Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Uitgeverij de ster, ginnekenweg 124, 4818 jk breda

Dovnload 2.49 Mb.

Uitgeverij de ster, ginnekenweg 124, 4818 jk breda



Pagina18/43
Datum05.12.2018
Grootte2.49 Mb.

Dovnload 2.49 Mb.
1   ...   14   15   16   17   18   19   20   21   ...   43
96 De wil van Judas

[I] Deze sarcastische woorden van Judas maken dat Thomas bijna uit zijn vel springt van ergernis en woede, en hij wil hem letterlijk zo hard mogelijk te lijf gaan. Maar Ik ga nu, terwijl we bijna halverwege Kapérnaum zijn, naar Thomas toe en zeg: 'Broeder, zolang je Mij rustig en bedaard ziet, wees jij dan ook zoals je Mij ziet als je maar vaak genoeg, naar Mij kijkt! Maar, als je op een keer ziet dat Ik er op los sla, spring er dan snel op af en sla zo hard je kunt! Maar dat is nu bepaald nog lang niet nodig. De nacht blijft nacht ondanks alles wat je er aan doet, en Judas zal Judas blijven! Het is voor hem geen verplichting zoals voor de nacht, die de natuurlijke schaduw van de aarde is, maar als hij Judas blijven wil, dan moet hij dat maar blijven; wij blijven echter dat wat wij zijn! De toekomst zal leren, hoever hij het zal brengen met Judas te zijn!”

[2] Thomas zegt: 'U kunt hem het beste maar wegsturen, anders krijgen we nog heel wat herrie met hem; want hij verkoopt smerige en boosaardige praatjes!'

[3] Ik zeg: 'Ik heb hem niet gevraagd om te komen en zal hem daarom; ook niet wegsturen; als hij echter wil gaan zoals hij gekomen is, dan;j zullen we daar geen traan om laten! Maar jij moet uit zijn buurt blijven, want jullie passen niet bij elkaar. Vergeef hem echter alles, zoals Ik hem vergeef, dan zal je hart vrij blijven!'

[4] Thomas zegt: 'Wat betreft dat vergeven mijnerzijds, daarover hoeft, U zich geen zorgen te maken; want ik heb beslist nooit wrok tegen hem gekoesterd, hoewel ik hem altijd gekend heb als een mens, waarmee niemand makkelijk op kan schieten, - zelfs de profeet Johannes niet, waarmee hij meermalen een twistgesprek had! Maar ik moet heel eerlijk toegeven, dat het me duizendmaal liever geweest was, als hij niet bij ons gezelschap hoorde!

[5] Toen ik eergisteren thuis was, heb ik natuurlijk een heleboel over Uw doen en laten verteld aan mijn kennissen, die zich daar erg over verbaasden. Dat kwam echter ook Judas ter ore; en hij was nu net de eerste die besloot om zich bij U aan te sluiten! Want de leer van Johannes voldeed hem niet, omdat die alleen maar een strenge boetedoening voorschreef en aan iedereen een onverbiddelijk godsgericht verkondigde die niet tot de echte boetedoening zou overgaan; over dit onderwerp heeft hij dan ook meermalen met Johannes geredetwist.

[6] Johannes was helemaal vervuld van de boetedoening, en Judas precies het tegenovergestelde daarvan. Hij legde Johannes zonder omwegen uit, dat een zogenaamde 'zak en as'-boetedoening het domste was wat een mens kon doen, de mens moest zich echt wel verbeteren, maar niet in zaken as!

[7] Nu is het wel zo dat Johannes niet direkt zak en as heeft aanbevolen als beslist noodzakelijk voor de boetedoening; hij heeft het als het ware vergelijkenderwijs in zijn toespraken naar voren gebracht en wilde daarmee een grondige verbetering van de mens, die een slaaf van zijn zonden was geworden, aanduiden; maar Judas, die alles beter wilde weten en begrijpen, was het er niet mee eens dat men ook door beelden en gelijkenissen kan lesgeven, want hij vond, dat men zich over zulke belangrijke zaken, waar het heil van de mensen vanaf hing, altijd in heldere, begrijpelijke taal moest uitdrukken!

[8] De profeten waren naar zijn idee pure ezels, omdat ze in beelden gesproken hadden, die men uit kon leggen zoals men dat zelf wilde; het was alleen aan hen te wijten dat de priesters, de koningen en het hele volk bedorven waren! Kortom, bij hem is ieder mens, hoog of laag, een ezel, als die niet zo denkt en doet als hij; en daarom denk ik, dat hij niet in ons gezelschap zal passen.

