Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Uitgeverij de ster, ginnekenweg 124, 4818 jk breda

Dovnload 2.49 Mb.

Uitgeverij de ster, ginnekenweg 124, 4818 jk breda



Pagina19/43
Datum05.12.2018
Grootte2.49 Mb.

Dovnload 2.49 Mb.
1   ...   15   16   17   18   19   20   21   22   ...   43
103 Op zee. Jezus en de storm

[I] Eveneens nog voor wij in het schip gingen kwam één van Mijn leerlingen naar Mij toe en vroeg Mij of Ik het goed vond dat hij eerst zijn vader zou gaan begraven, die in de vorige nacht plotseling overleden was. (Matth. 8,21) Ik zei echter tegen hem: 'Blijf jij nu maar bij mij, en Iaat de doden hun doden begraven! '(Matth. 8,22) En de leerling zag meteen van zijn verzoek af en volgde Mij op het schip; want hij begreep dat het beter is om voor het leven, dan voor de dood te zorgen, -dit laatste is namelijk een zorg, die geen waarde heeft en waar de doden zich het beste mee bezig kunnen houden. Want allen, die begrafenisvertoon belangrijk vinden, zijn min of meer dood zolang zij eer aan een dode bewijzen en zelf het eerbetoon aan de dood belangrijk vinden.

[2] De mens sterft pas echt door zelfzucht, die zich uit in de hoogmoed, die vóór alles hunkert naar eer; en in dat licht bezien is dan een eervolle begrafenis van een dode, niets anders dan een laatste vorm van hoogmoed van de geestelijk reeds lang dode mens.

[3] Nadat de leerling in zijn hart de volle waarheid van wat Ik hem gezegd had, besefte, volgde hij Mij zonder meer het schip op, zoals reeds eerder gezegd, en we vertrokken snel met gunstige wind en ontliepen zo het steeds sterkere opdringen van het volk. (Matth. 8,23)

[4] Sommigen klommen wel in kleine bootjes en voeren ons een stukje na. Maar toen de wind steeds harder ging waaien, keerden ze al gauw terug en het kostte hen moeite, om vóór het uitbreken van de storm de vaste oever weer te bereiken.

[5] Wij bevonden ons reeds in volle zee, toen de eerst zo gunstige wind overging in een geweldige storm. Ik was bij het aan boord gaan echter al lichamelijk vermoeid, omdat Ik de hele nacht gewaakt had, en Ik zei daarom tegen Petrus toen we op het schip waren: 'Maak voor Mij een bed klaar, want Ik ga tijdens de tocht een beetje rusten, want je weet, dat Ik de hele nacht niet gerust heb!'

[6] Petrus bracht Mij direkt een paar matten, maakte daarvan een goed bed en gaf Mij daarbij nog een kussen onder het hoofd, waarop Ik dan ook weldra lichamelijk heel diep insliep, hoewel Ik wel wist, dat de wind gauw in een harde storm zou overgaan en dat de hooglopende golven het schip zouden bedreigen.

[7] Toen wij ongeveer een paar uur uit de kust waren, woedde de storm het hevigst, en de golven begonnen over het dek van het schip te slaan. (Matth. 8,24) Toen werden zelfs Mijn meest toegewijde leerlingen bang; want ze zagen dat door de steeds meer overslaande golven het schip water begon te scheppen, vooral bij het middelste en door de toenmalige bouwtrant tevens laagste deel van het schip. Toen derhalve de storm niet afnam maar daarentegen de golven steeds krachtiger opjoeg, gingen de leerlingen naar Mij toe, dat wil zeggen naar het hoogste deel van het schip waar Petrus voor Mij eerder een bed klaargemaakt..had en waar de golven nog niet doorgedrongen waren, begonnen aan Mij te schudden opdat Ik wakker zou worden en riepen toen vol angst: 'Heer, help ons, anders gaan we allemaal te gronde!' (Matth. 8,25)

[8] Daarop stond Ik op van het bed en zei tegen hen: 'O, jullie kleingelovigen! Hoe kun je zo bang zijn als Ik bij je ben? - Wie is er belangrijker: de storm of Degene, Die ook heer over alle stormen is?!'

[9] Maar omdat de leerlingen, net als vele anderen op het schip, bijna sprakeloos van angst waren, en zelfs Petrus alleen nog maar wat stamelen kon, zei Ik snel een bestraffend woord tegen de storm en de zee en daarop werd het ineens windstil! Het leek of de storm afgesneden was en de zee werd spiegelglad; alleen waar de roeispanen het water beroerden, zag je een geringe beweging. (Matth. 8,26) Het grote aantal mensen aan boord, dat Mij vrijwel niet kende, omdat het pas deze ochtend aangekomen was en eigenlijk alleen voor zakendoeleinden meevoer, was ontzettend verbaasd en klampte de leerlingen aan en vroeg hen: 'Wat -in de naam van Jehova -is dat voor iemand, dat wind en zee hem gehoorzamen?!' (Matth. 8,27)

[10] Ik maakte echter gebaren naar de leerlingen, dat ze Mij niet moesten verraden. Petrus zei toen: 'Vraag niet zo veel, maar help liever al dat water uit het schip te scheppen, anders zijn wij nog verloren als er soms een staartje van de storm komt, wat vaak genoeg gebeurt als hij zo ineens afbreekt zoals nu!' -Toen vroegen de vreemden niets meer, maar pakten de wateremmers en schepten vlug het water uit het schip en hadden daar volop werk aan tot we de uitgestrekte oever aan de overzijde bereikten.


104 In Gadara. De genezing van de bezetenen

[I] Het land, of liever gezegd de streek, waar we nu gekomen waren, Werd bewoond door een volkje - de Gergesenen, ook wel Gadarenen genoemd -en lag langs de gehele lengte van het meer recht tegenover Galiléa.



[2] Toen we daar met z'n allen aan land gestapt waren, en naar de kleine stad Gadara wilden gaan, die op een heuvel aan het meer op ongeveer zes duizend pas van onze landingsplaats verwijderd lag, liepen tegenover de stad, vanaf een kleine aan het meer gelegen berg op wiens helling de begraafplaats van de bewoners van deze omgeving en stad lag, ons twee naakte personen met gruwelijk vertrokken gezichten tegemoet. Zij werden door een heel legioen boze geesten bezeten en waren zo woest dat door hun toedoen bijna niemand deze doorgang kon passeren. (Matth: 8,28) Zij woonden in de graven van het kerkhof op de berg. Niemand kon ze vangen of met ketens gebonden houden. Want ook al werden ze zo nu en dan door een groot aantal sterke mensen overweldigd, met kettingen gebonden en in de boeien geslagen, dan werden die kettingen toch in een oogwenk verbroken en de boeien tot poeder gewreven! Dag en nacht waren ze op de berg in de graven, schreeuwden verschrikkelijk en sloegen zichzelf ontzettend met stenen.

