Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Uitgeverij de ster, ginnekenweg 124, 4818 jk breda

Dovnload 2.49 Mb.

Uitgeverij de ster, ginnekenweg 124, 4818 jk breda



Pagina20/43
Datum05.12.2018
Grootte2.49 Mb.

Dovnload 2.49 Mb.
1   ...   16   17   18   19   20   21   22   23   ...   43
111 De genezing van de Griekse vrouw

[I] Toen Petrus hoorde dat Ik de zee op wilde, vroeg hij Mij, of hij vast vooruit zou gaan om het grote schip klaar te maken. Maar Ik zei tegen hem: 'Maak je daarover maar geen zorgen! Als we er komen, staat alles al voor ons klaar!'

[2] En Maria vroeg ook nog, of ze voor de middag of voor de avond iets klaar moest maken. En Ik zei tegen haar: 'Niet voor vanmiddag en niet voor vanavond, want we zullen pas laat in de nacht terugkomen!'

[3] Daarna zeg Ik tegen de leerlingen, dat ze, als ze zin hebben om mee te gaan, nu vertrekken moeten. En iedereen staat vlug op en gaat met Mij naar het meer, dat, zoals bekend, niet ver van Nazareth begon.

[4] Bij onze komst aan het meer, was daar een menigte verzameld; Ook lagen er verscheidene schepen, en dat van Petrus ontbrak niet. We gingen meteen aan boord van het schip van Petrus en staken van wal.

[5] Omdat het volk zag, dat Ik zee koos, klom het in een aantal boten en roeide Mij na.

[6] Op zo'n boot bevond zich een Farizeeër, het hoofd van een school, die in de buurt van Kapérnaum in een mooi landhuis woonde en die op deze dag met nog twee anderen in Nazareth bij Mij in huis was. Toen hij Mijn schip had bereikt, viel hij meteen op zijn knieën en smeekte Mij: 'Heer! Mijn dochter ligt op sterven! Kom toch alstublieft en leg haar uw handen op, zodat ze weer gezond wordt!' Wij waren nog niet zo erg ver van de oever, en Ik beduidde Petrus het roer om te gooien.

[7] Bij onze terugkomst aan de wal was daar zo'n menigte mensen, dat we nauwelijks verder konden komen, en het kostte ons wel drie uur om het huis van Jaïrus te bereiken, terwijl de doorsnee wandelaar dat anders toch zonder moeite in een uur kon lopen.

[8] Terwijl we begeleid door Jaïrus, in het sterke gedrang meer voort­ schoven dan liepen, schoof er zich in de drukte ook een vrouw, die twaalf jaar aan bloedvloeiingen leed en zo goed als al haar geld aan dokters had uitgegeven om maar gezond te worden, van achteren naar Mij toe en raakte Mijn kleed aan in het geloof, dat ze daardoor gezond zou worden; want de vrouw had veel over Mij gehoord.

[9] Omdat ze een Griekse was en geen Jodin, durfde zij niet openlijk naar Mij toe te komen, want de Joden en de Grieken leefden op gespannen voet vanwege de handel en er was ook in Rome een strijd tussen hen gaande over de voorkeur waarmee de beide volken behandeld wilden worden.

[10] De Grieken stonden als gecultiveerd heldenvolk in veel hoger aanzien bij de Romeinen en ze genoten ook veel grotere voordelen uit Rome dan de Joden, die in Rome zeer slecht aangeschreven stonden. In zekere zin fungeerden de Grieken ook als geheime politie onder de Joden en daarom hadden de Joden nog meer hekel aan ze.

[11] Daarbij kwam dan nog de vrees, die vooral de Griekse vrouwen Voor de Joden hadden, omdat de slimme Joden onder de Grieken overal lieten rondvertellen, dat de in alle toverkunsten ingewijde Joden de Griekse vrouwen enkel door hen goed doordringend aan te kijken, onvruchtbaar konden maken. En dat was dan ook hier de reden, waarom deze vrouw zich van achteren naar Mij had toe gedrongen.

[12] Maar toen ze Mij had aangeraakt, merkte ze, dat ze helemaal beter werd. Haar bloedvloeiing werd direkt gestopt en ten opzichte van haar kwaal maakte zich een grote rust van haar meester, en ze voelde in haar hele wezen dat ze weer in orde was.

[13] Maar Ik keek direkt om en vroeg aan de leerlingen, die het dichtst bij Mij stonden: 'Wie heeft Mij aangeraakt?'