[9] Ik zeg: 'Mijn beste Thomas! Wat je Mij nu hebt verteld, wist Ik allang; maar toch blijf Ik erbij: Als hij wil gaan, dan gaat hij; als hij echter wil blijven, dan blijft hij! Ik weet nog veel meer van hem en weet zelfs, wat hij Mij Zelf aan zal doen; maar toch moet hij blijven, als hij wil blijven! Want zijn ziel is een duivel en wil van God de wijsheid leren; maar die gedachte zal deze ziel niet veel goeds brengen! Maar nu houden we erover op! Er komt binnen niet al te lange tijd nog wel een gelegenheid, waarbij we bij hem de vinger op de zere plek zullen leggen! -We zijn nu inmiddels voor de muren van Kapérnaum gekomen, en Ik zie door de stadspoort een Romeins hoofdman ons tegemoet snellen, vergezeld van overste Cornelius en zijn koninklijke familielid, er moet weer een zieke genezen worden.




97 Kapérnaum. De zieke knecht van de hoofdman


Ev. Matth. hoofdstuk 8. Hier begint Matthéus bij het vijfde vers in het achtste hoofdstuk de geschiedenis beknopt op te schrijven tot Ik weer naar een feest in Jeruzalem ga. ­
[I] We lopen nu nog op ons gemak een paar honderd schreden en als Ik het stadsgebied betreed, komt de hoofdman direkt op Mij af, vraagt of Ik naar hem luisteren wil en zegt dan: 'Heer! Thuis heb ik een knecht, die door de jicht wordt geteisterd en daar erg onder lijdt, en niets meer kan doen'.(Matth. 8,6)

[2] Ik zeg: 'Ik zal komen en hem gezond maken'.(Matth. 8.7)

[3] De hoofdman zegt echter: 'Heer! Ik ben helemaal niet waard, dat U in mijn huis komt, maar spreek slechts één woord, dan wordt mijn knecht gezond! (Matth. 8,8) Want, ik ben ook maar een mens, die ­net als veel anderen -ondergeschikt is aan de hogere overheid; maar onder mij heb ik toch veel krijgsknechten, die doen moeten wat ik zeg. En als ik tegen één van hen zeg: doe dat, dan doet hij het, of als ik zeg dat hij moet verdwijnen, dan verdwijnt hij. En als ik tegen een andere knecht zeg: kom, dan komt hij; en als ik tegen mijn knecht zeg: doe dit of dat voor mij, dan doet hij het meteen! (Matth. 8,9)

[4] Aan U zijn echter alle geesten ondergeschikt, en U bent de totale gebieder over wat in de hemel en wat op de aarde en in de aarde is; U behoeft dus alleen maar Uw voor ons onzichtbare machten een aanwijzing te geven, en ze zullen onmiddellijk doen wat U wilt!'

[5] Deze hoofdman legde Mij zijn verzoek betreffende zijn knecht zo vol vertrouwen voor, omdat hij door de direkte genezing van de zoon van de koninklijke beambte en door de verhalen van de overste ervan overtuigd was, dat ik op wonderlijke wijze op afstand kon genezen door slechts één enkel woord te spreken. Dat was dan ook de reden, dat hij, net als de koninklijke beambte, naar Mij toe kwam toen hij hoorde dat Ik de stad naderde.

[6] Toen Ik hoorde hoeveel vertrouwen de hoofdman in Mij had, zei Ik verwonderd -weliswaar niet voor Mijzelf maar voor de leerlingen ­- niet speciaal tegen de hoofdman, maar meer tegen degenen, die bij Mij waren: 'Werkelijk, zo’n geloof ben Ik in heel Israël nog niet tegen gekomen! (Matth. 8,10) Maar ik zeg jullie daarbij: Velen zullen uit het oosten en uit het westen komen en met Abraham, Isaäk en Jacob in het hemelrijk zitten (d.w.z. delen in de heerlijkheid des Vaders) (Matth. 8,11); maar de kinderen van het Rijk zullen uitgestoten worden in de grootste duisternis, waar een ontzettend gekerm en beklagenswaardig tandengeklapper zal zijn!' (Matth. 8,12)

[7] Nog voor Ik uitgesproken was, sloegen velen zich vol verslagenheid op de borst en zeiden: 'Heer, verwerpt U de kinderen en neemt U in hun plaats de heidenen aan?'

