Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Uitgeverij de ster, ginnekenweg 124, 4818 jk breda

Dovnload 2.49 Mb.

Uitgeverij de ster, ginnekenweg 124, 4818 jk breda



Pagina16/43
Datum05.12.2018
Grootte2.49 Mb.

Dovnload 2.49 Mb.
1   ...   12   13   14   15   16   17   18   19   ...   43
87 De Joden verlangen terug naar hun zuurdeeg

[1] Toen allen zich verwijderd hadden, kwam de jonge huisheer, bij wiens bruiloft Ik het water in wijn veranderd had, naar Mij toe en zei:' Heer! Degenen, die ons uit Judéa en Jeruzalem gevolgd zijn en zich nu buiten in de grote gastenkamer met spijs en drank gesterkt hebben, zouden nog graag even met U willen spreken. Want ik geloof, dat er verscheidene het plan hebben om naar hun woonplaats te gaan en daar hun boeren­bedrijfjes te regelen. Als U het daar mee eens bent, dan kan ik hen dat wel overbrengen!'



[2] Ik zeg: 'Ik geloof dat dat niet nodig is! Wie bij Mij is en blijft, die IS zonder meer in zijn echte woonplaats, en wie zich deze enige en echte woonplaats niet verwerft, die zal voortdurend in het woeste en vreemde ronddwalen als opgeschrikt wild, dat in de woestijn voedsel en een woonplaats zoekt, maar zowel het ene als het andere niet vindt en tenslotte van honger, dorst en kou versmacht en uiteindelijk een prooi wordt van de verscheurende dieren, die in de lege woestijn wonen!

[3] Wie is er dan bij Mij iets te kort gekomen?! Is iedereen niet iedere dag door de hemel verzadigd, zowel lichamelijk als geestelijk? Heeft er Iemand honger en dorst geleden, of heeft er soms iemand ergens anders onder geleden? Is er iemand door een wereldlijk gerecht vervolgd omdat hij. met Mij meegegaan is?! Ik zeg je: Wie gaan wil, die ga; wie echter blijven wil, die blijve! Want niet Ik heb de mensen nodig, maar de mensen hebben mij nodig! Wie Mij verlaat, zal ook door Mij verlaten zijn, en die Mij met zoekt, die zal Ik ook niet zo ijverig zoeken! - Ga nu naar buiten en breng hen dat maar over!'

[4] De gastheer zegt: 'Heer, ik heb het daar wat moeilijk mee; bent U dan ook boos op de burgers van Kana, die in hun eigen huizen zijn gaan slapen!?'

[5] Ik zeg: ' Je hebt Mij niet begrepen! Kijk, deze burgers hebben Mij helemaal in hun harten opgenomen, en Mijn leer is voor hen heilig geworden; deze Joden zijn het echter met geheel en al eens met Mijn leer die Ik hen in Sichar gaf, en zij verlangen weer naar hun zuurdeeg en met z?zeer naar hun huishouden, en willen daarom nu naar huis! Beleefdheidshalve wilden ze Mij eerst nog bedanken, om door jullie niet aangezien te worden voor ruwe onbehouwen lummels. Ga daarom maar gerust naar buiten en breng hen alles onomwonden over wat Ik nu tegen je gezegd heb!'

[6] Met dit advies gaat de gastheer naar buiten naar de Judeeërs en brengt hen woordelijk over wat Ik tegen hem heb gezegd. Daar kijken ze allemaal heel raar van op, ook al omdat ze zich erg aangesproken voelen. Een paar worden er boos over; anderen trekken het zich erg aan en denken er in hun hart over na en zeggen: 'Hij heeft ons geraakt en jammer genoeg heeft Hij nog gelijk ook; hopelijk vergeeft Hij het ons, en wij willen blijven!'

[7] Degenen, die zich beledigd voelen, zeggen echter: 'Maar wij gaan! Wij zijn weliswaar werkelijk niets bij Hem te kort gekomen, maar we hebben schoon genoeg van dat nutteloze Scythenleven; en daarbij moet je bij Hem altijd erg opletten om niet met het een of andere woordje Iets fouts te zeggen! Want dan zit je direkt in de hoek waar de klappen vallen en moet je maar zien zonder al te veel kleerscheuren weer in de pas te komen; want van enige toegevendheid is bij Hem geen sprake! Wat Hij eenmaal zegt, daar trekt Hij niets van terug! Daarom willen wij ook niet langer bij Hem blijven!'

[8] De berouwvollen zeggen: 'Daar hebben jullie wel gelijk in. De priesters in Jeruzalem kun je wel goed ompraten, vooral als er dan voldoende naar hun wens geofferd wordt! Maar Hij Iaat zich niet ompraten, al gaf Je Hem de hele aarde cadeau! Daardoor is het wel wat hard en moeilijk om met Hem te leven; maar Hij is nu eenmaal vast en zeker op z'n minst een grote profeet, en Zijn woorden zijn stuk voor stuk vol waarheid, vol kracht en leven, en de natuur, die zelf niets zeggen kan, gehoorzaamt op Zijn wenken! Wat kunnen we dan anders doen dan blijven, zolang Hij ons Zelf niet wegstuurt?! Want de daden, die wij Hem hebben zien doen, heeft nog nooit een mens verricht, en wij blijven daarom in ieder geval bij Hem!'

