Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Uitgeverij de ster, ginnekenweg 124, 4818 jk breda

Dovnload 2.49 Mb.

Uitgeverij de ster, ginnekenweg 124, 4818 jk breda



Pagina24/43
Datum05.12.2018
Grootte2.49 Mb.

Dovnload 2.49 Mb.
1   ...   20   21   22   23   24   25   26   27   ...   43
132 De hebzucht en hardheid van pachtkoning Herodes

[1] Vooral in de marktplaatsjes en dorpjes heerste veel ellende, en dat was de mensen, die daar onder allerlei lasten gebukt gingen, goed aan te zien. Fysiek en psychisch waren ze verstrooid en kwijnden ze weg als schapen tussen de wolven zonder ook maar één herder. (Matth. 9:36) Omdat die ontreddering van de arme mensen bijzonder veel medelijden in Mij opwekte, zei Ik net als aan de bron in Sichar: 'De oogst is groot; maar er zijn maar weinig arbeiders! (Matth. 9:37) Vraag daarom aan de Heer dat Hij arbeiders zendt om te gaan oogsten! Want deze armen zijn rijp voor het Rijk van God, en de akker waarop ze staan is groot. Ze smachten en snakken naar licht, waarheid en verlossing! Maar arbeiders, arbeiders! Waar vind je ze?!' (Matth. 9:38)

[2] De leerlingen zeiden: 'Heer, als U ons bekwaam genoeg vindt, zouden wij dan niet allemaal afzonderlijk op weg kunnen gaan en ieder een stad of een markt kunnen bezoeken?' Daarop zeg Ik: 'Wij zijn nu op weg naar één van de armste dorpjes. Zodra wij het dorp bereikt hebben, zal Ik de vaardigsten en de krachtigsten van jullie uitzenden naar de vele buurtschappen en plaatsjes, en jullie zullen dan al datgene doen, wat Ik doe en voor jullie gedaan heb. Maar nu gaan we vlug naar het dorpje!'

[3] Binnen een half uur hadden we het dorpje bereikt en daar troffen we een werkelijk onvoorstelbare ellende aan. Ouders en kinderen liepen er letterlijk naakt rond en bedekten bij gebrek aan wat beters met bladeren hun schaamte. Toen de dorpelingen ons aan zagen komen, rende alles, groot en klein en jong en oud, ons tegemoet en smeekte ons om een aalmoes; want het ontbrak hen aan alles. Kinderen huilden en hielden hun handen op hun buikjes; want ze hadden erge honger omdat ze al twee volle dagen geen eten hadden gehad, en de ouders waren vertwijfeld, ten dele door hun eigen knagende honger en nog meer vanwege hun om brood en melk vragende kinderen.

[4] Petrus, die diep bewogen was door deze aanblik, vroeg aan een rechtschapen uitziende oude man: 'Vriend, wie heeft jullie zo in de ellende gestort? Hoe zijn jullie in zo'n toestand terecht gekomen? Was er een vijand bij jullie en heeft die alles weg geroofd en, zoals ik zie, zelfs jullie huizen op de schandaligste manier verwoest? Want ik zie alleen maar muren, waarop geen daken en zolders zijn, en jullie voorraadschuren, die mij wel bekend zijn, liggen in puin. Hoe, hoe is dat toch gebeurd?'

[5] Toen zei de ondervraagde man met tranen in zijn stem: 'O beste en goede mensen! Dat heeft de grenzeloze hardheid en hebzucht van de pachtkoning Herodes gedaan! Zijn vader was de linker­ en hij is de rechterarm van satan. Wij konden de verlangde belasting niet betalen die hij tien dagen geleden van ons eiste; zijn gerechtsdienaars gaven ons zes dagen uitstel. Wat zijn echter zes dagen? In die tijd aten de gerechts­dienaars bijna geheel het beste deel van onze voorraad op en op de zevende dag namen ze, omdat we de verlangde onbetaalbare belasting onmogelijk betalen en vereffenen konden, alles wat we hadden, en het scheelde maar weinig of ze hadden dit naakte ellendige leven ook nog van ons afgenomen! O vrienden, het is hard, onvoorstelbaar hard! Als God ons niet helpt, dan verhongeren wij vandaag nog tesamen met onze kinderen! Help ons toch zoveel als in jullie vermogen ligt! Als die slechte knechten van Herodes ons nu maar niet tot op ons naakte lichaam uitgekleed hadden, dan konden we tenminste nog gaan bedelen; maar waar kunnen we in déze toestand nu heen gaan? Voor onze kinderen is het in alle richtingen te ver om te gaan; en wij zijn, zoals jullie zien, poedelnaakt! O God, o God, waarom moesten nu juist wij zo ontzettend in de ellende gestort worden? Aan welke van al onze zonden hebben wij deze straf te wijten, o Jehova?'

