Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Uitgeverij de ster, ginnekenweg 124, 4818 jk breda

Dovnload 2.49 Mb.

Uitgeverij de ster, ginnekenweg 124, 4818 jk breda



Pagina22/43
Datum05.12.2018
Grootte2.49 Mb.

Dovnload 2.49 Mb.
1   ...   18   19   20   21   22   23   24   25   ...   43
121 Gesprek over Jozef, Maria en Jezus

[1] Hoewel niet ieder deze lessen begreep, is het is wel te begrijpen dat ze toch heel positief en dankbaar aanvaard werden. Zelfs de Farizeeën en schriftgeleerden verbaasden zich zeer over Mijn wijsheid, en vroegen zich af waar Ik die vandaan haalde. Want ze kenden Mij, Jozef en Maria en alle kinderen van Jozef, en daarom zeiden ze dan ook tegen de leerlingen: 'Het is werkelijk niet te begrijpen! Zijn vader stond bij zijn vakgenoten bekend als een bekwaam ambachtsman, een buitengewoon trouw, redelijk en eerlijk mens, daarbij ook een strenge Jood die heel gewetensvol rekening hield met Mozes en de profeten voor zover hij met deze bekend was. De een of andere bijzondere wijsheid was bij hem nooit waargenomen; en zijn andere vier eigen zonen, die herhaalde malen bij ons werkten, zijn van ieder spoort je wijsheid net zo ver verwijderd als zon, maan en sterren van de aarde.

[2] Goede moeder Maria, een nog steeds zeer lief, vlijtig en deugdzaam vrouwtje, waarvan beslist geen mens iets verkeerds kan vertellen, is weliswaar als jong meisje, als we tenminste goed ingelicht zijn, in de tempel opgevoed; maar deze opvoeding kennen wij en we weten maar al te goed hoeveel wijsheid daar speciaal voor meisjes bij te pas komt. En daarom kan hij van zijn moeder ook maar erg weinig wijsheid meegekregen hebben! En in de een of andere school was hij, zover wij weten, ook niet!'

[3] 'In tegendeel', zei een schriftgeleerde, een goede bekende van Jozef, Jozef heeft mij meer dan eens zijn nood geklaagd over zijn zoon Jezus, en daarbij gezegd: 'Ik weet niet wat ik met deze jongen aan moet! Zijn geboorte moet zeer uitzonderlijk geweest zijn. Uit de verschijnselen, die daarmee schijnbaar zeer nauw verband hielden, had men kunnen opmaken dat het goddelijke wezen Zelf Zich door dit kind op aarde moest manifesteren. Ook verscheidene, beslist buitengewone verschijnselen als­mede zijn vaak heel wijze gezegdes uit zijn vroegste kindsheid spraken daar maar al te duidelijk voor. Dit alles heeft mij met de grootste verwachtingen vervuld en dat des te meer, omdat ik in rechte lijn van David afstam. Maar juist nu het tijd wordt dat de jongen wat moet gaan leren, is er met hem niets te beginnen. Als ik hem naar een onderwijzer laat gaan, dan kan deze niets van hem gedaan krijgen; de jongen weet en begrijpt alles beter, en als de onderwijzer hem streng wil aanpakken, dan is het helemaal uit!

[4] Wat hij nog uit zijn vroegste jeugd heeft overgehouden, is een onbegrijpelijke, onbuigzame wilskracht waarmee hij, als hij dat nodig vindt, onmiskenbare wonderen doet; en die eigenschap maakt nu juist dat er met hem wat het leren betreft, niets aan te vangen is. Overigens is hij vroom, gewillig, gehoorzaam en zeer beschaafd, hoffelijk,.. zacht en bescheiden, net als zijn moeder; alleen met het leren moet je bij hem niet aankomen!'

[5] Wel, daarover heeft de oude Jozef bij mij niet eenmaal, maar meermalen geklaagd, en daarom is het wel heel zeker, dat hij behalve het timmermanshandwerk niets anders, ook geen lezen en nog minder schrijven, heeft geleerd. De vraag, hoe hij dan aan die wijsheid gekomen is, is dus heel begrijpelijk'.

