Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Uitgeverij de ster, ginnekenweg 124, 4818 jk breda

Dovnload 2.11 Mb.

Uitgeverij de ster, ginnekenweg 124, 4818 jk breda



Pagina7/53
Datum28.10.2017
Grootte2.11 Mb.

Dovnload 2.11 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   ...   53
Indische gruwel van boetedoening

[1] ROCLUS zegt: 'Heer, heer, heer, uw repliek was erg goed en wijs, en ik heb alles woord voor woord diepgaand doordacht en zorgvuldig overwo­gen! Ik..ontdekte veel waars en goeds daarin en ook dat u, voor mij haast onbegrijpelijk, een echte kosmopoliet bent, zoals er thans vooral op uw niveau helaas nog maar bedroevend weinig zijn.

[2] Het Idee van een enig, zeer wijs, maar daarbij ook zeer humaan god klinkt heel mooi en erg loffelijk; maar waar bestaat zo'n godheid anders dan juist in de verheven gedachten van een poëtisch gestemd mensenge­ moed? Want als er ergens anders een goddelijke realiteit zou zijn, dan zou deze zich immers toch door iets bijzonders uiten! Maar men kan doen wat men wil, en zoeken en vorsen met de grootste vlijt en met de intensiefste opmerkzaamheid en scherpzinnigheid, en dat steeds met de beste wil van de wereld, maar het helpt allemaal niets!

[3] Overal waarheen men zich ook zoekend keert, staat een verkleed mens op de voorgrond, zoals er in de tempel in Jeruzalem voor de kostbare voorhang wachters staan, opdat toch maar geen leek achter de mysterieuze voorhang zou kunnen komen. Maar iemand zoals ik kwam door zijn goud ook als niet-jood achter die Isissluier en vond daarachter niets dan wat mensenhanden gemaakt hebben: een sarcofaagachtige kist uit zwart en bruin hout, met in het midden van deze kist een ijzeren schaal, waarin met een felle hoge vlam nafta brandde, en die vlam stelde de aanwezigheid van de allerhoogste god voor!

[4] Nu is mijn vraag, hoeveel blindheid en domheid er voor nodig is om dat te kunnen geloven! Waar is daar de god, en niet de mens die dat allemaal in elkaar heeft gezet als illusie voor zijn medemensen, die hij alle kennis op leven en dood onthoudt opdat zij voortdurend zo dom en blind mogelijk zullen blijven en met bebloede handen dag en nacht zullen werken, zodat de arbeidsschuwe plaatsvervangers van god zich goed kunnen vetmesten op kosten van de arme, domme saters. Wat interesseert zo'n mensgoddelijke hoogheid ook het leven van miljoenen? Om zich niet alle furiën op de hals te halen, moeten die ieder ogenblik bereid zijn hun leven ergens op het spel te zetten om hun onverdelgbare kwelgeest die op gods plaats zit, wat eigenlijk hun grootste kwaad is, te onderhouden!

[5] Vriend, als ik u zo mag noemen, ga naar Indië en kijk daar eens naar de bevolking en uw haren zullen te berge rijzen! Daar kan men boetelingen aantreffen waarvan onze fantasie nog nooit heeft kunnen dromen! Hier bestaan tegen misdadigers straffen die door de rechters opgelegd worden en door de gerichtsvoltrekkers in het ergste geval op z'n hoogst gedurende één dag aan de overtreders van de wet voltrokken worden. Maar daar duurt de geringste boetestraf minstens een tot twee jaar, die de zondaar zonder enige genade onherroepelijk aan zichzelf moet voltrekken, en de lichtste straf is daar al dermate gruwelijk, dat een Romeinse kruisiging daarbij vergeleken letterlijk in het niets valt. Ik zal slechts een paar kleine voorbeelden geven en dan zult u daar beslist genoeg aan hebben!