[9] De beledigden zeggen echter: 'Dat moet je zelf dan maar weten; wij gaan! Mochten wij de heer des huizes nog iets schuldig zijn, laat hij dan maar de rekening voor ons opmaken!'

[10] Maar de gastheer zegt: 'Ik geef geen onderdak aan vreemden, maar alleen maar aan de hier thuishorende kinderen van Jacob, en die behoeven bij mij, net als overal in Kanaän, het land waar melk en honing in beken stroomt, geen kost en inwoning te betalen. ,

[11] Na dit antwoord staan ze op, gaan op weg en haasten zich daar­vandaan. Toen ze echter verscheidene uren gaans van Kana verwijderd waren en van moeheid hun voeten niet meer konden verzetten, vielen ze langs de weg neer en genoten daar met een paar honderd man hun nachtrust.

[12] Afdalend van Jeruzalem komt er echter langs diezelfde weg een sterk

Romeins legioen soldaten en stuit op die slapende mensen. Omdat de vermoeiden niet wakker te krijgen zijn, bewaakt men hen tot de ochtend van de nieuwe dag. Als ze dan in de ochtend ontwaken zijn hun handen geboeid, en omdat ze geen geldige reispapieren bij zich hebben, worden ze allen als gevangenen voor het gerecht te Jeruzalem gebracht en daar een week lang verhoord, tot ze zich als Jood gelegitimeerd hebben en na betaling van een boete zich vrijgekocht hebben en vrijgelaten worden.

[13] Een deel van die Romeinse soldaten komt echter diezelfde morgen ook naar Kana. Als ze ons huis onderzoeken en wij ons legitimeren met de reispas uit Jeruzalem, maken ze verder geen moeilijkheden en trekken verder naar Kapérnaum. Eerst besprak de overste van dit legioen, die Mij herkende, nog vele zaken met Mij en vertelde Mij tevens, dat hij nu voor langere tijd in Kapérnaum zal resideren, waar zijn familie al een paar dagen eerder heengegaan is, en waar hij ze weer zal ontmoeten. Hierbij nodigt hij Mij ook uit om naar Kapérnaum te komen en hem daar te bezoeken, hetgeen Ik beloof na een paar dagen te zullen doen.

[14] Hij vraagt Mij ook of Ik wist, wat dat voor grote karavaan kon zijn, die hij die nacht was tegengekomen, of liever gezegd die hij diep in slaap verzonken langs de weg naar Jeruzalem had gevonden.

[15] Ik vertel hem, wat voor een karavaan dat was, en hij antwoordt Mij vriendelijk glimlachend: 'Ik heb meteen al gedacht, dat ik daar tegen een stelletje Farizeese spionnen aan liep, en ik zou me zeer verbazen, als U ze niet op het eerste gezicht als zodanig had herkend!'

[16] Daarop antwoord Ik hem: 'U heeft niet helemaal ongelijk, als u dat van ze denkt. Maar toen ze Mij uit Jeruzalem en Judéa volgden, waren ze dat nog niet; maar nu kunnen en zullen enigen van hen dat tot hun eigen grote nadeel worden. Want het tempelgebroed houdt wel van het verraad, maar is banger voor de verrader dan voor de verraden vijand en laat daarom geen verrader zo maar gaan. Bijna ieder moet het vervloekte water drinken, en van de tien komt er nauwelijks één met z'n leven vanaf; degenen, die uit elkaar zijn gebarsten, worden dan gewoonlijk van boosaardig verraad beschuldigd en vervolgens in Josafat waar zich een vervloekte plaats bevindt, in vervloekte aarde begrave; En zo zal ook het lot van enigen zijn, die Mij als verrader bij het tempelgebroed zullen aangeven! Want het is Mijn tijd nog niet!'



88 Overste Cornelius en de tempelreiniging
[l] De overste, Cornelius genaamd, die ook een broer van keizer Augustus is, zegt: 'Nu, wel bekome het hun! Want mij ontbreken de woorden om U uit. te leggen hoe erg ik met al dit tempelgebroed in mijn maag zit! Laat Ik U vertellen, goede verheven vriend: Het slechtste van het slechtste op de hele aardbodem is wel een Joodse tempelpriester! Onze, zeg maar Egyptische priesters zijn slecht, maar zo hier en daar zijn ze toch nog een beetje menselijk; men hoort weinig over mogelijke wreedheid en hun taak is, een paar mystieke uitzonderingen daar gelaten, om de mensheid aan te sporen tot menselijkheid en strijdbaarheid.

[2] Maar deze kerels zijn doortrapte huichelaars! Uiterlijk doen ze zich streng en vroom voor, alsof ze allemaal zakkenvol levende goden met zich meedragen; innerlijk echter zijn ze nog te slecht voor de alleronderste onderwereld die wij uit onze mythen kennen. Werkelijk, als onze on­gelofelijke drie furiën, voor wier afschuwelijkheid alles van angst en schrik In steen verandert, een van deze Jeruzalemse tempelkerels te zien kregen, dan zouden zij waarschijnlijk zelf ten gevolge van te grote angst en vrees in diamant veranderen! Ik zeg U: Voor de uiteindelijke ontwarring van deze allerboosaardigst verworden tempel­ en haar priesterkluwen moet zo snel mogelijk het scherpe zwaard van de koning van Macedonië komen, anders wordt binnenkort nog de hele aarde ingekapseld in deze noodlottige kluwen! - O vriend! Ik zou U dingen over deze kerels kunnen vertellen ­waarvan de hele aarde koorts zou krijgen! Maar laat ik erover ophouden, dit is voorlopig wel genoeg; als U mij opzoekt, zullen we er nog veel met elkaar over spreken!'