[3] Toen deze beiden Mij echter temidden van Mijn leerlingen zagen aankomen, liepen ze regelrecht op Mij af, vielen voor Mij neer en schreeuwden: 'Wat moet U van ons, Zoon van de Allerhoogste?! Bent U gekomen om ons al vóór onze tijd te kwellen! Wij bezweren U bij God de Allerhoogste, dat U ons niet zult kwellen! (Matth. 8,29)

[4] Ik bedreigde hen echter en sprak: 'Hoe is je naam, boze geest, die deze beiden kwelt alsof ze tesamen één man waren?'

[5] De boze schreeuwde daarop: 'Mijn naam is legioen; want we zijn met zeer velen!'

[6] Ik gebood de boze daarop uit deze twee te gaan! Ogenblikkelijk verliet een grote hoeveelheid boze geesten, in de zichtbare vorm van grote zwarte vliegen, de twee, maar vroeg Mij dringend, haar niet uit deze streek te verjagen!

[7] Er bevond zich echter langs de lage bergen die het meer begrensden, in westelijke richting een grote kudde varkens, toebehorend aan de Gadarenen; want dit volkje, dat merendeels uit Grieken bestond, at het vlees van deze dieren en dreef er handel mee, grotendeels op Griekenland. (Matth. 8,30)

[8] Toen de boze geesten deze kudde zagen, vroegen ze Mij, of Ik ze toestemming wilde geven om in deze kudde te gaan. (Matth. 8,31)

[9] En toen Ik hen dat om geheime voor de wereld verborgen redenen toestond, gingen de duivels meteen in de ongeveer twee duizend varkens.

[10] Zodra de duivels echter in de varkens gegaan waren, renden deze dieren een berg op die een sterk vooruitspringende rots in zee had, en vanaf die rots, die ongeveer drie honderd ellen boven zee uitstak, stortten alle tweeduizend varkens zich als een tornado in de zee, die juist op dat punt zeer diep was. (Matth. 8,32)

[11] Toen de herders, die de varkens hoedden, zagen wat daar gebeurd was met de bezetenen, schrokken ze geweldig, vluchtten weg, renden naar de stad en vertelden iedereen en speciaal hun opdrachtgevers, wat zich aan de zee had afgespeeld. (Matth. 8,33)

[12] De bewoners van het stadje liepen te hoop, en één van hen, die, net als veel anderen in deze stad nog een heiden was en geloofde in Jupiter en de andere goden van het heidendom, hield een toespraak en zei: 'Heb ik het vanmorgen niet gezegd: Als twee door de furiën gekwelden stil worden, maar de zee bij heldere hemel door de storm wordt opgezweept, dan komt er een godheid naar de aarde, en zal er een gericht plaats vinden; want de goden komen nooit zonder roede en zwaard van de sterren naar de aarde! En nu is het gebeurd: De furiën, die de beide zondaars plaagden, woelden eerst de zee op, omdat ze zeker wisten, dat er een godheid zou afdalen en hen zou verdrijven uit de beide zondaars. Dat ze zich toen in de vorm van zwarte horzels op onze varkens stortten en deze dieren als een storm in zee dreven, dat is me zo duidelijk als de zon op een hellichte middag! Er blijft ons nu niets anders over dan in alle deemoed en boetvaardigheid van ons gemoed met een groot aantal mensen naar de godheid, waarschijnlijk Neptunus of Mercurius, af te dalen en hem zeer nadrukkelijk te vragen, of hij deze streek weer zo snel mogelijk wil verlaten; want zolang een god zich zichtbaar in een streek op aarde ophoudt, kun je slechts een opeenstapeling van ongelukken verwachten! Want, zoals reeds gezegd, een god komt nooit zonder roede, zwaard en gericht van de sterren naar de aarde omlaag!

[13] Laat echter niemand hem ook maar met de geringste gedachte iets verwijten over de ons toegebrachte schade; want dan is het helemaal met ons gedaan! We hebben de oude goden nu al zo lang geen echt offer meer gebracht, daarin zeker het meest gehinderd door de domme Joden, die het altijd beter willen weten dan wij, dat een beledigde god nu zelf zijn offer is komen halen! Zo is het! Daarom mogen wij daarover ook geen ontevreden gedachten in ons laten opkomen! Het enige wat we kunnen doen is naar beneden gaan en hem begroeten en hem dan zeer nadrukkelijk vragen, of hij deze omgeving maar liefst meteen weer wil verlaten!'

[14] Tijdens deze toespraak luisterden er ook enige Joden mee en die zeiden nu: 'Je vindt weliswaar dat we dom zijn, maar we weten er toch meer van dan jullie. Kijk, deze veronderstelde god van jullie is waar­schijnlijk een magiër uit Perzië, of de beroemde Jezus uit Nazareth, van Wie we al grote dingen gehoord hebben. Voor de rest zijn we het geheel met jullie eens, dat we hem zeer nadrukkelijk moeten vragen om deze streek te verlaten; want zulke mensen bevorderen nooit het geluk van een land, -dat weten we uit de tijden van onze profeten. Als onze God bepaalde mensen in een land opwekt tot profeten, dan staat het ongeluk van zo'n land al vast!'

[15] Daarop verzamelde iedereen zich in deze stad en begaf zich naar buiten en bergafwaarts naar Mij toe, en er bleven alleen maar een paar zieken thuis. Toen degenen die uit de stad kwamen Mij zagen en vaststelden dat Ik er heel gewoon menselijk uitzag, kregen ze wat meer moed om dichterbij te komen, en ze kwamen daarom, hoewel nog steeds behoorlijk bang, naar Mij toe en vroegen Mij of Ik hun land direkt wilde verlaten! (Matth. 8,34)

[16] Een paar van hen keken naar de twee, die ze als voormalige bezetenen heel goed kenden. Die waren nu gekleed en spraken heel verstandig met hen en vertelden, hoe Ik hen van hun plaag bevrijd had, en hoe ze daarop door degenen, die met Mij gekomen waren, meteen gekleed waren. Maar dat alles verminderde, speciaal bij de heidenen, de angst niet en ze wensten alleen maar dat Ik hun streek verlaten en nooit meer terugkomen zou!

[17] En Ik gaf gehoor aan hun wens en zei daarop tegen Petrus:'Vriend breng het schip maar gelijk weer in orde, zodat we ons snel weer van deze streek kunnen verwijderen!'