[6] Ik zag zo'n licht bestrafte! Hij had drie ijzeren spijkers door zijn kuiten gestoken, maar moest toch een zware last rondom een boom heen trekken­. Als zijn lichaam moe dreigde te worden, nam hij een zweep met ijzeren punten en.sloeg zichzelf daarmee geweldig. Zijn dagelijks eten als boeteling bestond uit zeven vijgen en een kruik water. Deze boeteling was reeds in het tweede jaar van zijn boetedoening en leefde nog steeds.

[7] Een ander, ook een licht bestrafte, droeg over zijn hele lichaam stekels als een stekelvarken, alleen met dit verschil: bij het stekelvarken staan de scherpe punten naar buiten gekeerd, bij de boeteling waren ze echter naar binnen gekeerd en staken minstens twee duim diep in zijn lichaam. Deze stekels, hetzij uit hout, been of ook uit metaal, moet de boeteling volgens voorschrift van de vriendelijke boeteprofeet zelf in zijn lichaam steken en wel iedere dag één meer, gedurende de hele boetetijd van twee jaar, zodat hij aan het eind van zijn wanhopige boetetijd net zoveel heilige boetestekels in zijn lichaam heeft zitten als er dagen in twee volle jaren gaan. Als de boeteling zijn boetedoening overleeft, dan begint daarna pas de vrijwillige naboetedoening, terwille van de verdienste voor de alziende ogen van Lama; want het eerste verplichte deel was er alleen maar om van Lama vergeving van een zonde te verkrijgen. Pas door de naboetedoening kan de zondaar een verdienste voor Lama verwerven.

[8] Ik vroeg de boeteverkondiger, die overigens heel vriendelijk was­ waarin dan de naboetedoening van deze stekelboetedoener bestond. En deze antwoordde: 'Uit twee of ook drie dingen! Ten eerste kan hij de stekels tot aan het eind van zijn leven in zijn lichaam laten zitten, wat veel ongemakken met zich mee brengt, vooral bij de nachtrust; want dergelijke boetelingen kunnen dan alleen op het stuifzand of met aan hem vastgebonden zakken die met lucht gevuld moeten zijn, in het water hij nachtrust genieten. Ten tweede kunnen zij de stekels weer uit hun lichaam trekken, maar per dag niet meer dan één, en dus hebben zij voor het uittrekken net zoveel tijd nodig als eerder voor het insteken. Ten derde kunnen zij ook alle stekels er in een keer uit laten trekken en daarna een balsembad nemen. Dat heelt het snelst de wonden en de boeteling is daarna meteen weer een bruikbaar mens die tot werken in staat is, maar hij moet daarvoor of een groot offer aan Lama schenken, of vier jaar lang slaaf van een priester zijn en diens akker, weiden en tuinen verzorgen, waarbij hij zichzelf echter geheel uit eigen middelen moet verzorgen. Dat het hem daarbij met al te goed gaat, laat zich vanzelfsprekend wel indenken!’

[9] Dat, vertelde zo'n vriendelijke boetepriester mij, waarop ik hem vroeg wat zo’n zondaar dan wel gedaan moest hebben om zo'n marteling als boetedoening opgelegd te krijgen. Toen zei de boeteprediker: 'Daar is vaak helemaal geen werkelijke misdaad voor nodig, maar dat ligt verborgen in de ondoorgrondelijke wijze willekeur van de eeuwige Lama! Hij openbaart zijn heilige wil enkel en alleen aan zijn opperste priester op aarde. Die verkondigt deze dan aan ons, lagere priesters en wij onderrichten dan het volk, dat ons blind gehoorzamen moet. Want al zijn wij ook oneindig klein en gering voor de hoogste priester van Lama, voor het volk zijn wij toch oneindig veel en groot en onze wil is zeer machtig! Eén woord uit onze mond is voor het gewone volk een ijzeren wet, omdat het wel weet dat het woord van Lama en van ons één is!'

