Wie de mensheid vervelen wil, moet haar maar goede, bekende en goed begrijpelijke waarheden voorleggen en ik sta ervoor in, dat hij heel snel alleen zal staan! Kan hij echter erg goed liegen, en fantaseren dat hij bijvoorbeeld in het verre Indië dieren gezien heeft zo groot als een berg, en met honderd koppen, waarbij iedere kop sprekend lijkt op die van een bepaald dier, en in het midden van die honderd koppen van de meest verschillende diersoorten ook nog omhoogstekend een reusachtig men­senhoofd, zittend op een lange, dikke nek, dat alle talen van de wereld heel duidelijk, maar wel met donderende stem spreekt en de mensen zelfs wetten voorschrijft voor hun gedrag ten opzichte van de rest van zijn grote leger dierekoppen! Ja, hij kan de mensen die heel opmerkzaam naar hem luisteren ook nog zonder schroom wijsmaken dat op de grote rug van dit wonderbaarlijke reuzendier de mooiste steden en tuinen zijn aangelegd, waarin mensen en dieren wonen, die een heel aangenaam leven leiden mits zij de wetten in acht nemen die uitgaan van de centrale kop van dit reusachtige dier, maar door de tijgerkop van het dier meteen opgevreten worden wanneer zij daartegen zondigen! Deze absurde leugen kan hij nog op veel manieren uitbreiden, en dat wordt allemaal vast en zeker geloofd; en wee degene die zou willen zeggen: 'Maar waarom luisteren jullie naar deze aartsleugenaar?! Ik was toch zelf meerdere malen in Indië en heb nooit ook maar in de verste verte iets dergelijks gezien of daarover horen spreken! 'Dat helpt allemaal niet! Hij wordt als lasteraar tegen deze wonderbaarlijke zaak op een voor hem heilzame manier tot zwijgen gebracht, en de aartsleugenaar die Indië nooit heeft gezien, komt als overwinnaar tevoorschijn. Ik heb zelf meermalen ervaren dat de mensen veel eerder een kolossale domheid aannemen en geloven dan een waarheid, ook al heeft deze zich als nog zo nuttig bewezen.

[6] Als de mensen kennelijk zulke eigenschappen hebben, is het dan te verwonderen dat wij nu al met louter goden behoorlijk gepekeld en gebalsemd zijn? Is het niet veeleer erg verwonderlijk, hoe mensen van mijn soort temidden van zoveel uiterst domme mensen kunnen leven? En kunt U, geëerde heer, heer, heer, zich verwonderen dat wij als ervaren Grieken en joden alle twaalf noodzakelijkerwijs atheïsten moeten zijn, en wel om de eenvoudige reden, dat er toch overduidelijk geen god kan bestaan die zo'n menselijk domme aard heeft dat hij van de mensen vaak de meest belachelijke zaken, zo gezegd tot zijn eer zou eisen, zoals het kopen van tempelmest en tempelafval voor het zegenen van de velden, akkers, tuinen en weiden en nog duizend en één ergere absurditeiten, die allemaal verlangd worden door de ene god van de joden die nog steeds de wijzere is, -om maar te zwijgen over de wel zeer domme en onsmakelijke, mensonterende dingen, zoals offers en andere gewoonten en gebruiken, die onze ongeveer tienduizend Griekse goden eisen en zelfs streng voor­schrijven?

[7] O wee, wee, wee degene, die het zou wagen ook maar een van de geringste houten godheden een klap te verkopen! Die zou als een Sacrilegus maledictus* (*schandelijke tempelschender) heel kwalijk door de plaatsvervangers van god behandeld worden! Ook het vernielen of het beledigen van een uit hout gesneden leugen wordt nu nog steeds als de meest onvergeeflijke misdaad met het zwaard zwaar bestraft. Maar als duizenden arbeidsschuwe volksbedriegers iedere pure waarheid en de ware eer van de mensheid met voeten treden en deze overal vervolgen en al het goede dat mogelijkerwijs opkomt met alle geweld en met de gruwelijkste middelen onderdrukken, dan is dat volkomen juist en dico** (** ik zeg) de wijze, almachtige goden zeer welgevallig. Ah, dan bedankt de ware mensheid toch welonderdanig voor al die goden en godheden! Kunt u als heer en volksregent, die bekend staat als waar­achtig en wijs, het mij kwalijk nemen dat ik ervan walg wanneer ergens, ook al is het in nog zo geringe mate, sprake is van een god?!

