Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Uitgeverij de ster, ginnekenweg 124, 4818 jk breda

Dovnload 2.49 Mb.

Uitgeverij de ster, ginnekenweg 124, 4818 jk breda



Pagina23/43
Datum05.12.2018
Grootte2.49 Mb.

Dovnload 2.49 Mb.
1   ...   19   20   21   22   23   24   25   26   ...   43
126 Gods onveranderlijkheid en Zijn zegen

[1] Dan komt het keukenmeisje geheel buiten adem binnen en zegt tegen Matthéus: 'Heer, heer, kom eens kijken! Daarnet kwam een groot aantal jonge mannen en bracht allerlei voedsel in zo'n hoeveelheid, dat we het in een jaar nauwelijks op kunnen! En alles ziet er zo vers en goed uit! Ook de korenzolders zijn van boven tot onder gevuld, en de zakken in de kelder zijn helemaal vol met de beste wijn! Heer, heer, wie bezorgt dat nu allemaal op de Joodse sabbat?'

[2] Matthéus en allen in de kamer weten niet hoe ze het hebben na deze mededeling, en de leerlingen van Johannes, waarvan er een paar zich van te voren al overtuigd hadden dat de voorraadkamers leeg waren, vroegen meteen aan Matthéus, of hij die levensmiddelen soms ergens besteld had.

[3] Matthéus zegt: 'Ik niet; want dan zou ik dat toch zeker wel geweten hebben; en mijn vrouw ook niet, want zij liet mij al eerder door dit meisje zeggen dat onze kleine voorraad zo goed als helemaal op was. Want behalve een tuin en een paar gepachte akkers heb ik geen grond voor het kweken van grote hoeveelheden vruchten en daar zou ik ook te weinig tijd voor hebben, omdat ik ten eerste met de tol veel werk heb en tevens ten tweede hier in dit logement voor de verzorging van mijn gasten klaar moet staan. Daarom voorzie ik mijn logement gewoonlijk. van week tot week van voedsel en dat Iaat ik meestal tegen betaling uit Kapérnaum komen, jullie zorgden meestal voor de vis; wijn en graan koop ik van wat tot nog toe mijn geloofsgenoten waren, de Grieken. Dat is heel in} het kort de manier, waarop ik mijn huis van het nodige voorzag; maar van deze bestelling weet niemand hier in huis iets af!

[4] De enige mogelijkheid is nog, dat een onbekende goede vriend dit voor mij gedaan zou hebben, maar anders is en blijft het een absoluut wonder! Waar en wie deze vriend dan zou zijn, weet ik natuurlijk net zo min als jullie. Ik zal echter nu al mijn mensen binnenroepen en ze in jullie bijzijn vragen, of ze soms iemand van de dragers herkenden!'

[5] De vrouwen de dienstmaagden en de knechten worden nu geroepen, maar op de gestelde vragen antwoorden ze allen eenstemmig, dat ze niemand ook maar in de verste verte herkend hebben: 'De mannen zagen er uit als licht gebouwde jongemannen; want er was bij niemand ook maar een spoor van een baard te bekennen, wel hadden ze allemaal mooi golvend lang haar, en hun kleding leek meer Romeins dan Joods. Het waren er veel, zowel in de voorraadkamers als op de korenzolder en in de kelder. Ze legden het gebrachte snel neer en zeiden: 'Dit is een gave voor de tollenaar Matthéus, die vandaag door de grote Meester is geroepen!' Toen gingen ze weer snel weg, en we zagen niet, waar ze uit het huis zijn heengegaan.'

[6] Een Farizeeër zegt dan: 'Het klinkt allemaal ongewoon vreemd en moet toch waar zijn!? Daar willen we wel eens het fijne van weten!'

[7] Tegen Matthéus gaat dezelfde Farizeeër dan verder en zegt: 'Waard, Iaat ons eens een proefje van de wijnen brengen, dan zullen wij je zeggen, waar ze vandaan komen; want aan de smaak en de kleur kunnen wij zien waar het gerijpt is!'’

[8] Men gaat direkt de kelder in en vult al het drinkgerei. En wanneer de Farizeeën en schriftgeleerden de wijnen proeven, zeggen ze vol ver­bazing: 'Nee, zo'n wijn hebben we nog nooit geproefd! Hij is onbe­schrijfelijk mooi en liefelijk! We hebben echt wel alle wijnen die ook maar ergens op de ons bekende wereld groeien, gedronken, en die waren ook wel eens heel goed en fijn van smaak, maar hiermee vergeleken was dat nauwelijks lauw water te noemen! Dit is en blijft dus een raadsel!

[9] Maar nu je toch zo'n grote voorraad van deze onovertrefbare heerlijke wijn hebt, zou je ons dan niet voor geld en goede woorden een paar zakken mee kunnen geven? Het zou echt de moeite waard zijn om er wat van naar de hogepriester in Jeruzalem te sturen!'

[10] Maar Matthéus zegt: 'Voor niets heb ik het gekregen en ik geef het ook voor niets weer weg; maar er gaat geen druppel naar de hogepriester in Jeruzalem! Hij zou al toevallig als gast hierheen moeten komen, om net als ieder ander bediend te worden; maar dan wel net als ieder ander gewoon mens, nooit als Joodse hogepriester, want die is voor mij een verwoestend ondier en een geestelijke moordenaar van zijn eigen geloofs­genoten!'