[6] Nu ga Ik naar de oude man en zeg: 'Vriend! Dit heb je niet te wijten aan jullie zonden, die zijn voor God de geringste van geheel Israël, maar dit heeft de liefde van God voor jullie gedaan!

[7] Jullie waren weliswaar de reinste mensen van Israël; maar er kleefden toch nog verscheidene wereldse lusten aan jullie ziel. God, die jullie liefheeft, zag dat en wilde je in één keer van al het wereldse bevrijden, opdat je nu geheel en al in staat zult zijn de genade van jullie Vader in de hemel te aanvaarden. Dat is nu gebeurd, en je bent nu voor altijd veilig voor Herodes. Want degenen, die hij helemaal uit Iaat roven, Iaat hij geen belasting meer betalen; want de onderdanen die tot de bedelstaf gebracht zijn worden geschrapt in het belastingboek.

[8] Zo zie je, dat je nu in één klap vrij bent van al het wereldse! Dat is de grootste weldaad van God voor jullie, en je kunt je nu helemaal bezig gaan houden met de zorg voor je ziel.

[9] Maar Ik zeg je: Bouw in de toekomst geen duur uitziende huizen, maar ga in armelijke hutjes wonen, en dan zal er niemand van jullie belasting eisen behalve de koning van Rome, die daar alleen het recht toe heeft; en hij vraagt slechts twee tot drie honderdsten. Als je dan wat hebt, dan kun je het geven, en heb je niets, dan ben je vrij. Maar later zullen we nog meer daarover zeggen.

[10] Ga nu echter in je huizen zonder dak; daar zul je eten en kleding vinden! Voed en kleed je en kom dan terug, en Ik zal dan nadere bijzonderheden met jullie afspreken!'


133 Een voedsel­ en kledingwonder

[1] Zodra de armen dat horen, gaan ze dankbaar en gelovig hun halfvernielde huizen in en zijn stom van verbazing, wanneer ze op de tafels goed en voldoende eten zien staan en daarbij ook allerlei kleding, voor oud en jong, groot en klein, en voor de beide geslachten. Iedereen vraagt aan iedereen, hoe dat gebeurde. Niemand weet het antwoord.

[2] Maar als ze ook hun voorraadkamers goed gevuld vinden, zeggen de vrouwen en kinderen tegen de mannen: 'Dat heeft God gedaan! Hij; die in de woestijn veertig jaren lang manna liet regenen en op deze wijze Zijn kinderen goed te eten gaf temidden van stenen en zand waarop geen , gras groeide, die zou ons toch zeker niet hebben laten verhongeren terwijl wij altijd tot Hem gebeden hebben!? O, dat is zeker: God verlaat degenen, die tot hem bidden, nooit!

[3] David, de grote koning, bad tot God in zijn ellende, en God hielp hem uit zijn grote nood, en het is nog nooit gebeurd dat God degenen die hulp aan Hem vroegen, niet verhoord heeft; het zou dus een onvoorstelbaar wonder geweest zijn als God ons niet in deze grote nood had verhoord. Want God is altijd volliefde voor diegenen die tot Hem roepen: ' Abba, lieve Vader!' Daarom willen we van nu af aan Hem boven alles, alles, alles liefhebben! Hij alleen is onze redder! onze heilige Vader heeft ons dit alles door Zijn heilige engelen uit de hemel laten brengen!'