[8] En Ik zeg: 'Het maakt niet uit of het kinderen of heidenen zijn! Wie gelooft en de liefde heeft, hetzij Jood, Griek of Romein, die zal aangenomen worden!’

[9] Daarna keer Ik Mij naar de hoofdman en zeg tegen hem: 'Ga heen; u krijgt wat u hebt geloofd!'

[10] De hoofdman bedankte Mij uit de grond van zijn hart, ging vervolgens naar huis en zag daar, dat alles in vervulling was gegaan, wat hij met een onwrikbaar geloof had gevraagd; want de knecht werd op hetzelfde moment gezond, waarop Ik tegen de hoofdman had gezegd: 'U krijgt wat u hebt geloofd!' (Matth. 8,13)

[11] Dit teken in Kapérnaum, en ook dat daarvoor aan de zoon van de koninklijke beambte, die stadhouder was in Kapérnaum, kregen in deze stad bijzonder veel belangstelling, vooral van de kant van de Romeinen en Grieken, die in de stad aanwezig waren; maar onder de Joden en de in deze stad vanuit Jeruzalem gestationeerde, en in feite blijvend aangestelde priesters en schriftgeleerden wekte het alleen maar ergernis, nijd en woede!


98 Het volk daagt de priesters uit

[1] Want het volk, dat de tekenen gezien had, maar te bang was voor de priesters en schriftgeleerden om er voor uit te komen dat het Mijn leer geloofde en wilde volgen, verzon een list: Het bracht een aantal zieken naar de priesters en zei: 'Luister eens, hooggeachte priesters en schrift­geleerden, die naar u zegt in alle geheimen van God ingewijd bent! De mens Jezus uit Nazareth doet wonderen die zo groot zijn dat nog niemand ze ooit eerder gedaan heeft, en zijn taal en leer is als een vuurstroom, die alles wat hij op zijn weg tegenkomt met geweldige hitte verteert en onweerstaanbaar met zich meesleurt! Zonder medicijnen geneest hij als een God iedere ziekte alleen maar door het woord, en men zegt dat hij zelfs doden levend maakt door het uitspreken van een enkel woord!

[2] Nadat we ons van de waarheid van al deze dingen overtuigd hadden, schoot ons een goede gedachte te binnen, en wij dachten aan u en zeiden tegen elkaar: 'Waarom vinden wij dat zo bijzonder?! We hebben toch ook priesters en schriftgeleerden die in alle Godsgeheimen ingewijd zijn, die zeker net als deze Jezus slechts door iets te zeggen een zieke kunnen genezen, als ze dat willen!' We waren eigenlijk al onderweg om onze zieken naar de Nazareeër te brengen; maar dachten toen aan de besnijdenis en het verbond, en dat willen wij niet loslaten zolang dat ons ook datgene kan geven, wat wij lichamelijk en geestelijk nodig hebben. Omdat deze Jezus nu echter zulke uitermate wonderbaarlijke tekenen doet, dreigt er voor ons gevaar als we niet dezelfde krachtige tekenen daar tegenover kunnen stellen!

[3] Dus hebben we een aantal zieken meegebracht en vragen u terwille van uwen ons heil, of u door uw geestelijke macht, die u volgens eigen zeggen direkt van God heeft, deze zieken, die beslist niet onze ergste zieken zijn, slechts door een woord te spreken wilt genezen!

[4] Daarna trekken we dan met deze door u wonderbaar genezen zieken de hele stad door, en zullen voor ieder huis Gods eer en uw grote roem luid verkondigen. De Nazareeër verliest daardoor zeer aan populariteit en zal, volgens de zegswijze, tenslotte onder schande, spot en smaad het hazenpad moeten kiezen!'

[5] De priesters en schriftgeleerden, zich maar al te goed bewust van hun totale onmacht, zeggen plechtig, om hun onmacht te verbergen: 'Wat een dwazen zijn jullie toch! Waarom vragen jullie dingen van ons, die alleen God mag doen? Wanneer heeft er ooit een priester of een schriftgeleerde een wonder gedaan?! Dat kan alleen maar God en de ene hogepriester in de tempel te Jeruzalem, als hij in het allerheiligste gaat! Breng je zieken dus naar Jeruzalem; daar zullen ze, als je het juiste daarvoor offert, wel genezen worden; als God het tenminste wil! Wil God het echter niet, dan zul je het moeten aanvaarden om je zieken nog net zo ziek weer mee naar huis te nemen.

