Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Uitgeverij de ster, ginnekenweg 124, 4818 jk breda

Dovnload 2.49 Mb.

Uitgeverij de ster, ginnekenweg 124, 4818 jk breda



Pagina1/43
Datum05.12.2018
Grootte2.49 Mb.

Dovnload 2.49 Mb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   43

Het grote Johannes evangelie

De Heer gaf dit door het innerlijke woord


aan
Jakob Lorber

Deel I




UITGEVERIJ DE STER, GINNEKENWEG 124, 4818 JK BREDA


Oorspronkelijke titel: 'Johannes, das grosse Evangelium' geschreven door Jakob Lorber. Dit boek is gepubliceerd door Lorber-Verlag, Bietigheim Wurttemberg.


Wie wat meer zou willen weten van de profeet Jakob Lorber, kan zich wenden tot de

Jakob Lorber Stichting voor het Nederlandse taalgebied

Burg. de Millylaan 1,7231 DP Warnsveld. Telefoon: 05750 - 21803
Copyrights 1988 Uitgeverij De Ster - Breda
NUGI 632

ISBN 9065564918


Uit deze uitgave mag uitsluitend iets verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm, opnamen, of op welke andere wijze ook, hetzij chemisch, elektronisch of mechanisch, na voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
Any part of this book may only be reproduced, stored in a retrieval system and/or transmitted in any form, by print, photoprint, recording, or other means, either chemic, electronic or mechanic, with the written permission from the publisher

Inhoud
hoofdstuknummer/omschrijving/tussen haakjes, indien bekend, de datum waarop het geschreven werd

Cursief worden de plaatsen van handeling aangegeven.



Verklaring van het bijbelse Johannes evangelie Joh.l:1-5 en 6-13

1 Uitleg van de eerste verzen. (2.8.1851 )

2 De oude en nieuwe getuige, Johannes de doper.

3 De menswording van het eeuwige woord.

4 Over wet en genade.
Bij Bethabara.
5 Jordaan. Johannes de doper getuigt van zichzelf.

6 Johannes doopt de Heer met water.

7 Drie verzen als voorbeeld.

8 Bethabara. De Heer roept Andréas en Petrus.

9 Jordaan. Ook Philippus en Nathanaël volgen.
De bruiloft te Kana in Galiléa. De tempelreiniging.
In Nazareth.
10 Kana. De drie stappen tot wedergeboorte.
In Kana in Galiléa.
11 De bruiloft te Kana in Galiléa.
Kapérnaum en reis naar Jeruzalem.
12 Naar Kapérnaum. Begin van het prediken.
In Jeruzalem.
13 Jeruzalem. De tempelreiniging.

14 Het afbreken en opbouwen van de tempel.

15 De tekenen die doden.
Herberg buiten Jeruzalem.
16 De geestelijke betekenis der tempelreiniging.
Jezus spreekt met Nicodemus. Johannes spreekt over Jezus.
17 De slaapwandelaars.

18 Het onbegrip van Nicodemus.

19 Aardse beelden van geestelijke dingen.

20 Nicodemus en het rijk van God op aarde.

21 Wie niet in de Heer gelooft, is al veroordeeld.

22 Alleen de liefde is het echte in de mens.


In het Joodse land rondom Jeruzalem.
23 Judéa. Dopen met water, en met de heilige geest.

24 Enon. Het grote getuigenis van Johannes de doper.


Bekering van de Samaritanen. Genezing van de koningszoon.

Onderweg in Samaria.
25 De Heer trekt door Samaria naar Galiléa.
Bij Sichar aan de Jacobsbron.
26 Bij Sichar. Aan de Jacobsbron.

27 Het echte aanbidden van God.

28 De Heer maakt Zich bekend als de Messias.

29 Genezing van de vrouw aan de Jacobsbron.

30 De heiliging van de sabbat.

31 Het echte ereteken.

32 De Heer ziet het hart aan.
In Sichar en omgeving.
33 De dokter en de Samaritaanse wetgeleerden.

34 In Sichar. De hemelse inrichting van het huis.

35 De leerlingen zien de hemel geopend.

36 De Heer trouwt Joram en Irhaël.



De eerste van twee volle dagen in Sichar.
37 Bij Irhaël. Over de betekenis van de droom.

38 Niet het horen, maar het doen brengt heil.

39 Het oudste en echtste huis van God.

40 Op Garizim. Kritiek op de bergrede.

41 Onbegrip voor de beeldspraak der bergrede.

42 De bergrede door Nathánaël duidelijk uitgelegd.

43 Verdere uitleg van Nathánaël.

44 Symbolische ogen, armen en voeten.

45 Niet iedereen kan de Heer lichamelijk volgen.

46 Terug naar Sichar. De genezing van de melaatse.

47 Bij Irhaël. ledere heer heeft dienaren.

48 Heerlijke belofte voor daadwerkelijke volgers.

49 ledere dag is van de Heer.

50 Voor de naastenliefde kent geen rustdag.

51 Het 'Evangelie van Sichar'.
De volgende dag in Sichar.
52 De belastering van de dochters van Jonaël.

53 De bestraffing van de leugenaar en lasteraar.

54 Bij Jonaël. Kritiek van de leerlingen op de Heer.

55 Bij Ezau's slot. De koopman en het hoogste ambt.

56 Het gevolg van leugen en waarheid.

57 Hoe de koopman de Messias verwachtte.

58 Het vlees heeft een aards einde.

59 Ezau's slot. Vrees voor Wie hij lief moest hebben.

60 Bij de Heer is de echte wil gelijk aan de daad.

61 Een wonder maakt de geest niet vrij.

62 De Heer opent voor allen de weg naar de hemel.

63 De uitwerking van hemelse en aardse wijn.

64 De wil van de Heer is de kracht van de engelen.

65 Aangeklaagd en onschuldig verklaard.

66 Dorpje bij Sichar. Genezing van de verlamde.

67 Vesting bij Sichar. De nieuwe wet der liefde.

68 De overste en het toepassen van de leer.

69 Het verstand kan talloze goden creëren.

70 De waarheid die alles doordringt.

71 De Heer getuigt van de Vader.

72 Het einde der wereld en het oordeel.

73 Sichar. Johannes, de genezen verlamde man.

74 Bij Irhaël. Nooit kwaad met kwaad vergelden.

75 Behandeling van dieven, rovers en moordenaars.

76 De mens kent het goede, maar doet het kwade.

77 De Heer weet de juiste maat. ­

78 Straffen als geneesmiddel.

79 De behandeling van zielsziekten.

80 Vermijdt de eigendunk.

81 De Heer is de brug naar de geestelijke wereld.

82 Afscheid van Irhaël en Joram.

83 De macht van het woord.



De reis naar Galilea.