[14] De leerlingen werden bijna kwaad over deze vraag en zeiden: 'U Ziet toch, hoe het volk dringt, en dan vraagt U toch nog, wie U aangeraakt heeft?!'

[15] Ik zei tegen de leerlingen: 'Daar gaat het niet om! Degene, die Mij hier aanraakte, geloofde en raakte Mij met opzet aan; want Ik heb duidelijk gemerkt, dat er kracht van Mij is uitgegaan.'

[16] Toen schrok de vrouw, die Ik bij het stellen van de vraag doordringend aankeek, omdat Ik wel wist, dat juist deze vrouw Mijn kleed had aangeraakt en waarom zij dat deed! Ze viel voor Mij neer, bekende Mij alles openhartig en smeekte Mij om vergiffenis; en haar vrees was zo groot, dat ze over haar hele lijf sidderde en beefde, wat wel begrijpelijk is, als je de hiervoor vermelde reden in overweging neemt.

[17] Ik keek haar mild aan en zei tegen haar: 'Sta op, Mijn dochter je geloof heeft je geholpen! Ga nu in vrede naar huis, en wees gezond en bevrijd van je kwelling!'

[18] En de vrouw stond blij en vrolijk op en ging naar haar huis, dat een halve dagreis verderop lag; want ze was de dochter van een pachter achter Zebulon en was ongehuwd. Toen ze dertien jaar oud was, beging ze een misstap met een zinnelijke man, die haar daarvoor twee ponden goud gaf; om deze reden moest ze echter hierna twaalf jaar lijden en de volle twee ponden goud opmaken, die in die tijd meer waard waren dan 100.000 gulden nu. Ze was dus door dat geschenk rijk geworden, maar moest toch eerst al haar rijkdom weer teruggeven, voor ze gezond kon worden.


112 Het dochtertje van Jaïrus

[I] Terwijl Ik met de leerlingen nog over deze vrouw sprak, kwamen enige leden van het personeel van de overste bijna buiten adem op ons toegelopen en brachten de overste het treurige bericht, dat zijn dochter inmiddels was gestorven!

[2] De overste werd zeer bedroefd en zei tegen Mij: 'Beste Meester, doet U verder maar geen moeite meer, want het is nu toch jammerlijk genoeg te laat om mijn liefste dochter, die alles voor mij betekende, te helpen!'

[3] Bij deze woorden begon hij luid te huilen; want hij hield erg veel van zijn twaalfjarige dochter, een welgebouwd en welgevormd meisje met de gestalte van een twintigjarige en het enige kind van de overste.

[4] Omdat Ik dat eerst van zijn personeel en daarna van hemzelf hoorde en Ik van ganser harte medelijden met de diep bedroefde overste had, zei Ik tegen hem: 'Vriend, wees niet bang, maar geloof! Je dochter is niet gestorven, maar slechts ingeslapen - en Ik zal haar wekken!'

[5] Na deze geruststelling van Mij haalde de overste verlicht adem.

[6] Ongeveer duizend passen van het huis van de overste zei Ik zowel tegen het volk als tegen de leerlingen die nog een minder sterk geloof hadden, dat ze hier moesten wachten, en dat alleen Petrus, Jacobus en zijn broer en Johannes mee mochten gaan; want op hun geloof kon je al huizen bouwen.

[7] Vervolgens ging Ik met het hoofd van de school het huis binnen, waar een groot tumult heerste en naar Joods gebruik gehuild en geweend werd en klaagliederen werden gezongen.

[8] Toen Ik de kamer binnenkwam waar de gestorvene op een versierd bed lag, zei Ik tegen de vele herriemakers: 'Waarom maken jullie zoveel herrie en huil je zo ontzettend?! Het dochtertje is toch niet gestorven, het slaapt alleen maar!'

[9] Nu lachten ze Mij uit en zeiden: ' Ja, zo zien slapende mensen er uit! Denkt u soms dat het slapen is, als er al twee en een half uur geen adem en geen polsslag meer is en het hele lichaam koud en kleurloos is geworden en het oog is gebroken!? Ja,ja, dat is ook wel een slaap; maar uit die slaap ontwaakt geen mens meer, behalve op de jongste dag!'