[10] Ik vroeg hem of Lama dan nooit een reden aangaf, waarom hij zo'n mens veroordeelde tot zo'n ontzettende, gruwelijke boetedoening. Toen zei de priester weer met het vriendelijkste en deemoedigste gezicht van de wereld: 'Zegt Lama ooit aan een mens hoe, wanneer en waarom hij hem een vreselijke, pijnlijke ziekte geeft? Lama is zeer wijs, almachtig en rechtvaardig. Hij doet wat hij wil en vraagt nooit iemand om raad, en het oordeel van de mensen is hem een gruwel! Wie kan zich verzetten tegen de wil van Lama, die toch almachtig is? Het zou het ontzettendste van het ontzettende en het verschrikkelijkste van het verschrikkelijke zijn om hem boos te maken! Daarom is het voor de mens heilzamer zich op deze wereld, waarop alles een eind heeft, alle martelingen aan te doen, dan in een andere wereld eeuwig in het verschrikkelijke vuur van de toorn van Lama te branden.’

[11] Daarop vroeg ik de vriendelijke man, die uiterlijk met de grootste en vroomste gemoedsrust jarenlang kon aanzien hoe volgens de aan hem bekendgemaakte wil van Lama honderd boetelingen hun lichaam ondraag­lijk pijnigden en kastijdden, waarom zich dan onder de boetelingen geen jonge vrouwen nog minder een meisje en ook helemaal geen priester bevond. Men zag alleen maar wat meer bejaarde mensen, merendeels Moren, en heel oude, gewoonlijk erg lelijke vrouwen! Daarop zei de vrome priester alleen maar: 'Beste, weetgierige vreemdeling, iedere ver­klaring ligt in het 'Lama wil het' besloten. Als men dat weet, is ieder verder vragen overbodig!"'


28 Roclus over de Indische priesterkaste
[1] (ROCLUS:) Dat antwoord ergerde mij als Romeins burger, en ik zei tegen hem: 'Vriend, zou je me ook dan zo antwoorden als ik aan het hoofd van tienmaal honderdduizend soldaten deze vraag met een streng gezicht op leven en dood aan je gesteld zou hebben en je had opgedragen al deze arme stumpers van boetelingen ogenblikkelijk van hun boetedoening te ont­slaan?' Dit verbaasde de vrome man enigszins, hij keek mij met een grote vragende blik aan en scheen diep na te denken over wat hij mij op deze vraag moest antwoorden.

[2] Maar ik zei met een heel ernstig gezicht tegen hem: 'la, ja, bekijk mij maar, zodat je mij later aan het hoofd van een machtig leger des te eerder en gemakkelijker zult herkennen wanneer ik de kwade, versterkte burcht van jullie gruwelijke god en zijn opperpriester zal aanvallen en verwoesten! , Toen vermande mijn eerst zo vriendelijke zieleherder zich, trok een grimmig gezicht en zei tegen mij: 'lij waanzinnige sterveling, eerder verwoest je de maan dan de vesting van Lama! Maar waar is je leger?'

[3] Ik zei: 'Dat zal ik je niet aan je neus hangen! Eén gebaar van mij is echter voldoende en dan zul jij , slecht mens, nog vroeg genoeg ondervin­den, waar mijn leger zich opgesteld heeft! Ik zegje: Als je mij nu over de Lama en over zijn opperpriester en over jullie connecties met hem en over de reden van deze schandelijke mensenmishandeling niet alles volledig naar waarheid vertelt, laat ik je grijpen en twintig jaar lang op alle manieren die mijn fantasie mij zal ingeven, martelen, opdat ook jij eens kunt proeven hoe het deze arme boetelingen te moede moet zijn bij zulke ongehoorde kwellingen en martelingen! ,

[4] Nu zag de vrome man dat er met mij niet te schertsen viel en hij begon, hoewel zichtbaar met tegenzin, met de waarheid voor de dag te komen, maar wel met vooraf de opmerking en vraag, dat hij dan met mij mee wilde gaan, omdat hij anders zijn leven niet meer zeker zou zijn, hetgeen ik hem dan ook beloofde, waarop hij meteen als volgt het geheim prijs gaf