Reis naar Kana in Galilea.
84 Naar Galilea. De zonsverduistering.

85 Het nieuwe en eeuwigdurende rijk.


In Kana in Galilea.
86 Kana in Galilea. De verlokking van satan.

87 De Joden verlangen terug naar hun zuurdeeg.

88 Overste Cornelius en de tempelreiniging. (4.10.1851)

89 Twee rustdagen in Kana.

90 De genezing van de vorstenzoon. (5/6.10.1851)

91 De Heer en tweeduizend jaar evangelie. (7.10.1851 )

92 Gods alwetendheid en Zijn leiding. (8/9.10.1851)
Onderweg naar Kapérnaum.
93 Naar Kapérnaum. De Heer dwingt niemand.

94 Over de vloek en de gevaren van het geld. (10/11/13.10.1851)

95 Het karakter van Judas. (15.10.1851)

96 De wil van Judas. (16.10.1851)


In Kapérnaum.
97 Kapérnaum. De zieke knecht van de hoofdman. (17.10.1851)

98 Het volk daagt de priesters uit.

99 Bethabara. De schoondochter van Petrus. ( 18.10, 1851)
Aan en op het meer van Galilea.
100 De wonderbare visvangst.

101 Het bijzondere wijnwonder voor Judas. (19.10.1851)

102 De genezing van alle zieken uit Kapérnaum. (20.10.1851)

103 Op zee. Jezus en de storm. (21.10.1851)


In Gadara.
104 In Gadara. De genezing van de bezetenen. (22/23.10.1851)
In Nazareth.
105 Naar Nazareth. Ongeloof verhindert de wonderen. (3/4.11.1851)

106 Leven, daden en leer van Jezus van Nazareth.

107 Over het wereldse blijspel en de kinderen Gods. (5.11.1851)

108 Maria de moeder van de Heer. (8.11.1851)

109 Korenschoppen in de hand van God. ( 11/ 12.11.1851)

110 De Heer en de drie Farizeeën. (13.11.1851)

111 De genezing van de Griekse vrouw. (14/15.11.1851)

112 Het dochtertje van Jaïrus.

113 Het wezen van het Joh.­ en het Mat.­

114 Een les voor Judas. (18/ 20.11.1851)

115 Nazareth. Het volk wil Jezus als koning. (21.11.1851)
Bij Bethabara.
116 Bethabara. Genezing van de jichtlijder. (22.11.1851 )

117 Toespraak van de jonge Romein. (24.11.1851 )

118 Onthullingen over de tempel. (25/26.11.1851)

119 Het voorbeeld van de reis naar Rome.


Aan de zee van Galilea.
120 Aan de zee. Matthéus de tollenaar. (27.11.1851 )

121 Gesprek over Jozef, Maria en Jezus.

122 De twijfel van Johannes de doper. (28.11.1851)

123 Het getuigenis van Johannes de doper. (29.11.1851)

124 Gelijkenis van de nieuwe kleren en de nieuwe wijn. (3.12.1851 )

125 Het vertrouwen van Matthéus de tollenaar.

126 Gods onveranderlijkheid en Zijn zegen. (4.12.1851)

127 De dood van de dochter van overste Cornelius. (5/6.12.1851)


In Kapérnaum.
128 Kapérnaum. Opwekking van Cornelia.

129 Belevenissen in het hiernamaals. (9/10.12.1851)


Onderweg naar Nazareth en in Nazareth.
130 Nazareth. De twee blinde bedelaars. (11.12.1851)

131 De genezing van de bezeten doofstomme man. (12/13.12.1851)


In het Galilese hongerdorpje.
132 De hebzucht en hardheid van pachtkoning Herodes. (20.12.1851)

133 Een voedsel en kledingwonder.

134 Roeping van de twaalfapostelen. (21/26.12.1851)

135 Opdracht aan de apostelen. (27/30.12.1851)

136 De tegenwerpingen van Judas. (1.1.1852)

137 Troost voor de apostelen. (2.1.1852)

138 De vraag van Simon van Kana. (3/10/12.1.1852)

139 Een belofte aan de getrouwen.

140 Het goddelijk geheim in de mens.

141 Eerste uitzending van de apostelen.

142 De eerste daad van de uitgezonden apostelen.
Aan de Galilese zee.
143 Aan de zee. Het antwoord van de Heer.

144 Het getuigenis over Johannes de doper. (26.1.1852)

145 De geest en de ziel van Johannes de doper.
In Kis en op de berg van Kis.
146 Kis. Bekering van Kisjonah de tollenaar.

147 De gelijkenis van de fluitende kinderen.

148 De vervloeking van Chorazin, Bethsaïda en Kapérnaum.

149 De opwekking tot het eeuwige leven.

150 De bestraffing van de Farizeeën.

151 De berg beeft.

152 De geestenwereld.

153 Drie maangeesten spreken over de maanwereld.

154 De terugkomst van de twaalf apostelen.

155 Het verschil tussen wetenschap en geloof. (28.2.1852)

156 Het scheppingsverhaal van Mozes. (2.3.1852)

157 De eerste scheppingsdag.

158 De tweede scheppingsdag.

159 De derde scheppingsdag.

160 De vierde scheppingsdag.

161 Vervolg van de vierde scheppingsdag.

162 De vijfde en zesde scheppingsdag.

163 Het einde van Jeruzalem.

164 De luchtreis van Judas Iskariot.

165 Waarom moeten de mensen geboren worden. (16.3.1852) 166 Adam en Eva.

167 Kies uw vrouw met zorg.

168 Het heilige woord, de wereld en de mensen.

169 Over het lachen.

170 De genezing van de blinde Tobias.

171 De verzinsels van Rhiba.

172 De vervloeking van de Farizeeër.

173 Vastgeroest in hun wereldse voorschriften. (4.5.1852)

174 Gedragsregels voor rechters en wetgevers.

175 Sabbatsheiliging.

176 Aren lezen op de sabbat.

177 De vervulling van de profetie.
Op de Galilese zee.
178 Aan de zee. Genezing van de bezeten man.
In Jesaïra.
179 Jesaïra. De rekening van de oude man. (10.5.1852)

180 Het plan van de jonge Farizeeër.

181 De oude Farizeeën om de tuin geleid.

182 Het morgengebed van Jezus.

183 Ahab's list.

184 Farizeeën kunnen niet liegen. (17.5.1852)

185 Het smaden van de Heilige geest wordt nooit vergeven.

186 Eén met de duivel.

187 Jood of Griek.

188 Wie is Mijn moeder en wie zijn Mijn broeders. (24.5.1852)

189 Duivelse aanval.

190 De leer van het Rijk der hemelen.

191 De gelijkenis van de zaaier.

192 Onkruid tussen de tarwe, mosterdzaad en zuurdeeg.


Op de Galilese zee.
193 Op zee. De verwondering.