[11] Daarop zegt een schriftgeleerde: 'Vriend, je beoordeelt de hogepriester te Jeruzalem nu toch wel helemaal verkeerd en je houdt geen rekening met zijn wezen en zijn functie!'

[12] 'Houd er over op', zegt Matthéus, 'daarvan wordt ik ogenblikkelijk witgloeiend van echte en terechte kwaadheid! Jullie zijn zijn ogen en daarom zie je datgene het slechtst, wat zich het dichtst bij je bevindt, namelijk je eigen neus, voorhoofd en je hele gezicht; wij, die tegenover jullie staan, zien dat allemaal maar al te goed en precies! Maar nu niets meer daarover, anders wind ik me op en ik zou jullie, als mijn nu gerespecteerde gasten, niet willen beledigen!'

[13] Een meer gemoedelijke Farizeeër zegt: 'Nou, nou, laten we deze zaak maar laten rusten en praten we liever eens met meester Jezus, die zou ons wel eens van dit voorval de beste verklaring kunnen geven, want hij staat in alle wetenschap en wijsheid hoog boven ons!' Hij wendt zich tot Mij en vraagt: 'Wat denkt u van deze geschiedenis? Want u schijnt daarvan toch wel iets geweten te hebben, omdat uw eerdere gesprek met de leerlingen van Johannes daarop schijnt te wijzen. Want haast op hetzelfde moment, dat u tegen de leerlingen van Johannes zei, dat God voor diegenen zorgt, die Hem waarachtig liefhebben en zonder twijfel op Hem vertrouwen, en de lelijkheid en de verwerpelijkheid van de zelfzucht zo goed over de hekel haalde, gebeurde het, en daarom geloof ik eigenlijk dat u daarover van buitenaf in kennis bent gesteld of dat u ongezien zelf de veroorzaker bent!'

[14] 'Goed!', zeg Ik,'als u dat van Mij denkt, denk dan ook eens aan wat Ik tegen de leerlingen van Johannes heb gezegd en erken dan in uw hart, dat Ik de volle waarheid heb gesproken!

[15] Wie van u op dezelfde manier uit de grond van zijn hart te werk gaat, die zal van God ook altijd datgene ondervinden, wat nu onze vriend en broeder Matthéus heeft ondervonden!

[16] Want geloof Mij: God blijft in Zijn hart steeds Dezelfde! Zoals Hij was, toen er aan het firmament nog lang geen zon, geen maan en geen sterren lichtten, zo is Hij nu nog en zo zal Hij altijd blijven!

[17] Wie Hem op de goede weg zoekt, die zal Hem ook vinden en is in alle eeuwigheden der eeuwigheden gezegend!'

[18] Deze woorden treffen allen diep in het hart, en de leerlingen van Johannes beginnen in zichzelf te overleggen en zeggen: 'Hij moet dan toch een veel grotere profeet zijn, dan onze Johannes was! Want we waren tien volle jaren in zijn gezelschap, maar zo iets hebben we bij hem niet meegemaakt! -De Farizeeër heeft gelijk als hij zegt dat deze Nazareeër er meer vanaf weet! - Je zou echter bijna beweren, dat dat alles van en door hem op een ons onbekende wijze is geschied, en het geheel is een duidelijk zichtbaar bewijs voor de nu aan het licht gekomen blindheid van ons en onze grote meester Johannes!'


127 De dood van de dochter van overste Cornelius

[1] Nu wil echter ook Judas, wat verhit door de wijn, zijn stem verheffen en zijn buren, de leerlingen van Johannes, iets vertellen. Maar Thomas, zijn nog heel kalme tegenpartij, is hem voor en zegt: 'Vriend, als de meesters spreken, dan moeten de leerlingen zwijgen en slechts toehoren, maar vooral niets zeggen! Want hier zou ieder woord uit onze mond een grote en grove domheid zijn! Als je je echter niet kunt inhouden, ga dan naar buiten in het open veld en schreeuw zo hard je kunt en wilt, en als daardoor je mond moe is geworden, kom dan terug!'

[2] Judas zegt: 'Wat moet je toch van mij? Ik heb je toch geen kwaad gedaan! Mag ik dan nooit eens wat zeggen?'

[3] Thomas zegt: ' Jouw wijsheid kennen we nu al van jaren her en we zitten er echt niet op te wachten om, naast de wijsheid van onze grote Meester, die van jou hier voor de duizendste maal te moeten horen, en zo wijs als jij zijn wij allemaal van huis uit! Je kunt echt geen betere en uitgebreidere leer geven dan die welke we hier al hebben, en hopelijk zie je daarom wel in, dat het hier helemaal niet nodig is dat jij ook spreekt! Wij, leerlingen, moeten slechts dan spreken als ons wat gevraagd wordt; we mogen zelf ook vragen, maar dan moeten we er wel op letten dat onze vraag voortkomt uit een echte en zuivere noodzaak! Als we echter puur uit nieuwsgierigheid vragen stellen, om onze praatgrage tong z'n gang te laten gaan, dan zijn we een geseling waard; want een waanzinnige dwaas moet altijd met gesels bestraft worden!'

[4] Judas zegt: ' Al goed, al goed! Ik ben al stil; want ik weet wel dat ik in jouw bijzijn niets zeggen kan en mag. Want jij bent de wijsheid van Elia zelf! Het is alleen maar jammer, dat je niet vóór Salomo hebt geleefd! In jouw school zou Salomo het nog veel verder in de wijsheid gebracht hebben! Maar nu opgehouden, ik ben al stil!'