[6] Johannes, de evangelist, zegt: 'Vrienden, ik weet precies hoe het zit, en ben er geheel mee op de hoogte, maar het ogenblik is nog lang niet gekomen om jullie dat te vertellen. Er komt beslist een moment, waarop u het van Hem Zelf zult horen! Tot zo lang moeten Zijn daden en Zijn wijsheid voldoende voor u zijn'. De Farizeeën en schriftgeleerden drongen er wel bij Johannes op aan, dat hij hen toch. tenminste een paar aanwijzingen zou geven, maar Johannes liet zich niet overhalen. Toen gingen er verscheidene tolbeambten en de opzieners naar hun werk, omdat ze klaar waren met het middagmaal en er kwam ruimte aan de grote tafel.


122 De twijfel van Johannes de doper

[1] En de jonge huisheer Matthéus, de tollenaar ( die niet verward moet worden met de Matthéus die slechts schrijver was, -daarom staat In de Schrift het bijvoegsel 'tollenaar', als het over hem gaat), riep Mijn leerlingen, de Farizeeën en de schriftgeleerden binnen, en ze kwamen en zetten zich aan tafel en aten en dronken dat het een lieve lust was. Alleen Judas was dit keer erg matig, want hij was bang voor een hoge rekening, en van betalen was hij, zoals maar al te bekend, geen grote vriend.

[21 Tijdens dit prettige samenzijn, waarbij de Farizeeën en schriftgeleerden ook met de tollenaars en zogenaamde zondaars steeds beter overweg konden kwam een keukenmeisje naar­ de huisheer toe en zei: 'Wat moeten we doen? De vissers zijn nu pas gekomen, ze hebben vis gebracht en willen iets te eten en te drinken hebben, maar omdat we vandaag toevallig zoveel vreemde gasten hebben, die zo goed als onze hele voorraad opgegeten hebben, weten we in de keuken niet wat we moeten doen.

Matthéus, de tollenaar, vraagt: 'Hoeveel zijn het er?' Het meisje antwoordt: 'Het zijn er wel twintig,' Dan zegt Matthéus, de tollenaar: 'Laat ze maar binnenkomen, hier is nog genoeg voorraad!'

[3] Het meisje gaat terug en zegt dat tegen de vissers. Deze komen de gelagkamer binnen en gaan meteen aan een kleine tafel zitten die net vrijgekomen is.

[4] Als de vissers echter Petrus en een aantal van hun vroegere collega’s herkennen begroeten ze elkaar, waarbij de vissers meteen een beetje mokkend, omdat het er op hun tafel wat magerder uit ziet dan op de onze, tegen Petrus zeggen: 'Voor ons is het voldoende, want we zijn nog echte getrouwe leerlingen van Johannes en het is ons geboden te vasten. jullie kunnen echter, als nieuwe leerlingen van Jezus, naar hartelust eten zoals we zien; want van vasten schijnt bij jullie geen sprake meer te zijn!' (Matth. 9:14)

[5] Petrus zegt: ' Johannes vastte voor datgene wat wij hebben, en wij vastten met hem volgens zijn leer en strenge prediking. Johannes kondigde Degene aan, bij Wie wij zijn, en hij getuigde van Hem. Toen Deze echter kwam en zich zelfs door Johannes liet dopen, vertrouwde Johannes niet geheel en al op zijn gevoel, en dat deden jullie ook niet. Want terwijl Johannes onder invloed van de Geest over Jezus getuigde en, toen Deze naar hem toe kwam, tegen ons zei: 'Zie, Die daar komt, Die is het van Wie ik tegen jullie gezegd heb, dat Hij na mij zal komen, Die ik niet waardig ben de riemen van Zijn schoenen los te maken!', had hij toch nog zijn verborgen twijfels, net zoals jullie, en hij twijfelt tot op dit uur nog. Daarom vast hij nog steeds, en jullie vasten ook; bij ons gelovigen wordt echter niet meer gevast! Dat jullie nog vasten is jullie eigen schuld! En zo hoort het ook, want zoals de blinde zijn ogen niet kan laten genieten van het licht en haar kleuren, zo zal ook degene, die in zijn hart blind is, zijn hart en zijn maag niet kunnen verzadigen. Begrijp je dat?

