Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Uitgeverij de ster, ginnekenweg 124, 4818 jk breda

Dovnload 2.49 Mb.

Uitgeverij de ster, ginnekenweg 124, 4818 jk breda



Pagina17/43
Datum05.12.2018
Grootte2.49 Mb.

Dovnload 2.49 Mb.
1   ...   13   14   15   16   17   18   19   20   ...   43
92 Gods alwetendheid en Zijn leiding

[1] Matthéus kwam op de dag, volgende op die waarop Ik de zoon van de vorstelijke persoon uit Kapérnaum in Kana genezen had, gereed met het schrijven van zijn verzen. Toen hij het Mij liet lezen, prees Ik hem, want het was beknopt en beschreef alles heel goed. Nadat hij echter zijn schrijfmateriaal ingepakt had, kwam hij weer bij Mij terug om te vragen hoeveel schrijfmateriaal hij in Kapérnaum nodig zou hebben; want voorlopig had hij maar vier vellen niet mee ingepakt ten behoeve van het gebruik in Kapérnaum. Maar als Ik dacht dat hij misschien meer vellen nodig zou hebben, dan kon hij die hier beter uit het pak halen, dan in Kapérnaum!

[2] Ik zeg: 'Die vier zijn genoeg, maar Ik moet je nu toch op een foutje in het ordenen van je eigendommen wijzen. Het is eigenlijk niet zo belangrijk, maar omdat Ik meen dat alles nu eenmaal in een zekere orde moet gebeuren, vind Ik het niet zo slim van je dat je eerst je pak met schrijfmateriaal dicht bindt en dan aan Mij komt vragen hoeveel vellen Ik denk dat je nodig zult hebben. Als Ik nu eens gezegd had: ' Je hebt in Kapérnaum vijf vellen nodig!', dan zou je nu vanwege dat ene vel je hele pak weer los moeten maken, en dat zou je onnodig veel moeite bezorgd hebben. Maar, aangespoord door Mijn geheime beïnvloeding, heb je precies het juiste aantal buiten het pak gehouden, en je daardoor de moeite bespaard het pak weer open te moeten maken. Zoals Ik je echter al zei, het is niet zo belangrijk, maar overal vind je terug dat ordelijkheid veel nut heeft, ook al schijnt het nog zo onbelangrijk.

[3] Stel, dat iemand 's morgens, 's middags of 's avonds zich wast en daarbij eerst zijn gezicht wast en vervolgens pas zijn handen, dan zal door zijn nog vuile handen zijn gezicht niet zo snel schoon worden; wast hij echter eerst zijn handen, dan zalook z,ijn gezicht, omdat het dan met schone handen gewreven wordt, snel en gemakkelijk schoon worden.

[4] Een mens had eens een stenige akker, waar hij met veel moeite en ijver de stenen uit verwijderde; hij hield daarbij wel de volgende goede orde aan: Eerst verzamelde hij de grootste stenen uit de akker en legde deze buiten de akker in de vorm van een regelmatige, rechthoekige hoop. Daarna verzamelde hij de minder grote en legde deze op een tweede eveneens rechthoekige hoop. En zo deed hij vervolgens met de overige, natuurlijk steeds kleinere stukken steen en hij produceerde zo tien steenhopen, die per hoop even grote stenen bevatten.

[5] Daarop zeiden de mensen op de naburige akkers, die dat zagen en hun akkers niet op die manier vrij van stenen maakten, maar de stenen groot en klein op heel rommelige hopen bij elkaar gooiden: 'Kijk eens wat een dwaas, hij maakt er een spelletje van!'

[6] Niet lang daarna kwam er een bouwmeester langs de weg waaraan deze akker lag, en deze man zocht stenen voor een bouwwerk. Toen hij de tien geordende hopen zag, stapte hij daar op af en kocht ze allemaal voor veertig zilvergroschen van de door zijn buren voor dwaas verklaarde man; want de bouwmeester kon die stenen, omdat ze gesorteerd waren, meteen gebruiken. Toen de buren dat ge waar werden, kwamen ze daar ook op af en zeiden: 'Heer, waarom kwam u toch niet naar ons? Kijk toch zelf eens, we hebben net zulke stenen en U zou ze van ons veel goedkoper hebben kunnen kopen!' De bouwmeester antwoordt echter:

'Die stenen van jullie zou ik eerst moeten sorteren, en dat kost me veel arbeid, tijd en moeite; maar deze zijn al gesorteerd, en daarom betaal ik hier liever wat meer voor, dan dat ik die van jullie voor niets zou krijgen! Nu begonnen de buren weliswaar ook hun steenhopen te ordenen, maar het was te laat! Want de bouwmeester had genoeg aan de stenen, die hij van de eerste man gekocht had, en de buren hadden zich voor niets ingespannen!