[10] Ik zei tegen de overste: 'Breng ze allemaal naar buiten, want hun ongeloof kan Ik hier niet gebruiken!' De overste deed dat; maar de herrieschoppers gehoorzaamden hem niet, en hij vroeg Mij om hem te helpen. Toen dreef Ik hen allen met geweld naar buiten, en ze renden weg en liepen alle kanten uit.

[11] Ik ging daarna met de overste, de bedroefde moeder en de vier jongeren de kamer weer in waar het gestorven dochtertje lag, stapte meteen op het bed af, greep haar bij de linkerhand en zei tegen haar: 'Talitha kumi!' -hetgeen betekent: 'Meisje! Ik zeg je: Sta op!'

[12] En onmiddellijk stond het meisje op, sprong vrolijk en opgewekt van het versierde bed en liep op haar oude bezige manier door de kamer en streelde haar moegeschreide moeder en haar vader! Maar tevens merkte het opgewekte meisje dat haar maag zo leeg aanvoelde en dat zij dus honger had en wat wilde eten!

[13] De zeer blijde ouders richtten zich tot Mij en vroegen Mij onder tranen van vreugde en dankbaarheid, of en wat ze hun dochter nu te eten moesten geven. Ik zei: 'Geef haar Mijnentwege iets te eten wat ze lust en wat snel te krijgen is!'

[14] En op een schotel lagen vijgen en dadels en het dochtertje vroeg of ze die vruchten mocht eten. En Ik zei: 'Eet maar wat Je lekker vindt; want je bent nu helemaal gezond en je zult voortaan niet meer ziek worden!'

[15] Toen sprong het meisje vlug op de schotel af en maakte deze bijna geheel leeg. De ouders waren echter bezorgd, dat het haar kwaad zou doen.

[16] Ik stelde ze gerust en zei tegen hen: 'Maakt u geen zorgen; als Ik zeg, dat het haar niet meer kan schaden, dan zal het haar ook met meer schaden!' En de ouders waren toen overtuigd.

[17] Nadat het meisje genoeg gegeten had en haar lofzang had uitge­sproken, ging ze naar haar ouders en vroeg hen zachtjes, wie Ik dan toch wel was. Want toen Ze op het bed sliep, zag ze de geopende hemelen en een groot aantal lichtende engelen. 'En midden tussen de engelen stond een heel vriendelijke man, die naar mij keek, toen op me toekwam, mij bij de hand greep en zei: 'Talitha kumi!' en ik was meteen wakker na zijn oproep! En kijk nu eens, die man daar ziet er net zo uit als degene, die ik eerder in de droom temidden van zo veel engelen gezien heb! Ach, dat moet een heel lieve man zijn!'

[ 18] De overste begreep de vraag van zijn dochter maar al te goed; maar omdat Ik hem een teken gaf, zei hij alleen maar tegen haar, dat ze een mooie en echte droom had gehad, die hij binnenkort helemaal zou uitleggen. En dit antwoord was voor het dochtertje voldoende.

[19] Ik zei toen tegen de overste, dat hij nu met dochter, moeder en met Mij naar buiten moest gaan, opdat de buiten wachtenden beschaamd zouden worden vanwege hun ongeloof! En we gingen naar buiten. En toen de ongelovigen de dochter zagen, die met een gezonde blos op haar wangen opgewekt naar hen toekwam, en hen vroeg waarom ze er zo verbijsterd en geschrokken bijstonden, raakten ze nog meer van hun stuk en zeiden: 'Dit wonder is nog groter dan alle andere wonderen! Want het meisje was echt dood en nu leeft het!' En ze wilden dat meteen in de hele omgeving bekend maken.

[20] Maar Ik waarschuwde hen allen dringend om dat niet te doen en gebood hen om deze zaak terwille van hun lichamelijk en geestelijk heil niet verder te vertellen! En ze zwegen en gingen weg.

113 Het wezen van het Johannes­ en het Matthéus­evangelie

[I] Schrijver Matthéus, die Mij op een afstandje volgde om te zien wat er gebeurde en het daarna op te schrijven, kwam nu ook bij Mij staan en vroeg Mij of hij deze gebeurtenis op moest schrijven.

[2] Maar Ik zei: 'Doe dat niet, opdat men later de gebeurtenissen niet verwisselt! Want overmorgen gaan we weer naar het meer en daar zal \ precies zo'n gebeurtenis plaats vinden, en die moet je dan wél helemaal opschrijven! Vanaf morgen kun je trouwens beginnen met al het bui­tengewone op te schrijven, wat er maar gebeurt!'