[4] Dan zegt de oude man, die ook tot deze familie behoorde en bij wie altijd het hele dorp zich verzamelde om naar zijn wijze woorden te luisteren, want hij kende de Schrift zeer goed: 'Mijn kinderen, vrienden en broeders! Er staat toch in de Schrift: 'Uit de mond van kinderen en onmondigen verzamel Ik Mijn lofuitingen!' En zie, dat gebeurt hier in ons bijzijn! Onze lieve Vader heeft in Zijn grote barmhartigheid aan ons gedacht en heeft dit voor ons gedaan! Hem zij daarom al onze liefde en alle lof uit de monden van onze zuigelingen! Want de lof uit ónze monden is niet zuiver genoeg om welgevallig te zijn aan de Allerheiligste; daarom heeft Hij Zelf al de mond van onze zuigelingen geheiligd. Maar nu gaan we naar buiten naar de jonge man, die zei dat we naar binnen moesten gaan, en beslist wel wist, wat God voor ons heeft gedaan! Hij moet een groot profeet zijn, -misschien zelfs Elia, die nog eenmaal vóór de verwachte en al sinds lang beloofde Messias zal komen!'

[5] Een klein kind, dat nog maar net kon praten, vroeg: 'Vader! Als nu deze man zelf eens de Beloofde was?'

[6] De oude zegt: 'O kind, hoe kom je aan die woorden? Je spreekt nu niet als een kind, maar als een wijze in de tempel in Jeruzalem!'

[7] Daarop zegt de kleuter: 'Dat weet ik niet, lieve vader; maar ik weet wel dat ik eerst veel moeite had met het spreken en nu helemaal niet meer. Maar waarom vindt u dat vreemd? Gods wonderen zijn hier toch overal om ons heen!'

[8] ”Ja, ja, je hebt gelijk', zegt de oude, terwijl hij het kind tegen zich aandrukt, 'het zijn hier allemaal wonderen, en je hebt je beslist niet vergist toen je de jonge man zelfs voor de Messias aanzag. Want wat ons betreft is Hij dat zeker! Maar nu gaan we naar Hem toe en dan zullen we ook Hem in de naam van Jehova de Hem toekomende dank brengen! Want Hij is zonder twijfel door God naar ons toegezonden. Laten we nu dus vlug naar Hem naar buiten gaan!'

[9] Ze haasten zich nu allen naar buiten naar Mij toe, en de kleuters zijn de eersten die aan Mijn voeten neervallen en deze met hun onschuldige zuivere tranen van dankbaarheid en vreugde nat maken!

[10] Ik hef nu Mijn hoofd omhoog naar het firmament en zeg luid: 'Jullie hemelen! Kijk naar beneden en leer van deze kinderen hoe jullie God en Vader geprezen wil worden! O schepping, hoe eindeloos groot en oud ben je, en hoe ontelbaar veel wijze burgers bezit je, en toch kon je de weg naar het hart van je schepper, van je Vader, niet vinden zoals deze kleine kinderen! Daarom zeg Ik jullie: 'Wie niet tot Mij komt zoals deze kleinen, die zal de Vader niet vinden!'

[11] Toen ging Ik zitten en zegende en liefkoosde de kinderen. En de kleuter zei tegen de oude, die, omdat hij helemaal niet begreep wat er aan de hand was, uitriep: 'Wat betekent dat? Waarom? Hoe moeten wij dat verstaan?' - 'Vader, méér dan Elia is hier, méér dan jouw Messias! Hier is de Vader Zelf, de goede Vader, die ons brood, melk en kleding heeft gebracht!'

[12] De oude begint te huilen; maar het kleintje legt zijn hoofdje tegen Mijn borst, begint deze te kussen en te strelen en zegt na een poosje: “ Ja, ja, ik hoor het; hier in deze borst klopt het echte goede Vaderhart! Kon ik dat ook maar kussen!' Maar de oude zegt: 'Kindje toch, wees niet zo ondeugend!'

[13] Ik zeg: ' Jullie zullen allen zo ondeugend moeten worden, anders zullen jullie nooit zo dicht bij het Vaderhart komen als deze lieve kleuter!'




134 Roeping van de twaalf apostelen

[1] Matthéus en Johannes komen naar Mij toe en zeggen: 'Heer, dit wonder moet toch wel opgeschreven worden, want dit is te buitengewoon en te goddelijk!'

[2] Ik zeg: 'Heb Ik in Sichar niet hetzelfde gedaan en heb Ik een paar dagen geleden Mijn huis net als het huis van Mijn leerling Matthéus niet ook zo verzorgd? Dat wilden jullie ook allemaal opschrijven en dat liet Ik niet doen, omdat Ik daar een heel grondige reden voor heb. Waarom moet dan deze identieke daad opeens wel opgeschreven worden? Praat er maar niet meer over! Ik alleen weet het best wat nodig is voor de wereld en daarom zal Ik je wel zeggen, wat en wanneer jullie over een nieuwe gebeurtenis moeten schrijven! En broeder Johannes, jij bent nog lang niet aan de beurt.