[18] En Petrus en zijn knechten brachten het schip meteen in orde. Toen Ik Mij echter inscheepte, kwamen de twee genezenen Mij snel achterna en vroegen Mij, of zij Mij ook mochten volgen; want ze zouden in deze stad niets te doen en niets om van te leven hebben, en in hun huis zouden hun familieleden ze zeker nooit op willen nemen omdat ze te bang voor hen waren! Ik wees ze echter met vriendelijke ernst terug en zei tegen hen: 'Ga maar gerust naar je huis en je familie terug; ze zullen je met vreugde opnemen! Ga en verkondig de uwen, en ook de hele streek, wat voor groots de Heer aan jullie heeft gedaan en welke barmhartigheid Hij jullie bewees; dat is beter dan dat je Mij nu zou volgen! Want je moet nu in deze omgeving, waar men je overal goed kent, een heel goed getuigenis van Mij geven en daardoor nuttig zijn voor de mensen; en de mensen zullen jullie net als voorheen, toen je voor hen een verschrikking was, niet laten verhongeren.

[19] Toen gingen de beide genezenen als één man weg en deden zeer ijverig, wat Ik hen had aanbevolen.

[20] Binnen korte tijd hebben de twee Mij niet alleen in hun geboortestreek, maar ook in alle tien de steden die daar boven langs het meer liggen, bekend gemaakt; en ze verkondigden met veel ijver overal wat voor groots Ik aan hen had gedaan en welke grote barmhartigheid Ik hen had bewezen. En daardoor geloofden er velen in Mijn naam en kregen een groot verlangen naar Mij, zowel Joden als Grieken.


105 Nazareth. Ongeloof verhindert wonderen
[1] Nu voeren wij rechttoe rechtaan naar Nazareth, want Ik had Mij voorgenomen nu weer eens een keer Nazareth te bezoeken en thuis wat uit te rusten en dan ook voor de zeer ongedurige Nazareeërs het licht der waarheid te ontsteken!

[2] De terugvaart duurde echter wat langer dan de heenvaart, en velen kregen honger. Maar Ik gaf hen kracht en ze voelden een wonderbare verzadiging, en sommigen zeiden: 'Niet te geloven, één inademing is als brood en een tweede smaakt als wijn!' Zo bereikten wij vroeg in de volgende morgen de oever. Vanaf de oever tot aan Nazareth was het nog ongeveer twintig landwegen gaans, en wij gingen dus vlug verder en bereikten snel de stad Nazareth. Ondertussen verzorgden de knechten van Petrus zoals gewoonlijk het schip en voeren naar huis.

[3] Wij waren echter geland aan de algemene landingsplaats en daar waren al veel mensen verzameld; voor een klem deel waren dat mensen, die vanwege hun zaken de zee in alle richtingen moesten bevaren, en de meeste anderen kwamen uit de omstreken, zelfs van Jeruzalem, naar de markt van Nazareth; want er was op dit moment juist een grote markt in deze stad.

[4] Toen op de landingsplaats bekend werd, dat Ik met het schip van Petrus aangekomen was, gingen ook diegenen, die over zee hun zakenreizen wilden maken, mee terug naar de stad, en zodoende trok er een grote volksmenigte met Mij mee naar Nazareth.

[5] Maar Ik en Mijn leerlingen gingen naar Mijn huis, dat wil zeggen nu het huis van moeder Maria, die thuis was met de drie oudste zonen en de vier maagden, die vroeger in Jozefs tijd, toen Ik nog een kind was, als kind waren aangenomen en opgevoed.

[6] Maria en alle huisgenoten gingen nu aan het werk en maakten een overvloedig ontbijt voor ons allen klaar, dat wij echt nodig hadden, speciaal de leerlingen, omdat die een hele dag en een hele nacht haast niets gegeten hadden. De maaltijd was snel klaargemaakt, en we gingen zitten en aten en dronken. Na het maal spraken wij onze dank uit en stonden op en gingen de stad in, om daar wat naar het doen en laten van de mensen te kijken. We konden echter nauwelijks het huis uit vanwege al het volk, dat voor het grootste deel uit nieuwsgierigheid, voor een ander deel uit onbehoorlijk spionage oogmerk en slechts voor een zeer gering deel uit nood en hulpbehoevendheid, zich om het huis gelegerd had.

[7] Toen wij voor het huis kwamen, vroegen enige Farizeeën en schrift­geleerden uit Jeruzalem, of Ik hier geen wonderen en tekenen zou doen. Maar Ik zei hen heel ernstig en beslist: 'Neen, door uw ongeloof is dat hier niet mogelijk!' Na dit besliste neen begon men zich te verspreiden, en een paar mompelden en fluisterden elkaar in het oor: 'Hij is bang voor de heren uit Jeruzalem en durft niet.' Anderen zeiden: 'Hij heeft zijn tovermiddelen zeker niet bij zich.' Weer anderen zeiden: 'Hij doet hier niets vanwege zijn landslieden; want hij zal wel weten, dat hij bij hen niet erg hoog aangeschreven staat!' Onder zulke en gelijksoortige opmerkingen verstrooiden ze zich, en binnen enkele ogenblikken was er geen mens meer bij het huis van Maria, de moeder van Mijn lichaam, en we hadden meteen ruimte genoeg om naar de stad te wandelen.

[8] Wij bezochten daar een synagoge, waarin iedere Jood die dat wilde, voor drie schriftgeleerden, die op een verhoging zaten, mocht spreken en ook allerlei bezwaren inbrengen, die hij, of met hem een hele gemeente, gegrond achtte tegen de door Jeruzalem plaatselijk aangestelde priesters en schriftgeleerden.

[9] Toen we de synagoge ingingen, zei Simon van Kana heimelijk tegen Mij: 'Heer, wij kunnen toch ook wel wat inbrengen!? We zouden echt klachten genoeg hebben!'

[10] Ik zeg: 'Mijn vriend! Op het goede moment de waarheid spreken is juist en goed; maar op het goede moment zwijgen is nog beter! Je kunt proberen wat je maar wilt, maar je zult uit ijzer toch nooit goud maken en uit leem geen zilver! Deze soort, die hier voor het geven van raad en om te luisteren zit, ziet er inwendig heel anders uit, dan wat de buitenkant Iaat zien; uitwendig is ze een lam en inwendig een verscheurende wolf!

[11] Denk je dat zij hier zitten te luisteren om na de vernomen bezwaren van het volk de gevraagde verlichtingen aan te brengen? O, dan zou je je erg vergissen!

[12] Deze soort zit hier alleen maar met vriendelijke gezichten naar het volk te luisteren, om het uit te horen hoe het denkt over het priesterdom. Geloof Mij maar! Vandaag word je vriendelijk aangehoord, en morgen sluiten ze je in de gevangenis op en tuchtigen je een vol jaar met roeden! Want deze priesters zijn allemaal net als de raven en de kraaien, die pikken elkaar ook nooit met de scherpe punt van hun snavel de ogen uit.