[7] Wees daarom altijd en in alles zo ordelijk mogelijk! Als iemand ergens geld voor wil besteden, dan zal hij zich zeker het eerst daar oriënteren, waar de meeste orde heerst! Achteraf orde op zaken stellen is vaak erg nutteloos! Begrijp je dit voorbeeld?'

[8] Matthéus zegt: 'O Heer, hoe zou ik dat nu niet kunnen begrijpen! Dat is toch zo helder en duidelijk als de zon midden op de dag!

[9] Alleen wilde ik nog graag van U weten, hoe U kon weten dat ik juist maar vier vellen zal gebruiken in Kapérnaum! Want de goddelijke alwetendheid is me nog altijd een heel groot raadsel! Soms weet U, zonder iemand daarnaar te vragen, alles en houdt daar met Uw doen en laten rekening mee; andere keren stelt U, net als wij, vragen en doet U alsof U niet weet wat er gebeurd is of nog gebeuren zal! Hoe komt dat? Ik vraag U, Heer, geef me daarover eens een klein beetje uitleg!'

[10] 'Vriend!', antwoord Ik, 'dat zou Ik je best uit willen leggen, maar je zou het niet begrijpen; daarom zal Ik dat dan ook niet doen! Het zal echter niet zo lang duren voordat het moment komt, datje die geheimen moeiteloos in je opnemen kunt en ze dan ook goed begrijpt.

[11] Op dit ogenblik wil Ik je al wel zeggen, dat God ter wille van de vrije wil van de mensen, wel alles kán weten wat Hij wil, maar als het de mens in zijn vrijheid van handelen zou belemmeren, dan wil Hij het niet weten, en dan weet Hij het ook niet! Is dat duidelijk?!

[12] Matthéus zegt: 'Heer, in dat geval is het wel erg riskant om als mens op deze aarde te leven! leder mens met een beetje ontwikkeling kent toch de talloze vijanden, die met alle mogelijke kwade zaken de mensheid belagen en daarmee voor de ondergang van de mens zorgen?! Als U dat zonder dat te willen weten zo maar langs U heen laat gaan, dan komt er een moment dat het er met het zieleheil heel slecht voor zal staan!'

[13] Ik zeg: 'Zo erg wordt het nu ook weer niet! Want ten eerste leef je uit het geloof en de liefde; en ten tweede heeft iedere mens de vrijheid, om zich op ieder moment tot God te richten en Hem om hulp te smeken, en God zal Zijn aangezicht tot de smekende wenden en zal hem uit elke nood helpen!

[14] Behalve dat heeft iedere mens toch al een onzichtbare beschermgeest meegekregen, die de mens vanaf de geboorte tot aan het graf begeleiden moet! Zo'n beschermgeest beïnvloedt altijd het geweten van de mens, maar zal de aan hem toevertrouwde mens steeds meer aan zijn lot overlaten, als deze, geleid door zijn eigenliefde, al het geloof en al de liefde tot de naaste vrijwillig laat varen.

[15] De mens op deze aarde is dus volstrekt met zo verlaten als jij je dat voorstelt; want het hangt allemaal van zijn vrije willen en handelen af, of hij door God beschermd en begeleid wil zijn of niet! Als de mens het wil, dan zal God het ook willen; wil de mens het echter met, dan laat God hem helemaal vrij, en God bekommert zich ook verder niet om hem, behalve voor datgene, wat hem volgens de algemene natuurlijke ordening toekomt, zoals het natuurlijke leven en alles, wat als voorwaarde daarvoor nodig is. Maar verder bemoeit God Zich niet met de mens, en mag Hij Zich vanwege zijn onaantastbare vrijheid niet met hem bemoeien! Alleen als de mens God uit de vrije wil van het hart zoekt, en Hem vraagt, dan zal God dit vragen en zoeken direkt beantwoorden, tenminste als het de mens helemaal ernst is.