[8] Toen ik als handelaar voor de derde maal in Indië kwam, heb ik heel veel verstandige en goede dingen aangetroffen, maar daarnaast ook weer zoveel afschuwelijke domheden, dat men zichzelf zou kunnen kruisigen om maar nooit meer met zulke enorme godendwaasheden in aanraking te komen. Volgens datgene wat ik daar over hun theosofie vernam, moet de hoogste god Lama, die ook de bijnaam Dalai heeft, eenmaal per jaar zijn hoogste plaatsvervanger, die eveneens onsterfelijk is, de hoogste eer bewijzen door zich aan hem en tevens aan zijn opperpriester te vertonen, maar dan wel op een hoge bergtop! Daar moet de plaatsvervanger dan op bevel van de allerhoogste god op een zuiver witte doek zijn behoefte doen, de uitwerpselen vervolgens drogen en laten verpulveren. Dit 'poeder van god', zoals de Indiërs het noemen, wordt dan korrelsgewijs in zeer kleine houten doosjes gedaan en goed verpakt tegen een hoog losgeld aan de hoofden van de volken gestuurd. Deze hooggeplaatsten moeten dan na een voorgeschreven boetedoening dit poeppresentje van god zeer eerbie­dig opeten. Dat en nog een groot aantal van de meest absurde domheden zijn feiten, waarvan iedere reiziger die daarheen gaat zichzelf kan overtui­gen.

[9] Maar wat moet een nuchter mens, in het bezit van een zuiver begrip en een gezond verstand, zeggen, wanneer hij hoort dat de hoogste Indische god door zulke pure smeerlapperij hoogst vereerd wil zijn? Ja, dan zou je meteen weer uit je vel kunnen springen van ergernis over zo'n kolossale domheid van de mensen, waaraan zij misschien al ettelijke duizenden jaren met lichaam en ziel vasthouden en waar zij door geen enkele verstandige vermaning meer vanaf te brengen zijn!

[10] Ja, laat mij maar eens een verstandige god ontmoeten, dan zal ik ophouden atheïst te zijn, waartoe dit wonderbare werk, dat zich voor mijn ogen voltrok, mij heel sterk zou kunnen aanzetten en tot het geloof brengen dat er ondanks alle door mensen verzonnen oerdomme godheden, dan toch een ware godheid zou kunnen bestaan die beantwoordt aan het zuivere verstand, hetgeen een hogere en erg mooie gedachte voor de mens zou zijn! Zou die godheid tenslotte echter ook zo opgeblazen zijn als dat tot nog toe met al de mij bekende godheden nog steeds het geval was, dan kan deze mij nog duizend van deze wonderen voor de neus toveren, maar dan zal ik haar werkelijk niet eren!

[11] Nu kent u mij helemaal zoals ik ben, denk en handel! U kunt me nu dus wel iets toevertrouwen als u iets weet wat nog beter is en meer waarheid bevat, en dan zal ik het beslist niet ondankbaar aannemen! - Hoe is dus de nieuwe behuizing van de oude Marcus ontstaan? Wie schiep deze?"
25 Het karakter van Roclus, zoals de Heer hem ziet
[1] CYRENIUS is na alles wat hij nu van Roclus heeft gehoord, zeer nadenkend geworden en weet absoluut niet wat voor antwoord hij hem daarop moet geven. Hij wendt zich daarom tot Mij en zegt met halfluide stem: 'Heer, over het geheel genomen heeft deze man geen ongelijk en het komt mij voor, dat hij ondanks zijn atheïsme de mensheid een heel goed hart toedraagt. Als hij tot het ware theïsme te brengen zou zijn, zou hij met zijn enorm scherpe verstand en zijn veelzijdige ervaringen bepaald een gouden parel zijn voor Uw Goddelijke zaak. Maar juist omdat hij zoveel ervaring heeft en daarbij een oordeel zo scherp als een adelaarsblik, is het in ieder geval voor mij moeilijk hem nu een antwoord te geven waarvan bij hem een goed resultaat te verwachten zou zijn. Wat denkt U ervan om hem nu Zelf onder handen te nemen? U zou hem met weinig woorden beslist meer kunnen zeggen dan ik. Heer, doe dat voor deze man, want zijn inzichten lijken mij kerngezond!"