194 Het geestelijk huis van de mens.


In Kis.
195 Kis. Weerzien met Jaïruth en Jonaël. (1.6.1852)

196 Engelenwerk.

197 Verklaring van de gelijkenis van het onkruid.

198 De schat in de akker.

199 De gelijkenis van de grote parel en het net.

200 Bescherm ons daarvoor, o Heer.

201 Twee redenen voor Gods afzijdigheid.

202 De ware vrije kerk.

203 Lofrede van Jonaël.

204 Gelijkenis van de moeder met haar twee zonen.

205 De liefde neemt.

206 Het dode lichaam.

207 Het echte vasten.

208 Aardbeven, storm en onweer.

209 Het doel van de storm. (18.6.1852)
In Kana in het dal.
210 Uitstapje naar Kana in het dal. (21.6.1852)

211 Genezing in Kana in het dal.

212 De stoïcijn.

213 De reïncarnatie van Philopold. (28.6.1852)

214 Over de samenhang van lichaam, ziel en geest.

215 Aarzel niet als de Heer roept.

216 De laatsten en laagsten van de gehele oneindigheid.

217 Gedachte en wil.


In Kis.
218 Genezingen in Kis en bij Kisjonah.

219 Gelijkenis van de gemeste os.

220 De rust en het nietsdoen.

221 De nachtprediking.

222 De vijf Farizeeën. (5.7.1852)

223 Een les in het geven van onderricht.

224 Innerlijke zelfbeschouwing.

225 De leviathan.

226 De weg tot wedergeboorte.

227 Een tochtje op zee.

228 De dokter uit Nazareth.

229 Het verweer van Jaïrus.

230 Jozefs dood en zijn getuigenis over Jezus.

231 Booswichten in de val.

232 Voorbereiding voor de rechtszaak. (12.7.1852)

233 Romeinse rechtspraak.

234 Een goede vangst.

235 Weerzien met de opperrechter.

236 Het huwelijk van Faustus en Lydia.

237 Vervolg van de rechtszitting. (20.7.1852)

238 Het verhaal van de diefstal.

239 De tempelschatten.

240 De afrekening.

241 Een woord voor onze tijd. (26.7.1852)

242 Ons dagelijkse voedsel.

Voorwoord

Voor de Christenheid, maar ook voor de gehele mensheid kan er geen belangrijker gebeurtenis plaats vinden dan dat de beloften van de Heer uit het Evangelie van Johannes in vervulling gaan: 'Ik zou u nog veel te vertellen hebben, maar u kunt het thans nog niet begrijpen. Maar als de Geest der waarheid komt, zal Deze u alle waarheid bijbrengen. Hij zal niet uit zichzelf spreken, maar Hij zal zeggen wat Hij hoort, en Hij zal u meedelen wat toekomstig is.' (Joh.16,12-14)

De inhoud van deze woorden Iaat er geen twijfel over bestaan, dat hier toekomstige voorspellingen bedoeld worden. In feite is er in de tijd na Christus, en niet alleen maar onder het oude Verbond, een regelmatige stroom van profetieën gewest, waar de gevestigde kerken helaas te weinig aandacht aan hebben geschonken. Met de op willekeurige wijze vastge­stelde en onbegrijpelijke stelling, dat in ieder geval na de dood van de apostelen een eind is gekomen aan alle openbaringen, stond men de stem van de Heilige Geest nog maar heel weinig speelruimte toe.

De in zijn tijd zeer beroemde cisterciënzer abt Joachim van Fiore (gestorven omstreeks 1205), die zelf een groot profeet was, heeft in zijn drietijden leer er al op gewezen, dat volgens de openbaring van Johannes aan het begin van het zogenaamde geestelijke tijdperk ( d.w.z. kort voor het laatste oordeel) een 'Eeuwig Evangelie' aan de mensen verkondigd zal worden. De desbetreffende tekst bij Johannes luidt: 'En ik zag een andere engel vliegen in het midden van de hemel, die een eeuwig Evangelie verkondigen moest aan de aardbewoners en aan alle naties en geslachten en talen en volken ...'. (Openb. van Joh. 14,6)

Dit is aanleiding om ons af te vragen: Is die verkondiging er soms al of moeten wij daar nog op wachten? In ieder geval kunnen wij het als een voorteken van de heilsgeschiedenis beschouwen, dat, opmerkelijk genoeg, gelijktijdig met het begin van de nieuwe tijd, de gave der profetie dermate toenam, dat niemand, ook de kerk niet, achteloos daaraan voorbij kan gaan. Hoogtepunten daarvan waren reeds met J.Bóhme en E.Swedenborg bereikt, maar deze werden ten slot te nog door de grootste van alle christelijke profeten, door Jakob Lorber (1800-1864) verre overtroffen. Door hem heeft de beloofde Heilige Geest Zich in al haar volheid uitgestort. Vooral in het 'Grote Evangelie van Johannes' komt dit tot uitdrukking, dat aan de hand van gedetailleerde beschrijvingen van alle gebeurtenissen uit het leven van Jezus tijdens Zijn driejarige rondwandeling op aarde 'een inzicht geeft in alle waarheid'. Hierin wordt pas goed de belofte van Jezus vervuld, waarin Hij zegt: 'De Helper, de Heilige Geest, Die de Vader in Mijn naam zal zenden, zal u alles Ieren en in herinnering brengen wat Ik u gezegd heb.' (Joh. 14,26) Juist deze woorden zijn zeer van toepassing op het 'Grote Johannes Evangelie'! Maar ook de grote werken van Lorber over het hiernamaals zijn een onuitputtelijke bron van diepe kennis.