[3] Maar nu beste leerlingen, zal Ik van jullie een aantal aanwijzen dat Ik ten dele nu reeds naar de steden van Israël zal sturen om de mensen de boodschap over het Rijk van God te brengen. (Matth. 10:1) Simon Petrus, jij bent de eerste; Andréas, broer van Simon, jij bent de tweede; Jacobus, zoon van Zebedéus, bent de derde en Johannes, z'n broeder, (Matth. 10:2) de vierde; Philippus, jij bent de vijfde; Bartholoméus, de zesde; Thomas, de zevende en Matthéus de tollenaar, de achtste; Jacobus zoon van Alféus, is de negende en Lebbéus, ook wel Thaddéus genoemd (Matth. 10:3), jij bent de tiende; Simon van Kana, jij bent de elfde, en Judas Iskariot, is de twaalfde.(Matth. 10:4)

[4] Ik geef jullie twaalven de macht om bij de mensen de onreine geesten uit te drijven en alle besmettelijke­ en andere ziektes te genezen. Overal moeten jullie het Rijk van God verkondigen; maar over de bijzondere, daden moeten jullie zwijgen!'

[5] Na deze verkiezing, vroegen de twaalf gekozen leerlingen Mij, waar ze dan nu dadelijk naar toe moesten, hoe ze moesten handelen en waarover ze in hoofdzaak moesten spreken.

[6] Daarop gaf Ik het hierna volgende uitgebreide antwoord, dat de twaalf uitgekozenen niet zo erg beviel; en zij voerden die opdracht pas na Mijn hemelvaart ten volle uit.

[7] De opdracht was echter ook zo geformuleerd, dat ze voornamelijk betrekking had op de tijd na Mijn hemelvaart toen de twaalf of liever allen, die in die tijd Mijn leer verkondigden, pas datgene ondervonden, wat Ik nu aan de twaalf bekendmaakte.

[8] Voordat Ik echter vertelover de uitgebreide opdracht aan de twaalf, moet Ik voor een juister begrip van het geheel vermelden, dat de evangeliën, ook die van Matthéus en Johannes, zoals ze in deze tijd in de verschillende talen te lezen zijn, slechts uittreksels zijn van het oorspronkelijk evangelie. en daarom ook in de verste verte niet alles bevatten wat Matthéus en Johannes hebben opgeschreven. Toch is er hier en daar door degene die het geschrevene later verzameld en overgeschreven heeft, iets toegevoegd wat duidelijk pas later bijgevoegd kon worden. Een voorbeeld hiervan is hier in het tiende hoofdstuk van Matthéus bij vers vier te vinden, waar bij de twaalfde apostel, Judas Iskariot, staat: 'die Hem later verried'. Matthéus, die zijn evangelie in Mijn bijzijn schreef, wist daar op het moment van de apostelkeuze nog niets van en kon daarom zo'n bijzin ook niet toevoegen; dat heeft in later tijden een overschrijver gedaan.

[9] Daarom staat zowel in de Hebreeuwse als in de Griekse bijbels vooraan altijd de aantekening: 'evangelie naar Matthéus', 'naar Johannes', enz.

[10] Niemand moet zich er daarom aan stoten, als hij bij het lezen van Matthéus en Johannes hier en daar soortgelijke passages tegenkomt, die de oorspronkelijke evangelist op het moment dat hij het evangelie schreef. niet op had kunnen schrijven omdat het daarin beschreven feit pas veel later plaats vond. Hier wordt alles echter streng chronologisch vastgelegd. en opdat er in de loop van de tijd door wetenschappelijke piekeraars geen verkeerde conclusies getrokken zullen worden, heb Ik deze bijzon­derheid hier op de daarvoor geschikte plaats vermeld.

[11] Net als al eerder zullen in het verdere verloop nog hier en daar verklarende stukken tussengevoegd worden. wat des te noodzakelijker is omdat door het overschrijven menig belangrijk punt niet geheel juist is overgeschreven en menige zaak die de kopiist niet authentiek toe leek. ook wel helemaal werd weggelaten. Want er is toentertijd veel opgeschreven, deels door ooggetuigen, deels van horen zeggen, en voor de eerlijke kopiist was het daardoor een heel moeilijke taak om in alle gevallen volledig waarheidsgetrouw te blijven.