[3] Ik zeg: 'O, dat hoeft niet, Ik ken het gebroed tot in de onderste wortelvezel! Ik heb daarvoor uit uw geslacht in Rome al een 'koning van Macedonië' uitgekozen, die zal de opdracht krijgen om deze verwardste aller kluwens met een gloeiend zwaard door te hakken! Ik wil echter eerst nog veel doen ter mogelijke verbetering van zo velen van hen!'

[4] De overste zegt: 'Doe het niet! Want als U net als ieder mens sterfelijk bent, dan zullen ze U, ook al bent U een echte zoon van God, weten te doden! Want geloof me, voor deze kerels is ook zelfs een God Zijn leven niet zeker! - Neem dat maar van mij aan, beste jonge vriend!'

[5] Ik zeg: 'Laten we er niet meer over praten! Wat de Vader wil, dat zal gebeuren! Eén zucht uit Mijn mond zou voldoende zijn om te maken, dat ze er niet meer waren! Maar dat is niet de wil van de Vader, en daarom laten we ze nog een tijd begaan!'

[6] De overste zegt: 'Als die kerels nog tien jaar zo doorgaan, dan zullen er in Judéa niet veel mensen in leven blijven. Het is maar goed dat er in hun hoge raad een gematigd persoon zit, anders was er niet lang nadat U zo dapper de tempel gereinigd heeft van het gespuis, een kolossale herrie ontstaan! Maar een echt rechtschapen man, Nicodémus genaamd, is het gelukt om deze kerels, waarvan er nu al bijna net zoveel zijn als er gras is op de aarde, in toom te houden. Het was bijna om je dood te lachen, hoe buitengewoon slim hij het voor elkaar kreeg hen te doen geloven, dat deze tempelreiniging met opzet door God werd toegelaten om Zijn dienaren daardoor veel geld te verschaffen, ten nadele van de verkopers, wisselaars en duivenverkopers, die behalve hun kleine plaats­huur nooit een offer in de tempelkas deden terwijl ze toch het meeste geld van heel Jeruzalem bezaten! De meesten waren het daar mee eens, en sommigen zeiden zelfs: 'Nu, laat die op het volgende feest maar weer komen met zijn toverkracht; we kunnen hem gebruiken!' Maar degenen, die zelf in de tempel als bijverdienste ook via vertrouwde agenten wisselhandel bedreven hadden, waren het natuurlijk met deze wens helemaal niet eens. Maar desalniettemin sta ik er toch voor in, dat U wegens een eventuele tempelreiniging bij een volgend feest door het gespuis geen haar gekrenkt zal worden; want U heeft hen de laatste keer aan een aanzienlijke som gelds geholpen. Wanneer U daarom bij een zelfde gelegenheid weer eens naar Jeruzalem zoudt gaan, sluip dan maar heel in het geheim naar binnen, anders zult U de tempel van zelf al gereinigd vinden; want deze kooplui, wisselaars en veehandelaren hebben naar alle richtingen spionnen uitgestuurd, die al Uw doen en laten in de gaten moeten houden, net zoals de ons bekende ontzettend slechte tempeldie­naars dat doen. Degenen, die ik onderweg gevangen liet nemen, waren voornamelijk dat slag kerels en ik geloof niet dat er ook maar twee eerlijke bij waren!

[7] Ik zeg: 'Nu, dat plezier wil Ik hen nog wel een keer bezorgen; maar daarna, daar kunt u van overtuigd zijn, zal er geen wisselaar en geen verkoper meer in de tempel zijn zaken beginnen! Bij Mijn laatste intocht in Jeruzalem zal Ik de tempel nog een keer net zo moeten reinigen als Ik haar jongstleden gereinigd heb!'

[8] Na deze belofte voor de toekomst komt een aanvoerder van de troep en meldt aan de overste, dat de troepen klaar staan voor de afmars. De overste neemt nu afscheid van Mij en herinnert Mij er nogmaals aan, hem toch beslist in Kapérnaum te bezoeken! Daarna brengt de heer des huizes een goed ontbijt en alle gasten nemen daaraan deel.



89 Twee rustdagen te Kana

[I] Na beëindiging van het ontbijt zeg Ik tegen alle aanwezigen: 'Wie thuis iets te regelen en te doen heeft, kan nu voor een paar dagen gaan; maar op de derde dag moet hij weer hier zijn! Want Ik blijf hier nu een paar dagen in Kana en zal Mijzelf een beetje rust gunnen. Degenen die te ver weg wonen, kunnen hier blijven, net zoals degenen die niet bij Mij weg willen! Maar Ik zal hier gedurende deze twee dagen niets Ieren of doen, maar Ik zal alleen maar uitrusten en voor jullie allen tot de Vader bidden'.

[2] Nu komen ook Maria en Mijn vijf broers naar Mij toe en vragen Mij, of zij ook een paar dagen naar Nazareth mogen gaan en daar de huishoudelijke zaken op orde brengen.