[5] 'Er is bij ons wel een handschrift, dat nog afkomstig moet zijn van de aartsvaders van deze aarde. De makers daarvan moeten volgens zeggen van de hoogste god, wiens ware naam alleen de opperpriester kent, een zekere Kienan, Jared en Henoch zijn. Ook van Nohai en Minihal zijn uitgebreide mededelingen in het grote wereldboek der boeken voorhanden; maar wij kennen de inhoud daarvan niet en kunnen er ook nooit een blik in werpen­ omdat daarop de pijnlijkste doodstraf is gesteld.

[6] Van ons onderpriesters heeft niemand ooit de Lama gezien! Je kunt al van zeer veel genade en geluk spreken als je in je leven ook maar eenmaal de opperpriester van de Lama te zien krijgt. Van de Lama zelf is al helemaal geen sprake! De opperpriester draagt kennis van de levensomstandigheden van al zijn onderdanen en van alle hem onderhorige vorsten, die hij net zo beveelt als een heer zijn dienaren. Zij moeten hem in alles wat hij wil gehoorzamen, anders kost het hem slechts één woord aan zijn volkeren, die blindelings en rotsvast in hem geloven en hun hele wel en wee enkel en alleen maar van hem verwachten, en deze staan op en brengen alle vorsten met het grootste plezier van de wereld om, omdat dat hun het hoogste welgevallen van de Lama oplevert. Daarvan zijn de vorsten zeer goed op de hoogte en daarom bewijzen zij in hun eigen belang de opperpriester alle denkbare eer en offeren hem jaarlijks grote sommen goud en zilver, en verrijken hem nog bovendien met de mooiste kudden.

[7] Dicteert hij voor de een of ander een lichamelijke boetedoening, waarvan ook geen vorst gevrijwaard is, dan kunnen de vorsten deze met goud of kostbare edelstenen en parels afkopen, of zij kunnen door middel van een verzoek toestemming vragen of iemand anders, die zeer vroom is en nog nooit boetedoening kreeg opgelegd, voor een vorst als vervanger diens boetedoening kan overnemen, als hij dat wil; want dat wordt geheel aan de vrije wil van de vrome overgelaten, evenals ook het vaststellen van de vergoeding voor het plaats vervangen, die bij zulke gelegenheden nooit zo heel erg bescheiden uitvalt. Want dergelijke vrome plaatsvervangers halen reeds van te voren bij de boeteverkondigers betrouwbaar advies en kunnen de aan een vorst opgelegde zeer pijnlijke lichaamsstraf in een willekeurige lichtere omvormen, die door de opperpriester van de Lama aanvaard wordt als geldend voor de vorst als hij de boetevervanger een voldoende grote som daarvoor heeft betaald, waarvan de desbetreffende plaatsvervanger tweederde aan ons priesters moet afdragen.

[8] Bij het opleggen van een boete moet altijd de geheimgehouden norm aangehouden worden dat hoogst zelden aan arme mensen een boete wordt opgelegd; en als die welopgelegd wordt, dan behoort deze altijd tot de allerlichtste soort. Grote en zware boeten worden gewoonlijk alleen aan rijken en welgestelden opgelegd, die zich hetzij ten dele of ook wel geheel vrij kunnen kopen van de boeteoefening, als zij dat willen. Maar behalve een vorst koopt zelden iemand zich helemaal vrij, omdat zo'n volle afkoop hem zijn hele vermogen zou kosten. De gierige verricht de boetedoening dan wel zelf en martelt zich liever op de ergste manier, dan zijn goud of zilver af te geven. Heeft degene die een boete voorgeschreven kreeg ­eventueel een erg mooie dochter of ook wel een heel knappe goedge­bouwde zoon, dan kan hij deze in plaats van het goud en het zilver als offer aan de opperpriester brengen, natuurlijk met een kleine bruidsschat en met sieraden en rijke kleding; want dat alles kan de opperpriester met zijn ontelbare dienaren ook goed gebruiken en voor allerlei diensten inzetten. Want hij bezit voor zichzelf, merendeels in de bergen en op de hoogten, verschrikkelijk grote landerijen die zo uitgebreid zijn, dat een mens jarenlang rond zou moeten trekken voordat hij alle landerijen gezien heeft die de hogepriester als een geschenk van Lama toebehoren."'