[12] De beide evangeliën naar Matthéus en Johannes zijn op enkele kleinigheden na het zuiverste.

[13] Een kritisch mens zou hier kunnen vragen: 'Waar is dan het echte origineel gebleven? Bevindt het zich nog niet ergens op aarde. en was het bij het toenmalige aantal mensen dat de heilige geest ontvangen had. voor God dan onmogelijk om het oorspronkelijke evangelie woordelijk te reproduceren?'

[14] Het antwoord hierop is: De originelen zijn wijselijk vernietigd om te voorkomen dat in de kortst mogelijke tijd zulke relikwieën afgodisch vereerd zouden worden. Zelfs met valse en verzonnen relikwieën gebeurt dat nu nog, hoewel Mijn echte en zuivere leer dat streng verbiedt en daarbij ernstig waarschuwt voor het zuurdeeg van de Farizeeën. Stel u voor dat er een echte historisch bewezen relikwie zou zijn! Ik zeg u. dat daar nog veel meer afgoderij mee gepleegd zou worden dan met het zogenaamde heilige graf te Jeruzalem, waaraan behalve de plaatselijke toestand zelfs geen origineel zandkorreltje meer kleeft. Dit is de voor de hand liggende reden, waarom de originelen vernietigd zijn.

[15] Wat echter de tweede vraag betreft. daarop moet gezegd worden. dat de geest van de originelen ook in de afschriften geheel bewaard is gebleven; letters zeggen zonder meer niets. maar het gaat om één en dezelfde geest. Of is het soms niet meer dezelfde geest van God. als Hij zich hier op aarde op eindeloos verschillende vormen manifesteert en dat op een zon nog eindeloos gevarieerder doet? Zie, het is en blijft toch steeds één en dezelfde heilige Geest!

[16] Zo is dat ook het geval bij de afschriften van Mijn woorden. Hoe verschillend ze er ook van buiten uitzien, ze zijn van binnen toch met één en dezelfde geest vervuld, en meer is niet nodig!

[17] Ten overvloede kunt u nog de religies van vreemde volken nemen, zoals van de Turken, de Parsen, Hindoes, Chinezen en Japanners! Hoe zeer zij ook afwijken van Het geloof dat Ik alleen aan de kinderen uit de hemel der hemelen gaf, toch is ook in hen, hoewel veel dieper verborgen, dezelfde geest van God als een sturende kracht aanwezig!

[18] Ieder, die ook maar enige kennis bezit van de aard van de dingen, zal zonder moeite begrijpen dat zich in de vaak zeer dikke en verweerde schors, die jammer genoeg door velen al voor de boom zelf aangezien Wordt, allerlei vervuilingen en vele soorten wormen en insecten bevinden, die leven van het slechte voedsel dat de schors hen geeft. Omdat de schors uit de levende boom, maar nooit de levende boom uit de schors groeit, heeft de schors ook iets levends van de boom in zich, en daarom is het te begrijpen, hoe in en uit haar zoveel wormen en allerlei insecten toch een uiterlijk en vergankelijk levensvoedsel vinden.

[19] Oorlogen, vervolgingen, verwoestingen vinden slechts plaats op de schrale en levensarme bast, terwijl het hout van de levende boom fris en gezond blijft. Daarom moet levend hout zich ook niet bekommeren om wat er in de eigenlijk alleen maar dode bast gebeurt; want de bast zal blijven liggen als het hout verzameld wordt.

[20] Deze ingelaste verklaring was nodig om het volgende gemakkelijker en grondiger te kunnen begrijpen. En omdat voorlopig geen twijfel daarover kan bestaan, kunnen we nu weer welgemoed terugkeren naar de hoofdzaak.


135 Opdracht aan de apostelen

[I] Toen Ik de twaalf leerlingen uitkoos tot Mijn boodschappers en voorlopers, en hen door het opleggen van Mijn handen veelsoortige macht gaf en ook beknopt opdracht gaf hoe ze moesten handelen, vroegen alle twaalf zeer nadrukkelijk om een complete instructie over wat ze zouden moeten doen, waarover en hoe ze zouden moeten spreken en leren, hoe hun gedrag moest zijn, en wat hen zoal te wachten zou staan. Want hun vrees voor de vele Farizeeën en schriftgeleerden was niet gering.