Deze zogeheten Nieuwe Openbaring -die in geen enkelopzicht in tegenspraak is met de Oude Openbaring, d. w .z. met de overgeleverde vier Evangeliën, maar die deze juist tot volle ontplooiing brengt, -is een 'Licht uit de hemel', dat alles duidelijk maakt en geen vraag over laat. Ja zelfs de oude tegenstelling tussen wetenschap en geloof wordt uit de weg geruimd, omdat ook de geestelijk-natuurlijke gebeurtenissen, verband houdend met de schepping in de micro­ en de macrokosmos, helemaal belicht worden. Deze profetie omvat zowel het totale fysieke universum als de astrale en geestelijke kosmos, zowel hier als in het hiernamaals. Wij krijgen informatie over het ontstaan der werelden en over het verloop van de heilsgeschiedenis, over het wezen van God en van de engelen, en vooral over de mens en zijn eeuwige bestemming. Dat Christus als geopenbaarde Vader en Verlosser van de werelden bij dit alles in het middelpunt staat, spreekt vanzelf.­

Het is één van de vele wonderen, die in de heilsgeschiedenis al zo vaak voor verrassingen gezorgd hebben, dat dit proces van de 'wederkomst van Christus in het Woord' in alle stilte plaats vond. In het diepste verborgene gebeurde het dat de 'schrijfknecht van God' Jakob Lorber voor meer dan honderd jaar de grondslag mocht leggen voor een nieuw tijdperk van de geschiedenis van de mens. Het was Gods plan om in een relatief verborgen tijdsperiode alles gereed te maken voor het Licht, dat dan plotsklaps te voorschijn zou treden. Alleen al de natuurweten­schappen bevestigen thans het wereldbeeld van de nieuwe openbaring reeds zodanig, dat niemand dat voor mogelijk gehouden zou hebben. Inmiddels hebben de Lorbergeschriften, bestaande uit vijfentwintig ten dele zeer omvangrijke boekdelen, een oplage van meer dan een miljoen exemplaren bereikt. En terwijl men er vroeger in kerkelijke kringen nauwelijks aandacht aan schonk of het direkt afwees, houden zich thans in de grote geloofscrisis en zielenood van onze tijd steeds meer geestelijken in alle ernst intensief ermee bezig; velen van hen zijn zelfs zeer onder de indruk.

Zo verklaart bijvoorbeeld de evangelische theoloog Dr. Kurt Hutten:

'Dit wereldbeeld heeft diepte en kracht, het geeft de aarde en haar geschiedenis en heilsgeschiedenis haar waardigheid terug, schenkt het geloof een kosmische verruiming, verweeft hier en hiernamaals, micro­kosmos en macrokosmos met elkaar, prijst de liefde van God die de gehele schepping doordringt en wijst de mensen met al deze dingen een weg naar geborgenheid.'

Bij het onderzoek van de vraag hoe de nieuwe en de oude openbaring met elkaar overeenstemmen, stelt de evangelische dominee Hermann Luger vast: 'Beide staan op dezelfde goddelijke grond. Lorbers geschriften ademen een volkomen bijbelse geest. Niet alleen de inhoud van zijn beide hoofdwerken 'Het grote evangelie van Johannes' en de 'Huishouding van God' is bijbels, maar ook zijn andere werken zijn door en door bijbels. Veel uitspraken en gesprekken van de Heer in het grote evangelie van

Johannes hadden zonder meer in een van de vier bijbelse evangeliën kunnen staan. Dat er bij Lorber veel zaken vermeld worden die in de bijbel, speciaal in de vier evangeliën, volledig ontbreken -zoals bijvoorbeeld de gesprekken van de Heer over de hemellichamen en de geheimen van de schepping -, behoeft ons niet te verwonderen en doet aan het bijbelse karakter van de nieuwe openbaring niets af. Het is maar al te begrijpelijk dat Jezus in de drie jaren dat Hij in de openbaarheid kwam veel meer gesproken en gedaan moet hebben dan in de evangeliën staat. Wij menen daarom ook het recht te hebben de nieuwe openbaring net als de bijbel ook als Gods woord te aanvaarden. Bijbel en nieuwe openbaring zijn voor ons twee gelijkwaardige verschijningen, die uit één en dezelfde diepste grond afkomstig zijn en waarvan de ene door de andere juist waardevoller en betekenisvoller wordt.'

De voorzienigheid zorgde ervoor dat een relatief uitvoerige levensbe­schrijving van J. Lorber van de hand van zijn jarenlange vriend Karl Gottfried Ritter van Leitner bewaard bleef. Deze bekende dichter en novelleschrijver uit Graz was daar net de meest geschikte persoon voor. Kort samengevat ontlenen we de volgende gegevens aan zijn biografie: Jakob Lorber werd op 22 juli 1800 in het plaatsje Kanischa in de beneden­steiermark geboren. Hij was de eerste van vier kinderen van een familie van wijnboeren in het gebied van de Drau. Al jong viel hij op door zijn grote muzikale begaafdheid. Hij leerde meerdere instrumenten bespelen zoals viool, piano, orgel en harp. Na de dorpsschool in Jahring leerde hij in de stad Marburg verder voor het vak van onderwijzer bij het lager onderwijs. Na hiervoor geslaagd te zijn was hij echter toch maar kort aankomend onderwijzer. Een geestelijke, die inzag hoe begaafd hij was, had hem namelijk aangeraden zich aan het priesterschap te wijden. En daarom studeerde hij vervolgens vijf jaar aan het gymnasium in Marburg, waarbij hij ook Latijn leerde. Voor zijn levensonderhoud moest hij gedurende die tijd zelf zorgen door het orgel in de kerk te bespelen en door vioollessen te geven. Toen hij de studie aan het gymnasium niet verder bekostigen kon, zorgde hij voor zijn levensonderhoud gedurende vijf jaar door aan huis les te geven, voornamelijk in muziek en tekenen. In het jaar 1829 volgde hij een 'cursus hogere pedagogie voor leraren aan hogere scholen' (Leitner). Ondanks een goed getuigschrift kon hij geen direkte aanstelling als leraar krijgen, waarom hij toen definitief in de muziek verder ging. Hij gaf 'zangles en piano­ en orgelles, en componeerde ook enige liederen en concertstukken' (Leitner). Door deze bezigheden kwam hij terecht in de hoofdstad Graz in een vriendenkring waarin mensen met zeer bekende namen voorkwamen. Hij concerteerde daar o.a. met Anselm Huttenbrenner, de bekende vriend van Franz Schubert.

