Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Uitgeverij de ster, ginnekenweg 124, 4818 jk breda

Dovnload 2.49 Mb.

Uitgeverij de ster, ginnekenweg 124, 4818 jk breda



Pagina11/43
Datum05.12.2018
Grootte2.49 Mb.

Dovnload 2.49 Mb.
1   ...   7   8   9   10   11   12   13   14   ...   43
59 Ezau's slot. Liefde in plaats van vrees

[1] De koopman zegt terwijl wij het kasteel ingaan: 'Mijn Heer en mijn vriend, volgens mij predikt u een zuiver goddelijk vrome wijsheid, die zachter is dan ik ooi( uit een menselijke mond gehoord heb; maar bij het volgen van die leer van u behoort een sterk vertrouwen in Jehova, en ondanks mijn vaste geloof heb ik dat niet. Ik weet, dat Hij het is, Die alles geschapen heeft, en Die alles nu leidt, regeert en onderhoudt, maar ik kan mij niet levendig genoeg voorstellen dat Hij als allerhoogste geest Zich met privé aangelegenheden kan en wil inlaten! Want Hij is voor mij zo buitengewoon heilig dat ik het nauwelijks waag om Zijn allerheiligste naam uit te spreken, laat staan dat ik van Hem zou verwachten dat Hij mij bij mijn smerige geldzaken Zijn almachtige hand zou geven om mij te helpen!

[2] Ik geef echter wel aan de armen die naar mij toekomen, en heb geen hond om een bedelaar van de deur te houden. Alleen dit bos, waar ik erg van houd, zie ik niet graag gebruikt door vreemden en armen, omdat ze de tuinen en nieuwe beplantingen vaak moedwillig beschadigen, en omdat ze daarin als hongerigen en dorstigen toch niets vinden waarmee ze zich kunnen verzadigen en hun dorst kunnen lessen. Daarentegen heb ik op ongeveer twintig landwegen gaans van hier een groot vijgen­ en pruimenbos aangeplant; daar mogen alle vreemdelingen en armen vrij plukken, alleen mogen ze de bomen niet beschadigen, en daarvoor heb ik er ook een aantalopzichters lopen.

[3] Daaraan kunt u zien, dat ik echt wel aan de armen denk; maar het zij verre van mij, dat ik om die reden de verhevenste geest zou vragen, dat Hij ofwel aards of hemels mijn geld zou beheren! Als Hij iets wil doen en ook al werkelijk iets gedaan heeft, waaraan ik niet twijfel, dan laat ik dat afhangen van Zijn vrije heilige wil! Ik heb echter zo'n onbegrensde eerbied voor Hem, dat ik het nauwelijks waag Hem daarvoor te bedanken, want ik geloof dat door zo'n zuiver materiële dank, waarmee ik Hem eigenlijk zeg dat ik geloof dat Hij mij als handlanger van dienst geweest zou zijn, ik Hem helemaal niet zou eren. Ik leef en werk daarom zo rechtvaardig mogelijk volgens de wet met mijn door God verkregen krachten, en bind de bek van os en ezel niet dicht als ze mijn oogst dorsen; maar de grote Geest eer ik alleen op Zijn dag! Want er staat geschreven: 'De naam van uw God zult u nooit ijdel uitspreken!'

[4] Ik zeg: ' Als Ik niet reeds lang geweten had, dat je een rechtvaardig en uitermate godvrezend man bent, dan zou Ik niet naar je toegekomen zijn. Maar weet wel, dat je Diegene vréést, die je eigenlijk boven alles moest liefhebben; dat is niet helemaal juist van jou, en daarom kwam Ik hierheen om je te tonen, dat je in de toekomst God meer moet liefhebben dan vrezen. Dan zal God wel naar je afdalen en bij alles wat je doet, jouw zekere, krachtige en betrouwbare helper zijn!'

60 Bij de Heer is de echte wil gelijk aan de daad
[1] Na deze opmerking van Mij hebben we nu ook langzaam voortlopende de grote binnenplaats van het kasteel bereikt en daar komt de hele bediendenschaar verbaasd en verlegen de koopman tegemoet, en de opperdienaar, het hoofd van de bedienden, voert het woord en zegt: 'Heer, heer, dat is me een mooie geschiedenis! Onze koks en kokkinnen kunnen niets koken, alles mislukt! Om toch iets te hebben wilden we daarom de tafels in ieder geval voorzien van fruit en wijn en een goede hoeveelheid (brood; maar de kamers zijn zodanig afgesloten, dat we ondanks de grootste inspanning,niet één deur konden openen! Wat zullen we nu doen?'