[13] Daarom gaan we hier alleen maar zitten luisteren en opletten of, en in hoeverre, en op wat voor manier daar over ons gesproken wordt. We vallen hier niet op, en gesteld dat ze ons zien, dan zullen ze ons toch niet zo vlug herkennen, en zo kunnen wij hier goed luisteren en rekening houden met wat we horen.' -Simon van Kana ging hiermee akkoord en we gingen in een wat donkere hoek van de synagoge zitten en luisterden naar alles, wat daar naar voren gebracht werd.

[14] Mensen, die alleen maar voor zichzelf kwamen, en ook wel afge­vaardigden voor hele gemeentes, brachten een aantal ten hemel schreiende klachten tegen de priesters naar voren en werden heel vriendelijk aan­gehoord.

[15] Nadat het volk al haar klachten geuit had, en de drie schriftgeleerden en Farizeeën, die uit Jeruzalem gekomen waren, met de hand op het hart beloofd hadden, dat ze hun uiterste best zouden doen en de aangeklaagde priesters aan een scherp verhoor zouden onderwerpen en dat ze, als de aanklacht waar bleek te zijn, hen zouden weten te tuchtigen, stelt een schriftgeleerde met zijn vriendelijkste gezicht aan het volk de vraag, of, en wat de hier aanwezigen zoal over Mij, dat wil zeggen de beruchte opruier Jezus, weten. Want men had tot in Jeruzalem vernomen, dat hij in Galiléa nogal rond zwierf en grote tekenen deed, die nog niemand ooit voor hem gedaan had; en nu was het voor hen de vraag of dat wel waar was en wat zij en de andere mensen daar nu wel van dachten.


106 Leven, daden en leer van Jezus van Nazareth

[I] Nu stapt een zeer geziene man uit de omgeving van Kapérnaum naar voren en zegt: 'Zeer hooggeëerde dienaren van Jehova in de tempel te Jeruzalem! De door u in uw vraag aan ons genoemde Jezus, is zoals men dat noemt uit deze streek en stad geboortig en heeft zich steeds ordentelijk en ten allen tijde buitengewoon godvruchtig gedragen! Men zag hem zeer vaak langdurig bidden; niemand heeft hem ooit zien lachen, maar men heeft hem daarentegen wel vaak zien wenen op geheime stille plaatsen, die hij vaak bezocht.

[2] AI vanaf zijn"geboorte zijn er bij hem zeldzame dingen gebeurd, en nu, nu hij eigenlijk als een echte dokter, die zijns gelijke op aarde met heeft, een reis heeft ondernomen, is zijn manier van genezen, waarbij hij slechts één enkel woord spreekt, zodanig, dat alleen Jehova dat zou kunnen evenaren!

[3] Alle daden van Mozes af tot nu toe, verzinken daarbij in het niet! Hij maakt kreupelen, die al jarenlang helemaal kromgegroeid zijn, in een ogenblik totaal gezond; iedere koorts, hoe kwaadaardig ook, moet voor zijn woord het veld ruimen; stom-, doof­ en blindgeborenen spreken, horen en zien net zo goed als één van ons! De kwaadaardigste melaatsheid verdrijft hij in een oogwenk, de bezetenen verlost hij met één woord van legioenen duivels, en de doden roept hij, en ze staan op, eten en drinken en lopen dan weer alsof er niets gebeurd was! En zo gebiedt hij ook de elementen, en ze doen wat hij zegt, alsof ze zijn getrouwste en bereidwilligste dienaars zijn!

[4] In het algemeen gesproken is zijn leer deze: dat men door zijn daden moet tonen, dat men God boven alles en zijn naaste als zichzelf liefheeft!

[5] Omdat hij dit alles doet en aan zijn leerlingen de zuiverste leer verkondigt, is hij voor ons een buitengewone profeet, die Jehova ons nu, zoals eens Elia, in onze grote tegenspoed als uit de hemel.gezonden heeft! Dat is alles, wat ik en nog velen met mij van deze heerlijke Jezus weten, en we kunnen God niet genoeg danken, dat Hij toch nog weer aan Zijn arme, uitermate verdrukte volk gedacht heeft. .

[6] Velen denken dat Hij de beloofde grote gezalfde des Heren is! Persoonlijk ben ik daar niet voor of tegen, maar ik vraag me wel af of de Christus, Die dan nog komen moet, grotere daden zal verrichten?!

[7] De priester zegt: 'Je praat als een blinde die een oordeel geeft over kleuren! Waar staat dan geschreven dat er ooit een profeet Uit Galiléa op zal staan?! Wij zeggen, dat deze Jezus van jullie niets anders is dan een boosaardige tovenaar, die verbrand zou moeten worden! Zijn leer is een masker, waarachter hij zijn godslasterlijke oplichterijen verbergt! Niet met God maar met de opperste duivel doet hij zijn wonderen, ­en jullie blinden denken zelfs dat hij de grote Beloofde is! Waarlijk, jullie moesten daarvoor samen met hem verbrand worden!'

[8] De man gaat echter geen stap voor hem terug en zegt: 'Ja, wat jullie betreft, zouden we allang branden, als we geen Galileeërs waren en ik persoonlijk geen echte Romein, en als jullie, in plaats van de Romeinen het hier voor het zeggen hadden! Maar gelukkig heeft voor ons Galileeërs jullie glorie allang opgehouden! Wij zijn geheel Romeinse onderdanen en hebben derhalve niets met jullie te maken, behalve dat we je hooguit helemaal uit Galiléa verwijderen als je het zou wagen je ook maar aan de geringste van ons Romeinen te vergrijpen!

[9] Met betrekking tot onze grote profeet Jezus zeg ik je nu echter nog dit: Wee jullie, als je van plan mocht zijn, om in dit land je boosaardige handen aan Hem te slaan!

[10] Want voor ons is Hij een waarachtig God; Hij deed voor ons dingen, die alleen God maar kan doen!

[11] Een God, die de arme lijdende mensen goed doet, moet een echte en ware God zijn! Maar die God van jullie, die alleen met goud, zilver en allerlei andere dure offers tot bedaren te brengen is en voor lange en peperduur betaalde gebeden bijna niets doet en geeft, is net als jullie, die zich zijn dienaren noemen, door en door slecht en is het waard om net als jullie het land uitgegooid te worden!

[12] Dat durft me daar te zeggen dat Jezus een verscheurende wolf in schaapsvacht is! Wat zijn jullie dan wel?! Werkelijk, jullie zijn zelf in de overtreffende trap, wat je van Jezus, deze zeer vredelievende man, beweert!