29 Roclus vertelt over de residentie van de opperpriester van Lama
[1] (ROCLUS:) De stad waarin hij resideert heeft geen naam, is zeer groot en voor de eeuwigheid gebouwd. Zij staat, omgeven door enkel onbe­klimbare, zeer hoge bergen, zelf op een hoge berg die een rotswand heeft waarover wel niemand zou kunnen klimmen, gesteld dat hij in de buurt van de reusachtige berg zou kunnen komen; dat is echter totaal onmogelijk omdat de hele grote berg waarop de naamloze stad gebouwd is, in de zeer uitgestrekte hoogvlakte door een drievoudige ringmuur is omgeven waarin nergens een poort is; je kunt slechts door van bovenaf neergelaten touw­ladders over de muren komen.

[2] Ben je echter op deze wijze heelhuids over de drie reusachtige muren gekomen, dan sta je vervolgens voor de kale rotswanden van de berg. Vol ijver loop je dan ruim een halve dag om de berg heen om tevergeefs naar een mogelijke weg omhoog te zoeken, die je echter met geen mogelijkheid vindt, omdat er aan de buitenkant geen is. Alleen de wachters van de derde ringmuur kennen de poort in een rots, die je echter ook alleen maar weer door middel van een neergelaten touwladder bereikt. Als je eenmaal op de vooruitspringende rots boven bent aangeland die ongeveer twaalf mans­lengten van de bodem verwijderd is, dan heb je nog niets bereikt als de wachters van dit vooruitspringende gedeelte dat bovenop een oppervlak van ruim twee morgens heeft, de poort niet voor je opendoen en je met een fakkel door een lange onderaardse gang naar de top van de berg brengen.

[3] Als iemand na ruim een uur trappenlopen door onderaardse gangen eenmaal boven op de berg is aangeland, dan kan zijn oog niet genoeg krijgen van de grote natuurpracht die hij daar ontwaart. De ruimte daar boven is meerdere honderden morgens groot en men ziet er zeer weelderig aangelegde tuinen. In het midden van de hoogvlakte bevindt zich ook een meer, dat ongeveer twee morgens groot is en dat weliswaar niet erg diep is, maar zeer zuiver, aangenaam smakend water bevat en alle inwoners van de grote, heilige bergstad ruimschoots voorziet van hun onmisbare ele­ment.

[4] Dan loop je urenlang rond op de hoge bergvlakte zonder een spoor van een stad op te merken. Wil je die bereiken, dan moetje eerst door een tamelijk uitgestrekt bos, waarna je weer bij een hoge, lange ringmuur komt, die je echter via poorten en ophaalbruggen kunt passeren. Kom je na zoveel moeite en inspanning in de grote stad, dan is daar een pracht te zien waarvan geen sterveling zich een voorstelling kan maken. Alles kun je zien, behalve het paleis van de opperpriester.

[5] Dat bevindt zich in het midden van de grote stad op een nog hogere rots, die een omvang heeft van ruim drieduizend pas en nog zo'n dertig manshoogten boven de andere gebouwen van de grote stad uitsteekt. Je komt in dit zeer heilige paleis ook alleen maar langs onderaardse trappen. ­Hoe het er echter daar uitziet, kan ik je niet zeggen, omdat ik er ten eerste zelf nooit in ben geweest en ook niemand het mij ooit beschreven heeft; want behalve de opperdienaren van de opperpriester mag op straffe des doods niemand het ooit wagen de ingangspoort ook maar te naderen.