[2] De koopman, die deels bijzonder verbaasd en deels zeer geërgerd was, zegt: 'Zo gaat dat nu, als ik ook maar één stap buiten de deur zet; niets dan een opeenhoping van wanorde! Wat hebben die koks en kokkinnen nu weer? Er zijn hier toch al vaak tienduizend gasten verzorgd en dan ging alles zoals het behoort; en nu zijn het er nauwelijks duizend, en overal heerst de grootste wanorde! Maar wat zie ik?! Uit alle ramen kijken jongemannen naar buiten; mijn kasteel is dus vol mensen, en jij en je ondergeschikte knechten zeggen, dat alle deuren in mijn kasteel afgesloten zijn?! Hoe zit dat nu? Liegen jullie en wil je je voor je traagheid verontschuldigen, of, als de kamers inderdaad afgesloten zijn, wie heeft ze dan afgesloten?'

[3] Het hoofd weet niet, wat hij zijn meester daarop zal antwoorden en de hele grote schaar dienaren van de kasteelheer is tot zijn zichtbare ergernis zeer verlegen en onder de indruk; niemand weet hoe te handelen of te helpen.

[4] Maar Ik zeg tegen de koopman: 'Beste vriend, laat de zaak maar op z'n beloop zoals het nu reilt en zeilt! Het is namelijk zo, dat toen jouw dienaren en wachters een tijdje geleden door jou naar Mij toegestuurd werden om Mij te vragen, wie Ik ben en wat Ik hier met zo'n groot gezelschap zoek, Ik, als een heer, van jou verlangde dat je ons allemaal een goed middagmaal moest geven! Je was meteen bereid om dat te doen, hoewel je niet wist, wie Degene is Die Zich het recht aanmatigt om van jou voor zoveel gasten een middagmaal te verlangen.

[5] Jouw dienaars en ook jij hielden Mij eerst voor een Romeins vorst, en dat was voor jou een reden te meer, om aan Mijn wens te voldoen; toen je echter tijdens ons veelzijdig leerzame gesprek tot de erkenning kwam, dat Ik de Messias ben, was je hart gelukkig en wenste nog sterker Mij en het hele gezelschap de beste verzorging te geven, zodat het Mij bevallen zou om bij je te blijven tot je jouw noodzakelijk geachte strijdmacht uit Boven­ en Achter-Azië tegen de Romeinen bij elkaar gebracht zou hebben, om onder Mijn leiding alle vijanden uit het land van God te verdrijven, omdat zij pure heidenen zijn en niet geloven in de levende echte God!

[6] Toen je dat in je binnenste besloten had, heb Ik ook iets in het geheim besloten, en wel, dat jij nu in je eigen huis Mijn gast zou zijn en Ik niet de jouwe! Daarom gaf Ik Mijn voortreffelijke dienaren daartoe opdracht, en zie, alles staat geheel klaar, en je zult vandaag aan Mijn zijde met hele echte hemelkost gevoed worden!

[7] Zet jouw tuinvruchten en dat wat je keuken heeft geproduceerd, maar voor aan die lasterende schreeuwers uit Sichar, die daar nog in het bos rondscharrelen en van ergernis niet weten wat te doen, omdat ze niet zijn uitgenodigd! Ik denk dat je daar geen moeite mee zult hebben; want als Ik bij iemand zie dat hij het goede wil, dan vind Ik die wil al meteen net zoveel waard als het werkelijke doen! Bij jou heb Ik een goede wil gezien en daarom bevrijd Ik je van de dure uitvoering daarvan. Want Ik ben rijker dan jij, en Ik wil Mij daarom niet door jou laten verzadigen, maar Ik wil dat jij door Mij wordt verzadigd!'