[6] Als Johannes geloofd had, dan zou hij het Lam zijn gevolgd, Dat volgens het getuigenis van zijn geest de zonden der wereld wegneemt. Maar omdat zijn ziel zelf twijfelde aan Degene, Wiens Geest in haar en door haar getuigde, daarom bleef hij in de woestijn achter, tot Herodes hem gevangen nam, zoals wij hoorden.

[7] Waarom volgde hij Hem dan niet, terwijl hij toch tegen ons, door de geest gedreven, zei: 'Naar Hem moet je luisteren!?' Waarom wilde hij Hem dan niet horen?! Waarom volgde hij Hem niet dadelijk, terwijl hij daarvoor toch zijn hele leven zo hard voor zichzelf was terwille van Deze, Die gekomen is?! Het is ons niet bekend dat Deze, Die wij volgden, hem ooit verboden heeft Hem te volgen. Geef me daarom eens één deugdelijke reden, waarom Johannes Jezus niet meteen gevolgd is!'

[8] Nu kijken de leerlingen van Johannes raar op en weten niet, wat ze Petrus zullen antwoorden. Alleen merkte één van hen op, dat het bericht niet juist was, dat Johannes door Herodes gevangen genomen zou zijn; Herodes zou hem slechts in zijn residentie hebben ontboden, om daar alles van hem te weten te komen over de komende gezalfde van jehova. Herodes had te veel achting voor Johannes, dan dat hij hem op zou sluiten.

[9] Een beetje gekscherend zei Petrus daarop: ' Als dat nu nog niet gebeurd is, dan zal het toch zeker niet lang meer duren! Want Herodes is een sluwe vos, en hij is net zo weinig te vertrouwen als een slang.'

123 Het getuigenis van Johannes de doper
[1] Na het gesprek gaan de leerlingen van Johannes weer verder met eten, en wij doen hetzelfde. Alleen een paar Farizeeën vastten streng, en wilden tot aan het ondergaan van de zon niets eten; want zij konden hier bij de Grieken geen ongezuurd brood krijgen en daarom vastten zij, terwijl de meerderheid van de Farizeeën en schriftgeleerden het zich heel goed liet smaken.

[2] Een poosje later, toen de wijn de leerlingen van Johannes wat spraakzamer en moediger gemaakt had, ging er één van hen staan en wilde van Mij weten, waarom zij als leerlingen van Johannes zo veel en streng moesten vasten, en waarom Ik en Mijn leerlingen dat niet deden, en hij vroeg Mij: 'Heer en Meester! Waarom vasten wij en ook de Farizeeën nu zo veel, terwijl Uw leerlingen niet vasten?'

[3] En Ik zei tegen hem: 'Vriend, je was bij Johannes toen men hem het bericht van Mij overbracht dat Ik de mensen doopte, en dat velen Mij volgden! Zeg hier nu eens hardop: wat gaf Johannes voor antwoord?' De leerling van Johannes zegt: 'Toen sprak en antwoordde Johannes: 'Een mens kan niets nemen, tenzij het hem door de hemel gegeven wordt. jullie zijn mijn getuigen, dat ik gezegd heb dat ik de Christus niet ben, maar alleen vóór Hem uitgezonden. Wie de bruid heeft, die is de bruidegom; de vriend van de bruidegom hoort hem staande aan en verheugt zich over de stem van bruidegom! Die vreugde is nu de mijne! Hij moet groter worden, ik moet echter kleiner worden! Die van boven neerdaalt, is boven allen; wie van deze aarde is, is slechts van deze aarde en spreekt alleen maar over deze aarde. Alleen Hij, die van de hemel komt, is boven allen!'

[4] En Johannes hield daar even op en resumeerde wat hij allemaal had gezien, en hoe hij van Hem getuigd had, maar betreurde tenslotte diep zuchtend dat zijn getuigenis, dat zo waarheidsgetrouw was, door niemand aanvaard werd! Wie het echter toch zou aanvaarden, die raadde hij aan om vanwege de gevaren van de wereld de grote waarachtigheid van God verzegeld in zich te bewaren.