[2] IK zeg: 'Je hebt deze mens heel juist beoordeeld en de zaak ligt bij hem inderdaad zoals je zegt; want zoveel natuurlijke, gezonde wereldervaring als deze Roclus, en door hem ook zijn elf metgezellen, heeft wel niemand van jullie. Maar omdat hij in deze tijd al herhaaldelijk naar aanleiding van zijn aanzienlijke, aardse schatten op louter list en bedrog is gestoten en overal de godheid vertegenwoordigd vond door de grootste en sluwste bedriegers, daarom kan men zich er ook niet over verwonderen dat hij tenslotte noodgedwongen het kind met het badwater moest weggooien.

[3] Hij zocht God wel heel ijverig en maakte daarvoor ook zijn grote reizen. Maar hoe verder hij kwam, des te meer onzin en dwaasheid en duimendik bedrog vond hij. Hij liet zich op 't laatst zelfs bij de Essenen inwijden en dat beviel hem, omdat deze hun goddelijkheids bedrog toch in ieder geval tot meerder heil van de mensheid hebben bedacht, en daarbij op zichzelf zeer goede en verstandige mensen zijn, bij wie de een met de ander eerlijk als broeder omgaat en niets op zijn naaste voor wil hebben; want de grondregel van deze sekte is: 'Evenveel weten, evenveel bezitten, evenveel zijn, en aan geen leek het geheim van de hoge dikke muren verraden, waardoor voor geen mens op aarde enig onheil, maar alleen zo mogelijk, heil moet ontstaan!'

[4] Dat is op zichzelf zeker heel loffelijk, maar met het geloof aan een god doet zich een grote moeilijkheid voor; want het is bij hen een volkomen uitgemaakte zaak, dat er buiten de geheime krachten in de natuur eeuwig nergens een god bestaat en zou kunnen bestaan. En daarom is het moeilijk een echte Esseen tot geloof aan een god te brengen. Men moet hem eerst nog veel meer gelegenheid geven om zich helemaal naar hartelust vrij in en over alles en iedereen te uiten. Pas wanneer hij zich helemaal aan je heeft blootgegeven, zal er nog wel iets heel bijzonders met hem te verwezenlijken zijn. Maar nu is hij daarvoor nog niet rijp, omdat er nog veel in hem schuilt waarmee hij tengevolge van zijn achterdocht tegen jouw Romeinse uitoefening van het zwaardrecht nog lang niet tevoor­schijn is gekomen.

[5] Zolang een mens echter in iemand geen volledig vertrouwen durft te hebben, .wordt hij ook nooit een waarachtig vriend van hem. Zolang hij echter met een waarachtige, volkomen trouwe vriend van iemand wordt, zal hij zijn hart ook niet geheel voor hem blootleggen. Legt hij zijn hart echter niet geheel voor iemand bloot, dan komt er uiteraard niets terecht van het zichzelf openstellen, dat zeer noodzakelijk is. Je moet daarom proberen van deze Roclus een vriend te maken die je volledig vertrouwt, dan zal hij je nog buitengewoon vreemde zaken vertellen, waarvan je stomverbaasd zult staan!

[6] Maar je strenge, Romeinse houding en deugdzaamheid moetje voor hem veranderen in die van een waarachtig vriend en wel zo open en oprecht als mogelijk is, anders zul je niets bij hem bereiken! Heb je hem echter zover gewonnen, dan zal er gemakkelijk met hem onderhandeld kunnen worden en dan kan Ik pas verder met hem praten; maar nu zou hij, als zijn wil volledig vrij gelaten werd, niet eens met Mij willen praten, maar zou hij doodsimpel tegen Mij zeggen: 'Vriend, de opperstadhouder is de enige die ik ken en met hem heb ik alleen te doen; want jou ken ik met en daarom weet ik ook niet hoeveel ik je in vertrouwen kan meedelen!' En Ik zou daarop voorlopig niets anders kunnen antwoorden dan: 'Vriend, je hebt volkomen gelijk!' Probeer jij hem daarom eerst heel vriendelijk te winnen en breng hem dan pas bij Mij, en daarna zullen wij de hele zaak weldra in kannen en kruiken hebben!"

[7] CYRENIUS zegt: 'Ik wil het wel proberen; maar ik vermoed dat hetgeen ik me voorneem nu juist niet zo precies zal verlopen als ik wens!'

