Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Uitgeverij de ster, ginnekenweg 124, 4818 jk breda

Dovnload 2.49 Mb.

Uitgeverij de ster, ginnekenweg 124, 4818 jk breda



Pagina10/43
Datum05.12.2018
Grootte2.49 Mb.

Dovnload 2.49 Mb.
1   ...   6   7   8   9   10   11   12   13   ...   43
52 De belastering van de dochters van Jonaël

[I] De opperpriester ging staan en vroeg Mij, zeggende: 'Heer, nu U ons toch de grote eer bewijst om ook gedurende deze dag bij ons te blijven, heeft U dan zin om, samen met mij, Uw leerlingen en alle anderen die in U geloven, de drie dichtbij gelegen dorpjes te bezoeken? Misschien zijn daar ook nog mensen, die in U zullen geloven, als zij U zien en horen.'

[2] Ik zeg: 'Niet voor hen, maar wel voor jou! Jij verheugt je erop en Ik doe je graag dit plezier. Maar je hebt toch ook vrouwen kinderen, wil je die ook niet aan Mij voorstellen? Waar zijn ze en hoeveel zijn het er?'

[3] De opperpriester zegt een beetje verlegen: 'Heer, ik heb een lieve vrouw, die net als ik al enigszins op leeftijd is, en ik heb ook zeven kinderen, maar tot mijn spijt zijn het alleen meisjes van twaalf tot een en twintig jaar. Zoals U weet strekt het een Israëliet nu juist niet tot eer als hij geen mannelijke nakomelingen heeft, daarom - Heer, heb geduld met mijn zwakheid! - durfde ik niet met al die vrouwen in de openbaarheid te komen!

[4] Als U er echter prijs op stelt, o Heer, dan zou ik U willen vragen ook langs mijn huis te gaan, waar ik U dan mijn vrouwvolk voor kan stellen. Maar ze hierheen laten komen komt niet zo goed uit, want ziet U, ik heb weliswaar overal voldoende van en ik kan met mijn familie hier redelijk leven, maar onze kleding is wat armelijk. Voor in huis en voor de huiselijke bezigheden is het voldoende, maar om in een gezelschap, zoals dit hier te verschijnen, zien ze er als familie van de opperpriester veel te armelijk uit! En daarom is het in ieder opzicht beter, denk ik, als ze netjes thuis blijven, waar ze niet bloot staan aan de bespotting van de wereld en geen voedsel vinden voor hun aangeboren ijdelheid. En het is voor hen ook goed om zo min mogelijk met de wereld in aanraking te komen, want de wereld is en blijft altijd slecht!'

[5] Ik zeg: 'Ik zal doen wat je wenst, maar dan moet je ze allemaal met ons mee laten gaan! Er zal voor wat betere kleding gezorgd worden, zodat ze goed genoeg in onze kring passen! Dat je ze zoveel mogelijk van de wereld afleidt is heel goed en wijs van je, maar bij ons toch zeker niet wereldse gezelschap zouden ze, zoals ze waren, best gepast hebben.

[6] Kijk naar Maria, de moeder van Mijn lichaam! Ze heeft schone witte kleding aan en draagt daarover een heel gewone blauwe schort, en ze is goed genoeg gekleed! Haar hoofd is meestal bedekt met een vierkante doek tegen de zon, net zoals bij alle vrouwen, die Mij uit Galiléa en Judéa gevolgd zijn, en zo passen ze bijzonder goed bij ons gezelschap. Maar dat geeft verder niet,jouw vrouw en je zeven dochters zullen vandaag ook in ons gezelschap zijn!'

[7] Een van de. Samaritanen zegt: 'Dat is nu wel allemaal goed en best, en ik weet er zelf niets van, maar wat ik van verschillende mensen uit deze omgeving gehoord heb, dat wil ik nu toch zeggen, - dan kunnen jullie er mee doen wat je wilt. Er wordt echter verteld, dat de vier oudste dochters iedere keer dat de opperpriester niet thuis was, 's nachts op straat gezien zijn en vanwege hun schoonheid geld aannamen van wellustige knechten, en zich door hen lieten gebruiken! Dat wordt gefluisterd. Ik weet daar verder niets van! Maar ik meen echter, dat als deze nieuwe leer door het nog zeer grote aantalongelovigen in deze plaats aangenomen zou moeten worden, het vanwege het dwaze gepeupel aanbeveling zou verdienen, tenminste de vier oudsten niet in het gezelschap op te nemen! Want broeder Jonaël weet hoe spitsvondig en buitengewoon dwaas en ongelovig ons volk is. Als ze zoiets zien en horen, kan zelfs Jehova niets meer met zo'n volk beginnen! Ik geef deze raad alleen maar in verband met het feit, dat ons volk zo te keer kan gaan en opdat de goede zaak niet geschaad wordt, je hoeft je er echter niets van aan te trekken als je dat niet wilt!'

[8] De opperpriester wordt hierop erg treurig en zegt: 'Heer! Als ik ook maar een beetje onverschilliger en nalatiger zou zijn geweest bij de opvoeding van mijn dochters, dan zou het mij niet raken zoiets te horen, maar ik weet, dat bij mijn dochters niets verzuimd werd om ze geestelijk en verstandelijk te ontwikkelen en ik durf er de heiligste eed op te zweren, dat ieder van mijn dochters nog zo rein is als een bloem op de berg van Jehova! Wat is dan de reden voor deze schandelijke laster?!'

[9] Ik zeg: 'Beste broeder Jonaël, maak je daar maar niet druk over! Als je dochters voor Mij rein zijn, dan is dat voor jou meer dan voldoende! Want de wereld is nu eenmaal geheel van de duivel en daardoor door en door slecht! Heb je ooit gehoord, dat men druiven van dorens en vijgen van distels geoogst heeft?! Ik wist al lang van deze zaak af en heb dat ook op de berg bij de vergelijking van de splinter in het oog van de naaste duidelijk aangegeven! En kijk, dit beeld maakte, dat er toen veel van de berg afgingen, want ze merkten dat Ik hen bedoelde.

[10] Ik zeg je echter: Nu gaan je dochters zeker met ons mee, en Ik zal in hun midden gaan! Want wat des duivels is, dat zal ook des duivels blijven, als het zich niet wil laten bekeren! Nu gaan we echter meteen op stap! Ik heb je vrouwen je kinderen al op de hoogte gebracht, ze zullen ons verwachten.'