[16] Zoekt en vraagt de mens echter alleen maar bij wijze van proef en om zich ervan te overtuigen of er wel iets waar is van God en Zijn beloftes, dan zal God dat negeren! Want God is Zelf de zuiverste liefde en wendt Zijn aangezicht alleen maar naar diegenen, die eveneens uit de ware liefde van hun hart tot Hem komen en God ter wille van Hem Zelf zoeken, Hem als hun Schepper dankbaar willen leren kennen en de vurige wens hebben om door Hem beschermd en begeleid te worden.

[17] O, zij die zo komen, daarvan weet God elk ogenblik maar al te goed hoe het met hen is, en Hij Zelf leert en begeleidt ze op al hun wegen; maar die van Hem niets weten willen, daarvan weet God dan ook in alle ernst niets !

[18] En wanneer ze eenmaal in het hiernamaals voor God staan en luidkeels roepen: 'Heer, Heer!', dan zal God hen antwoorden: 'Ga weg van Mij, jullie vreemden; want Ik heb jullie nog nooit gekend!' En zulke zielen zullen dan veel te dulden en te strijden krijgen voordat ze Hem weer naderen kunnen omdat Hij ze nu kent. Begrijp je het nu?'

[19] ‘Ja, Heer', zegt Matthéus, 'dat begrijp ik nu allemaal erg goed, zuiver en helder. Maar vindt U niet dat ik deze heerlijke leer, die de mensen toch erg zou moeten aansporen om God zonder ophouden te zoeken en Hem te vragen ze bij de hand te nemen en op de goede wegen te leiden, niet onmiddellijk moet opschrijven?'

[20] Ik zeg: 'Neen, Mijn beste vriend en broeder; want vrijwel geen mens zou de ware en levende volheid van die leer begrijpen! Daarom behoef je die ook helemaal niet op te schrijven, behalve als je dat later nog eens -alleen voor jezelf en een paar broeders - doen wilt.

[21] Nu gaan we echter op stap, als jullie klaar zijn voor de verdere reis naar Kapérnaum! Wie mee wil, die volge ons; wie echter blijven wil, die blijve! Ik moet gaan; want er is. daar veel ellende, en ook In de kleine plaatsjes die om het meer, de Galilese zee, liggen.”


93 Naar Kapérnaum. De Heer dwingt niemand

[1] Nu gaan we op weg. De jonge gastheer komt nog een keer vragen of Ik toch nog niet de avond bij hem wil doorbrengen.

[2] Ik zeg echter: 'Ik kom gauw weer langs, want voordat Ik voor het volgende feest naar Jeruzalem trek, moet Ik Nazareth bezoeken, en op de heen­ en terugreis zal Ik je weer opzoeken.' .

[3] De gastheer zegt: 'Heer, daarmee maakt U me erg gelukkig! Als U nu echter beslist niet langer hier wilt blijven, wilt U dan zo vriendelijk zijn om mij toe te staan, dat ook ik U weer m.ag vergezellen!'

[4] Ik zeg: 'Dat moet je helemaal zelf beslissen, want wat Mij betreft moet niemand ooit tot wat dan ook gedwongen worden! Wie Mij wil aannemen, die neme Mij aan, en wie Mij en Mijn leer volgen wil, die volge! Want Ik en Mijn rijk zijn vrij en willen daarom ook in alle vrijheid het loon zijn van eigen inspanning!

[5] Voor Mij geldt slechts de absoluut vrije zelfbeschikking. Alles wat meer of minder is, heeft voor Mij en Mijn Vader, Die In Mij is zoals Ik in Hem, geen waarde! ..

[6] Want iedere dwang ergens anders vandaan dan uit het eigen hart, is vreemd en kan voor het persoonlijke eigen leven van de mens onmogelijk enige waarde hebben in Mijn eeuwige vrije orde.

[7] Wat voor waarde heeft het voor jou, als je van e~n kunstwerk van een ander beweert dat het jouw werk is? Als er dan Iemand kwam en aan je vroeg om tegen een hoge beloning nog zo'n werk te maken, dan zou je te schande staan en het je moeten laten welgevallen, da.t de opdrachtgever je ten aanschouwe van iedereen een leugenaar, bedneger en pronker met andermans veren zou noemen. .