[8] IK zeg: 'Pak het maar op de juiste manier aan, dan zal het wel lukken!"


26 Cyrenius bejegent Roclus als vriend.

De oorzaak van het verval van het priesterschap
[1] Dan wendt CYRENIUS zich weer tot Roclus en zegt: 'luister eens vriend, ik heb alles wat ik van je gehoord heb, rijpelijk overdacht en het voor en tegen onderzocht, en ik heb je redenen zeer waar en steekhoudend bevonden; ik moet je dus zeggen dat je in veelopzichten gelijk hebt, ­maar helemaal in alles toch niet, omdat je toch bij al je gezonde opvattingen de fout maakt overdreven ijverig te zijn en het kind met het badwater weg te gooien. Je baseert je oordeel op het heden en zet een gebouw op dat geen solide ondergrond heeft, op zand staat en door de stormen gemak­kelijk verwoest kan worden.

[2] Het is wel waar dat de priesters, vooral de hoge, voor het grootste deel zeer heerszuchtige en daarom ook merendeels harteloze mensen zijn, en dat de onderpriesters meestal naar hun pijpen moeten dansen, vooral degene die in de onmiddellijke omgeving van de groten en hogen hun ambt moeten vervullen; maar de zaken zijn toch niet helemaal zo waarde­loos en zo'n volkomen bedrog als jij het je voorstelt en denkt!

[3] Denk eens aan het verschil in taal tussen nu en vroeger! Duizend jaar geleden sprak men alleen in beelden en overeenkomstige gelijkenissen. De hele taal was zuiver poëzie, en daarom hebben de ouden alles in versvorm geschreven en meestal ook op deze manier met elkaar gesproken. Het zogenaamde gebrekkige proza kwam pas tevoorschijn toen de mensen, grondig bedorven, overgegaan waren in het puur materiële, vleselijke leven.

[4] De oude profeten en zieners zullen dus steeds de mensen wel de ware en echte God beschreven en getoond hebben, en de eerste mensen hebben hen beslist ook beter begrepen dan wij hen nu begrijpen. Maar door het toentertijd strikte opvolgen van de bekende zeer wijze geboden van God kwamen de eerste nakomelingen al tot grote welstand; dat maakte hen weldra overmoedig, zinnelijk en gemeen. Dergelijke mensen hadden maar al te gauw met de beeldspraak van de ziel niets meer van doen en begrepen de taal van de oude profeten en zieners snel daarna al helemaal niet meer.

[5] Men begon naar de letter te handelen, die niet levend maakt maar doodt, en men verloor op die manier maar al te gauw de lichtkern van de waarheid. Wij allen zoals wij hier zijn, twee uitgezonderd, wisten niets van een innerlijke, geestelijke betekenis, en wat wij van al de zieners en orakels gehoord hebben, kwam ons net als jou volkomen dwaas voor. Maar de twee die ook bij ons zijn en vooral de Ene, hebben ons de ogen geopend en laten zien hoe totaal en ontzettend verkeerd wij allen de oude zieners en profeten hebben begrepen.

[6] Uit zulke verkeerde begrippen moesten uiteindelijk ook wel heel verkeerde levensprincipes voortkomen en daaruit weer andere ontelbare dwaasheden, en de godsdiensten konden tenslotte ook geen beter aanzien hebben dan al het andere wat de mens deed en tot stand bracht.

[7] Maar omdat de mensheid in haar innerlijke, geestelijke levenssfeer zo zeer in het duister terechtgekomen is en zich van de hogere, goddelijk geestelijke invloed totaal verlaten moest voelen, begon de zelfzucht toe te nemen, zich te harnassen, overal vijanden te zien en zich tegen hun mogelijke aanval uit te rusten met louter uiterlijke wapens, zoals een mens die in het dichte woud door de nacht wordt verrast en uit vrees voor eventuele vijanden ook al het mogelijke in het werk stelt om zich te beschermen tegen de vermeende vijanden die hem willen bedreigen.

[8] Ja, menigeen drijft het in zijn angst zo ver, dat hij de mogelijkheid van het bestaan van een wezen dat hem vriendelijk gezind is volkomen uitsluit, zich voor iedereen afzondert en een complete vrek is, die alles voor zijn bescherming bij elkaar graait en niemand naast zich duldt! Hij omgeeft zijn huis met hoge, dikke muren; zijn schatten bergt hij op in ijzeren kisten en begraaft ze bovendien vaak onder de grond, gewoonlijk op zo 'n plaats waar mensen waarschijnlijk nooit zullen komen.