[6] Wel is het zo dat de opperpriester meermalen verkleed in de stad afdaalt, ook in de tuin wandelt en zich onderhoudt met de andere priesters, die de enige bewoners van deze stad zijn; maar niemand mag hem daar herkennen of hem zelfs als opperpriester begroeten. Wie van de priesters dat zou doen, zou zich blootstellen aan zeer bedenkelijke onaangenaamheden. Slechts vier maal per jaar is er een dag aangewezen waarop hij zich in volornaat aan de bewoners van de stad vertoont. Dat zijn dan ook de hoogtijdagen. Drie nachten ervoor en drie nachten erna branden op de hele berg talloze lichten, zodat alle omliggende bergen daardoor tot in de verre omtrek lijken te gloeien, hetgeen steeds een prachtig schouwspel is.

[7] Deze hoogvlakte, in het midden waarvan zich de nu beschreven berg D.iet de heilige stad bevindt, is ook niet zo gemakkelijk te bereiken als men zich dat misschien voorstelt; want vooraf moet men in lange dagreizen vele bergen, dalen, kloven en ravijnen overwinnen. Aan het eind volgt nog een bergengte, zoals er geen tweede ergens ter wereld meer te vinden kan zijn! Om tenslotte op de hoogvlakte te komen moet men ladders beklimmen, want zonder deze is het onmogelijk om op de hoogvlakte te komen. Je kunt er ondanks alle inspanningen onmogelijk verder komen, want deze natuur vestingen zijn door geen aardse krijgsmacht in te nemen, noch door belegering, noch door wat voor andere gewelddadige middelen dan ook. Men kan weliswaar de volken gedurende enige tijd van hun Lama-opper­priester afsnijden, - maar hen van hem afvallig maken nooit! Want daarvoor zorgen wel zijn machtige vorsten, waarvan elk in staat is uw krijgsmacht te verdubbelen. Ik raad het u daarom niet aan u aan het grote Indië te vergrijpen; want het zou u daarbij heel slecht vergaan!' -Daarop zweeg hij weer en ik had tijd er het mijne van te denken. Dat ook de god der Indiërs weer een mens is en zich uitstekend heeft weten te beveiligen, dat ben ik te weten gekomen en ik wist nu juist datgene wat ik had willen weten.
30 Roclus bekritiseert de Indische en joodse religie
[1] (ROCLUS:) 'Ja, eerder gaf ik als mijn mening te kennen, dat de menselijke idee over één god in wie van eeuwigheid steeds de grootste intelligentie, het helderste verstand, de hoogste wijsheid en de beste en almachtigste wil aanwezig is, wel tot de mooiste en menswaardigste gerekend zou kunnen worden. Maar een goddelijke wezen dat zo buitengewoon volmaakt is, zou als begrip ook zeer zuiver moeten zijn, onafhankelijk van het feit of hij helemaal geestelijk transcendent gezien al of niet een realiteit zou zijn! Maar onder wat voor domme en materialistische begrippen wordt zo'n goddelijk wezen aanbeden, en met wat voor soort listen en vaak gruwelijk geweld wordt dat de andere nog nuchtere, natuurlijke mensen ter aanbid­ding en diepste verering opgedrongen!

[2] Als men zich als ervaren denker daartegen verzet, heet het: Een god moet er zijn, 't geeft niet wat voor gezicht hij heeft; een goddelijk waardig of ontzettend grotesk dom, dat is over het algemeen hetzelfde voor de totaal blinde mens! Maar is dat ook voor een ontwikkeld zuiver verstand hetzelfde? Ik geloof het niet, want een zuiver verstand baseert zich op een mathematisch juiste, logische orde en kan zich ondanks alle dwang nooit voorstellen, dat een meester wiens bijzonder kunstige, ordelijke werken getuigen van grote kennis en gedegen ervaring die hij moet hebben bezeten om zulke schitterende en buitengewoon ordelijke, vernuftige werken tot stand te brengen, nog veel dommer en stompzinniger geweest zou zijn dan de allerdomste vis in het water!