Toch doen de uiterlijke belevenissen in zijn leven ten enenmale be­scheiden aan vergeleken bij zijn roeping tot 'schrijfknecht van God'. In zijn veertigste levensjaar deed zich namelijk het volgende voor: Toen hij zich op 15 maart 1840 's morgens klaar maakte om een veelbelovende en eervolle aanstelling als kapelmeester in Triest te gaan vervullen, hoorde hij plotseling 'ter hoogte van zijn hart', zoals hij zelf zei, een stem spreken. De woorden klonken als een bevel: 'Sta op, neem je schrijfstift en schrijf!' En Lorber gehoorzaamde onmiddellijk. Terwijl hij al zijn persoonlijke belangen opzij zette, ging hij meteen aan zijn schrijftafel zitten en schreef de eerste belangrijke vellen van het driedelige openbaringswerk 'Huis­houding van God'. Er was iets unieks gebeurd: Lorber was door de Heer Zelf aangesteld tot Zijn schrijfknecht! En deze profetische roeping bleef hij ook tot aan zijn dood trouw. Door het 'innerlijke woord', zoals dit in de godsdienstgeschiedenis genoemd wordt, werd hem in de loop der jaren het gehele reusachtige geschrift gedicteerd, dat wij thans aanduiden met de naam 'Nieuwe openbaring'. Het omvat 25 merendeels omvangrijke boekwerken. Het belangrijkste deelwerk is zonder twijfel 'Het grote Johannes evangelie' (10 delen met een aanvullend deel van Leopold Engel).

Hoe vond dat profetische schrijven nu plaats? Lorber zelf schreef daarover in een brief uit het jaar 1858: 'Wat betreft de manier waarop men het innerlijke woord hoort kan ik over mijzelf slechts zeggen, dat ik het heilige woord van de Heer steeds in de hartstreek als een heldere, lichte en zuivere gedachte, alsof deze gesproken werd, hoor. Niemand, ook al staat hij nog zo dicht bij mij, kan iets horen wat op een stem lijkt, maar voor mij klinkt deze stem der genade toch duidelijker dan een nog zo hard echt geluid. Maar dat is dan ook alles wat ik U uit mijn ervaring kan zeggen.

Zoals altijd bij profetische mededelingen bediende de Heer Zich ook bij Jakob Lorber van de eigen taal van het medium. We moeten ons er dan ook niet over verwonderen dat ouderwets aandoende uitdrukkingen in de stijl en de mentaliteit van die tijd overheersen. Dat het in hoofdzaak een taal van het hart is met veel aan de volksaard verwante bijmengsels maakt het lezen gemakkelijker. Het waarheidsgehalte en de diepte der wijsheid van het goddelijke dictaat worden op geen enkele manier beïnvloed.

Jakob Lorber zag vooraf het moment van zijn dood. Voordat hij op 24 augustus 1864 na ontvangst van het sacrament der stervenden het aardse toneel verliet, vroeg hij op het laatst of men hem anders in bed wilde leggen. Hij wilde de laatste uren van zijn leven zijn blik op de zonsopgang gericht houden.-Het omvangrijke handschrift van deze profeet viel bijna ten offer aan de toenmalige door de kerk ingestelde huisinquisitie. Men moest het op een geheime plaats bewaren, en het kostte veel moeite en geduld voordat tenslotte de middelen opgebracht konden worden om het gehele werk in druk uit te brengen. Daar gingen tientallen jaren overheen.­


Prof. Franz DemI



werkgebied Jezus Christus


Verklaring van het bijbelse Johannes Evangelie



1. Uitleg van de eerste verzen.
(In den beginne was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God.

Joh. 1:1)


[I] Dit vers heeft al heel wat veelsoortige onjuiste verklaringen en interpretaties ten gevolge gehad. Uitgesproken godloochenaars maakten zelfs juist van deze tekst gebruik om daarmee met nog meer succes Mijn goddelijkheid te bestrijden, omdat ze het bestaan van het opperwezen over het algemeen verwierpen. Wij willen het nu niet over deze kunstgrepen hebben, waardoor de verwarring slechts groter in plaats van kleiner zou worden, maar meteen met de kortst mogelijke uitleg voor den dag komen. Deze uitleg, die zelf licht is, in het licht van Het Licht, zal vanzelf de dwalingen bestrijden en te niet doen.

[2] Het onbegrip voor zulke teksten vindt zeker zijn voornaamste oorzaak in de zeer gebrekkige en onjuiste vertaling van de Schrift uit de oor­spronkelijke taal in de tegenwoordige talen; maar dit heeft intussen wel zijn nut. Want zou de geestelijke inhoud van zulke teksten tot nu toe niet zo goed verborgen zijn geweest, dan was het heilige daarin allang grondig ontheiligd, wat voor de gehele aarde een grote ramp zou zijn. Zoals het nu is, heeft men slechts aan de schors geknaagd en kon men de levende heilige kern niet bereiken.

[3] Het is nu echter tijd, om de ware innerlijke betekenis van zulke teksten aan allen te openbaren, die het waard zijn daaraan deel te hebben. Degenen, die dat niet waard zijn, zal het duur te staan komen als ze zich ermee bemoeien, want Ik laat in dat geval beslist niet met Mij spotten, en van deze regel zal Ik nooit afwijken.

[4] Na deze onmisbare waarschuwing vooraf, volgt dan nu de uitleg; alleen teken Ik daarbij nog aan, dat het hier slechts om de innerlijke betekenis voor geest en ziel gaat, en niet om de innerlijke pure hemelse betekenis. Deze laatste is te heilig en kan, zonder voor de wereld schadelijk te zijn, slechts aan die mensen meegedeeld worden, die daarnaar zoeken door hun levenswandel geheel te richten naar het woord van het evangelie. De innerlijke betekenis voor geest en ziel is echter eenvoudig te vinden, soms al door de juiste moderne vertaling, hetgeen nu dadelijk zal blijken uit het commentaar bij het eerste vers.