53 De bestraffing van de leugenaar en lasteraar
[I] Onderweg zegt Simon Petrus opeens: 'AI die wonderen stijgen me nu toch behoorlijk naar mijn hoofd! Nee, wie nu nog niet beseft, dat deze Jezus uit Nazareth in levende lijve Jehova's echte zoon is, die moet in een tiendubbele Egyptische duisternis ronddwalen, of hij is morsdood! Zieken worden door een enkel woord plotseling gezond, blinden zien: doofstommen horen en lammen lopen, en de ergste melaatsen worden zo rein of ze nooit gezondigd hadden!

[2] Daarbij openen de hemelen zich en de heerlijkste engelen zweven in grote getale snel naar beneden, bedienen ons en gaan met ons om alsof ze sinds de schepping van de eerste mens de aarde nooit verlaten hebben, en ze zijn zo mooi, dat men bij hun aanblik zou wegsmelten van geluk! En als Hij nog nooit eerder gehoorde wijsheden zegt, dan moet je eens zien hoe deze mooie dienaars van Jehova vol eerbiedige opmerkzaamheid en heilige aandacht zijn, terwijl ze toch ook zo opgewekt zijn als de zwaluwen op een prachtige zomerdag! Waarlijk, als er iemand is, die nu nog zeggen kan: 'Deze Jezus is alleen maar een magiër en meer niet!', dan zouden ze die meteen als een os moeten slachten! Want zo'n mens kan geen mens zijn, maar alleen een beest dat praten kan, en moest dan ook niet sterven als een mens, maar als een huisdier!'

[3] Terwijl Petrus zo loopt te fantaseren en niet merkt, wat er om hem heen gebeurt, tikt een ongelovig burger uit de stad hem behoorlijk hard op de schouder en zegt: ' Als dat zo is, dan voel ik me als redelijk mens verplicht te voorspellen, dat jij als een klinkklare os sterven zult! Want als jij het in je leven nog niet zo ver hebt gebracht om te kunnen vaststellen wat een echte magiër allemaal kan, dan zou je in gezelschap van ervaren en intelligente mensen je grote mond dicht moeten houden!'

[4] Petrus zegt: 'Zeg eens, onbehouwen duistere geest! Kunnen jouw magiërs ook alle zieken door één woord op slag genezen, en de hoge hemelen openen die geen magiër met zijn hand of met zijn verstand kan bereiken?!'

[5] De burger zegt: 'O jij domme blinde Galileeër! Weet je dan niet, dat een echte magiër uit ieder stuk hout een vis of een slang kan maken?! Nog maar kort geleden was er hier een uit Egypte, die stokken in het water wierp en het werden direct vissen; als hij de stokken op het land wierp, werden het slangen en adders; blies hij in de lucht, dan waren er ineens sprinkhanen en ander vliegend ongedierte; hij nam een paar witte stenen, wierp ze in de lucht, en het werden duiven die wegvlogen; dan weer nam hij van de straat een handvol stof en verspreidde dat in de wind, en een ogenblik later was de lucht vol muggen, zodat men de zon er nauwelijks doorheen kon zien; toen hij daarna in deze muggen blies, kwam er een sterke wind en deze wind dreef de muggen als een wolk weg! Hij bracht ons daarna naar een poel achter de beek waar hij eerder vissen uit stokken maakte, daar raakte hij met een staf het water aan en het veranderde in bloed, en hij raakte het nogmaals aan en het werd weer water! 's Avonds riep hij naar de sterren en ze vlogen als tamme duiven in zijn handen! En hij beval hen en ze vlogen weer terug naar het hoge firmament! En zeg jij nu: 'Waar is een mens wiens handen tot in de hemel reiken?' Dat dit hier allemaal gebeurd is, kan ik door honderd getuigen laten bevestigen. - Wat zeg je nu over je Zoon van God uit Nazareth, waarvan ik wel weet wiens zoon hij is, en waar hij dat allemaal geleerd heeft?'

[6] Petrus zegt: 'Dan moeten die allen, die in Jezus van Nazareth wel de Christus herkend hebben, ook wel wat van deze magiër gehoord hebben, waarvan je hier al die wonderen hebt verteld. Maar ik denk eerder dat je als een krokodil, met zijn klagende kindergeluidjes, de zaak bedriegt, en aan je honderd getuigen wel steekpenningen zult hebben gegeven! Ik zal het dadelijk aan Jonaël vragen! En pas op als je me belogen hebt!

[7] De burger zegt: “Deze mensen zullen je er niets over kunnen vertellen, omdat ze er niet bij waren uit angst dat de magiër dat allemaal met de hulp van de duivel deed, en dat de duivel hen iets zou doen! Alleen wij, die niet bang waren, gingen er heen, want wij geloven met dat de duivel bestaat, omdat wij de krachten der natuur iets beter kennen, en wij overtuigden ons en waren heel verbaasd over wat een mens allemaal kan!'

[8] Petrus zegt: 'Je bent een mooie klant, maar ik zeg je dat je het nu met mij aan de stok krijgt, en je zult je straf met ontlopen!, Kom maar mee naar de opperpriester van deze stad, voor hem zal dit zaakje uitgezocht en afgehandeld worden!'

[9] De burger zegt: 'Wat heb ik met deze opperpriester te maken? Ik ben een Galileeër en tevens meer Griek dan Jood; deze opperpriester is echter een domme ijveraar, en er wordt gezegd, dat zijn vier oudste dochters 's nachts met toestemming van de moeder, schandalige dingen uithalen en zich aan ontucht overgeven. Wat moet ik met zulke stom­melingen? Kunst en wetenschap vind ik het belangrijkst, en ik heb veel achting voor geleerden en kunstenaars, maar dan moeten ze geen ver­beelding krijgen! ., ,

[10] Als jullie meester, die ik werkelijk heel aardig en geleerd vind, in alle kunsten en wetenschappen zichzelf bleef, dan zou hij een van de hoogst geëerde mensen onder de Joden, Grieken en Romeinen zijn! Maar hij denkt dat hij God is, en dat is dom en hoort thuis in de oude duistere tijden!

[11] Jullie zijn in de aard van de zaak eerlijke en rechtschapen mensen, maar verder dan het vangen van vissen schijnt jullie kennis en ervaring niet te reiken. Laten we er verder maar niet over vechten! Jullie mogen geloven wat je wilt, maar ons kun je moeilijk iets wijs, maken, want Wij bezitten kennis en allerlei wetenschappen, Wij weten iets van magie af en weten daarom wat we aan jullie meester hebben!' .