[8] Zo is ook de totale ontwikkeling van het eigen leven aan leder mens persoonlijk in handen gegeven.

[9] Wat eenmaal, bij de grote levenstest van iedere mens voor Gods aangezicht, als vreemd aan de mens wordt onderkend, dat zal waardeloos Voor hem zijn en het zal van hem worden afgenomen, en er zal dan worden gezegd: Wie heeft, die zal het behouden en hij krijgt er nog veel meer bij; wie echter niets eigens heeft, die zal worden ontnomen wat hij heeft, omdat het niet van hemzelf, maar van een vreemde is!

[10] Ik zeg je dat het nu heus niet nodig is, dat je meegaat; maar als je het puur uit jezelf wilt doen uit liefde tot Mij, dan zul je daarvoor niet alleen niets verliezen, maar je zult het in alles tienvoudig terugkrijgen! Want wie het ook is die uit echte liefde tot Mij iets doet, die zal het hier tienvoudig worden vergolden en hierna in Mijn rijk honderdvoudig, en ook wel duizendvoudig en eindeloos!'

[11] De gastheer zegt: 'Heer, als dat zo is, dan ga ik zeker met U mee; want mijn hart zet me daartoe aan, en ik wil daarom mijn hart geheel en al volgen!' ,



[12] 'Goed, doe dat', zeg Ik, 'dan zul je volgens je hart leven,. en dat alleen is het echte leven. Want ieder ander leven, dat de ingeving van het hart niet volgt, is geen leven maar een dood van het eigen leven in ieder mens! Ik, Die alleen de Heer van al het leven ben, zeg je dat!'

[13] Dit maakt de gastheer heel gelukkig, hij neemt meteen zijn knapzak en wat geld en maakt zich reisvaardig.

[14] Maar Ik raad hem aan: 'Maak je vrij van alles, dan zul je veellichter wandelen; want de dieven vallen alleen maar diegenen aan, waarvan ze weten dat ze iets bij zich hebben! Heb je echter niets, dan kunnen ze ook niets wegnemen!'

[15] De gastheer overhandigt daarop zijn geld en knapzak aan zijn vrouw en volgt Mij zonder geld en knapzak.




94 Over de vloek en de gevaren van het geld

[I] Maar Judas Iskariot, die er vlak naast staat, zegt: 'Ik vind echter, dat het de mens nooit schaadt, als hij wat geld bij zich heeft tijdens de reis!'

[2] Maar Ik zeg: 'Wie Mij kent zoals deze gastheer, die ook in Sichar al bij Mij was, die weet, dat men er bij Mij heel goed zonder geld kan komen! Kijk eens, hoewel ik geen zakken in Mijn mantel heb en helemaal niets wat ook maar lijkt op geld, heb Ik toch voor vele honderden gezorgd, die door Judéa en Samaria met Mij meegingen! Vraag hen, hoeveel deze reis ieder gekost heeft!

[3] Ik zeg je echter nog bovendien, dat Ik binnenkort vele duizenden zal voeden, zonder meer geld bij Mij te hebben dan nu.

[4] Ik zeg je: Een echt en algeheel vertrouwen op God is meer waard dan alle schatten der aarde, waarmee je wel voor korte tijd je vlees, maar nooit je ziel kunt helpen! Als je echter je ziel te gronde gericht en verloren hebt, wat heb je dan later nog te geven voor de verlossing van je ziel?!'

[5] Judas zegt: ' Ja, ja, U hebt wel gelijk, maar voor bepaalde dingen moet een mens toch geld hebben!'

[6] Ik zeg: 'Hoeveel geld had Mozes dan, toen hij de Israëlieten uit Egypte leidde?' - Judas zegt: 'Hij had goud, zilver en veel edelstenen!'

[7] Ik zeg: 'Dat had hij weliswaar, maar dat maakte dan ook, dat hij niet in het voorzegde Beloofde land mocht komen! Begrijp je wel?!'

[8] Judas zegt: 'Ik ben de mening toegedaan, dat bij Mozes, de profeet aller profeten van Jehova, niet het goud en het zilver dat hij op Gods bevel uit Egypte moest meenemen de reden daarvoor was, maar veel eerder dat hij, in een zwak moment van zijn geloof, te weinig op de trouw van Jehova bouwde!'