[6] Wij zijn wel ingewijd in alle mogelijke geheimen van God, maar niet in de macht van God, die heilig is, en die Hij aan geen sterveling geeft!

[7] Wie echter toch zoals deze Jezus, over wie wij ook al gehoord hebben, door toverij of met de hulp van Beëlzebub daden verricht, is een monster uit de hel, de eeuwig vervloekte woonplaats van Gods vijand. En wie zich inlaat met zijn leer en zijn tekenen, die staat dan ook net eender tegenover God en Zijn dienaren, als die duivelsdienaar! Dat is de zuivere waarheid; wee jullie, als je naar Jezus gaat en zijn leer en hulp aanneemt!'

[8] Degenen, die de zieken naar de priesters en de schriftgeleerden gebracht hebben, zeggen: 'Jullie zijn allemaal leugenaars, als je dit beweert! Hoe kan hij tot de duivel behoren en een dienaar van Beëlzebub zijn, hij, die de mensen het beste geeft en de mensen, die hem volgen, slechts liefde, zachtmoedigheid en geduld leert, en die alles wat hij leert ook helemaal zelf in praktijk brengt?!

[9] Jullie zijn veel eerder des duivels, als. Je zoiets over hem zegt; hij is daarentegen van God, omdat hij de wil van God doet, die hij ook leert!

[10] Jullie hebben ons daarnet uitgescholden voor 'dwazen', omdat wij in je eigen belang datgene vroegen, wat jullie wel duizend keer beweerd hebt ook te kunnen door het goddelijke woord en het gebed; maar nu, nu het er als nooit tevoren op aankomt om je oude onveranderlijke geloof ten uitvoer te brengen, scheld je ons uit voor dwazen als we jullie aan je woord houden! – O, slechte dienaars van Beëlzebub! We zullen jullie zoveel licht geven, dat je alleen al door de afstraling daarvan allemaal sterven zult!'

99 Bethabara. De schoondochter van Petrus
[1] De priesters en schriftgeleerden trokken zich snel terug toen ze die dreigende taal van hun geloofsgenoten hoorden. Want er waren er ongeveer honderd naar hen toegekomen en in hun ogen vonkelde een diepe ernst; want deze mensen voelden allang aan, wie er achter de Joodse priesters en schriftgeleerden schuil ging en ze haatten hen al een hele tijd meer dan de pest!

[2] Maar omdat de priesters, Farizeeën en schriftgeleerden wel merkten, dat de Joden hen alleen maar fijntjes op de proef stelden om iets aanwijsbaars tegen hen te verkrijgen, zodat ze nog meer redenen zouden hebben om Mij te volgen (want in die tijd was het nog moeilijker om uit de Joodse kerk over te gaan naar een andere, dan dat het nu is om uit de rooms-katholieke kerk over te gaan naar een hervormde kerk), hielden ze Mij nu scherp in het oog en begonnen onder elkaar al heel in het geheim te overleggen, hoe ze Mij konden liquideren.

[3] De overste, in wiens huis Ik nu in Kapérnaum een paar dagen achtereen verbleef, verklapte Mij heimelijk wat er gebeurde, hoe kwaad de Joodse priesterstand op Mij was en dat ze zelfs Mij in 't geheim om het leven wilde brengen!

[4] Toen zei Ik: 'Hun kwaadaardige plannen met Mij zullen wel een keer lukken, maar nu is het de tijd nog niet. Opdat ze nu echter niet te veel gelegenheid zullen hebben om hun wraak uit te voeren, zal Ik voor een poosje naar een andere plaats gaan en dan later, als de woede van deze godloochenaars wat bekoeld zal zijn, weer hierheen komen.

[5] Hoewel hij Mij erg graag bij zich gehouden had, gaf de overste Mij toch gelijk, omdat ook hij zelf voor deze priesters, schriftgeleerden en Farizeeën behoorlijk bang was, want hij wist maar al te goed, hoe dit addergebroed de kunst verstond om iemand in 't geheim in Rome aan te klagen.

[6] Ik verliet toen de volgende morgen heel vroeg, met het hele gezelschap dat Mij volgde, het bijzonder gastvrije huis van de overste en begaf Mij naar het huis van Simon Petrus, dat in de buurt van Bethabara lag, waar Johannes vroeger verbleef. Toen Ik echter in het eenvoudige, maar ruime huis van Petrus kwam, lag daar zijn schoondochter, een aardig en meestal zeer werklustig en flink meisje van ongeveer twintig jaar, met hoge koorts in bed en was zeer angstig en had veel pijn. Petrus kwam naar Mij toe en vroeg Mij, om haar te helpen! (Matth. 8,14)

[7] Ik ging direkt naar haar bed, nam haar bij de hand en zei tegen haar: 'Dochtertje, sta op en maak liever het avondmaal voor ons klaar, in plaats van hier ziek in bed te liggen!'