[3] Matthéus weet nu wat hij doen moet; maar Johannes vraagt, omdat hij het gebeurde zo buitengewoon vond, of hij dan toch niet, al was het maar met enkele woorden, hier ook aantekening van mocht maken.

[4] En Ik zeg tegen hem: 'Dat kun je wel doen, maar niet di rekt bij datgene, wat je tot nog toe al opgeschreven hebt, maar pas verderop; want binnen een half jaar krijgen we nog een keer zo'n geschiedenis, en dan kun je deze, of die opschrijven!

[5] Het is helemaal niet zo belangrijk dat een teken dat veel lijkt op een vroeger teken opgeschreven wordt, omdat dat bij de latere belijders van Mijn leer gemakkelijk verwisselingen in de hand werkt, en uit zulke verwisselingen vervolgens allerlei tobberijen en twijfels kunnen ontstaan, die dan de hoofdzaak, namelijk Mijn leer, veel meer schaden dan baten.

[6] Zolang Ik en jullie en degenen, die ieder voor zich getuigen kunnen van de volle waarheid van de vele tekenen, nog op deze aarde leven, zolang worden alle twijfels gemakkelijk voorkomen; maar in latere tijden, als, terwille van de vrijheid van de menselijke wil, alleen het geschrevene over Mij getuigen zal, dan moet het geschrevene zuiver en goed geordend zijn, anders schaadt het meer dan het baat.'

[7] Johannes zegt: 'Beste Meester! Wat u nu zei, is zeker waar; maar zou het juist daarom met te prefereren zijn als Ik alles wat U doet en leert net eender op zou schrijven als broeder Matthéus?

[8] Want als dan later de mensen onze geschriften met elkaar vergelijken en bij mij niet zullen vinden, wat wel in dat van Matthéus staat, zullen ze dan niet beginnen te tobben en aan de echtheid van het hele evangelie gaan twijfelen en zeggen: 'Waarom vinden we van de ene Jezus niet in allebei de evangeliën dezelfde leer en dezelfde daden? Waarom schreef Matthéus dit en Johannes dat, het lijkt niet op elkaar en toch moeten beiden steeds bij Hem zijn geweest?!' Ik denk, dat als ik heel wat anders opschrijf dan Matthéus, dit oordeel van degenen, die na ons komen, onder de genoemde omstandigheden niet uit kan blijven!'

[9] Ik zeg: ' Je hebt helemaal gelijk, beste broer; maar weet je, de reden waarom Ik dat zo Iaat doen, kun je nu nog niet begrijpen, maar later zal je dat wel duidelijk worden!

[10] Wat Matthéus schrijft, heeft alleen maar voor deze aarde een bijzondere waarde, maar wat jij schrijft, dat heeft waarde voor de hele eeuwige oneindigheid! Want in alles wat jij schrijft, verbergt zich het puur goddelijke besturen van eeuwigheid tot eeuwigheid door alle reeds bestaande scheppingen en ook door die, welke in toekomstige eeuwigheden in de plaats zullen komen van de nu bestaande! En ook al zou Je in vele duizenden boeken opschrijven, wat Ik jou en jullie allen daarover nog zal onthullen, dan zou de wereld die boeken met geen mogelijkheid kunnen begrijpen, en zulke boeken zouden daarom voor de wereld geen nut hebben. (zie Joh. 21:25)

[11] Maar wie leeft volgens de traditionele leer en gelooft in de Zoon, die wordt toch al in de geest wedergeboren en de geest zal hem in alle diepten der eeuwige waarheid leiden.

[12] Nu weet je de reden waarom Ik jou niet alles laat opschrijven; vraag het Mij daarom voortaan niet meer! Want het mag de wereld nooit te duidelijk gezegd worden, opdat ze niet onder een nog zwaarder gericht terecht komt dan ze nu al onder het oude noodzakelijke gericht is.

[13] Ik wil Mijn leer echter zo geven, dat niemand slechts door het evangelie te lezen of door er naar te luisteren de kern van de levende waarheld bereiken kan, maar deze alleen kan bereiken door Mijn leer toe te passen, en door de toepassing zal Mijn licht in iedere mens steeds helderder gaan schijnen!' (zie Joh. 7:17)




114 Een les voor Judas

[1] Na deze uitleg kwam Jaïrus nogmaals naar Mij toe en zei: 'Beste Meester! U heeft me nu door mij mijn dochter terug te geven, meer gegeven dan wanneer ikzelf van u een honderdvoudig leven gekregen zou hebben! Hoe kan ik u daarvoor danken, hoe kan ik u daarvoor belonen? Wat kan ik nu voor u doen?'