[5] De uitdrukking 'In den beginne' is erg onjuist en versluiert de innerlijke betekenis in hoge mate. Zoals het er nu staat zou daarmee zelfs het eeuwige bestaan van het Opperwezen bestreden en in twijfel getrokken kunnen worden. Dit is dan ook door een aantal denkers van deze wereld gedaan, en men kan wel stellen dat de godloochenaars van deze tijd uit hun school zijn voortgekomen. Als we nu echter deze tekst herwaarderen, zal het omhulsel maar zeer dun blijken, en dan zal het niet moeilijk zijn de innerlijke betekenis, door dat nauwkeurig te onderkennen.

[6] De juiste vertaling luidt: 'In de diepste grond, of ook wel in de grondoorzaak (van al het zijn), was het Licht (de grote heilige schep­pingsgedachte, de werkelijke idee). Dit Licht was niet alleen in, maar ook bij God, hetgeen betekent, dat het Licht zichtbaar uit God kwam en dus niet alleen in, maar ook bij God was en op een bepaalde manier om het goddelijke bestaan heen stroomde. Hiermee wordt reeds de basis zichtbaar voor het toekomstig mens worden van God, wat in de eerst­volgende tekst al duidelijk aangegeven wordt.

[7] Wie of wat was dan wel dit Licht, deze grote gedachte, deze heilige grondgedachte van al het toekomstige, werkelijke, vrije bestaan? -Dat was niemand anders dan God Zelf, omdat in God, door God en uit God onmogelijk iets anders dan God Zelf Zich in Zijn eeuwig volkomen wezen liet zien; en daarom mag deze tekst ook als volgt luiden:

[8] 'In God was het Licht, het Licht vloeide door God en straalde om God en God Zelf was Het Licht'


Dit was in den beginne bij God Joh 1:2)
[9] Nu het eerste vers voldoende belicht is en iedereen met een beetje verstand het zonder moeite kan begrijpen, volgt de betekenis van het tweede vers vanzelf. Het getuigt, dat het ervoor beschreven 'woord' of 'licht' of 'de grote scheppingsgedachte' niet ontstaan is in de loop van het Goddelijke bestaan, maar dat het met God, als een deel van Hem, eeuwig is en daarom nooit iets kan zijn, wat met een vroeger ontstaansproces te maken heeft. Daarom geeft het tweede vers als een soort getuigenis de verklaring: Het bestond altijd al in de diepste grond van al het zijn en al het latere worden, als een deel daarvan in en uit God, en was dus Zelf geheel en al God.
(Alle dingen zijn daardoor geschapen en zonder dit is niets geschapen, dat geschapen is. Joh. 1:3)
[10] Dit vers zegt dat datgene actief is geworden, wat al in het eerste vers als het 'Woord' of 'Licht' in de diepste grond van al het Zijn en Worden geheel aanwezig was, maar zich nog niet als iets wat al uitgetreden was, duidelijk zichtbaar liet zien.

[11] Daarom moet dit derde vers, op de juiste manier weergegeven ook zo luiden: AI het geschapene ontstond uit deze oergrond van de schepping, die in zichzelf de eeuwige diepste grond van zijn totale bestaan is. Het licht, het woord en de wil brachten uit dit eigen wezen het eigen licht, de eeuwige eigen scheppingsgedachte, in het vaste zichtbare bestaan voort, en er is niets in de gehele eeuwige oneindigheid, dat niet op dezelfde manier uit dezelfde oergrond in het zich openbarende en zichtbare bestaan gekomen is.

[12] Degene, die nu deze drie duidelijk uitgelegde verzen volledig begrepen heeft die begrijpt het vierde vers.
(In Hem was het leven, en het leven was het licht der mensen. Joh. 1:4)
[ 13] Het is vanzelfsprekend, dat de diepste grond van al het bestaan, het licht van al het licht, de diepste gedachte van alle gedachten en ideeën, de oervorm als de eeuwige grond van alle vormen, ten eerste niet vormeloos en ten tweede niet dood kon zijn, omdat de dood in zijn realiteit het algehele tegendeel is van al het bestaande, in welke vorm dan ook. In dit woord of licht of in deze grote gedachte van God in God, en uiteindelijk dus God Zelf, was derhalve een volkomen leven. God was dus in Zijn totaliteit de eeuwige volmaakte diepste grond van het leven. En dit licht of leven riep de wezens uit zichzelf op, en dit licht of leven was het licht en dus ook het leven in deze wezens, in deze uit Hem geschapen mensen. En deze wezens en mensen waren zo een volledig evenbeeld van de bron van alle licht, wat in hen de voorwaarden schiep voor een leven gelijk aan het Zijn, het Licht en de eeuwige diepste grond van het Zijn.

[14] Maar omdat de diepste grond van het leven van God volkomen vrij is en ook moet zijn, omdat het anders in feite geen leven is, en dit net zo geldt voor het geschapen wezen en diens leven, omdat het anders ook geen leven en dus geen 'bestaan' zou zijn, ligt het voor de hand, dat aan het geschapen wezen, de mens, slechts een volkomen vrij leven gegeven kon worden. Het moet dat leven voelen als iets, dat op zichzelf volmaakt is, maar juist vanwege dit gevoel moet het ook vaststellen, dat zijn leven niet uit zichzelf, maar uit God is ontstaan, en door Zijn eeuwige almachtige wil, volledig aan Hem gelijk geschapen is.

[15] Dit besef moest in alle geschapen wezens aanwezig zijn, net zoals het besef dat hun leven en bestaan volledig aan dat van God gelijk moet zijn, omdat zij anders noch een leven, noch het een of andere bestaan zouden hebben.

[16] Als we echter deze toestand nader bezien, dan bemerken we, dat in het geschapen wezen daardoor noodzakelijkerwijs twee gevoelens samen moeten komen, en wel als eerste: het gevoel van het aan God gelijk zijn, ofwel Gods oerlicht in hem, en ten tweede: dat juist door dit Licht onweerstaanbaar het gevoel ontstaat, dat men ergens in het tijdelijke is ontstaan door de wil van de Schepper .

[17] Het eerste gevoel zegt, dat het schepsel zonder meer gelijk is aan de Schepper, en daarom totaal onafhankelijk van de oergrond, omdat het deze als het ware als een deel van zichzelf kan zien. Het tweede gevoel, dat onweerstaanbaar uit het eerste levensgevoel ontstaat, maakt dat er een afhankelijkheids gevoel ontstaat ten opzichte van God, omdat het schepsel weet dat het ontstaan is uit de oorspronkelijke diepste grond en dat het zich pas in de loop der tijden zelfvrij heeft kunnen manifesteren.