[8] Nu zet de koopman grote ogen op en zegt na enig diep nadenken: 'Heer, dat is teveel ineens voor een arm zondig mens! Ik ben niet in staat het wonder in al zijn grootte en diepte te begrijpen! Als u alleen maar een mens zou zijn, zoals ik maar een mens ben, dan zou u dat niet kunnen; want in uw gezelschap heb ik geen lastdieren gezien. Op wat voor een bijzonder vreemde manier moet u dan langs natuurlijke weg aan eten gekomen zijn?! Even geleden zag ik ook een paar van die hele mooie bedienden -of zijn er soms ook dienaressen bij? -in uw gezelschap en ik zie ze nog en het zijn dezelfde; maar waar zijn die dan vandaan gekomen? Ik heb veel vertrekken in mijn kasteel en de meeste daarvan zijn groot en ruim; tienduizend mensen kunnen er gemakkelijk een plaats vinden. Nu zie ik echter die mooie dienaren uit alle ramen op ons neer kijken! Daarom vraag ik nog een keer: waar vandaan en op wat voor manier zijn die dan hier gekomen?'

[9] Ik zeg: 'Vriend, als je uit dit huis naar een willekeurig ander land zou gaan om daar te kopen of te verkopen, dan neem jij toch ook de dienaren mee, die je nodig hebt, en laat je daardoor bedienen; nu, zo doe Ik het ook! Ik heb er buitengewoon veel; hoeveel het er zijn zou je bezwaarlijk ooit kunnen begrijpen. Als Ik dus op reis ga, waarom zouden Mijn dienaren en knechten dan bij zo'n gelegenheid thuis blijven?!'

[10] De koopman zegt: 'Heer, zonder twijfel is dat beslist zoals het hoort; ik wilde alleen maar weten, waar u en al die schitterende dienaren van u vandaan zijn gekomen. Dat, ja dat wil ik o zo graag weten.'

[11] Ik zeg: 'Laten we eerst het middagmaal gebruiken en dan hebben we daarna nog wel tijd voor verdere uitleg. Nu hebben we echter al genoeg gepraat en het wordt nu wel eens tijd om uit te rusten, en de inwendige mens te versterken. Laten we daarom naar de grote zaal gaan, die in dit slot aan de oostkant ligt, en van hieruit niet gezien kan worden, omdat we hier net aan de westkant van het kasteel staan waar je de grote zijvleugel van het kasteel niet kunt zien!'

[12] Van pure verwondering verliest de koopman bijna het bewustzijn en na een ogenblik van grootste verbazing zegt hij: 'Heer, nu wordt het geheel me bijna te overdreven wonderlijk! Er is ooit wel eens een oostvleugel aan dit kasteel van Ezau geweest, maar sinds deze oostvleugel heeft bestaan, zijn er toch al wel tweehonderd jaren weggegleden in het onherroepelijke verleden; ik en mijn voorouders weten er nauwelijks meer iets van. Hoe kunt u dan praten over de grote zaal in de oostvleugel van dit kasteel?'

[13] Ik zeg: 'Pas als je in dit kasteel van jou geen oostvleugel zult vinden, mag je wat zeggen; als je er echter een vindt, denk en begrijp dan, dat bij God alle dingen mogelijk zijn! Maar wees dan stil en zeg niets tegen Mijn gezelschap; want voor zulke dingen is Mijn omgeving nog niet rijp!'

[14] De koopman zegt: 'Waarlijk in alle ernst brand ik nu van nieuws­gierigheid om deze oostvleugel van mijn kasteel te zien, waarover mijn voorvaderen slechts bij geruchte wat gehoord hebben! De fundamenten zijn hier en daar nog wel te zien, maar dat is dan ook alles wat ik ooit gemerkt heb van deze vleugel van dit kasteel, die eens zo mooi moet zijn geweest.' -Nu pas gaat de koopman vlug voorop en wij volgen hem.


61 Een wonder maakt de geest niet vrij

[1] Als hij op de eerste verdieping komt, ziet hij direct de voorspelde vleugel, loopt vol verrukking door de open deuren naar binnen, beziet de grote zaal en krijgt een flauwte van verbazing. Meteen lopen enige van de witte jongemannen op hem toe, helpen hem en brengen hem bij. Als hij een beetje bij zijn positieven is, komt hij weer naar Mij toe en vraagt Mij met een stem, die trilt van opperste verwondering: 'O Heer, ik smeek u, overtuig me toch of ik wel waak of dat ik misschien slaap en nu heel vast droom!'