[2] Ik zeg: 'Erger je dan voortaan nooit aan Mij, als je het een of ander over Mij hoort! Tot nu toe was je tegen Mij; wees dan van nu af aan vóór Mij! Want de hele wereld kan je niet geven en voor je doen, wat Ik je gegeven en voor je gedaan heb! Eens zul je echter wel inzien, hoe en waarom Ik dat voor je heb kunnen doen. Denk aan Mij in je hart!'

[3] Jaïrus stonden de tranen van vreugde in de ogen, en zijn vrouwen dochter snikten toen Ik weer met Mijn leerlingen terug naar Nazareth ging. Ze begeleidden Mij tot aan de plaats waar de andere leerlingen en een grote mensenmassa op Mij wachtten.

[4] Toen we daar aankwamen waren er veel nieuwsgierige vragers, die zich erg druk maakten om te weten te komen hoe het met de gestorven dochter van de overste van de school afgelopen was.

[5] Maar Petrus nam het woord en zei: 'Jullie blinden! Kijk hier eens heen, dit meisje is het dat dood was en nu leeft! Is dat voor jullie nog niet voldoende?!' Toen richtten velen zich tot de overste en vroegen hem, of dat waar was.

[6] En de overste zei toen met een tamelijk luide stem: 'Ja, jullie blinde en ongelovige dwazen! Een uur geleden nog huilde ik om het verlies van mijn liefste, enige dochter en nu zien jullie me ongelofelijk blij, omdat ik mijn dochter terug heb! Is dit duidelijk zichtbare bewijs nog niet genoeg voor jullie?'

[7] Na deze woorden toonde iedereen zich uitermate verbaasd. En toen Ik weer verder ging met de leerlingen, kwam die hele massa volk, zo'n drieduizend mensen, Mij na en begeleidde Mij naar Nazareth.

[8] Hoewel het al tamelijk laat in de nacht was toen wij thuis kwamen, waren Maria en de broers en zusters nog op. Er wachtte ons een goed toebereid avondmaal, wat velen van ons goed van pas kwam; want omdat wij sinds die ochtend niets gegeten hadden, was het wel begrijpelijk dat ze een behoorlijke honger hadden.

[9] Judas was ook thuis en sliep op een strobed. Toen hij echter door ons praten, onze vragen en antwoorden gewekt werd, stond hij meteen op en vroeg alleen maar, hoe de visvangst afgelopen was.

[10] Petrus zei toen tegen hem: 'Ga naar buiten en kijk!' En Judas ging naar buiten en zag slechts die grote hoeveelheid mensen, die rondom Mijn huis bivakkeerden. Al vlug komt hij weer naar binnen en vraagt aan Petrus, waar de vissen dan wel mochten zijn; want hij was om het hele huis gelopen en had geen vis gezien.

[11] Nu zegt Petrus: 'Heb je dan nooit gehoord, dat de blinden niets zien, de doven niets horen en de dommen niets begrijpen kunnen behalve dat wat hun maag nodig heeft?! Kijk, blinde woekeraar, al die duizenden mensen om het huis, zijn de heerlijke goede vissen die ik bedoel!'

[12] Judas zegt: ' Ja, als je dat bedoelt! In een bepaald opzicht is dat zeker ook geen slechte vangst, maar in ons gewone leven heb ik liever een honderd pond zware meerval dan al die mensen daar buiten! Want voor zo'n vis krijg ik overal veel geld, maar voor die daar buiten geeft niemand me een stater. ,

[13] Petrus zegt: ' Je zult het met je geldzucht nog wel eens zo ver brengen, dat je helemaal in handen van de duivel valt! Ben je soms méér dan een gewoon mens, zoals wij?! Wij leven allemaal zonder winst te willen maken en jij leeft samen met ons en eet uit onze schotels, en dat kost je niets, behalve de moeite van het opeten. Als het leven je dus hier geen cent kost, waarvoor heb je dan dat geld nodig?!'

[14] Judas zegt: 'En mijn vrouwen kinderen dan? Wie onderhoudt die dan voor mij als ik niets zou verdienen?! Denk je dat ze van de lucht kunnen leven?!'