[12] Petrus zegt: 'Vriend, het zal je niet lukken om wat zwart is weer wit te praten! Het gaat er hier niet om, wat je over mijn meester denkt, dat is een aardig verhaal om mij te laten vergeten hoe grof je, daarvoor tegen mij hebt staan liegen! Het kan me met schelen of je van de opperpriester vindt dat hij een ijveraar is, hij moet, als openbaar ambts­bekleder van deze kleine stad toch weten of er hier kort geleden zo n magiër is opgetreden, zoals jij mij die hebt beschreven! Want dat is voor mij het voornaamste, omdat ik daaraan wil afmeten, wat ik van mijn Meester moet denken!

[13] Denk je eens in; ik en velen met mij hebben alles, zelfs vrouwen kinderen, verlaten en zijn Hem onvoorwaardelijk gevolgd, omdat we Hem dingen zagen doen die volgens ons geen mens ooit kan doen, en omdat we Hem tevens zo wijs hoorden spreken als vóór Hem nog nooit een mens gesproken heeft en ná Hem waarschijnlijk nooit meer iemand spreken zal!

[14] Jij vergelijkt Mijn meester echter met een ander, die mijn Meester nog wel niet overtreft, maar toch wel gelijk is, die dingen doet waarvoor ieder mens het grootste respect moet hebben! En nu gaat het er alleen maar om, of mij klaar en duidelijk bewezen kan worden, dat zo'n magiër werkelijk die dingen gedaan heeft die jij hebt beschreven!

[15] Als het waar is, dan zweer ik je dat ik mijn Meester, Die volgens mij goddelijke kracht heeft, direct verlaat en terug ga naar mijn familie thuis! Want een schimmige magiër volg ik geen stap verder; want ik ben nog steeds een echte Jood, die Mozes meer gelooft dan honderdduizend fantastisch goede magiërs. Als je echter - wat voor mij vaststaat ­gelogen hebt, om uit pure kwaadaardigheid mijn verheven Meester verdacht te

maken, dan ben je - zoals ik al eerder gedreigd heb -nog niet met mij klaar! Je zult ondervinden, dat ook ik door de genade van mijn goddelijke meester al tot heel wat in staat ben, zonder dat ik mij voor iemand als wonderdoener behoef voor te doen!

[16] Kom daarom maar heel gewillig met mij mee naar de opperpriester, die op dit ogenblik iets met jullie tollenaar Matthéus bespreekt, die waarschijnlijk ook wel wat van jouw magiër af zal weten, want hij was hier al die tijd in de stad en moet het dus weten. Kom nu maar gewillig mee, anders gebruik ik geweld!'

[17] De burger zegt: 'Waarom geweld gebruiken als ik niet mee wil? Wees verstandig, achter mij staan er een paar honderd! Als je het waagt om mij aan te raken, dan zal het je slecht bekomen!'

[18] Petrus zegt: 'Ik zal je met geen vinger aanraken, iets wat jij tamelijk onzacht met de jouwe wel beliefde te doen, maar toch zul je gedwongen worden! Er gaan hele scharen engelen van God met ons mee, die je kennelijk niet ziet! Eén wenk en ze brengen je daar waar ik je hebben wil en hebben moet!'

[19] De burger zegt: 'Zijn die hier meelopende witgeklede jongetjes soms jullie engelen? Ha, ha, ha! Nou als dat jullie beschermers zijn, behoeven we alleen maar een paar dozijn uitbranders uit te delen en dan liggen jullie samen met je witte beschermjongetjes buiten de muren van de stad!'

[20] Deze opmerking jaagt Petrus helemaal in het harnas en hij doet direct een beroep op een jongeman om de burger te bestraffen! De jongeman zegt echter: 'Ik zou het wel willen, als de Heer het wilde; maar de Heer heeft me nog geen opdracht gegeven en daarom kan ik je wens nog niet vervullen. Ga echter eerst naar de Heer en zeg Hem dat! Als Hij het wil, zal ik het doen.'

[21] Petrus liep dadelijk naar voren waar Ik was, en klaagde Mij zijn nood. Ik zei toen, terwijl Ik juist voor het huis van Jonaël bleef staan: Ga en breng die mens bij Mij!'

[22] Voor Petrus was dit een pak van zijn hart en hij liep snel terug en zei tegen de jongeman: 'Hij wil het!'

[23] Toen keek de jongeman de burger aan en deze begon te beven en terwijl de jongeman hem voortdreef, volgde hij Petrus zonder tegenspraak naar Mij. Ik zag hem aan en de burger bekende, dat hij gelogen had en dat hij zo'n magiër nooit gezien had, maar dat hij alleen maar over zo'n magiër had horen spreken en alleen maar had willen testen of deze leerling wel gelovig genoeg was, waar hij overigens beslist geen kwade bedoeling mee gehad had.

[24] Ik zeg: 'Jij bent er zo een, die met een tweede leugen de eerste leugen wil goedpraten en daarom ben je een kind van de duivel! Ga heen, hij zal je je loon geven, omdat je zo'n goede knecht van hem bent!'

[25] Meteen nam een boze geest bezit van de burger en begon hem verschrikkelijk te kwellen. Maar toen schreeuwde de burger zo hard mogelijk: 'Heer, help mij! Ik beken voor iedereen dat ik gezondigd heb!'

[26] Ik zei echter: 'Van wie heb je gehoord, dat de vier oudste dochters van Jonaël hoeren zouden zijn? Beken het hardop, anders laat Ik je kwellen tot aan het eind der wereld!'

[27] De burger zegt: 'O Heer, ik heb het van niemand ooit gehoord, maar ik kwam zelf eens op een nacht de vier dochters tegen toen ze water haalden aan de Jacobsbron, en ik deed ze toen oneerbare voorstellen. De dochters dienden mij echter dusdanig van repliek, dat ik maakte dat ik wegkwam, maar ik zwoer toen wraak te nemen; ik verzon met mijn slechte hart dat schandelijke verhaal en strooide dit als een gerucht overal rond! De dochters zijn beslist nog maagden! O Heer, alleen ik ben slecht, alle anderen zijn goed en rein!'

[28] Nu gebied Ik de boze geest om de burger met rust te laten, maar de burger moet Jonaël daarvoor in de plaats genoegdoening geven! De burger is echter een koopman, hij gaat terug en brengt voor de dochters tienmaal meer dan Ik gezegd heb en smeekt Jonaël en de dochters om vergeving.

[29] Maar Ik zeg tegen hem: 'Je kunt zo'n onrecht niet afdoen met een gift alleen! Ga heen en herroep overal al het slechte, wat je over hen verteld hebt; afhankelijk daarvan zullen je zonden je zijn vergeven! Zo zij het en zo geschiede het!'