[3] Ik zeg: 'Ja, ga en doe dat; want Mijn leerlingen moeten ook hun wereldse huishouding in orde hebben! Regel echter jullie huishouding vast voor de komende paarjaar en verhuur deze aan een arm persoon, maar wel kosteloos! Want jullie als Mijn broers en leerlingen mogen in de hele toekomst van niemand huur of loon vragen, maar alleen maar dat aannemen wat men je vrijwillig zal geven!' - De broers en ook Maria beloven dat en vertrekken naar Nazareth.

[4] Van de leerlingen, die Mij van Bethabara, waar Johannes doopte, gevolgd waren, ging alleen Thomas naar huis met het voornemen daar nog meer volgelingen voor Mij te werven, wat hij dan ook deed. Maar daaronder was ook een zekere Jood, die geen oorspronkelijke Galileeër was, genaamd Iskariot, die Mij later verried. Deze was tot aan dat bepaalde moment de ijverigste van al Mijn volgelingen. Hij speelde voor betaal­meester, betaalde overal alles en gedroeg zich een beetje als kwartiermeester en leider op die plaatsen, waar Ik vervolgens heentrok. Maar hij wist in het geheim ook goede munt te slaan uit Mijn daden en leringen, en deze geldhonger veranderde hem tenslotte in dat, wat hij geworden is, namelijk een - verrader van Mij! Petrus en de andere leerlingen, die Mij ook reeds vanaf Bethabara gevolgd waren, bleven echter.

[5] Petrus zei, toen Ik hem vroeg, of hij ook niet voor een paar dagen naar huis wilde gaan: 'Heer, alleen de dood of een bevel uit Uw mond kan mij van U scheiden! Ik heb Thomas een opdracht meegegeven voor mijn zoon Markus, dat hij hierheen moet komen, want omdat hij bijna net zo goed schrijft als Matthéus, zou hij hier goed te gebruiken zijn! Dat is dan ook alles, wat ik nu in mijn huishouding te regelen heb; voor al het andere zorgt U toch al, mijn Heer en mijn God!' -Ik zeg: 'Niet zo luid, Mijn Simon Petrus; want we zijn hier niet in Sichar! Er zijn hier sommigen, die nog niet zo ver zijn als jij; die zouden zich kunnen ergeren. Daarom is het voldoende als je Mij van nu af aan 'Heer' noemt; dat andere moet je maar zolang in je hart, dat Mij welbekend is, bewaren!'

[6] Petrus heeft genoeg aan dit antwoord en vraagt Mij, of we gedurende die twee dagen in Kana helemaal niets zullen doen. Maar Ik zeg: 'Dat zeker niet; maar zo inspannend als in Sichar zal het niet worden! Wij zijn hier in aardse termen gesproken, in het eigen vaderland, en je weet hoeveel een profeet in het eigen land waard is! Daarom zullen we hier ook in onze eigen kring niet veel doen en Ieren; want waar het geloof ontbreekt, daar is voor ons weinig werk. We willen ons daarom hier, zoals gezegd, een paar dagen lang laten verwennen en ons op het toekomstige een beetje uitgebreider voorbereiden!'

[7] Na deze woorden komt Matthéus en vraagt Mij, of hij gedurende die twee dagen hier soms het een en ander zal optekenen, wat hij in Sichar gezien en gehoord heeft.

[8] Ik zeg echter: 'Als je al beslist iets wilt doen, schrijf dan de bergrede nog een paar keer over; daarvan moet dan hier in Kana bij onze gastheer een exemplaar blijven en we willen in Kapérnaum er één achterlaten; want ook daar zullen we verder niet veel te doen krijgen!'

[9] Dan komt de gastheer en vraagt Mij, wat Ik 's middags zou willen eten. En Ik zeg tegen hem: 'Vriend, waarom nu zo'n onnodige vraag?! Voor het ontbijt heb je me toch ook niets gevraagd, en dat heeft me toch echt goed gesmaakt! Dus zal het middagmaal mij ook smaken! Ik zeg je, iedere spijs, die gekruid is door het edele en liefdevolle hart van de gever, smaakt het best; beter dan de kostbaarste zaken, die op tafels van zelfzuchtige zwelgers schitteren en met hun ambergeur de zalen vullen!' Onze jonge gastheer was heel gelukkig met dit antwoord en stelde daarop met een blij hart alles in het werk om ons 's middags zo goed als maar mogelijk was te verzorgen.

[10] En zo brachten wij de twee dagen door met het houden van menige goede bespreking en veelvuldige bezoeken van de kant van de burgers uit deze kleine stad.

[11] Ook enige zieken werden door handoplegging genezen; en Ik toonde een rechtschapen dokter aldaar, die niets begreep van de geneeskracht door het opleggen van de handen, een groot aantal geneeskrachtige kruiden en andere zaken, waarmee hij vervolgens de beste kuren samenstelde en waardoor hij een beroemde naam kreeg.

[12] Op de derde dag kwamen allen, die gedurende de twee dagen naar huis waren gegaan, behalve moeder Maria en de vier oudste broers, weer terug en brachten van alle kanten nieuwe leerlingen mee. Met name Thomas had in dit opzicht een bijzonder rijke visvangst gehad en bracht ook een hoeveelheid gebraden vissen mee; want hij wist, dat Ik zulke vissen graag at.