[5] Thomas had graag nog wat tegen Judas terug gezegd, maar Ik gaf hem een teken om op te houden, en Thomas zweeg.

[6] Eén van de leerlingen van Johannes kon het echter nog steeds niet verkroppen, dat Ik hem en zijn metgezellen vergeleek met een gescheurd kleed dat men niet kan herstellen met een nieuwe lap, en met oude, verweerde zakken die niet geschikt zijn om jonge wijn in te doen. Hij richtte zich daarom tot Mij en vroeg op een beetje onbehouwen manier: 'Ik zie nu ook wel, dat u een profeet zou kunnen zijn; maar zoals ik zie smaakt de wijn uit de oude zakken u beter dan de jonge wijn uit de nieuwe zakken, en zo gezien is uw gewaad ook niet bepaald nieuw te noemen; mocht u binnenkort soms wat lappen nodig hebben, dan kan ik u daar wel aan helpen, want ik heb nog lompen genoeg. Als ik u dus van dienst kan zijn, dan hoeft u het maar te zeggen!'

[7] Zijn metgezellen wilden hem voor deze onbehouwen vraag direkt naar buiten gooien. Maar Ik nam het voor hem op en legde hem de vergelijking nog wat begrijpelijker uit, waarop hij kalmeerde.

[8] Tegen de anderen zei Ik echter: 'Als je een blinde ziet, die over een greppel struikelt en valt en door zijn val het langs de greppel staande hoge gras platdrukt en een beetje beschadigt, is het dan wijs van je, als je de blinde ter verantwoording zou roepen en zou straffen?! Kijk, deze broeder van jullie ziet net als jullie wel met zijn lichamelijke ogen, maar zijn geestelijke ogen zien nog erg slecht, en als je dat beseft, is het toch wel veel te hard om hem te straffen omdat hij even struikelde!'

[9] Deze woorden maakten dat allen een luid 'hoera' en 'gezegend is hij' riepen en zeiden: 'Dat is goed gesproken, en wie zijn eigen goede en wijze woorden toepast, is waard een mens der mensen genoemd en ook als zodanig gekroond te worden! Dat u gezegend moge zijn en lang moge leven, u mens der mensen!'

[10] Nauwelijks zijn deze woorden verklonken, waarbij Ik nog wat door praat over de oude kleren en over de jonge wijn en over de zakken, als in aller ijl een overste uit Kapérnaum ( de Romeinse overste Cornelius) binnenkomt, gewoonweg op Mij afstormt, voor Mij neervalt en bijna buiten adem uitbrengt: 'Heer! Vriend! Goddelijke meester en heiland! Mijn liefste dochter, die mijn naam draagt, mijn heerlijke, goede en mooie dochter is gestorven!' (Toen huilde de overste en kon een tijdlang niet spreken van verdriet. Na een poosje, waarin hij wat op verhaal kwam, sprak hij pas verder:)

[11] Heer, U aan Wie niets onmogelijk is, kom met mij mee naar mijn huis en leg Uw wonderhand op haar, dan wordt ze zeker weer levend, net als het dochtertje van de schooloverste Jaïrus, dat ook helemaal dood was en levend geworden is! Ik smeek U mijn verhevenste vriend: Kom en bewijs mij deze genade!' (Matth. 9:18)

[12] Ik zeg: 'Wees gerust, Ik kom en zal doen waarom je Mij hebt gevraagd! Hoewel je dochter geheel dood en ook al koud is, zal Ik haar toch opwekken, opdat ze dan de heerlijkheid van God aan de arme mensen zal verkondigen! Laten we dus gaan!' (Matth. 9:19)

[13] Mijn leerlingen vroegen nu, of ze hier op Mij moesten wachten of mee moesten gaan. Maar Ik zei: ' Jullie allen, Mijn leerlingen, en ook Matthéus, die tollenaar was, volg Mij! Ik heb voor je aardse huis gezorgd en dat zal Ik blijven doen; maar daarvoor moet jij, net als de anderen hier, Mijn leerling zijn!'

[14] Matthéus werpt meteen zijn waardskleding aan de kant, trekt zijn nette mantel aan en volgt Mij, zonder eerst die aanwijzingen te geven, die een heer des huizes gewoonlijk aan de zijnen geeft voor de tijd dat hij afwezig is.

[15] Let wel: leder, die Mij wil volgen, dient zo te handelen! Hij moet het aardse zaken­ en beroepsleven geheel loslaten en niet meer bezig zijn met zijn aardse levensomstandigheden, omdat hij anders niet deugt voor en in Mijn koninkrijk! Want wie de hand aan de ploeg slaat en achterom kijkt, is niet geschikt voor het Rijk van God!




128 Kapérnaum.Opwekking van Cornelia

[I] En dan nu weer verder met de geschiedenis van het evangelie!

[2] Nadat wij al tamelijk Iaat in de middag uit het huis van Matthéus weggegaan waren, kwam er zo ongeveer halfweg naar Kapérnaum een vrouw snel achter ons aan, die, net als al eerder een Griekse vrouw, ongeveer twaalf jaar aan bloedingen leed, en die door niemand geholpen kon worden. Deze vrouw, die het verhaal van de vorige Griekse gehoord had, raakte slechts de zoom van Mijn opperkleed aan (Matth. 9:20) en werd op slag gezond. Want haar innerlijke gevoel dwong haar om tegen zichzelf te zeggen: ' Als ik slechts de zoom van Zijn gewaad zal aanraken, dan zal ik genezen!' (Matth. 9:21) En zo gebeurde dan ook ogenblikkelijk wat ze geloofd had. En ook zij merkte dadelijk, dat door het gelovige aanraken van Mijn gewaad de bron van haar twaalfjarig lijden verdroogd was.