[8] Ogenblikkelijk verliet de koorts.haar, en het meisje stond meteen op en diende ons met veel ijver en toewijding.(Matth. 8,15)



100 De wonderbare visvangst
[1] Daarop komt Matthéus naar Mij toe en vraagt Mij, of hij dit teken tesamen met diverse beleringen en toespraken, die Ik gedurende de paar dagen in het huis van de overste gegeven heb, ook moet opschrijven.

[2] Ik zeg: 'Het teken bij de hoofdman voor Kapérnaum met wat Ik daar gezegd heb, en dit teken in het huis van Petrus ook, maar zonder het gesprokene dat niet bij de werkelijke leer behoort! Laat de besprekingen in het huis van de overste, en het feit dat Ik twee dagen lang bij hem bleef, helemaal weg!

[3] Binnenkort komen we toch weer in het huis van deze overste als zijn liefste dochter sterven zal, Ik zal haar dan opwekken en weer aan hem teruggeven. Schrijf dan zo over hem en het teken, dat je geen namen behoeft te noemen, - anders zouden wij hem schaden in zijn wereldse betrekkingen, en dat zullen en willen we natuurlijk niet; het priesterdom houdt hem namelijk ook in het oog.

[4] Tot aan het volgende feest in Jeruzalem zal Ik echter hier aan het meer in deze streek, die Mij het beste bevalt, nog veel tekenen doen en veellessen geven; dat zul je allemaal geheel op moeten schrijven!'

[5] Matthéus maakt zich schrijfvaardig. Maar Johannes wordt nu erg treurig en zegt: 'Maar Heer, U, die ik het meeste lief heb! Zal Ik dan helemaal niets meer te schrijven krijgen?'

[6] Ik zeg: 'Mijn beste broeder, wees jij daar maar niet bedroefd over! Je zult nog heel veel te schrijven krijgen! Want jou heb Ik alleen voor de belangrijkste en diepzinnigste dingen voorbestemd!'

[7] Johannes zegt: 'Maar het teken te Kana met de zoon van de koninklijke beambte lijkt me toch niets groter en belangrijker dan dat, wat U voor Kapérnaum voor de hoofdman gedaan hebt!?'

[8] Ik zeg: 'Dan vergis je je erg, als je dat denkt! Want met de zoon van de koninklijke beambte wordt de gehele zeer slechte en verdorven wereld bedoeld, en hoe haar nu van verre hulp aangereikt wordt door Mijn leer en door Mijn geestelijke bemoeienis. Met de knecht van de hoofdman wordt voorlopig alleen maar een jichtige knecht, die Ik genezen heb, bedoeld; later wordt daar echter ook wel een gemeente of de één of andere in Mijn naam opgerichte vereniging mee bedoeld, die echter, geleid door allerlei politieke vrees, een bepaald deel van Mijn leer niet in de praktijk toepast, en die daardoor ook langzaam maar zeker in alle andere opzichten Mijn leer niet meer volgt; en dat is dan ook een jichtaanval van de ziel, die dan alleen maar door het vaste geloof in Mijn woord weer geholpen kan worden!

[9] Zie je, Mijn beste broeder Johannes, daarom is er een zeer groot verschil tussen die twee tekenen! Het eerste geeft aan hoe geestelijk ziek de hele wereld is, en Ik zegje: in nog diepere zin, ook de hele oneindigheid! Het tweede teken betekent alleen maar, dat wat Ik je daarnet verklaard heb. Nu weet je dus, wat jij en wat Matthéus vast moet leggen.

[10] Maar nu heeft het meisje, met de andere bedienden van Petrus, het middagmaal al klaar, en we gaan daarom direkt daaraan beginnen en dan willen we vanmiddag Petrus een beetje helpen een paar goede vissen te vangen. Tegen de avond zullen we nog genoeg te doen krijgen.'

[11] Toen gebruikten we een overvloedige maaltijd, die voor het hele grote gezelschap voldoende was, en gingen daarna aan het meer, dat ook 'Galilese zee' genoemd werd, en hebben daar in een paar uur een grote hoeveelheid van de lekkerste vis gevangen, en wel zo veel, dat ze nauwelijks in de viskaren geborgen kon worden.