[5] Ook al weet hij dat Degene, Die ongetwijfeld alleen door God gestuurd is, slechts het zuivere woord van God spreekt, dan nog waagt hij het niet dat tegenover de wereld toe te geven, omdat hij de slechte wereld, die de vijandin van God is, méér dan God vreest vanwege zijn ellendige lichaam, dat bij de wereld hoort en van de wereld houdt! Wat heeft het echter voor nut, als je vervuld bent van God, maar het wereldse niet los kunt laten?! God geeft Zijn geest aan niemand op een wereldse manier, en daarom zijn diegenen verworpen, die Gods geest wel herkend hebben, maar aan het wereldse vastzitten en het eeuwige leven niet in zich hebben!

[6] 'Maar', gaat Johannes verder,'wie in de Zoon gelooft, is vervuld met het eeuwige leven; want de Zoon is het leven van de Vader! Wie echter niet in de Zoon gelooft, wordt niet vervuld van het eeuwige leven, en de oude toorn van God is zijn deel!'

[7] Kijk, dat heeft Johannes toen gezegd; maar tot op dit uur was er niemand van ons in staat om de betekenis van zijn woorden helemaal te begrijpen! We begrepen wel zoveel, dat hij U bedoeld heeft; maar hoe hadden wij de samenhang van dat alles ten volle kunnen overzien en begrijpen?!'

[8] Ik zeg: ' Als je dat nu van Johannes over Mij gehoord hebt, dan kun je toch weten dat Ik de bruidegom ben, die Johannes bedoeld heeft! Maar als Ik die bedoelde bruidegom ben, dan zijn al die mensen om Mij heen toch Mijn bruiloftsgasten?!'

[9] De leerling van Johannes zegt: 'Maar waar is dan de mooie hemelse bruid? Zonder bruid kunt U toch geen bruidegom zijn?'

[10] Ik zeg: 'Deze bruiloftsgasten van Mij zijn als geheel ook Mijn bruid. Want zij die Mijn woord horen, het in hun hart bewaren en daarnaar leven, zijn werkelijk Mijn bruid, zoals ze ook Mijn bruiloftsgasten zijn! En je kunt toch niet verwachten dat bruiloftsgasten bedroefd zijn, zolang de bruidegom bij hen is! Maar als de tijd daar is dat de bruidegom bij hen weggehaald wordt, dan zullen ze óók vasten! ' (Matth. 9: 15)

[11] Over dit antwoord zijn de leerlingen van Johannes erg verwonderd en ook een beetje boos; want ze dachten, omdat Ik dit tegen hen zei met een lichte glimlach op Mijn gezicht, dat Ik hatelijk deed. En die ene leerling van Johannes zei dan ook een beetje venijnig: 'Merkwaardig! Gods geest sprak door Johannes, en wij moeten aannemen dat deze geest zich door U in nog sterkere mate manifesteert, omdat Johannes over U getuigde! Maar het is vreemd, dat deze goddelijke geest door Mozes, alle profeten en tenslotte door Johannes steeds op dezelfde manier de ellendige aardse mensen opriep tot een heel boetvaardig leven, waaraan men zich streng moest houden. Terwijl U in Uw daden het algehele tegendeel daarvan schijnt te zijn en te leren! Volgens Mozes was iemand al zonder meer onrein, zodra hij het huis van een zondaar betrad, en moest zich dan reinigen; ook als iemand op de sabbat met een maagd omging of op een andere dag met een vrouw, die menstrueerde, moest hij zich laten reinigen, en zo waren er nog veel strengere voorschriften! U en Uw leerlingen schijnen echter in het geheel geen rekening te houden met de sabbat en ook niet met het rein houden van de persoon! Hoe kan die leer van U dan net zo goddelijk zijn als de leer van de profeten?!'