[9] Ik zeg: 'En wat was de reden dat hij op een dag zwak werd? Degene, die Mozes toen zwak liet worden, omdat hij teveel dacht aan het zilver en het goud, staat hier voor je en zegt het! In de Schrift staat het weliswaar op een zinnebeeldige manier, maar wat Ik je zei, dat was de werkelijkheid!'

[10] Judas zegt: 'Goed, Ik neem van U aan dat het toen zo gebeurd is! Maar nu is door de koning van Rome en de halve aarde het geld eenmaal als wettig ruilmiddel Ingevoerd ter vergemakkelijking van het noodzakelijke onderlinge menselijke verkeer, en we zijn verplicht het te gebruiken. Daarom meen ik, dat, als het geen zonde is om geld in de tempelkas te offeren, het ook geen zonde zal zijn datzelfde geld aan de een of andere arme te geven, opdat hij zich daar een paar dagen mee verzorgt. Dus is het alleen al vanwege de armen goed, om wat geld, dat nu eenmaal toch door de staat wettig is ingevoerd, op reis mee te nemen, en dus had gastheer Koban best dat beetje geld bij zich kunnen houden!'

[11] Ik zeg:' Je hebt weliswaar een rijkelijk voorziene beurs bij je, maar je gaf ondanks dat gisteren niets aan die drie armen, die je om een aalmoes gesmeekt hebben; en daarom meen Ik, dat je zelf niet dat loffelijke gebruik van het geld maakt, dat je Mij staat aan te prijzen!

[12] Wat het geld in de tempelkas betreft, daarover wil Ik je wel heel openhartig zeggen: Dat is iets afschuwelijks, wat de verwording met zich meegebracht heeft, niet zozeer voor een paar armen van geest, die denken dat ze daardoor de hemel kunnen verdienen, maar des te meer voor hen, die het geld uit de kas halen en het 's nachts verbrassen bij de meisjes van plezier! Zolang er geen geld bestond, waren er ook geen publieke vrouwen zoals nu. Door de komst van het geld en allerlei pasmunt zijn er in Jeruzalem, zoals bijna in alle andere steden, een groot aantal meisjes van plezier gekomen, en de mannen zondigen dag en nacht met hen! En als die uit het eigen land niet meer goed genoeg zijn voor degenen met veel geld, dan laten ze uit de berglanden maagden komen, kopen ze in Griekenland, en bedrijven daarna in Judéa met hen de schandelijkste hoererij! En neem van Mij maar aan dat dat alles, en nog duizend keer erger, het gevolg is van het door jou zo hoog geprezen geld!

[13] Maar dat is nog maar het begin van de vloek, die aan het geld kleeft.

[14] Er komen echter nog tijden die slechter zullen zijn dan diegene waarin Noach de ark bouwde, en hun ellende zal te wijten zijn aan het goud en het zilver, -en slechts een vuur uit de hemel dat al de produkten van de hel zal verteren zal de mensen verlossen van de ellendigste van alle ellendes!’

[15] Judas zegt: ' Ja, ja, U bent een profeet zonder weerga en kunt dat allemaal weten; maar als men het geld goed gebruikt, dan kan er toch niets mis gaan?'

[16] Ik zeg: 'Ik zeg je: Ja, als men het goed gebruikte, dan zou het net zo goed zijn als al het andere op aarde, dat men ook goed en slecht gebruiken kan! Maar het grote verschil ligt hierin: Als je een stad ingaat, dan moet je allerlei zaken op je schouders meedragen, hetzij gereedschap­pen of etenswaren, en daarvoor krijg je iets anders terug wat je nodig hebt, of ook wel een toebereide maaltijd. Het is wel wat omslachtig en beslist niet erg gemakkelijk -maar het is ook ongeschikt om daarmee tot zondigen verleid te worden! Want als je met koopwaar en pakken komt of je trekt een kar vol gereedschappen, en je gaat daarmee naar een hoer en je wilt met haar voor een paar potten of schotels zondigen, dan zal ze je bespotten en uitlachen, en je bent gevrijwaard van de zonde. Kom je echter bij haar met goud­ en zilverstukken, dan zal ze je niet bespotten en uitlachen, maar je meenemen in haar slaapkamer en ze zal je met allerlei dingen prikkelen om te zondigen, om je daardoor des te meer goud en zilver te ontfutselen! Daarom is het geld wel gemakkelijk maar ook buitengewoon verlokkend en gemakkelijk om te zondigen!