[3] Ik draaide Mij om en zei tegen de vrouw: 'Wees getroost, Mijn dochter, je geloof heeft je geholpen! Ga heen in vrede!' En de vrouw ging onder veel dank­ en vreugdetranen naar huis terug en bleef voortaan gezond. (Matth. 9:22)

[4] Deze vrouw was een Jodin en geen Griekse; maar ze woonde niet ver van een Griekse nederzetting, kwam vaak bij de Grieken en hoorde veel van hen en zo hoorde ze ook van de genezing van de vorige Griekse, waarover Markus en de schilder en dichter Lucas later schreven. Omdat deze twee voorvallen zo veel op elkaar lijken, worden ze zelfs door de geleerdste godgeleerden als één voorval gezien, hetgeen beslist bezijden de waarheid en koren op de molens van de twijfelaars is.

[5] Meteen daarop vroeg Matthéus de schrijver, Mij, of hij dit voorval zou opschrijven en welke andere gebeurtenissen van die dag nog meer.

[6] En Ik zei tegen hem: ' Je moet alles wat vandaag gebeurde opschrijven, behalve de bevoorrading van het huis van je naamgenoot en het vele wat daar gesproken is. We gaan vandaag nog weer naar huis terug en morgen hebben we genoeg tijd om precies af te spreken, wat er over vandaag opgeschreven zal worden'.

[7] Matthéus de schrijver, had daar vrede mee en wij bereikten nu ook vlug daarna het huis van de overste en gingen daar meteen naar de zaal, waar de overleden dochter op een bed lag dat op Romeinse manier versierd was.

[8] Er waren binnen echter een aantal muzikanten en andere lawaaimakers; want het was daar gebruik om veellawaai voor de overledenen te maken opdat deze weer zouden ontwaken, of, als dat niet meer gebeurde, de afgezanten van de hellevorst Pluto te verschrikken, zoals het gewone, blinde, voor het grootste deel heidense volk, dat hier de grootste herrie maakte, dacht.

[9] Toen Ik met de leerlingen in de grote kamer kwam en hun onzinnige spektakel zag en hoorde (Matth. 9:23), beval Ik, dat ze vóór alles op moesten houden met hun kabaal, en vervolgens uit de kamer en helemaal uit het huis moesten gaan, omdat de dochter niet gestorven was, maar slechts sliep.

[10] Toen begonnen de gehuurde lawaaimakers (natuurlijk voor geld, want zonder geld werd er voor niemand lawaai gemaakt!) Mij uit te lachen, en één van hen zei vertrouwelijk tegen Mij: 'Het zal u hier niet zo gemakkelijk lukken als bij Jaïrus! Bekijk haar maar eens wat beter en dan zult u als dokter wel dadelijk moeten toegeven, dat zij, volgens de leer van de beroemde oude Griekse arts Hippocrates, uiterlijk volkomen dood is, en wilt u dan beweren dat ze zou slapen!?'

[11] De overste zag wel dat de kabaalmakers niet weg wilden gaan; toen gebood hij het hen onder het uiten van zware bedreigingen, en gaf de wachthebbende soldaten opdracht het volk naar buiten te drijven. Daardoor werd de kamer al gauw vrij gemaakt van al de herrieschoppers.

[12] En toen de kamer en ook het hele huis bevrijd was van alle lastige gasten, ging Ik pas met Mijn leerlingen en de verwanten van de overste de kamer in, liep direkt naar het doodsbed, pakte zonder iets te zeggen de dochter alleen maar bij de hand, en ze stond ogenblikkelijk net zo fit en gezond op, alsof ze nooit iets had gemankeerd. (Matth. 9:25)

[13] Toen de dochter zag, dat ze op het haar welbekende bed, waarop alleen de doden gelegd werden, gelegen had, vroeg ze direkt naar de reden daarvoor.

[14] De overste ging naar haar toe en zei, vol opperste vreugde: 'Mijn zeer geliefde Cornelia! Je bent ziek geworden en je bent aan die kwaad­aardige ziekte ook dood gegaan, je was dood en je zou reddeloos dood gebleven zijn, als deze waarlijk almachtige Heiland aller heilanden je niet met Zijn goddelijke kracht had opgewekt, net als Hij een paar dagen geleden ook het je wel bekende dochtertje van de schooloverste Jaïrus heeft opgewekt. Verheug je daarom weer over het schone leven en wees voortaan deze vriend der vrienden buitengewoon dankbaar, die de enige is, die je het verloren hoogste goed, het onbetaalbare leven, heeft teruggegeven!'