[2] Ik zeg: 'Zoals je het nu vraagt, lijkt het er op dat je meer droomt dan wakker bent; maar toch droom je niet en wat je daar ziet is voelbare werkelijkheid! Je zei Mij zelf buiten in het bos, dat je had gehoord dat Ik het oude huis van Jozef, dat thans door Irhaël wordt bewoond en ook haar eigendom is, in een oogwenk helemaal heb vernieuwd. Nu, als Ik Jozefs huis kon herbouwen, dan ben Ik toch ook wel in staat om de oude vesting van Ezau te vernieuwen?!'

[3] De koopman zegt: 'Ja ja, dat is nu zichtbaar en waar, maar het is toch welongelooflijk dat een mens zoiets kan! Heer, luister naar mij! Als u geen profeet bent zoals Elia, dan moet u een aartsengel in menselijke gedaante of uiteindelijk misschien wel Jehova Zelf zijn! Want zulke dingen zijn bij God alleen maar mogelijk!'

[4] Ik zeg: ' Ja, ja, als je geen teken gezien had, dan zou je Mij ook niet geloofd hebben! Nu geloof je weliswaar, maar met dat geloof is je geest niet vrij! Opdat je in je hart toch wat vrijer worden zult, zeg Ik je: Niet Ik, maar deze vele jongemannen hebben dit gedaan; God de Vader heeft hen de macht daarvoor gegeven. Aan hen kun je vragen, hoe ze dit hebben gedaan!'

[5] De koopman zegt: ' Juist! Ik heb buiten al aan Jonaël gevraagd, wie en waarvandaan deze heerlijke schone jonge wezens zijn, maar ik kreeg geen antwoord en werd heel eenvoudig naar u verwezen. Toen ik daarvoor naar u toekwam, ben ik het vreemd genoeg helemaal vergeten; Ik was alleen maar met u bezig en onze discussie nam een heel andere wending. Nu pas herinner ik het me weer en ik zou nu van u een goed antwoord willen hebben over alles wat betreft deze lieflijke jongemannen!'

[6] Ik zeg: 'Om je niet te lang in het ongewisse te laten zeg Ik je dat het engelen van God zijn, als je dat gelooft. Wil je het echter niet geloven, houd ze dan maar voor wat je wilt, als je maar niet denkt, dat het duivels of dienaars van de duivel zijn!'

[7] De koopman zegt: 'O Heer, o Heer, hoe staat het nu met me?! Daarnet vroeg ik u, of ik wel wakker was, of dat ik sliep en droomde; nu vraag ik u, of ik nog leef. Want zulke dingen kunnen op de echte aarde toch niet gebeuren!”

[8] Ik zeg: 'Oh, - en of je op aarde bent! Ik heb je innerlijk gezichts­ vermogen ontsloten en

nu kun je ook de hemelse geesten zien! Maar, vraag nu niet verder, want het is tijd voor het middagmaal! Alles is klaar en nu gaan we aan tafel!'

[9] De koopman zegt: 'Ja, ja, dat is goed! Maar ik zal van verbazing niet veel kunnen eten, want de wonderen stapelen zich hier op! Nee, dat had ik vanmorgen niet kunnen vermoeden! Dit gebeurde allemaal veel te snel en te onverwacht. Pas drie uur geleden bent u uit Sichar in mijn grote bos gekomen en wat is er niet allemaal in die drie uur gebeurd?! - Het ongelooflijkste! -En toch is het er! Maar wie, buiten degenen, die het gezien hebben, zal het geloven, ook al zouden duizend getuigenissen het bevestigen?!

Heer, Heer, grote meester, door God Zelf geleerd en geleid, ik geloof het, omdat ik het nu met eigen ogen zie. Maar ook al vertellen jullie het aan duizenden, dan zullen ze het niet alleen niet geloven, maar ze zullen zich ergeren en zeggen, dat de vertellers onbeschaamde leugenaars zijn! Vertel het daarom aan niemand verder, want het is te wonderbaarlijk! Wie heeft ooit zo iets heerlijks als deze zaal gezien?! De wanden lijken gemaakt van zuivere edelstenen, het plafond van goud, de vloer van zilver, de vele tafels van jaspis, hyacinth en smaragd, de voetstukken van goud en zilver, het drinkgerei van het zuiverste diamant en de eetschotels als uit het fijnste en vurigste robijn, de banken om de tafels eveneens van edele metalen en de bekleding van dieprode zijde; en de geur van de spijzen en dranken is hemels! En dat alles in - zeg maar - drie uur! Nee dat is meer dan ongelooflijk!