[12] Petrus werd er bang van, zodat hij in een soort van vrome bedwelming uitriep: 'Heer, ik smeek U, laat me alleen; want ik voel nu zo sterk, dat ik een zondig mens ben! Al eens eerder was ik bang voor U, toen U, terwijl ik U nog helemaal niet kende, ergens vandaan kwam en mij en mijn helpers hier vissend aantrof! Ik zag toen al dat U van goddelijke afkomst was; nu heb ik echter nog meer angst, omdat ik nu maar al te duidelijk inzie, Wat en Wie U in het diepst van Uw Wezen bent! Toen hebben we net als nu de hele nacht gevist en zo te zeggen niets gevangen; op Uw woord echter en in Uw aanwezigheid scheurden de netten vanwege de te grote hoeveelheid gevangen vis! Ik voel, dat ik daardoor beslist erg bang voor U word, want U bent -,

[13] Ik zeg: 'Wees stil en verraad Mij niet! Want je kent die ene onder ons! Die is en blijft een verrader.'

[14] Petrus zegt nu verder niets meer en maakt toebereidselen om de vis te bergen. Omdat de avond echter valt, gaan wij naar huis, waar door de ijver van de gezond gemaakte schoondochter van Petrus een goed en rijkelijk avondmaal op ons wacht. Iedereen is nu opgewekt en blij; en Petrus zet de lofzang in en allen antwoorden eenstemmig in een wisselzang.




101 Het bijzondere wijnwonder voor Judas

[I] Toen Petrus ophield met zingen, sprak hij op heel feestelijke toon: 'Mijne vrienden en broeders! Wat ligt er een hemelsbreed verschil tussen ons zingen hier en dat van David eertijds, toen hij het volk deze heerlijke lofzang gaf! Toen hij zong, hief hij zijn ogen op naar de sterren! Want in die tijd woonde Jehova volgens de menselijke begrippen in het ontoegankelijke licht boven alle sterren. Wat zou David hier echter gedaan hebben, nu Diegene, tot Wie hij zijn ogen ophief boven alle sterren, ­- 'Stop! Vriend Petrus!', zeg Ik, 'zo is het al weer genoeg; denk er wel aan, wie hier allemaal bij ons zijn!'

[2] Petrus roept zichzelf dadelijk tot de orde en nodigt alle gasten uit voor het avondmaal, dat voornamelijk uit brood en goed klaargemaakte vis bestaat.

[3] Judas vraagt aan Petrus of er in de buurt geen wijn te koop is. Daarop antwoordt Petrus: 'Een paar landwegen gaans hiervandaan is een herberg; daar kun je wijn kopen. 'Judas vraagt dan weer aan Petrus, of hij niemand kan sturen om een zak vol te halen.

[4] Petrus zegt: 'Je weet toch net zo goed als ik, dat ik niemand heb om te sturen! Als je zo graag wijn wilt hebben, ga er dan zelf heen, en ding nog wat af bij de waard, dan krijg je het zo voordelig mogelijk!' Judas zegt: ' Ah, als ik zelf moet gaan, dan zie ik er liever van af!' ­

Petrus zegt: 'Doe wat je wilt, ik kan je niet helpen, want mijn vissers­knechten hebben aan zee nog volop werk; mijn vrouwen mijn kinderen en mijn schoondochter hebben het, zoals je zelf kunt zien, veel te druk, en van mijzelf zal je toch wel niet verlangen, dat ik nu bij avond een hele zak vol wijn alleen voor jou hierheen ga halen!?' -Judas zegt daarop wat geërgerd: 'Nou nou, ik meende er goed aan te doen, omdat ik zag dat je geen wijn hebt; ik zou het heus zelf wel betaald hebben, hoe duur het ook geweest was!'

[5] Petrus zegt: 'Er is er Eén onder ons, Die in Kana op de bruiloft van Simon, die ook hier bij ons is, water in wijn heeft veranderd. Deze Ene zou ook nu, als dat nodig was, hetzelfde kunnen doen. Maar omdat het nu beslist niet nodig is, kunnen we ons ook met het bijzonder goede water behelpen, dat mijn zuivere huisbron ons biedt. ,

[6] Judas zegt: 'Heel goed, heel goed, -ik ben daar ook wel tevreden mee, omdat ik zelf ook erg van goed water houd; maar juist bij zo'n gelegenheid als deze zou een wijntje toch ook niet te versmaden zijn! Als die zekere Ene, Die ik nu ook wel denk te kennen, echter toch uit water wijn kan maken, dan zou Hij dat voor jou nu toch ook wel kunnen doen!?'