129 Belevenissen in het hiernamaals
[I] De dochter zegt: 'Ja, ja, nu herinner ik me weer heel precies, dat ik erg ziek was; tijdens het ziek zijn kwam er een heel prettige slaap over mijn oogleden, ik sliep in en had een wonderheerlijke droom. Naar welke kant ik ook keek, overal was licht en niets anders dan licht, en in het licht vormde zich een wonderheerlijke wereld. Onbeschrijfelijk prachtige tuinen zag ik, omstraald door het helderste licht, en het ene schitterende na de andere dook op. Maar geen levend wezen scheen deze heerlijkheden te bewonen, en toen ik zo vol verbazing deze grote pracht bekeek en er maar steeds geen levend wezen te zien was, begon ik banger en banger te worden door al dit onbeschrijfelijk prachtige. Ik begon te huilen en te roepen; maar van geen enkele kant kreeg ik ook maar door; de geringste echo het een of andere schijnbare antwoord. Toen werd ik! steeds treuriger tussen de steeds groter wordende heerlijkheden.

[2] Toen ik zo treurig te moede neerzonk en hard om jou, mijn vader, begon te roepen, zie, toen kwam opeens deze vriend uit de tuinen, pakte mijn hand en zei: 'Sta op mijn dochter!' Toen verdwenen in één keer al de heerlijkheden, die mij treurig hadden gemaakt, en ik ontwaakte terwijl deze vriend me nog bij de hand hield. Ik kon me niet direkt al datgene herinneren, wat ik had gezien; maar toen mijn volle herinnering mij als het ware uit de hemel werd teruggegeven, herinnerde ik me al het geziene en in de droom beleefde weer net zoals ik het je nu heb verteld.

[3] Het komt me nu buitengewoon vreemd voor dat ik dus, zoals uit dit bed blijkt, in alle ernst voor deze wereld dood was en toch in de droom heb doorgeleefd. En nog vreemder is het, dat die heerlijke vriend die in de droom naar mij toe kwam, hier nu net zo is, als ik hem in de droom heb gezien.

[4] Maar nu vraag ik je, mijn lieve vader, of dit leven van mij dat hij mij nieuw heeft gegeven, niet aan hem toebehoort. Mijn hart is diep bewogen, en het lijkt me toe dat ik behalve aan hem geen andere man ooit mijn liefde zou kunnen geven. Mag ik hem boven alles liefhebben, -meer dan jou, mijn vader, en meer dan alles ter wereld?'

[5] Cornelius wordt verlegen bij deze vraag en weet niet, wat hij daarop zal zeggen. - Maar Ik zeg tegen hem: 'Laat de dochter datgene wat ze nu voelt, want dat alleen zal haar het leven in al zijn volheid teruggeven!'

[6] Dan zegt Cornelius: ' Als dat zo is, dan mag je van mij boven alles van deze vriend houden, want degene die jou, terwijl je dood was, door zijn kracht en macht het leven kon geven, zal je nooit kwaad kunnen doen; want als je weer zou sterven, dan zou hij je zeker het leven weer teruggeven! Dus mag je Hem gerust boven alles liefhebben, zoals ik Hem ook uit de grond van mijn hart lief heb!'

[7] Ik zeg: 'Wie Mij liefheeft, heeft ook Degene lief Die in Mij is, en Deze is het eeuwige leven. AI stierf hij dan ook duizendmaal in de liefde voor Mij, dan zal hij toch in eeuwigheid leven.' Bij de omstanders waren er velen, die bij het horen van deze woorden bij zichzelf dachten: 'Wat betekent dat? Kan een mens dat wel zeggen? Maar kan een mens wel doen wat hij doet?!'

[8] Een Romein, die op dat tijdstip te gast was bij Cornelius, neemt nu het woord en zegt: 'Vrienden, een wijze heeft eens gezegd, dat ieder groot man door de goden vervuld is met hun adem. Als er echter ooit een man het sterkst door de goden beademd zou zijn, dan is het beslist deze Jezus, die naar aardse maatstaven van heel geringe komaf schijnt te zijn; maar de goden houden niet van de praal van de aarde, als ze de aarde betreden verbergen ze zich steeds achter het zo mogelijk nederigste uiterlijk en laten alleen door hun daden aan de sterfelijke weten, wie en wat ze zijn. En dat zal ook bij deze overigens zeer eenvoudige man het geval zijn. Jullie kunnen wat mij betreft menen en denken wat je wilt; maar ik zeg dat Hij een God van de eerste rang is! Want een dode is door geen sterfelijke meer op te wekken!

[9] Maar als echter de een of andere zoon van Esculaap door allerlei balsems en oliën en zalven een schijndode weer opwekt, dan is een op die manier opgewekte toch niet zo monter en gezond als Cornelia hier, die me nu nog levendiger voorkomt dan ooit. Dat is mijn mening en ik ben er bij mijzelf volkomen van overtuigd, dat het zo is; jullie moeten maar denken wat je wilt!'

[10] Ik zeg: 'Wie gelijk heeft, gelooft ook, dat het waar is. Bewijzen jullie Mij echter de vriendendienst, dat jullie allen die dit gehoord en gezien hebben, voorlopig daarover zwijgen en niemand iets daarover zeggen; want jullie weten hoe slecht de wereld is!' - Zij beloofden Mij dat ze dit alles strikt voor zich zouden houden.

[11] Ze zwegen wel de paar dagen dat Ik met Mijn leerlingen in het huis van de overste verbleef. Toen Ik daar echter wegging, werd dit voorval snel bekend in heel Galiléa. (Matth. 9:26) Dat had Ik wel kunnen verhinderen, als Ik de vrijheid van wil van de mensen beperkt zou hebben, wat zeer weinig moeite voor Mij geweest zou zijn; maar omdat Ik de vrije wil van de mens eerbiedigen moet, zonder welke de mens een dier zou zijn, moest Ik zonder meer toelaten dat Mijn ordening verbroken werd, wat de zaak geen goed deed.