[13] Met een vriendelijke trek op je gezicht luister je naar onze klachten, terwijl in je binnenste de onverzoenlijkste wraakzucht loert ten opzichte van degenen die klachten inbrengen, en als je dat kon, zou je ons nu al met sodomietisch vuur uit de hemel willen verdelgen! Maar vergeet het maar, jullie boosaardig addervuil en schorpioenengebroed! Hier hebben wij Romeinen het voor het zeggen en we zullen jullie de weg van hier naar Jeruzalem wel weten te wijzen, als je niet uit je zelf maakt dat je wegkomt!'

[14] Deze toespraak maakte de drie schriftgeleerden natuurlijk razend van woede; maar ze durfden nu voor het talrijke publiek niets meer te zeggen en kozen daarom door een achterpoortje het hazenpad, en wel de weg naar Kapérnaum, waar de meeste Farizeeën en schriftgeleerden uit Jeruzalem zich ophielden en waar ze helemaal vrij waren om zich

bezig te houden met alles wat maar te bedenken was op het gebied van hoererij en bedriegerij.

[15] Toen de drie op deze manier de synagoge verlaten hadden, kwam er iemand anders naar voren en bracht de spreker de algemene dank over van alle aanwezige afgevaardigden en de afzonderlijke klagers, en voegde daar nog aan toe: ' Als we niet net als de Samaritanen doen, zullen die beesten ons niet met rust laten! Hun namen moeten voor ons verachtelijker worden dan die van Gog en Magog, en Jeruzalem moet voor ons alleen maar goed genoeg zijn om tegen te plassen, anders worden we nooit bevrijd van deze plaag, die erger is dan de pest!'

[16] Allen geven hem gelijk en zeggen: 'Als onze wonderdoende Jezus nu ergens te vinden zou zijn, dan zou Hij direkt hierheen moeten komen en dan zouden we Hem benoemen tot onze alleen erkende leraar en opperpriester!’

[17] De spreker zegt: 'Dat zou ik ook menen; maar daarover zouden we ons vooraf toch moeten verstaan met de Romeinse prefect in Ka­pérnaum, om te horen of hij het daar mee eens is. Want de Romeinen hebben het hier toch al niet zo gemakkelijk met ons priesterdom, want de tempel staat naar men zegt steeds in geheime briefwisseling met de vorst van Rome!'

[18] Met dit voorstel was iedereen het eens en daarop verliet de een na de ander de zaal, waarin de synagoge was.



107 Over het wereldse blijspel en de kinderen Gods
[1] Maar Ik zeg tegen Simon van Kana: 'Heb je nu gezien, hoe goed het is om op het juiste moment te kunnen zwijgen?! Als de anderen voor ons spreken en handelen, is het voor ons altijd goed om te zwijgen! ­Begrijp je dat?'

[2] Simon van Kana zegt: 'Ja Heer, dat begrijp ik en ik zie nu zeer duidelijk in, dat het veel beter is te zwijgen dan te spreken. Soms wordt men er weliswaar juist bij de haren bijgesleept om bij zulke gelegenheden je eigen tong eens heel goed te gaan gebruiken, maar het is nu echt wel in de praktijk bewezen dat het zwijgen op het juiste moment veel beter is dan het meest doordachte spreken. Maar het was hier trouwens niet moeilijk om te zwijgen, want we hebben aan die ene, die zich aan de priesters als Romein kenbaar maakte, een buitengewoon moedige, welbespraakte en ter zake kundige vertegenwoordiger gehad.

[3] Ik moest haast lachen toen die drie tempeliers de aftocht bliezen en daardoor hun hele aanzien in dit land zo goed als verloren hebben! Hun gezichten werden steeds langer en langer, en hun voeten begonnen, tijdens die steeds krachtiger wordende toespraak van de Romein uit Kapérnaum, behoorlijk onrustig te worden, en troffen meteen de juiste voorbereidingen om er vandoor te gaan. Toen ik die heel zonderlinge onrust in de voeten van de drie tempeliers ontdekte, zei mijn geest tegen mij: 'Nu zullen ze dadelijk onzichtbaar worden!' - en het was waar, ze werden onzichtbaar!

[4] Werkelijk Heer, het kan niet zondig zijn om in je hart een haast onweerstaanbaar prettige sensatie te beleven, iedere keer als, zoals nu, een heel dikke streep gehaald wordt door de rekening van zulke aartsslechte en totaalonverbeterlijke ellendelingen. Ik persoonlijk had wel ieder woord van de mond van die Romein af willen zoenen!'

[5] Ik zeg: 'Een eerlijk mens heeft het volste recht om zich te verheugen en een hartversterkende vrolijkheid te voelen over iedere op het juiste moment optredende tegenkracht, die het verborgen kwaad ontdekt en vernietigt; maar denk erom, alleen over het gelukkig verijdelen van het op zichzelf boze, valse en slechte, maar nooit over de mens die meestal in zijn blindheid die zonde als een knecht gediend heeft!

[6] Je hebt toch de beide Gadarenen gezien, en hoe slecht ze waren! Maar hoe goed en zachtmoedig werden ze toen Ik het legioen duivels uit hen verdreven had, en ze loofden en prezen God, dat Hij aan een mens zoveel macht gegeven had! Zou het toen juist geweest zijn, als men er alleen maar vreugde over gehad had dat de twee verdoemden, die de schrik van de hele omgeving waren, nu hun boosaardige bezigheden niet meer konden uitoefenen, en omdat ook nog de woekermiddelen van een paar varkenswoekeraars daarbij in zee verdwenen waren?! Oh, om daarover plezier te hebben zou voor een echt mens wel zeer onwaardig zijn! Maar als er echte vreugde was geweest omdat die twee vreselijk gekwelde mensen van hun plaag bevrijd waren, en dat die boosaardige kwelduivels nu tenslotte de goede zaak des hemels moesten dienen doordat ze hun eigen door de Gadarenen zorgvuldig onderhouden slechte woe­kergeest vernietigden, dan zou zo'n vreugde van hemelse aard zijn en daarom helemaal goed.

[7] Ik zeg jullie uit de levende bron van alle waarheid: Wie om een dom mens lacht, die geeft daarmee aan dat hij net zo dom is; want de een doet domme dingen omdat hij dom is, en de ander lacht omdat hij dom is; en zo heeft de ene domme plezier om de andere, waarbij uiteindelijk blijkt dat de ene het eigenlijk helemaal niet leuk vindt, als de andere ophoudt dom te zijn en verstandig wordt.

[8] Maar het is heel wat anders, als je iemand die dom handelt, broederlijk terecht wijst en dan met een vrolijk en blij hart lacht, als de domme wijs wordt! Dan hoort je vreugde en blijheid thuis in de hemelse orde en is daarom goed, juist en rechtvaardig!