124 Gelijkenis van de nieuwe kleren en de nieuwe wijn

[I] Ik zeg: 'Mijn leer is als een nieuw gewaad; die van jullie is echter het oude, vol scheuren en beschadigingen, waardoor het je mogelijk was om, zowel nu als op de sabbat, ondanks Mozes en Johannes, zonder enig gewetensbezwaar vis te gaan vangen! Mijn leer is op zichzelf geheel nieuw, en je kunt er niet een stuk afhalen en daar je oude gescheurde gewaad mee oplappen. En gesteld dat je dat toch probeerde, dan zou je daardoor alleen nog maar grotere scheuren veroorzaken dan er al in zitten, want het nieuwe stuk scheurt van het oude, versletene af en maakt de schade groter. (Matth. 9:16)

[2] Ook kun je Mijn leer vergelijken met een nieuwe jonge wijn, die men niet in oude zakken doet, omdat deze scheuren zullen, waardoor de jonge wijn vermorst wordt; maar men doet de jonge wijn in nieuwe, stevige zakken, en op die manier blijven beiden behouden, de wijn en de zak. Begrijp je dat?' (Matth. 9:17)

[3] De leerlingen van Johannes zeggen: 'Het klinkt wel goed, maar het is allemaal niet zo gemakkelijk te begrijpen wat U daarmee wilt zeggen; kunt U zich misschien daarom wat begrijpelijker uitdrukken!?'

[4] Ik zeg: 'Of Ik Mij nog begrijpelijker zou kunnen of willen uitdrukken?! Ja ja, Ik zou het wel kunnen, als Ik het wilde! Maar Ik wil hier niet begrijpelijker zijn en daarom zeg Ik daarover alleen nog maar dit, dat jullie oude gescheurde kleren en oude verweerde zakken zijn, die voor Mijn leer niet meer deugen! Mijn leer zou je je zoete aardse leven afnemen, dat toch jullie hoogste goed is, en voor de verbetering waarvan je alles doet. Waarvoor je zelfs op de sabbat zwaar werk verricht bij het vissen, alleen maar om in je aardse leven een beter en zorgelozer bestaan te hebben en zo mogelijk ook nog wat luxe erbij! De armen zie je echter niet, de zieken niet en de gebrekkigen ook niet, net zo min als de hongerigen en de dorstigen!

[5] Het is nu eenmaal zo, dat degene, die met een volle buik rondloopt, niet in het minst merkt, hoe de arme pijn heeft van de honger en hoe zijn maag brandt! Ook merken jullie, die goed gekleed zijn, geen koude als de winter komt; want je hebt heel veel middelen om de winter aangenamer voor je te maken dan de hete zomer. En als er een half naakte bevend van de kou bij je komt, en zijn nood klaagt en je vraagt om warme kleren, dan ergert je dat, en je geeft hem een nijdig antwoord en zegt: 'Ga weg, jij lui mens! Als je in de zomer gewerkt had, dan zou je in de winter geen nood lijden! Bovendien is het heus zo koud niet, een bedelaar moet niet zo week en kleinzerig zijn!'

[6] Maar de bedelaar zegt: 'Heer, ik heb de hele zomer en herfst gewerkt, maar het loon voor mijn zware werk was niet het duizendste deel van datgene, wat mijn meester uit mijn werk verkreeg; daarom kan mijn werkgever 's winters wel warm gekleed rondlopen, maar wij, zijn slecht betaalde arbeiders, die het geringe loon 's zomers al ruimschoots moesten opeten, lijden nu in de winter, -niet omdat we 's zomers niet gewerkt hebben, maar alleen omdat we te weinig loon kregen. De winst van de heren is de oorzaak van onze nood!'

[7] Kijk, dat is de taal van de bedelaars, buiten beschouwing gelaten dat het mogelijk is dat er zo hier en daar onder de vele bedelaars een paar zondaars zijn die hun armoede verdiend hebben!'

[8] De leerlingen van Johannes zeggen: 'Aha, dat is overdreven! Want zo is het niet! Een trouwe en rechtschapen arbeider heeft nog nooit reden gehad om zich over zijn werkgever te beklagen! Wie werken wil, krijgt winter en zomer werk, verdienste en eten en kleding! Dat men de luilakken de deur wijst, dat vinden wij zoals het hoort'

[9] Ik zeg: ' Jullie wel, daar ben Ik heus wel van overtuigd! Maar Ik niet, dat zeg Ik jullie! En waarom niet, dat zul je direkt horen! - Vertel Mij eens: Wie heeft de zee en de vele goede vis daarin geschapen?' !