130 Nazareth.De twee blinde bedelaars
[I] In Kapérnaum leefden twee bedelaars, die vanaf hun geboorte ste­keblind waren en zodoende nog nooit het daglicht en het nachtelijke sterrenlicht gezien hadden. Ook deze beiden hoorden over Mij en wat Ik gedaan had. Toen Ik van Kapérnaum terug naar Nazareth ging, en de overste met zijn vrouwen al zijn kinderen en veel van Zijn vrienden Mij begeleidden, kwamen wij heel rustig wandelend langs een plaats. waar een aantal wegen elkaar kruisten. Op deze plaats zaten de beide blinden gewoonlijk te bedelen. Toen die twee van de voorbijgangers hoorden, dat er een grote groep mensen aankwam en dat daar zelfs de hoogste machthebbers van Galiléa bij waren, en dat temidden van die machthebbers zich de heiland Jezus uit Nazareth bevond, van wie net als van zijn vader gezegd werd dat hij in rechte lijn afstamde van David, gingen ze vlug staan en volgden Mij daarna zo goed hun dat mogelijk was, waarbij ze hard riepen: ' Jezus, ach, zoon van David, ontferm U over ons! (Matth. 9:27) Die titel gaven ze me maar, omdat ze dachten dat Ik daar wat om gaf, en daardoor gevleid, eerder iets voor hen zou doen. .

[2] Om hen duidelijk te maken dat Ik helemaal niets om wereldse titels en lege vleierijen geef, liet Ik ze tot Nazareth achter Mij aan lopen.

[3] Toen Ik na een paar uur thuis aangekomen was, wat die twee al vlug merkten, smeekten ze de dicht bijzijnde zienden of ze hen bij Mij wilden brengen. En Mijn leerlingen brachten hen toen dadelijk bij Mij in huis.

[4] Bij Mij gekomen, dat wil zeggen in Mijn omgeving, kwamen ze tot vlak bij Mij en wilden Mij gaan smeken om hen ziende te maken. Ik was hen echter voor en zei, omdat Ik wel wist wat ze wilden: 'Geloven jullie wel dat Ik dat voor jullie kan doen?' Toen zeiden ze: ' Ja Heer!' (Matth. 9:28) Daarop raakte Ik hun ogen aan en zei: 'Zo geschiede jullie naar je geloof!' (Matth. 9:29)

[5] En hun ogen werden geopend (Matth. 9:30), zodat ze alle dingen net zo goed zagen als ieder mens die volledig gezonde ogen heeft. Toen ze nu de weldaad van het licht der ogen ondervonden en met grote verbazing de schepping begonnen te bekijken, dachten ze echter ook bij zichzelf, dat ze Mij de hoogste en nooit eindigende dank schuldig waren, en daarom wilden ze Mij alles geven wat ze door hun bedelarij verkregen hadden. Want van nu af aan zouden ze nooit meer bedelen, maar met de kracht van hun gezonde handen in hun onderhoud voorzien.

[6] Ik zei echter tegen hen: 'Het is een goede zaak dat je nu je broeders wilt dienen en je handen uit de mouwen wilt steken om in je onderhoud te voorzien, want wie kan zien en kan werken, moet niet stil zitten en ten laste komen van zijn broeders, maar die moet hen dienen en overal bij helpen opdat de liefde toe zal nemen onder de mensen.

[7] Met jullie voornemen ben Ik het dus helemaal eens; maar dat jullie je spaarcenten uit echte dankbaarheid aan Mij wilt geven, is weliswaar heel prijzenswaardig en aardig van jullie, maar noch Ik, noch Mijn leerlingen hebben het nodig en daarom kun je het beter zelf houden.

[8] Ik verlang echter voor het feit dat Ik jullie ogen voor het licht geopend heb, dat je ten eerste Gods geboden zult houden, God lief zult hebben boven alles en je naaste als je zelf en dat je je naasten in alles waarmee je ze kunt helpen, graag en volijverig zult helpen. In de tweede plaats gebied Ik jullie ter wille van Mij Zelf, dat je hierover met niemand spreekt, maar ervoor zorgt dat niemand het verder te weten komt!'

[9] Zij zeiden: 'Heer, dat zal wel moeilijk gaan; want iedereen in de hele streek weet maar al te goed dat we blind waren. Als er nu iemand aan ons vraagt hoe wij, blinden, ziende werden, wat moeten we dan ant­woorden?' Ik zeg: 'Geef dan een antwoord, waaruit blijkt dat erover gezwegen moet worden!' Ze beloofden dat in acht te nemen; maar ze hielden hun belofte niet, integendeel, ze gingen meteen daarna alle dichtbij gelegen plaatsjes af en deden overal hun verhaal over Mij. (Matth. 9:31)



  1. De genezing van de bezeten doofstomme man

[1] Toen deze twee nog maar net het huis hadden verlaten, brachten anderen, die juist waren aangekomen, een mens die stom en tevens bezeten was. (Matth. 9:32) Er waren echter ook verscheidene Farizeeën en schriftgeleerden, die wij twee dagen eerder in het huis van Matthéus achtergelaten hadden, nagekomen om te zien wat Ik thuis zou doen en waarheen Ik verder zou gaan. Zij kwamen voor het huis de twee blinden tegen, die hen meteen vertelden, dat er nu een stomme en tevens bezeten man genezen zou worden; maar over zichzelf zeiden ze niets, want in hun hart waren ze nog te bang om daarover iets te vertellen.