[30] De burger belooft dat allemaal meteen te doen, maar merkt daarbij nog op, dat als een vreemde het gehoord mocht hebben, iemand, die hij niet kende en waarvan hij ook niet wist waar hij woonde, dat Ik het hem dan niet kwalijk moest nemen, als hij zo iemand de waarheid niet kon vertellen!

[31] Ik zeg: 'Doe wat mogelijk is, al het andere zal Ik doen en het zal je verder niet aangerekend worden!'

[32] Dan is de burger tevreden en gaat al het kwaad wat hij heeft aangericht weer goedmaken.

54 Bij Jonaël. Kritiek van de leerlingen op de Heer.
[I] Als de burger weg is, roep Ik Jonaëls vrouwen dochters, die toen ze de burger bij Mij zagen, geschrokken uit het voorhuis terug in huis waren gegaan.

[2] op Mijn roepen komen ze allen snel aanlopen, haasten zich met

verheerlijkte gezichten naar Mij toe, en danken Mij met tranen in de ogen dat Ik hun door deze slechte mens belasterde onschuld weer gezuiverd heb!

[3] Daarop leg Ik Mijn handen op hun hoofden, zegen hen en zeg, dat ze de verdere dag naast Mij moeten wandelen! Maar zij verontschuldigen zich en zeggen: '0 Heer, zo'n grote genade zijn wij niet waardig! Wij zijn al overgelukkig, als wij U aan het eind van deze grote stoet mogen volgen!'

[4] Ik zeg: 'Ik ken jullie waarachtige nederigheid en juist daarom heb Ik graag dat je zo dicht mogelijk naast Mij meewandelt op de weg, die Ik vandaag in deze omgeving zal gaan!'

[5] De dochters bedanken Mij voor die voor hen nauwelijks te begrijpen hoge onderscheiding. Maar Jonaël vraagt zijn dochters, zeggende: 'Mijn beste dochters! Hoe komen jullie aan deze prachtige kleren, die werkelijk hemels mooi staan?!'

[6] Dan pas merken de dochters, dat ze kleren aanhebben die gemaakt

zijn van zeer fijn en degelijk linnen en dat hun hoofden met de kostbaarste diademen getooid zijn, en dat ze er uit zien als koningsdochters.

[7] Als de zeven merken hoe prachtig ze er uit zien, zijn ze volledig van hun stuk gebracht! Hun harten beginnen te gloeien van liefde en be­wondering, en in bekoorlijke verwarring weten ze helemaal niet, wat er met hen gebeurd is. Pas na een tijdje verbaasd gekeken te hebben, vragen ze aan Jonaël hoe dat nu gebeurd is, want ze begrepen in het geheel niet, hoe die prachtige koninklijke kleren en diademen daar gekomen waren.

[8] Jonaël, die zelf helemaal betoverd is door de grote bekoorlijkheid van zijn dochters, zegt: 'Bedank Degene maar, Die jullie gezegend heeft! Hij heeft het jullie op wonderbare wijze gegeven!'

[9] Dan vallen de kinderen Mij sprakeloos om de hals, met tranen van vreugde en liefde in de ogen. De leerlingen achter Mij zeggen echter: 'Kijk, als dat nu nog in huis gebeurde! Maar hier open en bloot op straat ten aanschouwe van een paar duizend toeschouwers, dat geeft toch wel veel te veelopzien!'

[10] Ik hoorde wel dat ze dat zeiden, draaide Mij om en zei tot hen: 'Ik ben allang bij jullie, maar je hebt Mijn hart nog nooit zoveel vreugde gegeven als deze zeven dochters hier! Ik zeg je, zij zijn al op de goede weg en hebben het beste deel gekozen; als jullie niet dezelfde weg gaan, dan zul je nauwelijks in Mijn rijk komen! Want de kinderen, die zó tot Mij komen, zullen ook bij Mij blijven, degenen echter, die alleen maar met lof en prijs komen, zullen slechts Mijn weerschijn, maar niet Mijzelf in hun midden hebben!

[11] Mijn echte rijk is alleen maar daar, waar Ikzelf werkelijk aanwezig ben! Onthoudt dit! De Heer is een volkomen Heer boven al het wereldse, of het nu wel passend is voor de domme wereld of niet! Hebben jullie dit begrepen?'

[12] Petrus zegt: 'Heer, heb geduld met onze grote dwaasheid! U weet toch dat wij niet in de hemel, maar op deze wereld opgevoed zijn. Het zal allemaal wel weer goed komen, want we hebben U toch ook boven alles lief, anders zouden we U niet gevolgd zijn!'

[13] Ik zeg: 'Nu blijf dan in de liefde en let niet op deze wereld, maar wel, door Mij, op de hemel!' De leerlingen zijn daarmee tevreden en prijzen Mij in hun harten.

55 Bij Ezau 's slot. De koopman en het hoogste ambt
[I] We gaan nu verder met onze wandeling en komen na een uur in een mooi schaduwrijk bos, dat eigendom is van een rijk koopman uit Sichar. In dit bos zijn allerlei verfraaiingen aangebracht, zoals kleine tuinen, beekjes, vijvers met vele soorten vissen, en allerlei vogels. Aan het eind van het zeer uitgestrekte bos staat een oud en heel groot kasteel met dikke beschermende muren. Dit kasteel had Ezau gebouwd en hij woonde daar ten tijde dat Jacob in den vreemde was. De stormen der tijden hadden het niet onberoerd gelaten, maar deze koopman had er veel geld aan besteed en het weer geheel bewoonbaar gemaakt, en hij woonde met zijn hele huishouding vaak in dit kasteel, en woonde er ook nu. Hij was weliswaar iemand die veel goeds deed, en hij had nog meer landgoederen, maar op dit bezit was hij bijzonder gesteld en hij vond het niet prettig, als zijn grote bos door te veel mensen betreden werd, want hij gaf veel uit voor de aanleg en het onderhoud ervan.

[2] Toen hij uit zijn kasteel zag, dat zich een grote menigte mensen door het bos in de richting van de kasteelmuren bewoog, stuurde hij snel een groot aantal dienaren en knechten om ons uit het bos te verwijderen en om te vragen, wat we daar deden.

[3] Ik zei echter tegen de knechten: 'Ga naar uw heer en zeg hem: zijn en uw Heer laat weten dat Hij, tesamen met allen, die bij Hem zijn, bij hem het middagmaal zullen gebruiken!'