[10] Heer! U moet God Zelf zijn of U bent stellig minstens Gods Zoon!'

[11] Ik zeg: 'Heel goed, heel goed! Maar nu aan de maaltijd! Na de maaltijd zul je nog genoeg beleven; maar nu zeg Ik vóór de maaltijd niets meer. Kijk eens naar de velen, die honger en dorst hebben omdat het vandaag juist zo warm is! Daarom moeten ze nu eerst worden verkwikt en helemaal gesterkt, want dan komt geestelijk al het andere ook wel weer!'



62 De Heer opent voor allen de weg naar de hemel
[1] Nu zegt de koopman niets meer, dankt met Mij de Vader en zet zich dan aan een grote tafel, die in het midden van de zaal staat. Ik en al Mijn leerlingen, Jonaël met zijn vrouwen kinderen, Irhaël met haar gemaal Joram en in hun midden Maria, de moeder van Mijn lichaam, gaan dan ook aan dezelfde tafel zitten.

[2] De koopman doet dat erg veel genoegen en hij zegt: 'Heer, omdat U mij de eer aangedaan heeft om aan deze tafel te komen zitten, waaraan: ik ben gaan zitten, zal ik van nu aan een tiende deel van alles wat mijn goederen opbrengen aan de armen geven, en alle belasting, die ze aan de Romeinen moeten afdragen, zal ik voor tien jaar vooruit betalen! Daarna hoop ik dat God, Uwen onze Vader, ons door U, o Heer, van deze plaag verlossen zal, waaraan ik met al de mij ten dienste staande middelen zal meehelpen, zoals ik U dat buiten reeds waarachtig en getrouw heb aangeboden.

[3] O Heer, bevrijd ons slechts van deze plaag, en geef dat de Joden van Jeruzalem weer met ons samen willen gaan, want ze hebben zich mijlenver van de oude waarheid verwijderd! Bij hen heerst alleen maar zelfzucht, machtshonger en praal; aan God denken ze nooit en van naastenliefde is geen spoor meer te vinden! Garizim verachten ze, maar de tempel van Jehova in Jeruzalem hebben ze veranderd in een wissel­kantoor en handelszaak! En zegt men hen, dat ze misdadigers zijn in het heiligdom van God, dan vervloeken ze degene, die ze de waarheid durft te zeggen! Heer, dat moet anders worden, zo kan het niet meer blijven! En als het zo blijft, dan kunnen we weldra een nieuwe zondvloed verwachten! Overal in de wereld niets dan heidenen, en in Jeruzalem en in Judéa leven Joden, priesters, levieten, schriftgeleerden, Farizeeën en wisselaars en handelaars, die allemaal bij elkaar tienmaal erger zijn dan alle heidenen! Kortom, de wereld is nu vele malen erger dan ten tijde van Noach! Als dit kwaad niet wordt verholpen en de Messias geen vlammend zwaard in de hand neemt, komen we zeer waarschijnlijk weer tot het bouwen van een nieuwe ark! Heer, doe dus, waar U mogelijkerwijs toe in staat bent! Ik ben altijd tot Uw hulp bereid!'

[4] Ik zeg daarop: 'Beste Jaïruth! Kijk naar Mijn jongemannen! Ik zeg je: Ik heb er zoveel, dat je ze op duizendmaal duizend aardbollen niet zou kunnen bergen, en één van hen zou voldoende zijn, om het hele Romeinse rijk in drie tellen te vernietigen. Maar hoewel jullie meer geloof hebt dan de Joden, hebben jullie toch net als de Joden een totaal foute voorstelling van de Messias en Zijn rijk.