[2] De Farizeeën maakten snel voort toen ze dit bericht hoorden, opdat ze niet te laat zouden komen. Toen ze in de kamer kwamen, herkenden ze de bezetene die stom was, en ze zeiden: '0, die kennen we al heel lang! Geen macht kan hem helpen! Als zijn duivel wild wordt dan ontwortelt hij bomen, en geen muur en geen ketting is hem te sterk. In het vuur verbrandt hij niet, en de vissen zijn te beklagen als hij het water in gaat. Zijn beste eigenschap is nog, dat hij stom en doof is; want als hij kon horen en praten, dan zou geen wezen op aarde veilig voor hem zijn. O, het is een verschrikkelijk mens! Alles slaat voor hem op de vlucht; zelfs de verscheurendste dieren vluchten voor hem. Wil hij die gaan genezen? Die kan alleen maar door de opperste duivel genezen worden! ,

[3] Ik zeg: 'Ondanks dat zal Ik hem genezen, opdat u nu eindelijk eens begrijpen zult dat alle wezens moeten gehoorzamen aan de macht van God!'

[4] Toen strekte Ik een hand uit over de bezetene en zei: 'Ga uit deze mens, jij onreine, boze geest!' Daarop schreeuwde de geest: 'Waar moet ik dan heen?' Ik zeg:' Daar, waar de zee het diepst is, daar wacht een monster op je!' De boze geest schreeuwde nog één keer en verliet toen de mens.

[5] De mens kreeg meteen een heel vriendelijke gelaatsuitdrukking, begon heel dankbaar te praten, en gaf met de vriendelijkste woorden iedereen een gepast antwoord, en allen overtuigden zich ervan dat zijn doof­ en stomheid geheel en al verdwenen waren.

[6] De leerlingen en al het volk dat daar was, waren buitengewoon verbaasd en zeiden: 'Dit overtreft werkelijk alles! Zoiets is in Israël nog nooit gehoord!

(Matth. 9:33) Het is al eens gebeurd dat wind en storm verdreven werden, hoewel op bescheiden schaal; schijndoden zijn ook al eens levend gemaakt, rotsen werden gedwongen om water te geven, en toen Mozes daarom vroeg kwam er manna uit de hemel, maar het was allemaal zeker niet zo perfect.

[7] Toen Salomo de tempel bouwde en er gedurende een maand geen dagloner mee wilde werken aan de bouw, smeekte hij God om arbeiders, en er kwamen direkt een groot aantal jonge mannen en boden de koning aan om voor hem te werken, en Salomo accepteerde dat en werkte gedurende een maand met hen, zoals de overlevering zegt.

[8] Kortom, sinds Abraham tot op heden zijn er al veel wonderlijke dingen gebeurd; maar, zo waar er een God is die over hemel en aarde regeert ­dit wonder slaat alles!'

[9] De Farizeeën ergerden zich ontzettend over al die verbazing, en ze konden hun woede niet meer beheersen en zeiden daarom tegen het volk: 'Hoe kunnen jullie toch zulke blinde dwazen zijn! Hebben we jullie niet direkt toen we deze kamer binnenkwamen luid en duidelijk gezegd, wie alleen in staat zou zijn om die bezetene te genezen? We hebben jullie gezegd, dat alleen de opperste duivel dat zou kunnen! Hij genas weliswaar de bezetene, maar hoe?! Hij heeft met behulp van de opperste duivel deze duivel uit die mens verjaagd!' (Matth. 9:34)

[10] Toen de kwade Farizeeën dit over Mij zeiden in het bijzijn van het volk waar nu ook de Romeinse overste Cornelius bij was, barstte de bom! Buiten zichzelf van woede over die opmerking donderde de overste zijn oordeel over de Farizeeën en schriftgeleerden: 'Jullie komen vandaag nog aan het kruis! Ik zal jullie het verschil tussen God en duivel wel duidelijk maken!'

[11] Na het horen van dit donderend oordeel, begonnen de Farizeeën werkelijk ontzettend te jammeren en bevreesd te worden. Het volk juichte echter en riep: ' Ah! Hebt u eindelijk de juiste man gevonden, die uw oude duivel verjagen zal? Het is precies wat u nodig hebt! Want u bent zelf net als de opperste der duivels; u vecht nog, net als hij eens deed, om het lichaam van Mozes, d.w.z. om de dode materie van zijn leer, en u vervolgt alles wat ook maar iets van de geest in zich heeft, met vervloekingen, vuur en zwaard! Daaruit blijkt wel dat u het bent, die steeds de hulp van de duivel gebruikt en met die oude bedrieger samen­werkt! Daarom is het oordeel van de overste over u duivelsknechten geheel terecht, en we hebben echt geen medelijden met u!'

[12] Nu komt Matthéus de tollenaar naar de Farizeeën en zegt: 'Ongeveer vier dagen geleden heeft Meester Jezus de oude broer van mijn moeder genezen van de jicht; heel grote waarheden zijn er toen tegen u gezegd! Het was haast kinderlijk eenvoudig te begrijpen en de Meester Zelf sprak zo waarachtig en wijs tegen u, dat u daarna zeer verwonderd was en verplicht was Hem te vragen hoe Hij die wijsheid verkregen had. Maar ondanks Zijn bijzonder geestrijke en leerzame antwoorden en ondanks Zijn ongelofelijke daden, bleven uw ogen blind!