[13] En ook de jonge Markus bracht veel groeten over voor zijn vader Sirnon en daarbij een hoeveelheid zeer goede gebraden vissen; en Iskariot bracht veel geld en heel veel leven in het gezelschap, want hij was zeer levendig en beweeglijk en regelde alles, had zeer veel met Mij op en wist veel te verhalen over de verschillendste voorvallen, die zich her en der in het grote Romeinse rijk hadden voorgedaan.

[14] Toen we nu zo bij elkaar waren, wilde Ik opbreken voor de verdere reis. Maar de gastheer verzocht Mij toch nog tot de avond te blijven, omdat het buiten zeer heet was. En Ik bleef tot aan de avond. Toen de zon echter bijna onderging, wekte Ik het gezelschap op om zich reisvaardig te houden, omdat Ik van plan was bij zonsondergang verder te gaan.

90 De genezing van de vorstenzoon
(En er was een vorstelijke persoon, wiens zoon te Kapérnaum ziek lag. Deze vernam, dat Jezus uit Judéa naar Galiléa kwam en ging naar Hem toe en vroeg Hem, of hij af wilde dalen en zijn zoon helpen; want deze was doodziek. Joh. 4:47)
[I] Toen wij op weg wilden gaan, kwam Mij hardlopend en haast buiten adem een man tegemoet, die van koninklijke afkomst was en een naaste bloedverwant van de overste, die een paar dagen te voren naar Kapérnaum ging. Deze man had van de overste gehoord, dat Ik van Judéa weer naar Galiléa terug was gekomen. Hij had een enig zoon, die opeens door een kwade koorts werd overvallen, en toen de dokter in Kapérnaum de zieke zag besefte hij ogenblikkelijk, dat deze niet meer te redden was. De vader van de jongen was ontroostbaar en wist van verdriet niet wat hij doen moest. Toen kwam Cornelius, de overste, naar hem toe en zei: 'Broer, er is nog één mogelijkheid! Van hier naar Kana is voor een goede loper nauwelijks een uur gaans. Daar bevindt zich de beroemde genezer Jezus uit Nazareth! Ik heb Hem Zelf op mijn reis hierheen daar aan­getroffen en gesproken! Hij zal daar zeker nog zijn; want Hij heeft mij beloofd, van daaruit rechttoe rechtaan naar mij in Kapérnaum te komen en mij te bezoeken! Wat Hij belooft, dat doet Hij ook zonder enige twijfel! Omdat Hij echter tot nu toe nog niet is gekomen, is Hij beslist nog in Kana! Ga daar zo snel mogelijk persoonlijk heen en vraag Hem, of Hij bij je zoon komen en hem helpen wil! En ik sta er voor in, dat Hij direkt komt en je zoon zal helpen!'

[2] Zodra de vorstelijke persoon dat van zijn broer Cornelius hoort, snelt hij in aller ijl naar Kana en komt dan ook, zoals reeds hierboven vermeld, helemaal buiten adem in Kana aan, op het moment dat Ik de eerste stap voor de verdere reis zette­ Nauwelijks bij Mij aangekomen, valt hij voor Mij neer en smeekt Mij om toch zo vlug mogelijk met hem naar Kapérnaum te gaan, omdat zijn enige zoon, die zijn alles is, al met de dood worstelt en er in Kapérnaum geen dokter is die hem helpen kan. Als Ik niet zo snel mogelijk met hem mee zou gaan, zou zijn zoon zeker sterven voordat Ik in Kapérnaum zou zijn, als zijn zoon al niet nu reeds gestorven zou zijn!


(En Jezus zei tot hem: 'Als u geen tekenen en wonderen ziet, gelooft u niet!'

Joh­ 4:48)
[3] Ik zeg: 'Kijk, Mijn vriend, het is bij jullie een lastige geschiedenis! Want als jullie vooraf al geen tekenen en wonderen zien, dan geloof je niet! Ik help in de eerste plaats alleen diegenen, die geloven ook als ze vooraf geen tekenen en wonderen hebben gezien! Want waar Ik het onvoorwaardelijke geloof tegen kom, daar genees Ik ook wis en zeker!'
(De vorstelijke persoon zei tegen Hem: 'Heer! Daal af, voor mijn zoon sterft!'