[10] De leerlingen van Johannes antwoorden: 'Nou, dat is toch geen vraag! Wie anders dan God alleen had dat gekund?!' - Ik zeg: 'Nu goed, vertel dan eens, of jullie van God een schriftelijk bewijs gekregen hebben, waarin staat dat alleen jullie het recht hebben die goede en dure vis uit de zee te vangen, voor veel geld te verkopen, dan de hele winst in je zakken te steken en nauwelijks een duizendste deel aan je ijverige knechten te geven, die toch vaak met gevaar voor eigen leven alleen het zware werk hebben gedaan!'

[11] De leerlingen van Johannes zeggen: 'Dat is alweer een belachelijk domme vraag! Waar op aarde is er Iemand te vinden, die een door God, gegeven eigendomsbewijs kan laten zien?! God heeft in zijn plaats het staatshoofd aangewezen, en deze schrijft in Gods plaats de eigendoms­bewijzen uit; en wie door de staat als bezitter is aangemerkt, die is dat ook wettelijk voor God. Bovendien moet iedere rechthebbende voor zijn duur gekochte recht ook nog ieder jaar allerlei tienden en andere belastingen aan de staat betalen en is daarom dubbel gerechtigd, de nodige winst te maken met zijn bezit!'

[12] Ik zeg: ' Ja, ja, zo is het inderdaad op aarde, maar dat heeft God niet ingesteld, maar de zelf­ en heerszuchtige mensen hebben dat gedaan! " Die hebben zulke wetten en zo'n regeling getroffen. Maar bij het begin der wereld was het niet zo, toen was heel lang de hele aarde het bezit van iedereen!

[13] Toen echter uit die mensen de kinderen van Kaïn een deel van de aarde in vast en erfelijk bezit hebben genomen en daarvoor wetten en een zelf­ en heerszuchtige orde hebben gemaakt, toen duurde het dan ook geen duizend jaar meer!

[14] God hield de komende zondvloed niet tegen, waardoor allen ver­dronken, op een paar na, die behouden werden. En zo zal het weer gaan!

[15] God is weliswaar zeer lankmoedig en heeft veel geduld, maar Hij zal jullie gedoe weldra moe worden; en let dan eens op wie na jullie de bezitter van de aarde wordt!

[16] Dat jullie echter zo redeneren, is wel een heel duidelijk bewijs, dat je geloof en je rechtsleer een oud gescheurd kledingstuk is, dat geen nieuwe lap verdragen kan, en het is ook net als een oude zak, waarin men geen jonge wijn meer kan doen! Want jullie zijn allen zonder uitzondering slechte en zelfzuchtige mensen! Begrijp je Mij nu?!' ­

125 Het vertrouwen van Matthéus de tollenaar
[I] De leerlingen van Johannes zeggen: 'Doen wij er dan verkeerd aan, als wij leven volgens de leer van Johannes? Johannes was beslist een streng prediker, maar dat was zijn leer niet!

[2] Kijk nu eens naar de ons bekende orde van de Essenen, die is ook streng, en hun eerste gebod is eerlijkheid; maar wat hebben ze aan al hun eerlijkheid en al hun andere strenge regels?! Bij wie tellen ze mee?! Noch de Grieken, noch de Joden houden rekening met hen, alleen bij de Romeinen schijnen ze een paar aanhangers te hebben. Gesteld nu dat het een hele goede en zuivere leer is die zij volgen, dan is die toch alleen maar voor die paar mensen, die zich daarvoor uit de wereld teruggetrokken hebben, heel goed, maar voor de totale mensheid toch geheel onbruikbaar!

[3] Wat voor nut hebben alle mooie en ferme woorden voor de zaak van de algemene broedergeest?!