[ 4] De knechten en dienaren gaan daarop meteen weer terug en zeggen dat aan hun heer. Deze vraagt ze echter of ze ook wisten, wie Ik, die zoiets van hem verlang, wel was. De knechten en de dienaars antwoorden en zeggen: 'Wij hebben toch al gezegd, dat hij ons toegesproken heeft, alsof hij uwen onze heer is, waarom vraagt u dat dan nog een keer?! Hij wordt omringd door zeven koninklijk geklede dochters en daarachter volgt hem een onafzienbare menigte! Misschien is hij wel een vorst uit Rome, en u zult er zeer zeker goed aan doen hem tegemoet te gaan, en hem bij de grote toren aan de muur met alle eerbetoon te ontvangen!”

[5] Als de koopman dat hoort, zegt hij: 'Breng mij dan direct mijn duurste feestkledij en zorg, dat iedereen er zo feestelijk mogelijk uitziet! Want zo'n vorst moet schitterend ontvangen worden!'

[6] Het hele kasteel is dan meteen een en al actie, de koks en kokkinnen duiken in de provisiekamers en torsen massa 's eetwaren naar de keukens, en de tuinlieden haasten zich de grote tuin in om allerlei heerlijk fruit te plukken.

[7] Na een poosje komt de kasteelheer, omgeven door honderd van zijn

voortreffelijkste dienaren, in piekfijne kledij naar Mij toe, buigt driemaal tot hij bijna de grond raakt, en verwelkomt Mij en allen die Mij vergezellen, en dankt voor de hoge eer die hem te beurt valt, want hij denkt dat Ik werkelijk een vorst uit Rome ben.

[8] Ik kijk hem aan en vraag hem: 'Vriend, wat vind u het hoogste ambt dat een mens op aarde kan bekleden?'

[9] De rijke koopman zegt: 'Heer, vergeef mij, uw gehoorzame slaaf, ik was zo dom om uw buitengewoon wijze vraag niet te begrijpen, zoudt u daarom van uw onmeetbare berg der wijsheid af willen dalen, en de vraag genadiglijk zo willen stellen, dat het voor mijn absolute domheid te begrijpen is!' (Hij had de vraag heel goed begrepen, maar men had in die tijd het kinderachtige hoffelijke gebruik om ook maar de eenvou­digste vraag niet meteen te begrijpen als een hooggeplaatst persoon Iets vroeg, want daardoor verhoogde men de wijsheid van het hoge personage.)

[10] Maar Ik zeg tegen hem: 'Vriend, u hebt Mij heel goed begrepen en u doet maar net alsof u Mij niet begrijpt, terwille van een oude en geheel overleefde traditie. Laat die poespas maar achterwege, en geef Mij antwoord op Mijn vraag!'

[11] De koopman zegt: 'Ja, als het mij toegestaan is, o verheven heer, om direct op uw belangrijke vraag te antwoorden, dan geloof Ik met uw verheven toestemming de belangrijke vraag wel begrepen te hebben, en mijn antwoord zou dan het volgende zijn: Ik zie en houd het ambt van keizer natuurlijk als het allerhoogste wat een mens op deze aarde bekleden kan.'

[12] Ik zeg: 'Maar vriend, waarom staat u zichzelf nu zo tegen te spreken

en gaat u tegen uw eigen devies in, dat luidt: 'De waarheld is het hoogste en heiligste op deze aarde, en een ambtenaar, die in zijn ambt getrouw is aan waarheid en gerechtigheid, bekleedt het hoogste en verhevenste ambt op aarde!' Dat is toch uw lijfspreuk?! Hoe kunt u dan nu zeggen, dat u het ambt van keizer als het hoogste ziet, terwijl deze toch als hoogste bevelhebber met ruw geweld te maken heeft, wat zeker niet altijd gebaseerd is op waarheid en gerechtigheid?!' .

[13] De rijke koopman kijkt hiervan op, en zegt na enig nadenken: 'Machtige heer! Wie heeft u mijn lijfspreuk verteld? Ik sprak hem nog nooit hardop uit, wel dacht ik hem meer dan duizend keer! Want het is maar al te waar, dat de naakte waarheid maar beter niet altijd gezegd kan worden, en uit politieke overwegingen kun je beter je mond houden, wil je er bij de mensen zonder kleerscheuren afkomen!

[14] Maar ik merk nu wel dat u, o hoge vorstenzoon, zelf een groot vriend bent van waarheid en gerechtigheid, en daarom zult u het ook wel op prijs stellen als men tegen u de waarheid spreekt, want hoge heren willen nooit de waarheid horen en zij houden daarom de vleierij in eer, want dat bevalt hen veel meer, en alle rechten van de mensen, zijn zeer tegengesteld aan hun wensen. Wat zij wensen, nemen ze van andere mensen -met geweld, zo is het vaak gesteld. Of de armen over het onrecht klagen, nu en in vroeger dagen, is niet iets wat hen bezeert, zij worden hoog geëerd. Wees daarom politiek en volg hun tactiek, anders wachten kerkers en galeien, die menigeen doen schreien!'

[15] Ik zeg: 'U heeft goed en oprecht gesproken! Ik ben het helemaal met u eens, maar zeg Mij nu eens, wie u eigenlijk denkt dat Ik ben!'

[16] De koopman zegt: 'Heer! Dat is een hele lastige vraag. Waardeer ik u te hoog, dan wordt ik uitgelachen, waardeer ik u echter te laag, dan is het met mij gedaan! Het lijkt me daarom beter nu hierop het antwoord schuldig te blijven, dan daarna voor dit antwoord in een kerker mij de tijd te verdrijven met kwelling en pijn!'

[17] Ik zeg: ' Als Ik u nu verzeker, dat u noch het een noch het ander te wachten staat, dan kunt u Mij toch wel een antwoord geven?! Zeg daarom zonder omwegen, wie u denkt dat Ik ben!'

[18] De koopman zegt: 'Een vorst uit Rome, denk ik - als ik het nu toch zeggen moet!'

[19] Achter Mij zegt Jonaël: 'Dat kon wel eens veel te gering zijn! U moet wel wat hoger raden, met die vorst komt u er niet!'

[20] De koopman schrikt en zegt: 'Is het dan toch de keizer zelf!!'

[21] Jonaël zegt: 'Nog steeds veel te min, raad daarom hoger!'

[22] De koopman zegt: 'Dat zal ik wel laten, want er is niets hogers dan een keizer van Rome!'

[23] Jonaël zegt: 'Toch wel! Er is zelfs nog veel hoger, denk na en zeg het dan zonder te aarzelen! Want ik zie aan uw gezicht, dat de keizer van Rome bij u op de laagste plaats staat, waarom zegt u dan wat anders dan wat u in uw hart voelt en denkt!'