[9] Wat voor plezier en blijdschap kan iemand echter, als hij wijs is, er wel er aan beleven, als een blinde, die langs de weg loopt, tegen een ziende, die dezelfde richting uitgaat, zegt: 'Vriend, ik ben de weg kwijt en ik weet niet meer of ik nu heen of terug ga; vóór mij moet mijn huis zijn. Volgens het aantal passen dat ik telde, zou ik al vlak bij het huis moeten zijn; maar als ik, omdat ik me gemakkelijk vergis als blinde, in plaats van heen, terug ben gegaan, dan moet ik nu verder van het huis af zijn, dan waar ik was toen ik naar huis wilde gaan. Wees zo goed en breng me op de goede weg naar mijn huis!'

[10] Als de ziende dan om de blinde lacht en, terwijl ze zich vlak bij het huis bevinden en nog maar tien passen van het voorhuis af staan, tegen de blinde zegt: 'O, dan ben je helemaal verkeerd gegaan! Geef mij je hand; ik zal, hoewel het tamelijk ver is, op je verzoek je toch thuis brengen!' De blinde is daar erg blij om en bedankt de ziende begeleider vast vooruit. Deze leidt, in zichzelf gniffelend, de blinde twintig keer om zijn huis heen en zegt tegen hem, terwijl hij inwendig erg veel plezier heeft: 'Nu vriend, wij zijn er; daar is je huis!' De blinde bedankt hem nog heel hartelijk; de ziende lacht inwendig, omdat de grap gelukt is!

[11] Dan vraag Ik, wie in dit geval blinder is, de blinde of zijn ziende begeleider?! Ik zeg je: de harteloze begeleider; want die is in zijn hart blind, en dat is erger dan een duizendvoudige blindheid van de ogen!

[12] Zo lachen de mensen ook om allerlei gedurfde praatjes, en vooral dan als zulke praatjes behoorlijk veel ruwe en vieze zinspelingen bevatten en daardoor menige zwakheid en zonde van hun broeders zichtbaar en hoorbaar maken voor het publiek!

[13] Ik zeg je: Wie daarom lachen kan of ook als getuige erg veel pret heeft als de een of andere grapjas een zwakke medemens dik opgelegd staat te beliegen, en hem een mat verzilverde boon voor een echte parel verkoopt, in diens hart heeft de duivel een overdaad aan boze zaden gestrooid, waaruit geen levensvruchten zullen voortkomen.

[14] Het is daarom beter je van al dit soort zaken af te wenden, en als de blinde wereld het nodig vindt om onbeschaamd te lachen, een diep medelijden met hen te hebben; want het blijspel van de wereld is altijd een treurspel voor de echte kinderen Gods, en maar al te vaak huilen de engelen Gods in de hemel als de wereldse mensen verstrikt in hun boze onzinnigheden moeten lachen.

[15] Laten we daarom ook maar ophouden over de drie tempeliers, ze hebben weliswaar heel slechte plannen, maar toch zijn het mensen. Alleen door de invloed van de satan en hun eigen onvervalste liefde voor de wereld en zichzelf zijn het mislukte kinderen geworden van dezelfde Vader, Die ook jullie Vader is. Je moet alleen het boze in hen verachten, maar zijzelf, als mensen en broeders, zijn alleen om over te huilen!

[16] Het is beter om Noach tijdens zijn dronkenschap te bedekken, dan hem te kijk te zetten en hem aan het gelach van de wereld over te leveren!

[17] Als je dit alles nu in je hart begrepen hebt, laten wij dan nu ook uit deze lege synagoge naar huis gaan; want het middagmaal zal wel klaar staan! Kom dus nu maar mee!'



108 Maria, de moeder van de Heer
[I] We gaan nu weg, en veel mensen, die ons tegenkomen, groeten ons weliswaar, maar er is er niet één die vraagt waar we waren en waar we naartoe gingen.

[2] Maar onderweg komen we ook Judas Iskariot tegen en die vraagt ons waar we toch geweest zijn en waar we nu naar toe gaan. Want hij was niet in de synagoge, omdat hij met zijn vis en zijn pottenbakkerswaren op de markt gestaan had en ook veel geld geïnd had, wat hem veel plezier verschafte. Toch ging hij met ons mee naar Mijn huis en liet zich daar het eten goed smaken, omdat het hem niets kostte. Maar na de maaltijd ging hij weer meteen naar zijn marktkraam en deed daar zijn geldzaken, want de markt duurde drie dagen, en allerlei kooplieden deden daar veel zaken en maakten goed geld voor hun waren.

[3] De volgende dag vroeg moeder Maria aan Mij, of Ik hier soms weer wat in het openbaar wilde doen, en hoe lang Ik Mij ditmaal hier in huis zou ophouden en of er nog meer mensen bij zouden komen, want ze wilde de etensvoorraad aanvullen, want er was bijna geen eten meer.

[4] Maar Ik antwoordde haar: 'Vrouw, maak je over Mij niet bezorgd, noch over Mijn gezelschap en over voldoende mondvoorraad! Want zie, Degene Die de hele grote aarde voedt en de zon, de maan en alle sterren met Zijn liefde verzadigt, Die weet alles van dit kleine huis en Hij weet heel precies, wat dit huis nodig heeft! Bemoeit u zich er daarom maar niet mee en maakt u zich geen zorgen; want waar u zich nu zorgen over maakt, daarvoor is van boven al gezorgd!

[5] De Vader in de hemel laat Zijn kinderen geen honger lijden, behalve, wanneer het voor hun zaligheid nodig is.

[6] U heeft het toch in Sichar heel duidelijk kunnen zien, hoe de Vader :: in de hemel gezorgd heeft voor Zijn kinderen! Denkt u, dat Hij sinds enige dagen hardvochtiger is geworden?! Ga in de voorraadkamer kijken, en u zult zien, dat u zich voor niets zorgen heeft gemaakt!'

[7] Maria haast zich naar de voorraadkamer en vindt deze volgepakt met brood, meel, vruchten, gerookte en verse vis, met melk, kaas, boter en honing! Als moeder zo'n grote voorraad in de voorraadkamer ziet, dan beangstigt dat haar; ze komt vlug naar Mij terug, valt voor Mij op de knieën en dankt Mij knielend voor zo'n rijke verzorging van haar voorraadkamer! Ik buk Mij echter snel en hef moeder op, en zeg tegen haar: 'Wat doet u voor Mij, wat alleen de Vader toekomt? Sta op; want wij kennen elkaar toch al dertig jaar, en Ik ben nog steeds Dezelfde en niet veranderd!'

[8] Maria krijgt tranen van vreugde, begroet al Mijn leerlingen en gaat dan snel weg, om een goed maal voor ons klaar te maken.

[9] De leerlingen komen naar Mij toe en zeggen: 'Kijk toch eens wat een lieve vrouw, en wat een bijzonder liefdevolle moeder! Ze is nu toch al vijf en veertig jaar oud en ziet er uit, als was ze net twintig geworden. En ze is zo buitengewoon lief en bezorgd en wat zwelt haar werkelijk heilige zuivere borst van pure moederliefde! Echt, het is een vrouw, die verheven is boven alle andere vrouwen op aarde!'