[5] De Messias zal wel een nieuw rijk op deze aarde stichten, maar ­ let op! -geen stoffelijk met kroon en scepter, maar een rijk van de geest, de waarheid, de echte vrijheid door de waarheid, onder de alleen­heerschappij van de liefde! ,

[6] Er zal op de wereld een beroep gedaan worden om aan dit rijk deel; te nemen. Als zij hiernaar luistert, dan zal het eeuwige leven haar loon zijn; als zij niet luistert, zal zij weliswaar blijven zoals zij is, maar tenslotte zal de eeuwige dood haar deel zijn!

[7] De Messias is nu als mensenzoon niet gekomen om deze wereld te oordelen, maar alleen om allen, die nu in de duisternis des doods wandelen, uit te nodigen voor het rijk van de liefde, het licht en de waarheid!

[8] Hij kwam niet op deze wereld, om voor jullie datgene terug te winnen wat jullie vaders en koningen aan de heidenen hebben verloren, maar alleen, om jullie datgene terug te brengen, wat Adam verloren heeft voor alle mensen, die ooit op deze aarde geleefd hebben en ooit zullen leven!

[9] Tot op heden is nog geen enkele ziel, die het lichaam verliet, losgekomen van de aarde; tallozen, te beginnen bij Adam en verder allen na hem tot op dit uur, smachten nog in de aardse nacht. Maar pas vanaf nu worden ze vrij! En wanneer Ik naar de hemel op zal varen, zal Ik voor allen de weg van de aarde naar de hemel openen en ze zullen allen over deze weg het eeuwige leven binnengaan.

[10] Kijk, dat is het werk dat de Messias moet volbrengen en niets anders! En je hoeft jouw strijders uit Achter-Azië niet te roepen, want Ik zal ze nooit nodig hebben. Maar veel geestelijke arbeiders zal Ik nodig hebben voor Mijn rijk, en Ik zal ze Zelf daarvoor klaarmaken. Hier aan deze tafel zitten er al een paar, maar er worden er nog meer in alle liefde en waarheid klaargemaakt.

[11] Zie je, het is Mijn taak om dat ten uitvoer te brengen! Vorm je hier nu eens een mening over, en zeg Mij dan eens, hoe je zo'n Messias vindt!'

[12] De koopman Jaïruth zegt: 'Heer, daar moet ik nog eens goed over nadenken! Want van zo'n Messias heeft nog nooit een mens gehoord! Het lijkt mij echter, dat de wereld op die manier niet veel aan de Messias hebben zal! Want zolang de wereld wordt gelaten zoals ze is, zal ze steeds de onaangenaamste vijand zijn van alles wat met de geest te maken heeft! Ik wil er echter nu nog verder over nadenken.'




63 De uitwerking van hemelse en aardse wijn

[I] Iedereen eet en drinkt nu, en zelfs Jaïruth begint diep in gedachten te eten en daarbij ook flink wat te drinken. Wanneer hij door de hemelse liefdewijn helemaal vervuld wordt van de liefde, zegt hij tegen Mij: 'Heer, Ik kreeg net een heerlijke gedachte! Ik zou graag, als dat mogelijk is, wijnstokken willen hebben van zo'n soort, dat ik uit de druiven daarvan een wijn als deze zou kunnen persen! Want als ik zo'n wijn in mijn kelders heb, dan vul ik de hele wereld met niets anders dan de opperste liefde! Ik heb het nu aan den lijve ondervonden. Ik ben weliswaar ook maar een mens die een zekere voorliefde heeft voor alles wat goed, juist en mooi is, maar ik kan niet zeggen, dat ik ooit ook maar iets van een speciale liefde voor de mensen in mij gevoeld heb.

[2] Tot nu toe deed ik alles wat ik deed volgens een zekere norm, die Ik mij aan de hand van mijn wetskennis zelf voorschreef. Het kon me weinig schelen of een wet goed of slecht was, daarover heb ik eigenlijk nooit gepiekerd. Mijn lijfspreuk was: wet is wet, hetzij van God of Caesar! Als de wet straf kan opleveren, dan eist het eigenbelang, dat je het zó aanpakt, dat je je niet aan straf bloot stelt! Heeft een wet echter geen sanctie, dan is het ook geen wet, maar alleen een goede raad die je op kunt volgen; zonder straf is er geen plicht.