[17] En daarom heeft de satan het in deze wereld gebracht, opdat daardoor gemakkelijker en meer gezondigd zal worden in de wereld! - Weet je nog niet, dat de gelegenheid de dief maakt?!'

[18] Judas zegt: ' Ja, ja, dat is juist! Maar als men allerlei dieven tegen zou willen houden, door de mensen niets te laten bezitten wat de dieven beviel, dan moest er bij de mensen toch ontzettend veel veranderen! Ten eerste zou iedereen even arm aan aardse goederen moeten zijn, ten tweede moest iedereen op iedereen lijken net als mannetjes­ en vrouwtjes mussen, en ten derde zou er niet één verstandiger mogen zijn dan de ander! Maar zolang dit allemaal niet het geval is, heeft al het praten, leringen geven en tekenen doen geen nut! Velen zullen zich daardoor wel bekeren, maar nog tien keer zoveel zullen ondanks de leer of de tekenen blijven zoals ze zijn, en even gemakkelijk of zelfs nog gemakkelijker kunnen ze ook wel tien keer erger worden dan ze eerst waren. Want ieder mens heeft enige eigenliefde en hij wil een redelijke verzorging hebben; daarom denkt ieder mens toch heel natuurlijk eerst aan zichzelf en dan pas aan de anderen! En dat kun je hem toch onmogelijk kwalijk nemen! Huis en grond kan niet iedereen hebben, want dan moest God bij iedere geboorte een stuk grond met een huis laten geboren worden en dat ook op laten groeien. Omdat dat echter niet zo is en de eerder geborenen zich reeds lang ieder plekje op aarde toegeëigend hebben, zodat daardoor de meeste pasge­borenen nog geen voetbreed stukje aarde kunnen bezitten, blijft hen uiteindelijk niets anders over dan zich zelf door allerlei kennis onontbeerlijk te maken voor de luie bezitters en dus op de een of andere manier in dienst te gaan bij de rijke bezitters der aarde, of zich op de diefstal toe te leggen, om niet de zware bedelstaf te hulp te moeten roepen. -Als dan de besten van degenen, die geen grond en geen huis bezitten, voor hun diensten alleen maar geld krijgen en het geld indien mogelijk bij elkaar sparen, zodat ze voor hun oude dag iets hebben, dan zie ik daar niets slechts in, en ik vind dat het geld een nieuwe schepping van grond en vastigheid is voor al degenen, die op deze armzalige aarde niet door opvoeding en geboorte ooit tot het vurig verlangde bezit zijn gekomen. En ik moet eerlijk bekennen, dat God Zelf, Die niet tegelijk voor iedere pasgeborene ook een nieuw stuk land scheppen kan of wil, de heersers het goede idee ingegeven heeft om geld te scheppen, waardoor ook kinderen van bezitslozen de nodige verzorging kunnen krijgen, die vaak beter is dan die, welke uit grond en bezit bestaat. En God kan toch niet willen, dat de kinderen van bezitslozen te gronde zullen gaan!? Want ze kunnen er toch duidelijk niets aan doen, dat ze op de wereld geboren zijn met dezelfde levensnoden als de kinderen van de bezitters!

[19] Al neem ik van U, Die misschien wel de grootste profeet bent die ooit deze aarde betrad, alles aan wat U al geleerd heeft en nog Ieren zult, dan neem ik toch niet aan wat U uitgelegd hebt over de schade, die het geld berokkent. Want net zo goed als het geld volgens Uw inzicht schadelijk kan worden, net zo goed kan ook al het andere schadelijk worden! Als ik schapen, ossen, koeien, kalveren, ezels, kippen en duiven en al de vruchten en al het brood had dat alleen in ons land al sinds David gestolen is, dan was ik de rijkste mens in heel Israël! En de hoererij is vroeger, daar waar men geen geld had, zoals bijvoorbeeld in Sodom en Gomorra en in Babylon, net eender en nog uitgebreider bedreven dan nu.