[4] Neem nou dit huis eens; het is een gastvrij huis en het heeft, in het licht van de goede zaak der broedergeest bezien, zijn weerga nog niet gevonden; maar kunt U nu van de gastheer redelijkerwijs verwachten, dat hij steeds klaar moet staan om alle mensen, die toch zonder meer onze broeders zijn, op te nemen en te verzorgen?! Ook al zou hij dat nog zo graag willen en ook al zou hij zich daartoe nog zo gedrongen voelen, dan zullen de middelen, zoals ruimte, voedsel en noem maar op, hem daartoe toch ontbreken.

[5] Stel dat een paar arme mensen niet meer bezitten dan een eigen gebouwd hutje en voor de winter een spaarzame voedselvoorraad, waarmee ze zelf slechts ternauwernood in leven zullen kunnen blijven totdat de aarde weer vrucht zal gaan geven. En er komen tien mensen naar hen toe, dus naar die twee die zelf nauwelijks ruimte genoeg hebben in hun hut, en deze tien vragen om binnen gelaten te worden, en om onderdak en voedsel. Zeg dan eens, kan welke leer dan ook deze twee opdragen, of zelfs maar adviseren of aanpraten, dat het goed en zegenrijk is om tegemoet te komen aan de wens van de tien aan de deur staande mensen, en zichzelf daardoor geheel en al te gronde te richten?!'

[6] Ik zeg: 'Iedere vogel zingt en tsjilpt zoals hij gebekt is, en zo zeggen jullie alleen maar datgene, wat je wereldse verstand je ingeeft, en je kunt niets anders zeggen, omdat je niets anders begrijpt! En dat is dan ook alles, wat Ik jullie daarop kan antwoorden. Want ook al zou Ik Jullie iets hogers en waarachtigs uit de hemel meedelen, dan zou je Mij toch niet begrijpen; want je harde hart begrijpt dat niet!

[7] Jullie dwazen! Wie laat dan de vruchten groeien en rijp worden op de aarde! Wie onderhoudt ze en geeft ze steeds hun kracht?! Geloof je dan dat God degene, die zichzelf wegcijfert en opoffert voor zijn behoeftige broeders, niets kan of wil vergelden? Of denk je dat God onrechtvaardig is en het onmogelijke van de mensen verlangt?!

[8] Ik vind, dat het voor iedereen heel goed mogelijk is, om een echte wil te hebben en de vurige wens te koesteren om een arme broeder te helpen!

[9] Als iedereen die instelling had, dan zou er op aarde geen enkel armelijk hutje meer zijn waar maar twee mensen konden wonen.

[10] Dit huis van Mijn vriend Matthéus heeft vandaag veel mensen gevoed en gaf zijn hele voorraad uit een waar, goed hart, en als je dat niet gelooft, ga dan maar kijken in de voorraadkamer en op de korenzolder en je zult er niets meer vinden! Hier staat trouwens de heer des huizes; vraag maar aan hem of Ik geen gelijk heb!'

[11] Matthéus bevestigt mijn uitspraak geheel en al en zegt: 'Heer, het is vandaag jammer genoeg weer zo ver, en ik weet niet, wat ik morgen de gasten zal voorzetten. Maar zo was het al vaker, en ik vertrouwde op God, -en heus, er kwam altijd weer voldoende, zodat ik de gasten alles kon geven wat ze nodig hadden!'

[12] 'Kijk', zeg Ik daarop, 'zo denkt en handelt een goed mens op deze wereld en hij beklaagt zich niet dat God hem ooit in de steek gelaten zou hebben! En zo is het ook altijd geweest en zal het eeuwig zijn!

[13] Wie op God vertrouwt, wordt ook door God vertrouwd en Hij verlaat hem niet en stelt hem nooit teleur! Maar degenen, die net als jullie, wél geloven dat God een God is, maar Hem niét volledig vertrouwen, omdat hun eigen hart zegt dat ze niet waard zijn door God geholpen te worden, die helpt God ook niet; want ze hebben geen vertrouwen in God, maar alleen in hun eigen kracht en middelen, die ze voor bepaald heilig en onkwetsbaar houden en ze zeggen: 'Mens, als je wilt dat je geholpen wordt, help jezelf dan; want ieder mens is zichzelf het naast en zorgt eerst voor zichzelf!' En voordat hij klaar is met het zorgen voor zichzelf, gaat de hulpbehoevende te gronde!