[7] Ik zeg: 'Ga dan naar de bron en drink! Want aan jou zal de bron wijn geven, maar aan de rest van ons slechts water!'

[8] Toen ging Judas naar de bron en putte. En bij het drinken van het geputte water, bleek het zeer goede wijn te zijn en hij bedronk zich, zodat hij bij de bron bleef liggen en in de diepe bron gevallen zou zijn als een paar knechten van Petrus hem niet gevonden en in huis op een bed hadden neergelegd. Zo was het goed geregeld; want Ik heb op deze avond veel mensen genezen die last hadden van allerlei kwalen en besmettelijke ziektes, en bij velen boze geesten uitgedreven, - en daarbij zou Judas ons veel moeilijkheden hebben opgeleverd.



102 De genezing van alle zieken uit Kapérnaum
[1] Toen alle aanwezigen het avondmaal genuttigd hadden, en Judas vast in slaap op een strobed in het voorhuis lag, brachten dezelfde Joden uit Kapérnaum, die de vorige dag de priesters, schriftgeleerden en Farizeeën op de proef stelden, een aantal bezetenen en andere zieken, die last hadden van allerlei kwalen, en vroegen Mij zeer dringend, of Ik ze allemaal genezen wilde!

[2] Ik vroeg ze echter met liefdevolle ernst, of ze wel geloofden, dat de timmermanszoon uit Nazareth zo iets zou kunnen doen. Want deze mensen kenden Mij zogezegd al vanaf Mijn geboorte.

[3] Maar daarop antwoordden ze: 'Dat u een zoon van de timmerman bent, heeft er niets mee te maken! Als de timmermanszoon door God uitverkoren wordt om een profeet van het volk Israël te worden, dan is hij een profeet, ook al zou hij duizendmaal een timmermanszoon zijn; want ieder mens is dat, wat hij van God uit is, en nooit wat zijn ouders waren! En daarom geloven wij allen vast en zeker, dat u in de eerste plaats een echte door God gewijde profeet bent, en in de tweede plaats dat u ons daarom allen kunt helpen, zoals u ook de zoon van de stadhouder en de knecht van de hoofdman hebt geholpen!'

[4] En Ik antwoordde hen: 'Nu dan, omdat jullie zo in Mij geloven en zo'n mening over Mij hebt, daarom gebeure met jullie allen, watje geloofd hebt!'

[5] Op dit woord verlieten alle geesten de bezetenen, en degenen, die allerlei ziektes en kwalen hadden, werden ook op datzelfde ogenblik gezond. (Matth. 8,16)

[6] Het behoeft wel niet nader beschreven te worden, hoe verbaasd en dankbaar men daarna was!

[7] Er werden daarna ook heel toepasselijke, maar tevens bijtend scherpe opmerkingen gemaakt over het hele Joodse priesterdom, maar Ik berispte de sprekers daarover en wees hen erop, dat het niet zo slim was, om slapend addergebroed wakker te maken: 'Want zolang het zich in haar winterslaap bevindt, is het voor niemand schadelijk en gevaarlijk; wordt het echter gewekt, dan is het gevaarlijker dan op andere momenten waarop het niet slaapt!

[8] De vol arglist en streken zittende tempelknechten sliepen ook, net als een addergebroed in de winter, maar met jullie gewaagde vraag heb je hen gewelddadig uit hun slaap gehaald. Let er daarom goed op, dat ze voor jullie nu niet gevaarlijk worden! Want deze overspelige soort geniet wellustig als ze ergens schade aan kan richten!'

[9] Allen zien nu wel de waarheid van Mijn woorden in en hebben er spijt van dat ze door hun onbezonnenheid dit kwaad aangericht hebben! Ik troost ze echter en druk hen op het hart om in Kapérnaum niets te vertellen van het hier verrichte teken, behalve dan aan enkele waarheidlievende vrienden, die dan ook weten te zwijgen! En dat beloofden ze Mij.

[10] Eén van hen was, hoewel niet tot de priesterstand behorend, toch zeer goed in de Schrift onderlegd.