Joh­ 4:49)
[4] Nu schreeuwt de vorstelijke persoon het uit: 'O Heer, praat hier niet zo lang met mij arme; U ziet toch dat ik geloof, anders was ik niet tot U gekomen! Ik smeek U, o Heer, kom slechts onder het dak van mijn huis, en mijn zoon zal leven! Als U echter treuzelt, dan zal hij gestorven zijn nog voor U er zijn zult! Begrijp me dan toch, ik heb veel knechten in dienst, en als ik tegen de één of tegen een ander zeg: Doe dat, of doe dit, dan zal hij dat doen. Als ik niet volledig in U geloofde, o Heer, dan had ik één van mijn knechten naar U toegestuurd! Maar omdat ik onvoorwaardelijk in U geloof, daarom kwam ik zelf; want mijn hart zei mij: ' Als ik U maar vind en zie, dan wordt mijn zoon gezond!' Heer, ik geef het toe, dat ik helemaal niet waard ben dat U onder mijn dak zou komen, - maar, als U slechts één woord wilde spreken, dan zou mijn zoon gezond en levend worden!'
(Jezus zegt tot hem 'Ga heen, uw zoon leeft" De mens geloofde het woord, wat Jezus tegen hem sprak, en ging heen. Joh. 4.50)
[5] Ik zeg: 'Vriend, zo’n geloof ben Ik in heel Israël nog niet tegen gekomen! Ga getroost naar huis; het zal geschieden zoals je gelooft! Je zoon leeft!' - En de vorstelijke persoon ging huilend van vreugde en dankbaarheid naar huis; want hij geloofde rotsvast in Mijn woord. Ik bleef nu deze avond en de volgende dag echter nog in Kana, hetgeen de gastheer erg veel genoegen deed.
(En terwijl hij afdaalde, ontmoetten hem zijn knechten. verkondigden hem en spraken: 'Uw kind leeft" Joh. 4.51 )
[6] Toen de vorstelijke persoon, die in Kapérnaum in groot aanzien stond, omdat hij ten eerste net als de overste Cornelius verwant was aan het regerende huis in Rome, en ten tweede daar door Rome in een hoge functie van de staat aangesteld was, de stad naderde, kwamen zijn vele knechten hem al tegemoet en riepen hem al op een afstand toe: 'Heer, uw zoon leeft en is volkomen gezond!'
(Toen vroeg hij aan hen het uur, waarop het beter met hem was gegaan. En zij zeiden tegen hem: 'Gisteren omstreeks het zevende uur verliet hem de koorts.

Joh. 4:52)
[7] De man viel bijna flauw van blijdschap en vroeg gelijk wanneer hij beter geworden was. En de knechten antwoordden eenstemmig: 'Gisteren op het zevende uur van de dag verliet de kwade koorts hem!'
(Toen merkte de vader, dat het op hetzelfde uur was, toen Jezus tegen hem had gezegd: 'Uw zoon leeft!' En hij geloofde met zijn gehele huis. Joh. 4:53)
[8] Toen hij dat van zijn knechten hoorde, rekende hij het na en stelde vast dat het precies op het moment gebeurd moest zijn, waarop Ik tegen hem gezegd had: ' Je zoon leeft'. Rustig liep hij toen verder naar huis. En toen hij daar aankwam, kwam overste Cornelius hem al met de geheel gezonde en opgewekte zoon tegemoet en zei tegen hem: 'Nu broer, heb ik je naar de echte genezer gezonden of niet?!'

[9] De vorstelijke persoon zei echter: 'Broer, ja, door jouw raad heb je mij mijn leven tienvoudig teruggegeven! Maar deze genezer Jezus uit Nazareth is zeer duidelijk méér dan een gewone genezer die nog zo goed is in het genezen van ziekten door middel van heilzame kruiden! -Denk je dat eens in! Hij zei, zonder mijn zoon ook maar ooit gezien te hebben, alleen maar heel simpel: 'Je zoon leeft!' en de jongen werd op datzelfde moment gezond! - Luister goed, dat betekent toch wel iets heel bijzonders! Ik zeg je: Dat kan geen mens, maar is alleen maar bij God mogelijk! En van nu aan geloven ik en ook zeker mijn hele huis, dat deze Jezus zonder enige twijfel een echte God is, en dat Deze nu voor het heil van alle mensen in mensengestalte onder de mensen is en hen geneest en leert. -Als Hij hierheen komt moet Hij hier als een God geëerd worden!'

[10] Cornelius zegt: 'Zo ken ik Hem al en daar blijf ik ook bij, maar Hij wil beslist niet, dat men Hem zo zou ontvangen!'

[11] De vader van de genezen zoon zegt: 'Broer, met zo'n overduidelijk bewijs in handen - vind ik - kan men nooit te veel doen!'

[12] Cornelius zegt:' Ik ben het helemaal met je eens; maar het blijft zoals ik gezegd heb, want hij is een gezworen vijand van openbaar en uiterlijk eerbetoon. Uit Zijn vroegste jeugd weet ik me nog te herinneren, dat Hij alleen waarde hecht aan stil en innerlijk eerbetoon, dat zich uit door de liefde van het hart. Maar alle uiterlijke verering vindt Hij zelfs bijzonder irriterend, en als Hij, zoals Hij beloofd heeft, hierheen komt, dan zou je Hem met een openbare vergoddelijking alleen maar uit deze plaats verjagen! Doe alles wat je wilt dus maar in je hart; en vermijd vooral alle openbare plichtplegingen! Want ik ken Hem al sinds Zijn geboorte daar in Bethlehem, en heb sinds die tijd veel van Hem gehoord en veel ook zelf gezien!'

[13] De vorstelijke persoon zegt: 'Nu goed, gisteren heb ik overdag je raad opgevolgd en daarom wil ik ook nu in de nacht naar je raad luisteren en die opvolgen!'