56 Het gevolg van leugen en waarheid
[1] De rijke koopman zegt na een ogenblikje: 'Beste hoge gasten! Er is niets beters dan ijverig een slot op je mond te houden en zo weinig mogelijk te spreken! Want men mag nooit, en in het bijzijn van hoog­geplaatste personen wel het allerminst, datgene frank en vrij zeggen, wat men in zijn hart denkt en voelt; want gewichtige mensen hebben een heel gevoelige huid, die de harde klap der waarheid niet verdraagt. Daarom is het ook in aanwezigheid van zulke belangrijke personages speciaal gevaarlijk om met de waarheid voor de dag te komen. Want zulke personen hebben iets uitdagends over zich, en daarvoor moet men zich meer in acht nemen dan voor slangen, adders en draken; want er zijn voorbeelden te noemen -beslist er zijn heel merkwaardige voorbeelden! Denk wat je wilt, maar wees in je doen en laten een goede vaderlander, dan kun je met alle mensen goed opschieten! Praat echter zo weinig mogelijk, anders kun je heel gemakkelijk heel onaangenaam kennis maken met de verschrikkelijke beulsknecht!

[2] Ik heb eigenlijk al veel te veel waarheden gezegd! Daarom houdt ik het beslist op de keizer en zeg nog eens: Op aarde is de keizer het hoogste; Caesarem cum love unam esse personam. Wat een keizer wil, dat doet God stil!

[3] Dus weg met de waarheid op aarde, gesteld al dat er ergens waarheid bestaat; die is toch onbruikbaar voor het mensengeslacht! Hoeveel onheil heeft de waarheid al veroorzaakt, en haar verkondigers hebben aan het kruis of onder het zwaard hun laatste adem der waarheid uitgeblazen! De echte leugenaar is er echter nog altijd zonder kleerscheuren afgeko­men, -hetzij dan dat hij een enkele keer, als het een domme leugen was, zijn ogen heeft neer moeten slaan; maar hij heeft er verder niet veel van overgehouden, terwijl echter, een enkele uitzondering daargelaten, toch bijna alle grote waarheidsvrienden door een gewelddadige dood van de aarde zijn verdwenen.

[4] Als dat nu het 'loon' van de waarheid is, welke ezel of os zal dan verder nog een vriend van de waarheid willen zijn? Je kunt de waarheid beter als een gevangene in je eigen borst opgesloten houden en je vrij onder de mensen bewegen, dan de waarheid de vrijheid te geven, en zelf naar lichaam en ziel gevangene worden. Want als het lichaam versmacht in een kerker, kan de ziel op haar beurt niet in een park gaan wandelen.

[5] Ik heb ook nog nooit gehoord dat de waarheid iets goeds veroorzaakt zou hebben. Laten we dit met een paar voorbeelden duidelijk maken:

[6] Een dief is gearresteerd, omdat men hem onder zware verdenking heeft, en hij staat voor de strenge rechter. Als hij goed liegen kan, wordt hij ontslagen wegens gebrek aan bewijs; spreekt de ezel echter de waarheid, dan krijgt hij de volle straf. Beëlzebub hale dan de waarheid!

[7] Volgend voorbeeld: iemand betaalt, zoals maar al te vaak gebeurt, aan een slimme handelaar veel te veel geld voor bepaalde goederen. De bedrogene heeft veel geld en goederen en merkt niets van het bedrog en voelt zich opperbest. Nu komt er echter een waarheidslievend mens, die het bedrog gemerkt heeft, en die maakt het de bedrogene duidelijk, hoe hij door zijn zakenman voor zoveel geld bedrogen werd! Pas op dat moment wordt de bedrogene ongelukkig, hij gaat naar de rechter en geeft veel geld uit om de bedrieger gestraft te krijgen. Heeft deze waarheid hem iets goeds gebracht?! Nee, alleen toorn en wraak heeft het bij hem gewekt en het heeft hem er toe gebracht nog méér geld uit te geven! De bedrieger echter, die goed liegen kon, wist de zaak zo te verdraaien, dat men de waarheid van de verrader niet alleen niet geloofde, maar hem ook nog als een kwaadwillige lasteraar in de gevangenis zette! Vraag: wat voor loon gaf de waarheid hier nu weer aan haar vriend?!

[8] Daarom, weg met de waarheid op aarde! Zij alleen is de schuld van al het menselijke ongeluk, zoals ook Mozes in het eerste boek zegt: 'Zodra je van de boom der kennis, de boom van de veelvoudige waarheid, eten zult, zul je sterven!' En zo is het en blijft het tot op dit uur! Met de leugen komt men op de troon en met de waarheid in de gevangenis! Een mooi presentje voor de vrienden van de waarheid!

[9] Zoek daarom de waarheid waar je maar wilt, maar betrek mij er niet bij! Wat in mijn voorraadkamers ligt opgeslagen en wat in mijn tuin groeit, staat voor jullie klaar; het heiligdom van mijn hart is echter als gift van Jehova, van mij alleen. U en de hele wereld geef Ik wat ik van de wereld heb en dat is het heil der wereld! Het heil van God houd ik echter alleen voor mijzelf!'

[10] De opperpriester zegt: 'Ik geef zonder meer toe, dat u nu heel juist beoordeeld heeft hoe het werkelijk in de wereld toe gaat, als men het van de wereldse kant bekijkt. Maar, omdat u alover Mozes gesproken heeft, zult u ook wel weten, dat Mozes van God voor zijn volk een wet kreeg, waarin de leugen of het valse getuigenis verboden is, en waarbij alle mensen verplicht worden om waarheidslievend te zijn!? Als alle mensen deze wet zouden houden, zeg dan zelf, zou het dan niet heerlijk zijn om op aarde te leven?!

[11] Ik zeg u en dat moet u kunnen begrijpen: Niet de waarheid, maar alleen de leugen is het, die al het onheil op de aarde onder de mensen heeft gebracht, en wel daarom, omdat de mensen over het algemeen heerszuchtig en hoogmoedig tegenover elkaar zijn. Iedereen wil meer zijn dan zijn naaste, en zo pakt de blinde mens alles wat hem in staat stelt om meer te zijn dan zijn naaste, en om de zwakkere te laten geloven, dat hij veel meer en uitnemender is dan wie ook’

[12] Deze eerzucht verleidt dan de mensen op den duur tot allerlei geroddel, zelfs tot moord en doodslag als het met de andere manieren van leugen en bedrog niet gelukt om bij de andere mensen tot groot aanzien te komen.

[13] Omdat volgens dit patroon de mensen bijna allemaal beter en uitnemender willen zijn, dan ze zijn, blijft hen werkelijk niets anders over, dan maar her en der steeds door te blijven liegen, en de waarheid heeft te midden van zulke mensen een bijzonder moeilijke standplaats.