[31.Maar, zegt men, waarom zou ik dan denken dat een godheid die door miljoen.en mensen zeer diep vereerd wordt, zo ontzettend dom zou zijn? Nee, luister, geëerde vriend, daar is waarlijk niet zoveel voor nodig! Ik zeg nu heel openlijk wat uit mijn hart opwelt. Als wij de geboden van de ons bekende godheden eens bezien en kijken naar wat wij aan afbeeldingen van hen hebben, dan is dat al voldoende! Meer hoeft men daarover in 't geheel niet te zeggen "

[4] Dan zegt CYRENIUS: 'Nu, tegen de Mozaïsche wet van de joden zul je hopelijk toch niets in te brengen hebben?"



[5] ROCLUS zegt: 'Dat is stellig nog de beste van alle geboden die ik als van goden afkomstig heb aangetroffen. Voor de goddelijke eenheid is veel te zeggen en de voorschriften, ook al zijn zij niet uitputtend, zijn zo menslievend mogelijk en hebben een grote overeenkomst met die van het oude Egypte; alleen heeft Mozes een heel wijs voorschrift van de oude Egyptenaren niet vertolkt! Het is mooi en lofwaardig dat de godheid hem een voorschrift geeft voor de kinderen, hoe deze zich tegenover hun ouders hebben te gedragen; maar Isis van de Egyptenaren heeft ook een echt wijs voorschrift aan de ouders gegeven, hoe zij zich tegenover hun kinderen moeten gedragen, omdat ook kinderen mensen zijn en van hun verwekkers bepaalde dingen die hun toekomen, met recht moeten kunnen verlangen; want zij hebben zich niet zelf verwekt op deze wereld en men heeft hen vooraf niet gevraagd of zij het er wel mee eens waren om vaak onder zeer bittere omstandigheden op de wereld geplaatst te worden. Kortom, de kleine, zwakke, nieuw geboren mensen vinden bij Mozes wel een voor­schrift voor hun gedrag tegenover hun ouders, maar deze hebben er geen tegenover de kinderen, en dus staan deze rechteloos tegenover hun ouders, zoals slaven tegenover hun heren. Door Mozes zijn ook in dit opzicht wel latere bepalingen toegevoegd; maar in de aanvankelijke wet die op de berg door God gegeven is, staat daarover niets'
31 Roclus prijst de goddeloosheid en het niet-bestaan
[1] (ROCLUS:) 'Ik ben veel met joden omgegaan en al hun wetten ken ik wellicht beter dan velen van hen, want er was mij veel aan gelegen deze precies te leren kennen. Een oud spreekwoord zegt weliswaar: 'Wie zoekt, die vindt!', -maar tot op heden is deze spreuk bij mij nog niet bewaarheid geworden; want ik vond steeds alleen dat wat ik niet gezocht heb. Ik heb de echte, ware godheid gezocht en dat deed ik heel ijverig en met veel geldelijke offers, moeite en alle mogelijke inspanning, en dat ook steeds nuchter van geest en verstand, -ik vond echter niets, helemaal niets anders dan menselijk bedrog in vele vormen en gedaanten, waarin geen enkele godheid, ook niet ter grootte van een zonnestofje te vinden was. Overal vond ik in het gunstigste geval het geloof in de patriarchale autoriteit, maar steeds ingekapseld in een compleet oerwoud van mystiek, of in ergere gevallen het lichtzinnig bijgeloof, of in het allerergste geval een waanzinnig geloof onder de dwang van politieke onderdrukking, onder welks vleugels tenslotte zelfs een van nature zeer begaafde geest zich in de modder van de ergste domheden niet meer staande kan houden. In eigen ogen zal hij zich voelen als een huichelaar en een monster; want ten opzichte van de hoge waarde van de menselijke geest bestaat er voor mij niets monsterlijkers en ellendigers dan op gezag van een door een machtige tiran bekrachtigde wet aan te moeten nemen dat overdag alleen de maan schijnt en zorgt dat het dag wordt, en 's nachts alleen de zon; en wie dat niet gelooft, worden als aanvangsstraf voor het ongeloof de ogen uitgestoken, neus en oren afgesneden en de tong uit de mond gerukt.