[15] Petrus zegt: 'Kijk, ik kan veel verdragen; maar een brutale leugen kan ik niet verdragen! In Jeruzalem, waar menje verder niet kent, behalve dan dat je een Galileeër bent, kun je je er wel op laten voorstaan, dat je een bezorgde huisvader bent; maar dat kun je bij mij beslist niet! Want ik en allen, die je buren waren en nog zijn, kennen jou en je huiselijke omstandigheden maar al te goed, zodat we geen woord van je verhaaltjes geloven. Je vrouwen je kinderen lijden nog steeds gebrek en moeten met zwaar werk nog steeds hun karige dagelijkse brood verdienen. Van de vissen die je gevangen hebt, hebben ze nog maar weinig genoten; de kleding hebben ze van mij, en hoelang is het geleden sinds je op de markten rondtrekt, dat wij uit medelijden het totaal vervallen huis van jouw familie bijna geheel hebben laten vernieuwen?! Hoeveel heb jij daar aan bijge­dragen?! En dat noem je -zorgen voor je vrouwen kinderen?! Maak dat je weg komt en schaam je tien jaar lang, omdat je het waagt, om tegenover ons op zo'n manier zo vermetel te liegen, terwijl we je maar al te goed kennen!'

[16] Daar is Judas helemaal verbouwereerd van en hij heeft geen weer­woord; want Petrus had hem nu wezenlijk geraakt. Hij ging naar buiten en dacht er eens diep over na, kwam na enige tijd weer terug en vroeg ons allen om vergeving! Ook beloofde hij, dat hij zich van nu. af aan helemaal zou veranderen en hij wilde nu heel serieus een leerling van Mij zijn; alleen hoopte hij dat we hem niet ruw af zouden wijzen! Daarop zegt Nathánaël, die zelden of nooit iets zei: 'In jou woont de geest van Kaïn, begrijp je wel? En deze geest verbetert zich op deze aarde niet; want de wereld is de geest van Kaïn, en daarvan kun je geen verbetering verwachten!'

[17] Judas zegt: ' Ja,ja,ja, jij ook altijd met je oude geest van Kaïn! Waar is Kaïn, en waar zijn wij?! Het geslacht van Kaïn ging ten onder; alleen Noach bleef, en in zijn nakomelingen zit geen druppel van Kaïns bloed, maar het zuivere bloed van de kinderen Gods stroomt in onze aderen. En als het bloed zuiver is, dan is ook de geest zuiver; want de geest van de mens komt altijd uit zijn bloed voort en daarom is de geest ook altijd net zo rein als het bloed!'



[18] Nathánaël zegt: 'Dat is weer die oude onzin van je, dat heb Ik al zo vaak gehoord, daar geef ik geen cent voor! Ga maar naar de Sadduceeën; die hebben wel belangstelling voor die onzin! Bij ons is echter het bloed! een luie materie, en de geest is en blijft voor eeuwig geest! Wat heb je aan het bloed van een kind van God als daarin, zoals bij jou, een onreine, geest woont?! Versta je dat?'

[19] Judas zegt: ' Ja,ja, je kunt misschien ook wel gelijk hebben, en ik zal er alles aan doen, om tot de kern van jullie leer door te dringen; maar als jullie leer op de basis van humaniteit is gebouwd, en je daarom iedereen zachtmoedig en met geduld benadert, dan meen ik toch, dat jullie mij niet maar steeds met allerlei stekelige opmerkingen behoeven af te wijzen! Want wat is een leer zonder leerlingen? Een geluid zonder betekenis, waar niemand op let! Iedere leer heeft daarom net zo goed leerlingen nodig, als dat de leerlingen een goede leer nodig hebben; en daarmee wil ik maar zeggen, dat iedere leerling voor een leer net zo belangrijk is als de reinste en beste leer op zichzelf! En op die manier ben ik van mening dat het voor jullie helemaal geen kwaad zou kunnen, als je met mij als jullie medeleerling een beetje meer geduld zoudt hebben!

[20] Ik hoop dat jullie, omdat je al zo wijs bent, zult inzien dat ik nu nog in mijn oude beginselen vastgeroest zit; maar dat ik juist daarom jullie leer wil leren kennen, om daardoor mijn oude leer, waarin ik nu echt niet meer zoveel geloof, kwijt te raken. Als ik nu, als niet ingewijde, soms een beetje protesteer tegen deze nieuwe leer van jullie, dan zul je daar toch niet over vallen, is het wel?!