[14] Als de mensen echter zouden ontdekken hoeveel beter de waarheid is dan de leugen, en dat zou heel gemakkelijk gaan als ze God en Zijn heilige wil in hun daden zouden gehoorzamen, dan zouden ze de leugen nog meer schuwen dan de pest, en de echte gerechtigheid van God zou dan een leugenaar met de dood bestraffen. Maar omdat de mensen allemaal hoogmoedig en heerszuchtig zijn, houden ze van de leugen en gebruiken haar woorden.

[15] Maar de mensen leven niet eeuwig op de aarde, zoals een duizendjarige ervaring Iaat zien, maar ze moeten allen na met al te lange tijd dit, lichaam verlaten, dat dan voedsel voor de wormen wordt; maar de ziel komt dan voor het gerecht van God! Dan vraag ik mij wel af, hoe ze met haar hoog geprezen leugen voor God bestaan zal!

[16] Ik vind echter en geloof echt, dat het in deze wereld beter is ter wille van de waarheid aan het kruis te komen, dan op een bepaald moment voor God te schande te staan en van Hem voor altijd te horen: 'Ga weg van Mij!'

[17] Als u mij goed heeft begrepen en geconstateerd dat wij echte vrienden van de waarheid zijn, spreek dan de waarheid en heb niet zo'n dwaze angst dat wij u voor de waarheid zullen straffen, en zeg open en eerlijk, wat u van ons en speciaal van Hem denkt, Die nu met mijn dochters spreekt!'

57 Hoe de koopman de Messias verwachtte
[I] De koopman zegt: 'Vriend, u heeft nu zeer juist en wijs met mij gesproken en mij datgene verteld, wat ik maar al te vaak in mij heb gevoeld; maar ik begrijp niet waarom u er zo op staat, dat ik vertel wat ik van u en speciaal van hem denk. Waar ik hem meteen voor gehouden heb, daarvan zei u, dat hij dat niet was, maar veel meer! Hoe men echter, zonder een God te zijn, meer kan zijn dan een God van de aardse mensen, dat wil zeggen, dan een keizer, dat begrijp ik niet! Alleen Jehova is in aardse en geestelijke termen meer dan de aardse God-keizer! Maar dat zal hij toch niet zijn?'

[2] Jonaël zegt: 'Ik zeg u: Kijk eens een beetje beter naar ons gezelschap; misschien valt u dan toch iets op! Wat denkt u van die vele heerlijke jongemannen, die u in ons gezelschap ziet? Kijk eerst en spreek dan!'

[3] De koopman zegt: 'Ik heb tot nog toe gedacht, dat het edelknapen van de keizer en zonen van patriciërs uit Rome waren, hoewel het vanwege hun zachte en blanke huid misschien eerder meisjes uit Achter Klein­Azië konden zijn. Want echt, ik heb al veel van dat schoons gezien, omdat ik vroeger daarin handel gedreven heb op Egypte en Europa, voornamelijk op Sicilië, ten behoeve van de grote en aan alle weelde van het leven zeer toegewijde Romeinen; maar zulke onuitsprekelijk heerlijke figuren heb ik daar nog nooit bij gehad! Zeg mij, waar ze vandaan komen en wie het zijn! Uw dochters zien er ook schitterend uit, maar met deze ­ men zou haast zeggen -stralende gestalten, zijn ze echt niet te ver­gelijken. Als u ze echter beter kent dan ik, zeg mij dan wie ze zijn en waar ze vandaan komen!'

[4] Jonaël zegt: 'Daartoe heb ik niet het recht, maar dat kan Hij alleen­ die hier temidden van mijn dochters staat. Vraag het Hem! Hij zal het juiste antwoord geven!'



[5] Nu wendt de koopman zich geheel tot Mij en zegt: 'Heer van al deze mensen, die ut naar het mij toeschijnt, volgen als lammeren hun herder, zeg mij toch, met wie ik de hoge eer heb te spreken! Want ze vroegen het mij en ik raadde de hoogste aardse positie die ik ken; maar men zei mij, dat ik het mis had. Daarmee houdt voor mij alles op; wilt u mij daarom de eer aandoen, mij iets naders over uw maatschappelijke staat te vertellen!'

[6] Ik zeg: 'U behoort ook tot diegenen, die pas geloven als ze een teken zien. Zien ze dat echter, dan zeggen ze: 'Kijk dat is een leerling van de Essenen of het is een magiër uit Egypte, of zelfs uit het land waar de Ganges stroomt, of hij is een knecht van Beëlzebub!' Maar wat blijft er dan nog over? Zeg Ik u echter zonder meer Wie Ik ben, dan gelooft u Mij niet!

[7] U hebt uw mening gegeven, en die was fout. Toen Jonaël u zei, dat Ik meer ben dan Uw aardse god, toen zei u: 'Alleen Jehova is meer, dan een keizer!' en u sloot stilzwijgend de mogelijkheid uit, dat Ik meer zou kunnen zijn dan een Romeins keizer, die u in de grond van de zaak alleen maar uit vrees voor zijn aardse macht, als hoogste op aarde erkent. In uw hart veracht u hem echter meer dan de pest, en zijn macht meer dan een sprinkhanenplaag.

[8] Het is nu al de derde dag dat Ik in Sichar verblijf en het is van daar naar de stad een wandelingetje van enige landwegen; het zou Mij erg verwonderen, als u van uw collega 's uit de stad niets over Mij gehoord had!'

[9] De koopman zegt: 'O, u bent het dus, waarover men mij gisteren en vandaag verteld heeft dat hij de Messias is, en dat door wonderbare daden bewijst! Het oude huis van de mooie Irhaël zou u gerestaureerd en wonderbaarlijk koninklijk hebben ingericht?! En men vertelde mij ook over een harde prediking die u op de berg gehouden zou hebben, waaraan zich echter velen hebben gestoten, omdat deze geheel tegen de wetten van Mozes indruiste! - Wel, wel, dat bent u dus!?

[10] Nu het verheugt mij, dat u mij heeft opgezocht en ik hoop u nog nader te leren kennen! Weet u, ik sta niet afwijzend tegenover deze gedachte en geloof vast dat de Messias zal en moet komen! Volgens mijn bere­keningen zou de tijd daar heel goed mee overeen kunnen stemmen, want de druk van de Romeinen is haast niet meer te verdragen! En waarom zou u niet de verwachte Messias kunnen zijn?! O dat neem ik direkt moeiteloos aan!