[18] Dit gevoel maakt echter het eerste hoogheids gevoel ook tot deemoed, die zoals hierna aangetoond zal worden, beslist noodzakelijk is voor het hoogheidsgevoel.

[19] Het hoogheidsgevoel verzet zich sterk tegen deze vernedering en wil het tweede gevoel onderdrukken.

[20] Door die strijd ontstaat wrok en tenslotte haat tegen de diepste grond van al het bestaan, en daaruit volgt dan haat tegen het lage nederigheids ­of afhankelijkheidsgevoel. Daardoor wordt echter het hoogheidsgevoel verlamd en verduisterd, en Gods oerlicht in het geschapen wezen gaat over in nacht en duisternis. Deze nacht weet nauwelijks meer iets af van Gods licht in zichzelf en verwijdert zich daardoor van de diepste grond van zijn bestaan en ontstaan, alsof hij blind is en toch nog zelfstandig, en hij wil dat in zijn verblindheid niet toegeven.


(En het licht schijnt in de duisternis en de duisternis begrijpt het niet. Joh. 1:5)
[21] Hoewel Gods licht haar uiterste best doet, en al haar licht Iaat schijnen om deze nacht weer om te vormen in het echte licht van God, herkent die nacht, die zelf uit het licht van God ontstaan is, maar nu geen werkelijk zicht meer heeft, dit licht van God toch niet.

[22] Zo kwam ook Ik, als de eeuwige diepste grond van al het bestaan en als Gods bron van al het licht en leven, in de wereld van de duisternis naar degenen, die uit Mij waren; maar ze herkenden Mij niet in de nacht van hun verduisterd hoogheidsgevoel!

[23] Dit vijfde vers geeft aan hoe Ik, door alle eeuwen heen onveranderlijk, in deze door Mij en uit Mij geschapen wereld kom, en deze Mij niet herkent als haar eigen oorsprong.

[24] Maar Ik, als diepste grond van al het bestaan, moest wel vanuit Mijn totale licht zien, hoe het hoogheidsgevoel, als Gods licht in de mensen, door de voortdurende strijd steeds matter en zwakker en daardoor als levenslicht duisterder en tenslotte geheel donker werd, en dat daarom het grootste deel van de mensen Mij niet herkennen zou, als Ik in die vorm tot hen zou komen, die zij, toen zij naar Mijn evenbeeld geschapen werden, ook gekregen hadden; en dat ze Mij zeker niet zouden herkennen als Ik geheelonverwacht en onvoorbereid als een Deus Ex Machina ( een plotseling verschijnende God) in de beperkte mensenvorm tot hen zou komen. Ik zou het dan aan Mij Zelf te wijten hebben, als de mensen Mij onmogelijk zouden kunnen herkennen, omdat ze niet voorbereid waren op Mijn komst.

[25] Ja, dat zag Ik reeds eeuwen van te voren, en Ik liet daarom al vanaf hun eerste ontstaan uit Mij tot aan Mijn werkelijke komst, door vele duizenden zieners, die in de strijd het licht niet verloren hadden, deze komst van Mij voorspellen en de aard en manier en zelfs de plaats en de tijd van Mijn komst getrouw vastleggen. Bij Mijn daarop werkelijk gevolgde komst liet Ik grote tekenen plaats vinden en verwekte een man, waarin de geest van een hoge engel zijn intrek nam, opdat hij Mijn komst en lijfelijke aanwezigheid op de aarde aan de blinden zou verkondigen.

2 De oude en nieuwe getuige. Johannes de Doper.
(Door God werd echter een man gezonden, die Johannes heette 1:6)
[I] Deze man heette Johannes; hij hield aan de Jordaan boetepredikingen en doopte de mensen, die zich bekeerden, met water. In deze man woonde de geest van de profeet Elia, en dit was de hemeling, die Lucifer in het oerbegin overwon en later weer met deze Lucifer op de bekende berg vocht om het lichaam van Mozes (dus aartsengel Michaël).
(Deze kwam als getuige om van het licht te getuigen, opdat allen door hem geloven zouden. Joh. 1:7)
[2] Hij kwam als een oude en tevens nieuwe getuige van boven, d.w.z. van Gods bron van alle licht kwam hij als licht om te getuigen van Gods licht, van de oerbron, Die nu de stoffelijke vorm aannam en in menselijke gestalte Zelf als mens tot Zijn mensen, die uit Hem zijn voortgekomen, kwam, om ze in hun nacht opnieuw te verlichten en ze op deze manier Zijn licht terug te geven.
(Hij was het licht niet, maar hij was slechts een getuige van het licht. Joh. 1:8)
[3] Deze man was weliswaar niet de eigenlijke bron, maar net als alle andere wezens, een uit de bron van alle Licht geschapen licht. Maar zijn vergevorderde deemoed maakte dat hij in verbinding kon blijven met de bron.

[4] Omdat hij in doorlopend contact stond met de bron, en Deze geheel los kon zien van zijn eigen licht, gaf hij ook een waarheidsgetrouw getuigenis van de bron (hij was wel uit de bron ontstaan, maar dat hield niet in dat hij zelf de bron was, het betekende wel dat hij deze herkennen en juist beschrijven zou). Hij wekte daardoor zoveel echt licht op in de harten van de mensen, dat zij daardoor, eerst wel zwak maar later steeds beter en duidelijker, konden zien dat de bron van alle licht, Die nu in het vlees was gekomen, Degene is Waaraan alle wezens en mensen hun zelfstandig bestaan te danken hebben, en dat ze dit licht, als ze dat willen, zelfstandig voor eeuwig kunnen behouden.


(Dat was het waarachtige licht, dat alle mensen verlicht, die op deze wereld komen. Joh. 1:9)
[5] Niet de getuige, maar zijn getuigenis en Degene, van Wie hij getuigde, waren de echte bron Die vanaf het begin alle mensen die in deze wereld komen licht en leven heeft gegeven, en hen nog steeds meer leven en licht geeft. Daarom staat in het negende vers, dat Dat het ware en echte licht is en was, Dat alle mensen in het oerbeginsel vorm gaf voor het vrije bestaan, en Dat nu kwam om dat bestaan in alle volheid te verlichten en weer aan Zichzelf gelijk te maken.
(Het was in de wereld, en deze is Daardoor ontstaan, maar ze herkende Het niet.