[10] Ik zeg: ' Ja,ja, Zij is de eerste en er zal er nooit meer een zijn als Zij! Maar het zal ook gebeuren, dat men voor haar meer tempels zal bouwen dan voor Mij, en dat men haar tienmaal meer zal eren dan Mij, en men zal geloven alleen door haar zalig te kunnen worden!

[11] Daarom wil Ik dan ook nu, dat men haar niet teveel verheft, omdat ze wel weet, dat ze de moeder van Mijn lichaam is, en ook weet, Wie achter dit lichaam, dat zij baarde, aanwezig is!

[12] Wees daarom buitengewoon goed en hoffelijk voor haar, maar pas er voor op om haar de een of andere goddelijke verering te bewijzen!

[13] Want bij alle buitengewone voortreffelijke eigenschappen is ze toch een vrouw; en van de beste vrouw tot aan de ijdelheid is en blijft het maar een heel klein stapje!

[14] En iedere ijdelheid is het zaad van de hoogmoed, waaruit al het kwaad in de wereld is gekomen, en nog komt en altijd zal komen! Daarom houdt ook tegenover moeder rekening met wat Ik jullie nu heb gezegd!'



109 Korenschoppen in de hand van God
[1] Petrus schudt met zijn hoofd en haalt zijn schouders op! Daarop reageert Simon van Kana met te zeggen: 'Wat vind jij dan? Als de Heer het ons zo voorspeld heeft, dan zal het ook zeker zo gebeuren, en wij weten nu dus, hoe wij dit moeten opvatten en hoe wij ons daarbij gedragen moeten. Waarom sta je dan twijfelachtig met je hoofd te schudden en je schouders op te halen?!'

[2] Petrus zegt: 'Beste broeder, mijn hoofdschudden en mijn schouder­ophalen betekenen heel wat anders dan jij denkt!'

[3] Simon zegt: 'Wat dan, beste broeder?'

[4] Petrus zegt: 'Kijk, het woord en de daad van de Heer zijn heilig; hoe gelukkig zouden alle mensen op aarde zijn, als ze deze leer al hadden en er naar leefden! Maar er zijn zoveel haken en ogen, - O, wanneer zal deze leer een heilig gemeengoed van alle mensen op aarde zijn? En als de Heer bovendien nog het één en ander zal laten gebeuren, hoe zal dan binnenkort deze leer er uitzien?! Waarlijk, het zal nog gebeuren dat deze heerlijke zielespijs op den duur nog in honden­ en varkensvoer verandert! Wel, broeder, dat is het wat mij mijn hoofd deed schudden en de schouders ophalen!'

[5] Ik zeg: 'Petrus, laat dat! Je zult doen, wat je opgedragen wordt; en over de uitwerking heb je je geen zorgen te maken! Wat komen zal en in alle diepte der wijsheid en liefde op de een of andere manier komen moet, daarvan weet alleen de Vader en ook degene, aan wie de Vader openbaren wil, hoe, wanneer en waarom alles toegelaten wordt, opdat het gebeurt!

[6] Als je in een grote werkplaats van een kunstenaar komt en je ziet vele verschillende werktuigen, weet je dan wel hoe de kunstenaar ze gebruikt om een kunstwerk te scheppen? Daar zul je ook wel je hoofd schudden en je schouders ophalen; maar daarmee kom je niet te weten, hoe de kunstenaar zijn vele verschillende werktuigen gebruikt, en hoe daardoor een bepaald kunstwerk geschapen wordt. Als de kunstenaar het je echter wil uitleggen, dan zul je het ook begrijpen, op de manier waarop de kunstenaar het je uitgelegd heeft.

[7] En hierop aansluitend zeg Ik je: God is meer dan alle kunstenaars, en de allergrootste kunst is, talloze aparte wezens uit zichzelf een zelfstandig vrij leven te laten scheppen! Daarvoor zijn dan ook oneindig veel verschillende geestelijke werktuigen nodig; en jij net als Maria en alle mensen zijn voor dit ene doel verschillende kunstwerken en werktuigen, die alleen de Vader in de hemel zeer wijs weet te gebruiken!

[8] Wees dus verder nergens bezorgd over, behalve over datgene waarvoor Je geroepen bent, en dan zul je als het juiste werktuig in de hand van de Vader de juiste dienst bewijzen!

[9] Of is de korenschop soms belangrijker dan degene, die dit werktuig gebruikt?! Is zij deugdelijk, dan wordt daarmee de tarwe, de gerst en de rogge gezuiverd; is zij echter niet goed, dan wordt zij deugdelijk gemaakt of verbrand! Als de Vader jou gevormd

heeft tot korenschop, blijf dan wat je bent, en probeer niet ook nog een aarden pot te zijn! Begrijp je dat?'

[10] Petrus zegt: 'Heer, dat begrijp ik nog niet. Ik denk dat ik het begrijp, maar als ik het tracht te doorgronden, dan begrijp ik dat geheimzinnig aandoende beeld niet. Hoe kan men kunstwerk en werktuig tegelijkertijd zijn, en op wat voor manier ben ik een korenschop?'

[11] Ik zeg: 'Is dan niet ieder werktuig op zichzelf eerst, voordat de kunstenaar het gebruikt, een kunstwerk, opdat de kunstenaar het gebruiken kan bij het scheppen van een ander kunstwerk of om een bepaald doel te bereiken?!

[12] Dat je in de hand van de Vader een korenschop bent, zei Ik, omdat jij en de andere leerlingen nu door Mij onderwezen worden, om straks de mensen tot de ware kennis van God te verheffen.

[13] De mensen der wereld zijn als tarwe, gerst en rogge. Dit levende graan groeit echter niet zonder kaf en vies stof. Opdat dit graan, dat wil dus zeggen deze wereldmensen, dan gereinigd kan worden van het kaf en het vuil, en vervolgens als volledig schoon koren in de eeuwige schuren van de Vader gebracht kan worden, daarom worden jullie nu omgevormd tot goede en levende korenschoppen, waarmee de Vader in de hemel Zijn koren zal reinigen. Begrijp je het nu?'

[14] Petrus zegt: 'Ja Heer, nu is het ons volkomen duidelijk; maar wij zouden nu ook nog graag willen weten, wie U nu eigenlijk wel bent; want U spreekt altijd over de Vader in de hemel als over een tweede persoon, terwijl wij sinds Sichar U heimelijk ook zagen als de Vader! Bent U soms ook een korenschop of een ander werktuig in de handen van de Vader?'