[14] (Hier moet naar aanleiding van het woord 'gisteren' een kleine verklaring bijgevoegd worden om haarkloverijen te voorkomen. Het was namelijk zo, dat de dag, speciaal in Galiléa, slechts duurde tot de zonsondergang. Na de zonsondergang sprak men over de afgelopen dag al als 'gisteren'. Met zonsondergang begon de eerste nachtwake voor de komende dag; een nachtwake duurde net zo lang als drie uren bij ons, en een uur overdag was in de zomer haast zo lang als twee uren bij ons en in de winter nauwelijks één, want de tijd tussen zonsopgang en zonsondergang moest altijd twaalf uren duren, of de zon nu lang of kort aan de hemel stond. Als daarom hier gezegd wordt, dat de vorstelijke persoon in één uur van Kapérnaum naar Kana ging, dan zou dat met onze tijdrekening neerkomen op bijna twee volle uren. -Deze korte ingelaste uiteenzetting is hier even noodzakelijk, omdat anders verschei­dene voorvallen in dit Evangelie nauwelijks goed te begrijpen zouden zijn, omdat de overeenkomstige tijdsaanduidingen alleen op de toenmalige en niet op de huidige tijdsrekening betrekking hebben.)

91 De Heer en tweeduizend jaar evangelie
(Dit was het andere teken, dat Jezus deed, toen Hij uit Judéa naar Galiléa kwam. Joh. 4:54)
[1] De volgende dag in Kana zei Ik tegen Johannes, die het eerste teken tijdens de bruiloft in Kana opschreef, dat hij dit tweede teken in deze zelfde plaats eveneens moest vastleggen; en Johannes deed dit ook in weinig woorden verdeeld over acht verzen, zoals het in de Schrift staat.

[2] Nu vroeg Matthéus aan Mij, of hij deze gebeurtenis ook op zou schrijven. -Maar Ik zeg tegen hem: 'Dat hoeft niet! Als we morgen naar Kapérnaum gaan en als Ik daar weer Mijn leer verkondigen en tekenen doen zal, - dan moet jij die opschrijven! Zet de genezing van de melaatse in Sichar, die Ik daar genas toen Ik van de berg afkwam, ook nog bij Mijn bergrede!'

[31 Matthéus zegt: 'Heer, volgens mij heeft U in Sichar twee melaatsen genezen; welke moet ik opschrijven'?'

[4] Ik zeg: 'Er zijn er wel meer dan twee genezen; maar die ene is voldoende, die Ik aan de voet van de berg genas en waartegen Ik zei, dat hij zich aan priester Jonaël, wiens naam je niet op behoeft te schrijven, moest tonen en de gave moest offeren, die Mozes als een bewijs voor God voorgeschreven heeft! Want wie Mi.i niet vanwege dit ene teken gelooft, die zal Mij ook niet geloven, als Ik honderd tekenen voor hem deed! Schrijf daarom van al die tekenen alleen datgene op, wat Ik je zojuist beschreef!’



[5] Matthéus zegt: 'Och ja, Heer, nu weet ik al welk teken U bedoelt! Ik heb er wel nota van genomen, maar het nog niet helemaal op schrift gezet, en dat zal ik nu direkt doen, en ik begin daarmee tevens een nieuw hoofdstuk. Want de bergrede heb ik in drie hoofdstukken verdeeld, en dit wordt nu het vierde hoofdstuk'

[6] Ik zeg: 'Voorlopig is je indeling wel goed; maar je zult, nadat Ik van deze aarde opgevaren zal zijn naar Mijn hemelse rijk, nog vier hoofdstukken er vóór moeten schrijven; daarom kun je nu al de drie bergrede hoofdstukken in plaats van met één tot en met drie, met vijf tot en met zeven nummeren, en het nieuwe wordt dan nummer acht!'

[7] Matthéus paste zijn aantekeningen meteen op deze manier aan, en nu staat de bergrede, hoewel deze het eerst door Matthéus opgeschreven werd, niet in het eerste maar pas in het vijfde, zesde en zevende hoofdstuk.

[8] Om de evangeliën van Johannes en Matthéus beter te kunnen begrijpen is het nodig het bovenstaande te weten; want beide zijn onder Mijn persoonlijke leiding geschreven, en Ik wil dat men door deze kennis in staat is om de beide uiterlijk zeer verschillend lijkende berichten als één geheel en als aanvulling op elkaar te zien, omdat het zo vaak voorkomt dat zelfs goede kenners van de Schrift de wonderen, die overeenstemming vertonen bij Matthéus en Johannes, als dezelfde beschouwen, en zich daarna af gaan vragen: 'Hoe is het toch mogelijk dat Matthéus dit zegt en Johannes dat, terwijl het onderwerp toch beslist hetzelfde lijkt te zijn?!'

[9] Dit was de aanleiding tot veel dwalingen en niet zelden tot een algehele verwerping van Mijn leer zoals deze in de evangeliën geschreven staat.

[10] Men zou hier zeker wel op kunnen merken: 'Ja, waarom, o Heer, deed U daar dan in al die eeuwen niet wat aan, en gaf U daarover geen voorlichting?' Dan zeg Ik:

[11] In iedere eeuw heb Ik op alle plaatsen waar Mijn leer ook maar enigermate geloofd werd. mannen uitgekozen en geroepen. die de toedracht en de betekenis van de evangeliën aan de mensen duidelijk maakten. Deze geroepenen hebben dat altijd gedaan en ze hebben ook historisch datgene in de geschriften aangevuld, wat ten dele door de slordigheid van de mensen en ten dele door het starre denken en niet zelden door de kwade wil van de verschillende sektarische leiders en priesters van het evangelie, respectievelijk van Mijn leer, verloren is gegaan; maar slechts heel weinigen namen dat aan.