[11] Hij ging nu voor de groep staan en zei heel ernstig: 'Luister, beste vrienden en broeders! Voor mij steekt er veel meer achter wat hier heeft plaatsgevonden, dan alleen maar jullie conclusie: 'Zie deze man is een echte profeet'. Ik geloof dat wat hier nu heeft plaatsgevonden, de vervulling is van wat de profeet Jesaja voorspeld heeft toen hij zei: 'Hij heeft onze zwakheden op zich genomen, en onze ziekten heeft Hij gedragen!' (Jes. 53,4) Dringt het niet tot jullie door? Begrijp je echt niet waar dat op slaat?'

[12] Het volk kijkt hem echter met grote ogen aan, want het begrijpt hem niet. Hij herhaalt zijn vraag nog een keer, en omdat het volk nog steeds datgene, wat hij uit Jesaja aangehaald heeft, niet begrijpt, zegt hij: 'Voor de blinde kun je moeilijk preken over de kleuren van de regenboog!'

[13] Ik zeg tegen hem: 'Wees kalm, het is beter dat dit volk dat voorlopig niet begrijpt! Want als dit volk dat nu zou begrijpen, dan zou het naar de priesters rennen en daar op een geweldige manier met hen gaan redetwisten, en dat zou niet goed zijn voor jullie en ook niet voor Mij, uit het oogpunt van Mijn leer gezien! Maar wanneer het juiste moment aanbreekt zullen ze het begrijpen, en zullen ze verstaan wat de profeet gezegd heeft!'

[14] De spreker neemt genoegen met dit antwoord, en het volk, waarvan Ik op deze avond de bezetenen en zieken genezen heb, gaat weer naar huis met hun geheel genezenen.

[15] Thuis in Kapérnaum baart het toch nog groot opzien onder vrienden en bekenden, en als het de volgende ochtend nog maar nauwelijks licht is, is er om het huis van Petrus al een onoverzienbare volksmenigte verzameld, die Mij wil zien, Degene, Die de vorige avond zo'n onbe­grijpelijk groot wonder gedaan heeft! Omdat er steeds meer volk om het huis komt vraagt Petrus Mij, wat daaraan gedaan kan worden.

[16] Ik zeg: 'Maak het grote schip maar klaar, dan varen we helemaal naar de andere kant van het meer, anders beleven we hier een spektakel! (Matth. 8,18) Het volk heeft weliswaar de beste bedoelingen, maar. het priesterdom zal ook achter het volk aangeslopen komen, en met hen willen wij voorlopig niets te doen hebben!'

[17] Petrus maakte meteen het grootste schip klaar, al gauw gingen wij aan boord en roeiden het met de wind mee snel het meer op.

[18] Voordat Ik echter met de leerlingen het schip betrad, kwam een schriftgeleerde uit Kapérnaum op Mij af en zei: 'Meester sta mij. toe, dat ook ik u volg op uw tocht!' (Matth. 8,19) Ik doorzag echter direkt zijn geheime reden, die echt niet zo lofwaardig was. Het was hem daarbij niet om Mijn leer en al Mijn daden te doen, maar meer om de verzorging van zijn buik en zo mogelijk, als daarmee iets te verdienen zou zijn, heimelijke spionage. Daarom schudde Ik Mijn hoofd en zei tegen hem: 'De vossen hebben holen, en de vogels onder de hemel hebben nesten, maar de Zoon des mensen heeft niets, zelfs geen steen in deze wereld als bezit, zodat Hij daarop Zijn hoofd neer kan leggen!' (Matth. 8,20)

[19] En de schriftgeleerde begreep Mij, wendde zich af en ging naar huis. Want Ik gaf hem daarmee te verstaan, dat ook hij een sluwe vos was en daarom ook een hol (betaalde baan) had, en dat vogels van zijn pluimage, onder de hemel, d.w.z. ver beneden de zuiver goddelijke waarheid en liefde, hun nesten, d.w.z. hun voedings­ en rustplaats hebben waar ze hun prooi verteren; maar dat bij de Mensenzoon niets te vinden is van al de wereldse bedriegerijen, zelfs niet een zogeheten politieke kunstgreep (steen), waarop je zo nu en dan je geestelijke 'hoofd' kunt laten uitrusten! De schriftgeleerde begreep precies wat Ik bedoelde en ging, zoals gezegd, zonder nog een woord te zeggen, vlug naar Kapérnaum terug.

1   ...   14   15   16   17   18   19   20   21   ...   43

  • 97 Kapérnaum. De zieke knecht van de hoofdman
  • 98 Het volk daagt de priesters uit
  • 101 Het bijzondere wijnwonder voor Judas

  • Dovnload 2.49 Mb.