[15] Ik zeg: 'Ik ben ten eerste Degene, Die Ik ben; daarnaast ben Ik ook Degene, Die Ik schijnbaar niet ben! Ik zaai en oogst, zoals de Vader zaait en oogst, en wie Mij als een korenschop dient, die dient ook de Vader; want waar de Vader is, daar is ook de Zoon, en waar de Zoon is, daar is ook de Vader. De Vader is echter meer dan de Zoon, en de Zoon gaat uit van de Vader; niemand kent echter de Vader dan de Zoon alleen, en degene, aan wien de Zoon het wil openbaren. -Is dit voor jullie duidelijk?'

[16] Petrus zegt: 'Heer dat begrijpt geen engel, laat staan dan wij! Maar als U dat zou willen, dan zou U ons de Vader wel eens kunnen tonen!'

[17] Ik zeg: 'Nu zijn jullie daar nog niet rijp voor; maar binnenkort zul je wel rijp zijn, en dan zullen jullie allen ook de Vader zien.'

[ 18] Tijdens deze woorden komen Maria en haar helpsters binnen en geven aan, dat de ochtendmaaltijd gereed is. Meteen worden de tafels gedekt en het maal wordt binnengedragen.

110 De Heer en de drie Farizeeën
[I] We zetten ons aan de maaltijd en beginnen deze heel welgemoed en opgewekt op te eten, als Judas de deur binnenkomt en ons de mantel uitveegt omdat we geen bode naar hem gestuurd hebben, want we konden toch wel weten dat hij het druk had en niet steeds kon komen navragen, wanneer we gingen eten! Want hij veronderstelde, dat hij toch ook wel tot ons gezelschap behoorde! Thomas maakt zich erg kwaad over deze opmerking en zegt: 'Heer, nu komt er toch wel een eind aan mij.n zelfbeheersing! Hij moet toch maar weer eens met mijn vuisten kennis maken!'

[2] Ik zeg: 'Houd daarmee op! Heb je dan nooit gehoord, dat, waar twaalf engelen onder één dak wonen, de twaalfde een vermomde duivel is?! Laat hem zijn plezier; want hem verander jij niet!' Thomas gaat zitten, en Judas gaat zonder maaltijd weer weg.

[3] Terwijl we daarna het goed bereide maal verder nuttigen, komt Judas terug, spreekt ons vriendelijk toe en vraagt om eten, want hij kon in de stad nergens iets krijgen, omdat door het grote aantal gasten al het klaargemaakte eten al op was !

[4] Ik zeg: 'Geef hem dan maar wat te eten!' En broeder Jacob gaf hem brood, zout en een hele grote goed toebereide vis. En Judas at de hele, bijna zeven pond zware vis op en dronk daar veel water bij, zodat hij zich daarna niet zo erg lekker voelde, waarop hij zich begon te beklagen, en meende dat de vis te oud was geweest, want daar kreeg hij altijd maagpijn van.

[5] Thomas werd alweer boos en zei tegen Judas Iskariot: ' Jij blijft toch ook altijd dezelfde onbehouwen en ongemanierde mens, die je altijd al was; ga naar de voorraadkamer en kijk of onze vissen oud zijn! Als jij uitgehongerd als een wolf in één keer een zeven pond zware vis verzwelgt, daarbij een hele kruik vol water leegdrinkt, genoeg voor twintig mensen, en tevens nog een nu juist niet zo klein brood opeet, dan moet je wel iets drukkends in je maag voelen! Als het je echter zoveel pijn doet, dan hebben wij toch de beste dokter in ons midden; vraag Hem, dan zal Hij je wel helpen!'

[6] Judas Iskariot zegt: ' Jullie zijn allemaal kwaad op mij en zeggen, dat ik een duivel ben; hoe zullen jullie van mij, als duivel, dan geloven dat ik lijd, en hoe zul je me helpen?!'

[7] Thomas zegt: ' Je was toch samen met ons bij de Gadarenen en heb Je niet gezien, dat de Heer ook de vraag van de duivels verhoorde en hen datgene toestond, waarom ze vroegen?! Als je nu echt van mening bent dat je een duivel bent, gedraag je dan als een duivel, en dan zal er wel ergens een varkenskudde zijn waar je in kunt gaan, als de Heer dat goed vindt!'

[8] Judas Iskariot zegt: 'Ah, je meent het werkelijk goed met mij; ik zou nooit geloofd hebben, dat jij zo'n goede vriend van mij was! Goed, ik zal dan nu toch maar Jezus, de zoon van dit huis, om werkelijk hulp vragen en dan zien we wel of Hij mij, zoals jij dat denkt, zal verplichte om in een varkenskudde te gaan!' Nu wendt Judas zich tot Mij en klaagt zijn nood. Maar Ik zeg: 'Ga naar je potten, daar zal het wel beter gaan met Je maag.

[9] Judas gaat en zegt in het voorbijgaan tegen Thomas: 'Dus toch niet in een varkenskudde!' Thomas zegt: 'Maar toch niet veel beters! Want, die potten zijn voor jou net zulke woekerobjecten, als de varkens voor de Gadarenen!' Daarop geeft Judas geen antwoord en hij verdwijnt snel.

[10] Maar vlug daarna komen drie Farizeeën uit Kapérnaum het huis binnen en vragen of Ik thuis ben. Als men hen zegt dat Ik thuis ben, stappen ze direkt de eetzaal binnen en vragen daar weer naar Mij; want ze kenden Mij niet persoonlijk.

[11] Maar Ik zeg met luider stem: 'Ik ben het! Wat wilt u dat Ik voor u doe?”

[12] Ze schrokken echter zo erg van de manier, waarop Ik hen toesprak dat ze verder niets meer dorsten te vragen; want Mijn luide woord voelden ze in hun harten, alsof ze door de bliksem waren getroffen! -En Ik vroeg hen nogmaals, wat ze wilden.

[13] Dan stapt er één naar voren en zegt heel beschroomd: 'Goede Meester!'

[14] Maar Ik zeg: 'Waarom noemt u Mij goed?! Weet u dan niet, dat er buiten God niemand goed is?!' De Farizeeër zegt: 'Ik smeek u, wees toch niet zo streng tegen mij; want ik heb uw beproefde hulp nodig!” Ik zeg: 'Ga weg en houd Mij niet op; want Ik wil vanmiddag naar beneden aan het meer en daar op de visvangst gaan. Daar kunt u Mij vinden!'

[15] Met dit advies gingen de drie weg. Diegene echter, die met Mij sprak was één van de hoofden van de school en de synagoge te Kapérnaum en heette Jaïrus.


1   ...   15   16   17   18   19   20   21   22   ...   43

  • 104 In Gadara. De genezing van de bezetenen
  • 106 Leven, daden en leer van Jezus van Nazareth

  • Dovnload 2.49 Mb.