[21] Je kunt rustig aannemen, dat zodra ik net als jullie in de nieuwe leer van je meester ingewijd ben, en haar beginselen ook onweerlegbaar goed en waar vind, dat ik dan voor deze nieuwe leer van jullie ook zeker tienmaal harder zal vechten dan jullie allen bij elkaar; want ik ben moedig en trotseer iedereen, omdat ik voor niemand bang ben. Gesteld dat ik ergens bang voor was, dan was ik toch allang bij jullie weggebleven nu je tesamen met je meester me al meerdere malen zo duidelijk hebt laten merken, dat ik bij jullie niet welkom ben! Maar angst ken ik niet, en dus kom ik terug. Het is weliswaar duidelijk te merken dat jullie je eraan ergert; maar dat doet me niets, en ik blijf net als jullie toch een leerling van deze nieuwe leer. Wat kunnen jullie daartegen doen?!'

[22] 'Veel en niets', zegt Nathánaël,'net zoals je zelf maar wilt! Dat je geen angst kent, is nu juist niet zo'n grote deugd. Want ook de satan moet geen angst kennen, anders zou hij God de Heer niet eeuw in eeuw uit ongehoorzaam blijven! Dat kun je trouwens hier op aarde ook al bij de dieren zien, waarvan er sommigen duidelijk meer moed hebben dan anderen. Kijk maar eens naar een leeuw, een tijger, een panter, een wolf, een hyena of een beer en vergelijk die eens met een lam, een geit, een ree, een haas en nog meer van die bange dieren! Zeg eens, bij welke van deze twee diergroepen zou je jezelf rekenen?'

[23] Judas zegt: 'Het spreekt toch vanzelf, dat ik me net als ieder ander tot de zachtaardige dieren zou rekenen en niet tot de verscheurende wilde beesten gerekend wil worden, want de moed van de leeuw veroorzaakt de dood van ieder ander!'

[24] Nathánaël zegt: 'En jij vond de moed. toch zo lofwaardig en je meende toch juist daardoor een bekwamer leerling te worden?! Maar ik zeg je dat moed eigenlijk een grote zonde is; want het is de vrucht van de hoogmoed, die alles veracht wat in de mens niet het eigen ik is. Daarom zal onze leer de alles verachtende moed van een mens nooit als een deugd aanprijzen, want dat is nu net precies het tegendeel van wat onze leer van de mens verwacht!

[25] Wie voert er oorlog? Wat denk je: alleen maar zogenaamde helden, die de dood niet vrezen! Stel dat de aarde vol helden was, dan zouden we een eeuwige oorlog op de wijde aardse vlakten zien; want iedere held wil niet slechts een assistent van een held, maar een unieke held zijn en zal daarom niet rusten, tot hij alle andere helden overwonnen of uit de wereld geholpen heeft.

[26] Maar gesteld eens dat de aarde vol zachte en heel vredelievende mensen was, dan was het hier een paradijs!

[27] Een bang iemand zal door een held niet achtervolgd worden, want de held voelt zich door hem niet belaagd. Maar ziet een held een andere held, dan zullen ze elkaar direkt uitdagen en niet rusten voor één van de twee het onderspit delft! En daaraan zie je nu ten voeten uit wat de zegen van de moedigen is !

[28] Als je dus onze medeleerling wilt zijn, zet dan die overbodige moed van je maar aan de kant, en wees in plaats daarvan liever vol liefde, geduld en zachtmoedigheid, dan ben je een echte leerling van de Heer!'

[29] Judas zegt: 'Nu ja, je kunt wel gelijk hebben; ik moet er nog eens over nadenken en dan zal ik morgen wel zeggen wat ik doen zal, of ik bij jullie blijf, of dat ik wegga!'

[30] Terwijl hij dat zegt gaat Judas naar buiten, verzamelt een paar bekenden uit de grote volksmenigte en praat met hen bijna de hele nacht over datgene, wat hij van Nathánaël gehoord heeft; maar allen geven Nathánaël gelijk en zeggen: 'Nathánaël is een echte wijze', en ze waren er van overtuigd dat Nathánaël oprecht was! -Wij in huis gingen echter slapen.


1   ...   16   17   18   19   20   21   22   23   ...   43

  • 112 Het dochtertje van Jaïrus
  • 113 Het wezen van het Johannes­ en het Matthéus­evangelie
  • 114 Een les voor Judas

  • Dovnload 2.49 Mb.