[2] Gelooft zo'n verminkt mens dan nog niet wat men hem wil laten geloven, dan wordt de ongelovige geheel naakt met handen en voeten op het ruwste kruishout -zeg maar -vastgespijkerd, vervolgens wordt zijn buik kriskras opengereten en dan worden er uitgehongerde honden op losgelaten, die de ongelovige volledig bij bewustzijn de darmen en inge­wanden uit het lichaam scheuren en deze opvreten! Wie dat soms niet zou kunnen geloven, moet maar eens naar Indië reizen, dan zal hij niet alleen dat, maar nog duizendmaal ergere dingen aantreffen, die de mensen zichzelf moeten aandoen. En als iemand zou weigeren zichzelf als boeteling de afgrijselijkste martelingen aan te doen, wee, wee, wee hem, -die is onder duizend eden ten dode gedoemd, natuurlijk op de meest gruwelijke en vertwijfelde wijze! En, vriend, moet daarachter dan de een of andere zeer wijze, zeer goede, rechtvaardige en almachtige godheid schuil gaan? Al zou ik een tiendubbele dwaas worden, dan zou ik toch onmogelijk zoiets kunnen aannemen!

[3] Houd wat mij betreft dus maar op met alle godendom! De mensen hebben eeuwig geen god nodig, maar wel de ware filantropische filosofie en een op rationele principes gebaseerde menselijkheid, en daardoor worden zijzelf geheel volmaakte goden. Met het zuivere verstand en met hun ontwikkelde, onderzoekende geest zullen de scherpziende, fijngevoe­lige mensen moeder natuur weldra heel veel belangrijke geheimen ontfut­selen en wonderbare daden tot stand brengen waarvan geen van ons nog ooit ook maar gedroomd heeft, en de mensen zullen zonder de oude, domme goden met elkaar een volmaakt gelukkige levenswandel hebben. De fysieke dood, waarachter zij weliswaar geen Elysium, nog minder de een of andere allerwaanzinnigste Tartarus in hun pure fantasie zullen zien en verwachten, zal hun beslist een veel geringere angst aanjagen dan wanneer hen na het afleggen van het lichaam pas de ware, allerafschuwe­lijkste gebeurtenis eeuwigdurend te wachten staat.

[4] Eeuwigheden bestond ik niet; voel ik soms enige droefheid omdat ik er niet was? Dus zal ik, als ik weer volledig niet besta, om dit dwaze bestaan beslist nog minder iets van hinderlijke droefheid voelen. Ik houd het volledig niet-bestaan voor de meest gelukkige toestand van een mens die eens was; het zich aanwezig voelen is zelfs in de gelukkigste toestanden op zichzelf al slechter, omdat met het gelukkige bestaan ook de vrees bestaat, of gemakkelijk in een ongelukkig bestaan te kunnen geraken, of eens door de dood wis en zeker de gelukkige toestand te moeten verliezen.

[5] Het volmaakte niet-bestaan ondervindt noch de genietingen van het geluk, noch het van tevoren betreuren van het verlies ervan, dat zeker komt. Een waar filosoof van mijn soort zal daarom door geen natuurlijke dood afgeschrikt worden, maar wel door een marteldood! Want de lieve natuur heeft de mens toch niet uit een in haar aardhumus geproduceerde stof voortgebracht, om zich door zijn medemensen te laten martelen?! Kortom, ik vind de werken van de natuur erg wijs, hoewel Ik nu juist ook niet iedere werking van de ruwe natuurkracht voor volstrekt wijs en doelmatig houd; maar ik zal daarover nooit klagen:'

1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   ...   53


Dovnload 2.11 Mb.