[14] Maar Ik zeg: Als je eerst voor jezelf zorgt, ben je door God verlaten en zonder Zijn zegen en zonder Zijn hulp, die je anders ongetwijfeld zou krijgen! Want God heeft de mensen niet uit zelfzucht, maar uit zuivere liefde geschapen, en daarom moeten de mensen de liefde, die hen geschapen heeft, in alles volledig evenaren!

[15] Als je echter zonder liefde en vertrouwen op God leeft en handelt, dan verander je het hemelse in je vrijwillig in het helse, je wendt je van God af en wordt dienaren van de hel, die je dan tenslotte ook het verdiende loon niet zal onthouden, namelijk de dood in de toorn van God!

[16] Jullie zeiden ook, dat de Essenen, die volgens de school van Pythagoras leven, vanwege hun zuivere filantropie door niemand erg serieus genomen worden, behalve door een klein aantal Romeinen. .

[17] Ook Ik acht ze niet, omdat ze de onsterfelijkheid van de ziel ontkennen; maar toch is de slechtste onder hen beter dan de beste van jullie!

[18] Ik zeg je nu onomwonden: Onder allen, die sinds het begin van de wereld uit vrouwen zijn geboren, was er niemand beter dan Johannes; maar wie van nu af aan de minste zal zijn van Mijn leerlingen in het echte Rijk van God, die zal vele malen groter zijn dan Johannes, die jullie je meester noemen, maar die je nog nooit begrepen hebt!. Want hij wees je de weg naar Mij en hij effende de weg voor en tot Mij, maar de wereld in jullie heeft je harten verblind; daarom kun je Mij ook met herkennen, hoewel je hier bij Mij staat!

[19] Ga dan en zorg voor jullie wereld, voor je vrouwen en kinderen, opdat ze niet naakt behoeven te zijn en geen honger en dorst ooit hun buik belaagt; maar het zal binnenkort toch zichtbaar worden hoeveel goeds je hen daarmee hebt gegeven! Ik zeg jullie dit: God zal niet voor hen zorgen! En dit kan Ik jullie met het volste recht en in volle waarheid zeggen:

[20] Wie ooit in het bezit is van kapitaal, eigendom en een bedrijf waarmee hij veel winst kan maken, maar die die winst voor zichzelf en zijn kinderen houdt, en afwerend neerkijkt op de arme broeders, en de arme kinderen vermijdt die door gebrek aan alle aardse bezittingen, honger, dorst en koude lijden, en ze wegjaagt als ze naar hem toekomen en hem om een aalmoes vragen, die is een vijand van God! En wie tegen een broeder zegt: 'Kom over een paar dagen of weken maar terug dan zal ik het een en ander voor je doen!', maar die, als dan de hoopvolle en op hem rekenende broeder komt en hem vraagt om zijn belofte gestand te doen, zich verontschuldigt met te zeggen dat hij ook nu niets kan doen, hoewel hij er heimelijk wel toe in staat is, waarlijk, waarlijk Ik zeg je: dat is een vijand van God! Want hoe wil hij God liefhebben Die voor hem onzichtbaar is, terwijl hij toch zijn broeder niet liefheeft die hij ziet en wiens nood hij kent!?

[21] Waarlijk, waarlijk, Ik zeg je: Wie zijn broeder in de nood verlaat, verlaat ook meteen - God en hemel! En God zal hem verlaten, eer hij er op verdacht is!

[22] Wie zijn broeder echter niet verlaat, ook dan niet als God hem beproeven zou, die zal dan echter ook eer hij er op verdacht is gezegend worden, en dat nog wel veel rijkelijker in tijd en eeuwigheid, dan nu de voorraadkamer en de korenzolder van onze gastheer gezegend zijn!'

[23] 'Dat geloven we graag', zeggen de leerlingen van Johannes, 'want die zijn helemaal leeg!'


1   ...   18   19   20   21   22   23   24   25   ...   43

  • 122 De twijfel van Johannes de doper
  • 124 Gelijkenis van de nieuwe kleren en de nieuwe wijn

  • Dovnload 2.49 Mb.