[11] Als u zich van uw kracht bewust bent en het goed verstaat om u als Messias overal te presenteren, dan sta ik onmiddellijk met mijn hele grote vermogen tot uw dienst. Die zwijnen uit de heidense avondlanden moeten zo vlug mogelijk het land onzer vaderen verlaten! Want weet u dat ik vanaf mijn jeugd al mijn inspanningen alleen dáárop gericht heb, om zo veel mogelijk rijkdommen te vergaren te behoeve van de verwachte Messias, omdat daarmee een groot leger van de dapperste en vermetelste en sluwste soldaten voor goed geld gekocht zou kunnen worden! Ik heb ook al met verscheidene van de dapperste volken uit Achter­ Azië gecorrespondeerd, en nu zijn er maar een paar boden nodig en dan staat er binnen enkele maanden een verschrikkelijke macht in deze landstreek! Maar nu niets meer daarover, in mijn ruime huis bespreken we het verder!

[12] Nu zal het middagmaal voor u allen echter wel klaar zijn; komt daarom allemaal en eet en drinkt naar hartelust!'

[13] Ik zeg: 'Nu dan, alles is tot zover naar wens; al het andere zullen we dan nog geheel doornemen en afspreken! En breng ons dan nu maar allen in de grote zaal. Maar die mannen daar helemaal achteraan, laat die hier, die horen niet bij Mij, maar alleen maar bij de wereld!'

58 Het vlees heeft een aards einde
[1] De koopman zegt: 'Ik ken ze, het zijn domme inwoners van Sichar, die in hun geloof en denken meer heiden zijn dan kinderen van Israël. Maar de miserabelsten daarvan komen uit de omgeving van de Galileese zee, die zijn zeer materialistisch en hebben van iets hogers en goddelijks totaal geen weet! Pure herrieschoppers! Ze hebben liever een magiër uit Egypte dan Mozes en alle profeten, en liever een welgevormde hoer uit Boven-Azië dan goud en edelstenen! Ik ken hen maar al te goed; maar om hun geroddel te voorkomen, zal ik ze in mijn grote tuinzaal laten verzorgen: Want als ze niets zouden krijgen, waren we nog niet klaar!'

[2] Ik zeg: 'Doe wat je wilt en kunt, want geven is zaliger dan nemen! Maar in het vervolg geef je alleen maar aan behoeftigen en armen, en als iemand geld van je wil lenen, en zo rijk is dat je kunt zien dat hij het je veelvoudig terugbetalen zal, dan leen je het hem niet! Want als je hem geleend hebt, zal hij weldra in het geheim een vijand van je worden, en het zal je veel moeite kosten om je geld tesamen met de rente weer terug te krijgen.

[3] Als er echter iemand tot je komt, aan wien je kunt zien dat hij arm is en niet in staat zal zijn om jou ooit je geld terug te betalen, leen hem dan, en de Vader in de hemel zal het je honderdvoudig op een andere manier hier op aarde al vergoeden, en zal het geld, wat je aan de armen geleend hebt, voor jou in de hemel omvormen tot een grote schat, die na dit aardse leven in het hiernamaals hoog boven het graf op je wacht.

[4] Ik zeg je: Wat de liefde op aarde doet, dat is ook in de hemel gedaan en blijft eeuwig; wat echter gedaan wordt uit pure aardse slimmigheid, dat verzwelgt de aardbodem en voor de eeuwige hemel blijft niets over. Wat kan al het aardse bezit voor de mens van nut zijn, als daarbij zijn ziel schade lijdt?!

[5] Wie voor de aarde en voor het vleselijke zorgt is een dwaas, want net zoals het vlees van de mens zijn einde heeft, zo is het ook met de aarde! Als echter het einde der aarde eenmaal onafwendbaar zal komen, op welke grond zal de arme ziel dan kunnen wonen?!

[6] Ik zeg je echter, dat ieder mens die zijn lichaam verliest, ook tegelijkertijd voor eeuwig de aarde verliest. En als hij niet door de liefde in zijn hart een nieuwe aarde voor zichzelf geschapen heeft, dan zal zijn ziel zich over moeten geven aan de wind en de wolken en de nevels, en wordt heen en weer gedreven in de eeuwige oneindigheid. Zij zal nooit ergens rust en stilte vinden behalve in het valse en waardeloze voortbrengsel van de eigen fantasie, en hoe langer deze rust duurt, des te zwakker, duisterder zij wordt en tenslotte gaat zij over in pikzwarte nacht en duisternis, waaruit de ziel vrijwel nooit zelf een uitweg vindt! Daarom kun je in de toekomst ook maar beter zo doen als Ik het je nu gezegd heb; maar doe voor dit ogenblik, wat je zelf wilt en kunt!'

[7] De koopman zegt: 'U bent bijzonder wijs en kunt best in alles gelijk hebben, maar over dat geldlenen ben ik het niet helemaal eens. Want als men veel geld verkregen heeft en het graag gebruikt, dan kan men het toch beter tegen een matige rente uitlenen, dan dat men het begraaft opdat de dieven het niet kunnen stelen als ze 's nachts kwamen en alle kasten en kisten openbraken. Daarnaast kan men van zijn overvloed toch altijd aan de armen geven wat ze nodig hebben; want als ik in één keer alles weggeef en het vermogen niet goed beheer, dan zal ik weldra niets meer hebben en ik zal niet in staat zijn om de vele armen nog iets te geven. ,

[8] Ik zeg: 'Laat het echte beheer maar aan God de Heer over, en geef aan degenen, die de Heer naar je toestuurt, en dan zal je vermogen niet kleiner worden! Heb je dan niet vele en grote akkers en weiden, en tuinen volooft en druiven, en zijn je uitgebreide stallen niet volossen, koeien, kalveren en schapen? Kijk, als je daarmee handel drijft, dan zal de zegen van God je steeds datgene volledig vergoeden, wat je in de loop van het jaar aan de werkelijk armen hebt gegeven; maar wat je op de rentegevende rekening van de rijken wegzet, zal je van bovenaf nooit worden vergoed, en je zult veel zorgen hebben en je steeds afvragen, of ze je geld wel goed beheren. Doe daarom, zoals Ik je nu gezegd heb, dan zul je een goed en zorgeloos leven hebben, en alle armen zullen je liefhebben en overal waar het maar mogelijk is zegenend van dienst zijn, en de Vader in de hemel zal je doen en laten steeds zegenen; en zie, dat zal beter zijn dan de steeds grotere zorgen die de rentegevende rekeningen je zullen geven!'


1   ...   6   7   8   9   10   11   12   13   ...   43

  • 54 Bij Jonaël. Kritiek van de leerlingen op de Heer.

  • Dovnload 2.49 Mb.