[20] Ik wil heus niet beweren dat U ongelijk hebt met datgene, wat U van het geld zegt; maar waar is op deze armzalige aarde dan iets te vinden, waarmee geen duizendvoudige slechtheden begaan zijn?! Als God die dingen echter niet zo bijzonder vervloekt vanwege hun slechte gebruik, waarom moet het geld het dan bij Hem zo ontgelden?!'

[21] Ik zeg: 'Wat iemand lief heeft, daarvoor heeft hij ook verstand genoeg om het te prijzen; jij houdt uitermate veel van het geld en kunt daarom het geld heel goed bejubelen. Ik zal je daarom ook verder niets meer zeggen, want waar men van houdt, dat wil men ook prijzen! Je zult echter binnen niet al te lange tijd de vloek van het geld nog leren kennen! ­ Nu houden we er echter over op! De weg naar Kapérnaum is vrij pittig, en we moeten toch voor zonsondergang daar zijn en er onderdak voor ons vinden!'



95 Het karakter van Judas
[1] Nu kwam Thomas naar Judas Iskariot toe en verweet hem, dat hij bij Mij aan durfde komen met zijn domme ideeën over geld, terwijl Mijn geest toch die van Jehova Zelf was, en Ik daden deed, die alleen maar aan God mogelijk waren!

[2] Judas zegt tegen hem: ' Jij bent nog net zo dom als je altijd al was! Want je gelooft ieder bakersprookje, of je gelooft als je dat zo uitkomt helemaal niets! Denken kun je niet en rekenen nog minder! Neem nou eens die vissen, die je op de markt bracht. Je vroeg vaak voor grote en voor kleine vissen dezelfde prijs, zodat de kopers je daarom in je gezicht uitlachten! Zoals je altijd al was, zo ben je nu nog, je denkt niet en je rekent niet, maar je leeft zo lekker dom de hele dag maar door, zoals je dat altijd al gewend bent.

[3] Ik ben nu pas een paar uur in het gezelschap van deze grote profeet, en het is mijn heilige plicht om Hem te doorgronden en zoveel mogelijk te Ieren kennen, zowel in Zijn zienswijze als in de strekking van Zijn optreden! Jij bent nu al ongeveer een half jaar in Zijn omgeving en je moet Hem daarom ook beter kennen dan ik! Moet ik me echter daarom, omdat jij Hem al kent, helemaal geen moeite geven om Hem tenminste ook zover te leren kennen als jij Hem tot nu toe hebt leren kennen?!' ,!,

[4] Thomas zegt: 'Je wilt toch hopelijk niet vandaag al alles weten, o : dan morgen weer naar huis te gaan!? Het is maar goed, dat de Heet: eindelijk weer op weg is gegaan, anders waren jullie beslist morgen ook nog lang niet over jouw domme geld uitgepraat geraakt! De Heer heeft gelijk; dat vervloekte geld wordt je dood nog eens, omdat je het zo bijzonder aantrekkelijk vindt! De Heer heeft je toch duidelijk genoeg gezegd, welke waarde het geld heeft en op welke manier het zeer nadelig is voor het;;: geestelijke leven van de mens; maar jij vindt jezelf al heel lang wijzer li dan God en daarom ook kun je voor God de kroon op je wijsheid zetten! :; Pas maar op dat je op een keer niet stikt van louter wijsheid!

[5] Maar wat heeft mijn vishandel daarmee te maken?! Ik heb nota bene altijd als eerste mijn vis uitverkocht, terwijl jij, ondanks je goede lessen, de helft van de jouwe meestal weer naar huis moest dragen! Ik verkocht zowel de grote als de kleine tien stuks voor twee penningen en kon altijd nog wel vijfmaal zoveel verkopen, gesteld dat ik dat naar de markt gebracht had! En het lijkt me dus wel duidelijk, dat ik beter gerekend heb dan jij, die wijzer dan God denkt te zijn, maar tevens een gierigaard bent en je hele heil in het geld zoekt; voor die wijsheid geef ik geen stater!'

[6] Een beetje verbouwereerd antwoordt Judas: 'Ieder praat naar zijn, verstand!' Thomas zegt: 'Dat is waar; jij begrijpt alles, omdat je zo dom ; bent, op een domme manier en je praat ook zo! Geef liever wat aandacht aan een arme, die langs de weg ligt! Geef hem je beurs, dan zul je voor het eerst van je leven volkomen wijs handelen!'