[13] Als dan zulke daden en lessen uw ogen niet kunnen openen, en u daarbij in uw slechte harten alleen maar steeds kwaadaardiger en wraaklustiger wordt, vertel me dan eens, wat er bij u nog aan ontbreekt tot u volleerde duivels bent? Ja, ik zeg nog eens wat ik al een keer gezegd heb, dat u erger bent dan alle duivels bij elkaar, en daarom is het voor God en alle betere mensen juist en rechtvaardig, als men u uitroeit als verscheurende beesten!

[14] Ik ben echt wel iemand die diep meeleeft en ik ben bijzonder goedmoedig en mijn fijngevoeligheid maakt dat ik geen vlieg kan doodslaan ; en geen worm kan plattrappen; maar u zou ik zelf zonder angst de kop af kunnen slaan. Ik geef de overste dan ook groot gelijk, dat hij u tot de galg (heeft dezelfde betekenis als kruis) heeft veroordeeld.'

[15] In hun grote angst zagen de Farizeeën nu wel in, dat niemand medelijden met hen had en een goed woordje voor hen wilde doen bij de overste, die over geheel Galiléa het Romeinse, meestal onverbiddelijke, scherprecht uitoefende. Ze vielen daarom, bij elkaar zo'n dertig man, voor de overste op de knieën, zwoeren dat ze het echt zo kwaad niet hadden gemeend met hun eerdere opmerkingen tegen Jezus, en dat ze daarmee alleen maar op een wat indringender manier duidelijk hadden willen maken, dat de onmiskenbare kracht van God in Jezus, de Meester van alle Meesters, ook de opperste van de duivels aan zich dienstbaar kan maken en moet maken; want het zou toch erg droevig voor de mensen zijn, als God geen macht over de duivel zou hebben. Daar in Jezus zonder de geringste twijfel de allerhoogste macht en kracht van God aanwezig was, moest deze zowel over alle duivels als over alle engelen macht hebben en hen zonder uitzondering tot absolute gehoorzaamheid kunnen dwingen! 'Wij wilden daarom met het gezegde, dat hij die duivels met behulp van hun aanvoerder uitdreef, alleen maar zeggen, dat zijn kracht van God sterker is dan alles, wat in de hemel, op de aarde en onder de aarde is. Als u nu begrijpt, hoge gebieder van Rome, dat wij alleen maar dit en beslist niets anders hebben bedoeld met wat we zeiden, en dat we daarvoor ter dood zijn veroordeeld, hoe is het dan mogelijk, dat u ons zo hebt kunnen veroordelen? Wij vragen u daarom in de naam van de goddelijke Meester Jezus, of u zeer genadig uw uitgesproken oordeel weer in wilt trekken!'

[16] Toen zei de overste: 'Als Jezus, de Meester, een goed woordje voor jullie doet, wil ik mijn woorden wel terugnemen; als Hij echter zwijgt, dan sterven jullie beslist vandaag nog! Want van wat jullie zeggen geloof ik geen steek, omdat je in je hart heel andere dingen denkt dan je met je mond uitspreekt!'

[17] Na deze woorden van de overste vielen ze allemaal voor Mij op hun knieën en riepen: 'O Jezus, goede Meester, wij vragen u, red en verlos ons! Als u ons helemaal niet meer vertrouwt willen wij u gijzelaars geven, zodat we u in het vervolg geen hindernissen meer in de weg kunnen leggen! Want we zijn nu allemaal wel meer dan overtuigd, dat u een zuivere afgezant van God bent voor ons, Zijn helaas in vele opzichten slecht geworden kinderen! O Jezus, verhoor ons verzoek!'

[18] Ik zeg: 'Ga dan in vrede naar huis! Denk er echter om, dat u niet iets slechters onderneemt; want dan zou Ik nooit tegen u zeggen: 'Ga in vrede naar huis!'

[19] Dat beloofden ze Mij, en de overste zei: 'Omdat Hij jullie vrede gaf, geef ik het jullie ook en neem voor dit moment mijn oordeel terug; maar wee jullie, als ik ook maar het minste van jullie merk!'

[20] De Farizeeën putten zich uit in dankbetuigingen tegenover Mij en de overste, gingen toen zo snel mogelijk naar huis en zwegen zorgvuldig; want ze waren allemaal erg bang voor Cornelius. Maar in hun harten broedden ze des te meer op plannen om Mij te vernietigen en zich op de overste te wreken, maar ze moesten, omdat er zich geen gelegenheid Voordeed, net doen alsof er geen vuiltje aan de lucht was; want anders waren ze hun leven niet zeker. Dat was voor Mijn bezigheden echter wel prettig; want nu kon Ik geruime tijd, bijna tot in de late herfst, in de steden en marktplaatsen van heel Galiléa het evangelie van het Rijk van God ongestoord verkondigen en daarnaast allerlei besmettelijke ziekten en aandoeningen van het volk genezen. (Matth. 9:35)


1   ...   19   20   21   22   23   24   25   26   ...   43

  • 127 De dood van de dochter van overste Cornelius
  • 128 Kapérnaum.Opwekking van Cornelia

  • Dovnload 2.49 Mb.