[3] Als je een goede raad niet opvolgt, kun je weliswaar ook schade oplopen, die er bijna net zo treurig uit kan zien als bij een wettelijke straf, maar het niet opvolgen van een goede raad is toch geen zonde in die zin, dat er, behalve degene die de goede raad niet opvolgde, nog meer mensen bij betrokken konden worden. Als een raad echter slecht is, bega ik duidelijk een grote zonde als ik hem opvolg.

[4] Met de wet ligt dat anders. Of die nu goed of absoluut slecht is, ik moet gehoorzamen omdat het een wet is. Gehoorzaam ik niet, bijvoorbeeld omdat ik het slecht vind, dan zondig ik tegen God of tegen het staatshoofd, en allebei zullen ze mij straffen! Daaruit blijkt duidelijk, dat ik het mogelijke goede uit de wet nooit uit liefde doe, maar alleen vanwege de mij steeds met innerlijke afkeer vervullende dwang van de wet. Maar nu ik deze heerlijke hemelse wijn gedronken heb, zie ik overal liefde en zou ik de hele aarde willen omarmen en zoenen!

[5] Bovendien zie ik ook dezelfde uitwerking bij allen, die deze echte hemelse wijn gedronken hebben. Daarom zou ik zelf een grote wijngaard vol met zulke wijnstokken willen verbouwen en dan alle mensen van de wijn daarvan laten drinken, en dan zouden ze net als ik beslist heel snel van liefde vervuld worden! Als ik dus zulke wijnstokken zou kunnen krijgen, dan zou ik de gelukkigste mens op Gods lieve en mooie aarde zijn!'

[6] Ik zeg: 'Druiven, die je net zo'n sap zullen geven, kan Ik je wel bezorgen, maar daarmee krijg je bij de mensen toch niet de gewenste uitwerking. Want deze wijn versterkt de liefde wel, als deze zich reeds in de mens bevindt; heeft een mens echter geen liefde maar alleen het boze in zijn hart, dan wordt dat boze net zo in hem versterkt als de liefde nu in jou versterkt werd, en hij verandert in een volkomen duivel en zal met evenveel enthousiasme het boze gaan stimuleren als jij nu het goede wilt gaan bevorderen.

[7] Daarom moet men bij dit sap heel goed opletten wie men ervan Iaat genieten! Maar Ik wil je toch wel een wijnberg met zulke wijnstokken schenken, als je er maar op Iet wien je dit sap te drinken geeft! De versterkte liefde kan wel veel goeds verrichten; maar het is beter wanneer de liefde door Gods woord versterkt wordt omdat ze dan blijft, terwijl ze bij het genieten van deze drank maar tijdelijk is, en dan weer vervluchtigt zoals dit sap zelf. Let daar ook goed op, anders veroorzaakje iets slechts inplaats van iets goeds!'

[8] Daarop zegt de koopman Jaïruth: 'Heer, als dat zo is, dan zou het niet goed zijn zo'n wijn te verbouwen! Want je kunt toch niet weten, of een mens, die je dit sap te drinken geeft, liefde of boosheid in zijn hart heeft. En als je dan de goede intentie hebt om zijn liefde te versterken,

maar in plaats daarvan zijn boosheid versterkt, dan zou je daardoor behoorlijk in verlegenheid gebracht worden en bovendien gevaar lopen!

Nee, nee, dan zou ik het verbouwen van die wijn toch maar nalaten!'

[9] Ik zeg: 'Het maakt me niets uit; je krijgt wat je hebben wilt! Maar Ik zeg je: In meer of mindere mate heeft iedere wijnsoort, die op aarde verbouwd wordt, deze zelfde eigenschap. Laat maar eens verschillende mensen van je eigen verbouwde wijnen ongeveer net zoveel drinken, als jij nu van Mijn zuivere hemelse wijn gedronken hebt, en dan zul je zien, dat een deel vervuld wordt met liefde, en een ander deel zo agressief wordt, dat je ze met touwen moet laten binden! Als de aardse wijn al zo'n uitwerking heeft, dan heeft de hemelse wijn dat in nog veel sterkere mate!'




1   ...   7   8   9   10   11   12   13   14   ...   43

  • 61 Een wonder maakt de geest niet vrij
  • 63 De uitwerking van hemelse en aardse wijn

  • Dovnload 2.49 Mb.