Joh. 1:10 )
[6] Hoe Ik, de bron van alle licht, ondanks al de voorboden en ver­kondigers van Mijn komst miskend kon worden door deze wereld d. w .z. door de verduisterde mensen, die met hun hele wezen uit Mij of wat hetzelfde is, uit de bron (het Woord) ontstaan zijn, is reeds in het vijfde vers duidelijk naar voren gebracht. Alleen moet daarbij nog wel aan­getekend worden, dat hier onder het begrip 'wereld' niet verstaan moet worden 'de aarde als draagster van verloren zielen, die tesamen de materie vormen', maar alleen 'de mensen' als zodanig. Zij zijn weliswaar voor een deel uit de materie genomen, maar als vrijgemaakte wezens behoren ze niet meer, of behoeven ze niet meer te behoren, tot deze vanaf de zondeval reeds veroordeelde zielsmaterie. Want het zou geen goede zaak zijn als Ik verlangen zou dat een steen, die nog in het diepste gericht ligt, Mij zou herkennen! Dat kan Ik alleen terecht verlangen van een vrij geworden ziel, die Mijn geest in zich heeft.
(Hij kwam naar Zijn bezit, en de Zijnen namen Hem niet op. Joh. 1:11)
[7] Dus, zoals hiervoor reeds werd aangeduid, moet niet de aarde, maar moeten alleen de zielen en de geesten van de mensen gezien worden als het eigenlijke eigendom des Heren; en wel daarom als eigendom, omdat zij zelf oorspronkelijk licht uit Mijn eeuwige bron van alle licht zijn en daarom met Mij één geheel vormen.

[8] Maar zij herkenden Mij niet, omdat juist hun oorspronkelijke licht d.w.z. hun hoogheidsgevoel verzwakt is, en dat is de reden waarom Ik naar hen toekwam en nog steeds naar hen toekom, want zij zijn Mijn eigendom. Zij begrijpen niet meer dat ze heel persoonlijk een deel zijn van de diepste grond, dat nooit vernietigd kan worden, omdat dit van oorsprong Mijn wezen is.


(Allen, die Hem aannamen, gaf Hij de macht om kinderen Gods te worden, omdat zij in Zijn naam geloven. Joh. 1:12)
[9] Het spreekt haast vanzelf dat bij al degenen, die Mij niet opnamen of niet herkenden, de werkelijke orde verstoord bleef en dat met deze verstoring een lijdende toestand, het zogenaamde 'kwaad' of de 'zonde' bleef. Daartegenover verdween bij veel anderen dit 'kwaad' zodra ze Mij opnamen d.w.z. in hun hart herkenden, omdat ze weer met Mij en daarom met de orde en de oerbron van al het Zijn verenigd werden. Daarin vonden zij zichzelf, en zij vonden ook Mijn oorspronkelijke licht als het genoemde deel van zichzelf en daarin het eeuwige onverdelgbare leven.

[10] In dit leven vonden ze ook, dat ze echt niet alleen maar Mijn schepsels zijn, zoals hun minderwaardigheidsgevoel het hun ingeeft, maar dat ze zonder twijfel Mijn eigen kinderen zijn, die Mijn eigen wil in alle vrijheid tot leven heeft gebracht. Hun licht (hun geloof) is identiek aan Mijn licht,en bergt daarom in zich de volle macht en kracht van Mij, en door die macht zijn zij niet alleen gerechtigd Mijn kinderen genoemd te worden, maar het ook geheel en al te zijn!

[11] Want het geloof is een zeer bijzonder licht, en Mijn naam, waarop de machtige stralen van dit licht gericht zijn, is de kracht en de macht en het eigenlijke wezen van Mijn oerbron, waardoor ieder in zichzelf het rechtmatige en geldige kindschap van God tot stand brengt. Daarom staat dan ook in het twaalfde vers, dat allen, die Mij opnemen en in Mijn naam geloven -de macht in zich hebben rechtmatige 'Kinderen Gods' te heten!
(Die niet uit bloed, noch uit de wil des vlezes, noch uit de wil eens mans, doch uit God geboren zijn. Joh.1:13)
[12] Dit vers is slechts een nadere aanduiding en verklaring van het voorgaande vers, en bij elkaar gevoegd zouden de beide verzen ook zo kunnen luiden: Die Hem opnamen en in Zijn naam geloofden, gaf Hij de macht 'Kinderen Gods' te heten, die niet uit het bloed, noch uit de wil van het vlees (begeerte van het vlees), noch uit de wil van een man, maar uit God geboren zijn.

[13] Het is duidelijk, dat hier geen sprake is van een eerste geboorte als vlees uit het vlees, maar alleen van een tweede geboorte uit de geest van de liefde tot God, en uit de waarheid van het levende geloof in de levende naam van God, die Jezus-Jehova-Zebaoth heet. Een goede omschrijving van deze tweede geboorte is -de wedergeboorte des geestes door de doop uit de hemel.

[14] De - doop uit de hemel - is de volle overgang van de geest en de ziel, met al haar begeerten, in de levende geest van de liefde tot God en in Gods liefde Zelf.

[15] Als zo'n overgang eenmaal uit de vrije wil van de mens tot stand is gekomen, en als alle liefde van de mens zich in God bevindt, dan bevindt door zo'n heilige liefde ook de gehele mens zich in God, en wordt daar tot een nieuw wezen gevormd, van kracht voorzien en gesterkt, en zo na het bereiken van de juiste rijpheid door God opnieuw geboren. Na zulk een tweede geboorte, die niet afhankelijk is van de begeerte van het vlees, noch van de verwekkingswil van de man, is dan de mens een echt Godskind; en dit wordt veroorzaakt door de vrije macht van Gods liefde in de mens, die 'genade' genoemd wordt.

[16] Deze genade is nu juist tevens de machtige aantrekkingskracht van God in de geest van de mens, waardoor deze als het ware door de Vader naar de Zoon getrokken wordt, d.w.z. naar de goddelijk bron van alle licht getrokken wordt, of, anders gezegd, tot de ware en levende machtige wijsheid van God komt.


  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   43

  • Verklaring van het bijbelse Johannes evangelie Joh.l:1-5 en 6-13
  • Voorwoord
  • Verklaring van het bijbelse Johannes Evangelie

  • Dovnload 2.49 Mb.