[7] Judas zegt: 'Dat zal ik wel mooi niet doen; want nog nooit heeft iemand mij iets, in de ware betekenis van het woord, geschonken, en daarom schenk ik ook niemand iets!'

[8] Thomas zegt: 'Dat is een zeer loffelijk principe, dat zo zonder meer al vervloekt behoort te worden! Ik zeg je, met zulke principes zul je bij onze eigen Heiland en Meester beslist niet ver komen; daar sta ik voor in! Hij personifieert de grootste vrijgevigheid -en jij bent een onver­gelijkbare gierigaard! Dat past heel aardig bij elkaar!'

[9] Judas zegt: ' Als ik Hem eerst maar eens goed bewerkt heb en Hij inziet, hoe men in de wereld leven moet om een gezien mens te zijn, dan wordt Hij wel wat minder vrijgevig! Overigens is het ook beslist geen kunst, op kosten van degenen die wat hebben, vrijgevig te zijn en zijn aanhang goede maaltijden voor te zetten! Geloof me, als ik ergens zo'n dwaas vind, zoals deze jonge gastheer, dan wil ik op zijn kosten ook wel zo vrijgevig zijn als wie dan ook! -Maar juist deze Jezus, die van huis uit een straatarm mens is, moest alleen uit Eigen middelen maar eens die groep leerlingen onderhouden en voeden, dan zou je meteen wel zien, hoe vrijgevig Hij is, en of Hij niet zo snel mogelijk al die nalopers weg zal sturen!'

[10] Thomas zegt: 'Ik zeg je alleen maar, dat je helemaal door de duivel bezeten bent; want zoals jij nu gesproken hebt, kan alleen maar de duivel spreken! Het lijkt op redelijke taal, maar dat lijkt alleen maar zo, en wat je zegt is de onbeschaamdste leugen ter wereld. Ik heb er spijt van dat ik je hierheen gebracht heb, Er waren vele honderden mensen in Sichar, en allen werden gevoed uit de hemel! En het vervallen huis van Irhaël heeft hij in weinige minuten zo herbouwd, dat het nu verreweg het kostbaarste huis in deze stad is! En jij grenzeloos onbeschaamde, oerdomme dwaas wilt dan mij, die met mijn eigen natuurlijke ogen de hemel geopend heeft gezien en talloze scharen van Gods engelen naar boven en naar beneden zag gaan, in zekere zin als de wijze der wijzen er van overtuigen, dat Jezus een arme sloeber is, die zich op andermans kosten wel laat doen!? O, wat ben je toch een arme sukkel! Hij, aan Wie hemel en aarde volkomen toebehoren, omdat Hij ze gegrondvest heeft door Zijn almacht, zal zeker mijn of jouw schatten nodig hebben om op deze wereld, waarop Hij de vruchten laat groeien en rijp worden, te kunnen leven?! O, jij ontzettend blinde dwaas! Ga naar Sichar, overtuig je van alles en kom dan terug, en we zullen zien of je nog zo dom in 't wilde weg redeneert als nu!'

[11] Judas zegt met een insinuerende glimlach heel laconiek: 'Heb je dat allemaal met je eigen ogen gezien? Of heb je misschien ook nog een paar ossen­ en ezelsogen geleend, om zo veel en zulke buitengewone dingen in één keer te kunnen overzien? - Overigens verheugt het mij, dat deze wijze Nazareeër ook de mooie Irhaël heeft leren kennen, die intussen, zoals ik pas kort geleden gehoord heb, al met haar zesde man schijnt samen te wonen, omdat al de vijf anderen bij haar zo gezegd op het lijf gestorven zijn! Nou, bij zo'n mooi liefje zal dan voor jullie allemaal de hemel wel heel wijd open gestaan hebben! Jaja, Irhaël heeft al menigeen in de zevende hemel gebracht; waarom zou ze dan bij jullie een uitzondering gemaakt hebben?! Maar ik zal voor haar plezier echt niet naar Sichar wandelen; want ik houd mij aan de wet van Mozes en ik wil mij daarom niet bezig houden met zulke zondige zaken!’


1   ...   13   14   15   16   17   18   19   20   ...   43

  • 93 Naar Kapérnaum. De Heer dwingt niemand
  • 94 Over de vloek en de gevaren van het geld

  • Dovnload 2.49 Mb.