[9] In die toestand wordt de mens dan ook erg heerszuchtig, omringt zich met allerlei macht, en probeert dan op de meest meedogenloze wijze zich alles toe te eigenen uit angst ooit eens te kort te zullen komen.

[10] Ga zo'n echte vrek eens vragen, voor wie hij dat allemaal verzamelt, want hij kan dat wat hij bij elkaar geschraapt heeft, toch immers voor zichzelf in geen duizend jaar opmaken. Dan zal hij je meteen als zijn aartsvijand beschouwen en je beslist geen verantwoording afleggen. En in geestelijk opzicht zijn vooral de priesters nu zo.

[11] Zij zijn weliswaar uiterlijk in het bezit van de oude, profetische overleveringen en lezen en beschouwen deze ook het meest; maar juist daardoor belanden zij ook het eerst en het snelst in een dicht bos vol duisternis en twijfel, waaruit zij nooit meer de weg kunnen vinden. Omdat zij nu eenmaal priester zijn, moeten zij zich voor het volk door allerlei dwaas uiterlijk vertoon de schijn geven als wisten en begrepen zij iets; maar ze weten en begrijpen mets, behalve het feit -echter alleen heimelijk in zichzelf -, dat zij totaal niets weten, begrijpen en beseffen!

[12] Zij gebruiken daarom hun tijd alleen maar om steeds doeltreffender hun absolute onwetendheid voor het volk te verbergen en het een zo groot mogelijk rad voor ogen te draaien, wat voor hen die het met hun denken toch zo ver gebracht hebben dat zij in zichzelf helemaal niets weten -waar al veel voor nodig is -, nu juist niet zo'n moeilijke opgave is.

[13] Sommigen komen achteraf, weliswaar vaak bij toeval, tot enig juist inzicht; maar vanwege het nu eenmaal dom gehouden volk kunnen zij het gebouw dat helaas opgebouwd is uit leugens en bedrog, niet meer omver halen. Zij moeten dus met de stroom mee zwemmen en hoogstens heime­lijk in zichzelf de betere overtuiging behouden.

[14] Je kunt me heus geloven als ik zeg dat er onder de priesters van welke godsdienst dan ook, mannen zijn die maar al te goed het totaal verkeerde van hun uiterlijke leer inzien en wel degelijk kennis hebben van een ware en enige God, die zij in hun hart ook volledig aanhangen; maar toch kunnen zij eens en vooral aan het oude gebouw van dwaling niets veranderen! Dat laten zij heel geduldig over aan Hem die de macht heeft de tempels van het bedrog omver te werpen, wanneer Hij dat wil en het Hem goed dunkt! Want Hij zal ook wel het best weten, waarom Hij het toegelaten heeft voor allerlei namaakgoden en afgoden tempels te bouwen en ze met muren en zwaarden in stand te houden!

[15] Als je dat nu eens heel grondig overweegt, moetje toch in ieder geval wel wat duidelijker gaan inzien, dat je ondanks je scherpe verstand en alle ervaring niet zonder meer als volkomen atheïst met alle aangevoerde redenen gelijk hebt, en datje van de zuivere, innerlijke waarheid nog zeer ver verwijderd bent!

[16] Nu is het jouw beurt weer je te verantwoorden, als je dat wilt en kunt; want nu staan wij als vrienden tegenover elkaar, en je kunt zonder enige angst voor gerechtelijke vervolging vrijuit spreken! Je kunt openlijk zeggen wat je op het hart hebt en ik zal je vervolgens niet als hoge gezagsdrager van Rome en niet als opperrechter, maar als mens en broeder door woord, raad en daad trachten op de goede weg te brengen! Als je dit echter niet wilt, kun je naar believen ongehinderd hier weggaan, en gaan waarheen je wenst en wilt! Wel zal het mij zeer aan het hart gaan je in die waan hier vandaan te laten gaan, maar niettegenstaande dat zul je alleen al vanwege je scherpzinnigheid, die ik weet te waarderen, geen enkele dwang van mijn kant ondervinden. - Spreek dus nu verder helemaal vrij en openlijk met mij, je vriend!'


27 Het kunstmatige Allerheiligste in de tempel te Jeruzalem.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   53


Dovnload 2.11 Mb.