[12] De kerken, die zich in de loop van de tijd systematisch ontwikkeld hebben, verwierpen dit vanzelfsprekend en verklaarden het tot 'ketterij' en 'duivelse influisteringen' omdat het niet paste in hun op winst en heerszucht ingestelde kraam!

[13] De geleerden en kunstenaars verklaarden daarentegen zulke verschijn­selen als 'fantasie' en 'zweverig gebazel' van een arme sukkel, die ook wat wilde betekenen zonder daarvoor de nodige eigenschappen door moeite, vlijt en grondige studie ontwikkeld te hebben!

[14] Op de plaats waar de uitgekozen en geroepen profeet leefde en waar men hem kende, was hij helemaal niet in tel en kon daarom ook weinig tot stand brengen. In het algemeen denken de mensen namelijk, dat een profeet eigenlijk helemaal niet op de aarde moet wonen en ook geen mensengestalte moet hebben, hij moet ook niets eten of drinken en geen kleding dragen, maar hij moet minstens net als Elia in een vurige wagen door de lucht gaan, en van daaruit aan ieder mens alleen datgene verkondigen, wat die bepaalde mens graag hoort en wat hem vleit! Op zo'n echte profeet zouden zich zeker alle oren en ogen richten, zeker als hij tijdens zijn wonderbare reizen naar evenredigheid goud­ en zilvermunten onder de rijken en kleingeld onder het gewone volk zou strooien, waarbij dan de groten, rijken en machtigen geprezen en de arme duivels daarentegen meermalen ferm getuchtigd zouden worden, vooral als ze het waagden te morren tegen de rijken, groten en machtigen! Zo'n profeet zou dan voor de armen natuurlijk niet zo'n erg aangename verschijning zijn, en die zouden hem niet prijzen!

[15] Maar een profeet, die een mens is als ieder ander, die eet en drinkt en misschien zelfs een huiskamer heeft, en dan bovendien zelfs een gewoon werelds handwerk uitoefent, die is toch niet in staat om te profeteren! Ze zeggen dat hij een dwaas of een huichelaar is, en in zijn woonplaats zal hij zeker het allerminst iets tot stand kunnen brengen!

[16] Ik heb op deze manier gedurende ongeveer twee duizend jaar steeds hetgeen ontbrak aangevuld; maar wie nam het aan'? Geloof me: Altijd maar heel weinigen, en die dan nog zelden met veel vuur! Men nam er wel kennis van en schreef het op; maar men heeft steeds om allerlei waardeloze redenen niets gedaan om zijn levenswandel daarnaar te richten en zichzelf geestelijk ervan te overtuigen, dat die overigens eenvoudige mens in ernst door Mij was geroepen om de mensen in de steeds donker wordende wereld weer een nieuw licht uit de hemel te brengen.

[17] De één heeft een paar nieuwe ossen gekocht en moet deze nu voor het ploegen africhten, zodat hij natuurlijk geen tijd heeft; de ander heeft een nieuwe akker te bebouwen en kan daarom niet komen! De derde heeft een vrouw getrouwd en heeft dus beslist geen tijd en gelegenheid meer! De vierde moet een groot huis bouwen en weet zich door alle zorgen geen raad: die kan al helemaal geen tijd vinden! En zo heeft tenslotte iedereen een uitvlucht, en een nieuw licht uit de hemel brandt dan weer voor niets gedurende een hele eeuw in de één of andere verborgen hoek van de aarde. En als Ik in de volgende eeuw wéér een nieuw licht geef ter verduidelijking van de oude geschriften, dan overkomt dat hetzelfde lot!

[181 Als dit nu door al de eeuwen heen steeds dezelfde ervaring blijkt te zijn, dan vraag je je wel af, of de schuld wel bij Mij ligt dat de oude geschriften nu nog steeds diezelfde hiaten vertonen, die voor duizend jaar al door ingebeelde verstandelijke onderzoekers en tobbers zijn ontdekt, en die de aanleiding waren dat veel twijfelaars en vervolgens verwerpers van Mi.jn leer en van Mi.in volstrekte goddelijkheid, als paddestoelen uit de grond geschoten zijn.

[19} Daarom geef Ik nu een uiterst sterk licht op deze zaak, opdat er dan niemand meer zich kan verontschuldigen met te zeggen, dat Ik Mij sinds Mijn lichamelijke aanwezigheid op aarde noch om de zuiverheid en compleetheid van Mijn leer, noch om de mensen die haar aangenomen hebben, bekommerd heb!

[20] Zodra Ik weer op de aarde zal komen, zal Ik een grondig onderzoek instellen; en niemand zal Ik aannemen, die met wat voor verontschul­digingen dan ook bij Mij aankomt! Want iedereen, die serieus zoekt, kan en moet het vinden! De zieke schapen en ezels aan de voerbak zullen een geneesmiddel krijgen, waarna ze zeker honger krijgen naar het voer uit de hemel; maar dan zullen ze als herstellenden heel lang homeopathisch gevoerd worden! En dan nu weer terug naar het Evangelie!'




1   ...   12   13   14   15   16   17   18   19   ...   43

  • 89 Twee rustdagen te Kana

  • Dovnload 2.49 Mb.