[2] Matthéus, de tollenaar, was de enige die een beetje meer moed had, en hij gaf als commentaar bij alle bedenkingen die de twaalf naar voren brachten: ' Ach wat, ik ben een Griek; mij kunnen ze niet zo makkelijk iets maken! Daarbij ben ik niet op mijn mondje gevallen en ik heb twee sterke armen aan mijn lijf en kan bovendien duidelijk aantonen dat ik Romeins burger ben waarnaar geen brutale Jood een vinger durft uit te steken. Zo zal ik in ieder geval in het openbaar wel van ze afkomen. Maar voor geheime en verraderlijke vervolgingen zal de almachtige geest van onze Heer en Meester mij beschermen, en dus heb ik zelfs tegen de sluwste vijanden een groot aantal uitmuntende wapens, en ik ben daarom voor de hele hel niet bang! Jullie zijn voor het grootste deel Galileeërs, ofwel vijanden van de tempel, en meer Grieks dan Joods, en de Romeinen zijn jullie vrienden; wat hebben jullie onder die om­standigheden dan te vrezen? We moeten trouwens moedig zijn als het gaat om de verwezenlijking van zaken die zo eindeloos groot en heilig zijn! Ook al valt de aarde tot één grote puinhoop in elkaar, dan moet de juiste man toch met doodsverachting op de resten staande blijven en niet beven als een rietstengel! -Maar ik zou ook graag een complete en volledige instructie voor dit grote en heilige werk willen krijgen; want we moeten goed weten wat we zullen moeten doen en zeggen!'

[3] Na deze energieke toespraak van Matthéus d.t., kregen allen meer moed en begon hun rug behoorlijk te jeuken, alsof ze al liever weg zouden vliegen, dan te voet op weg te gaan.

[4] Toen ging Ik in hun midden staan en zei tot hen: 'Luister dan heel goed; Ik zal jullie nu zonder voorbehoud alles vertellen wat je moet weten.

[5] Bij de eerste zendingstocht zullen jullie weliswaar niet alles meemaken wat Ik je nu ga zeggen; maar nadat Ik in levende lijve van deze aarde naar Mijn hemelen opgevaren zal zijn om eeuwige woningen voor jullie klaar te maken in het huis van de Vader, zullen jullie alles meemaken wat Ik je nu als één geheel voor nu en voor de hele toekomst zal openbaren. Let daarom goed op en begrijp, wat voor nu en wat voor later bedoeld is!

[6] Wat Ik echter tegen jullie zeggen zal, geldt ook in meer of mindere mate voor degenen, die in Mijn naam volledig in jullie voetstappen treden. Schrijver Matthéus moet net als op de Garizim alles woordelijk opschrijven wat Ik thans zal spreken; want dit moet voor de wereld bewaard blijven, omdat het een krachtig getuigenis tegen haar zal zijn!'

[7] Matthéus de schrijver zet zich klaar om te schrijven en Ik zeg tegen de twaalf:

[8] 'Begeef je in de eerste plaats niet op de wegen van de heidenen! Dat betekent:

[9] Ga niet met geweld te werk en vermijd de volken, die als te woest bekend staan; want aan honden en varkens moet je het evangelie van het Rijk van God niet verkondigen. Want een varken blijft een varken, en de hond keert altijd gulzig naar zijn braaksel terug. Dat bedoel Ik als Ik jullie aanraad om je niet op de heidense wegen te begeven.

[10] Ga ook niet naar de steden van de Samaritanen! Waarom? Daar heb Ik reeds in jullie bijzijn een apostel naast jullie aangesteld, en ten eerste hebben ze jullie niet nodig en ten tweede zouden de Joden nog meer moeite hebben om jullie te accepteren als ze hoorden dat jullie met hun ergste vijanden samen gaan.

(Matth. 10:5) Maar ga wel overal moedig naar de verdoolde schapen van het huis Israël! (Matth. 10:6)

[11] Als je naar hen toegaat, leg het hun dan uit en toon hun op een begrijpelijke manier hoe dicht het hemelrijk nu bij hen gekomen is! (Matth. 10:7) En als ze naar je zullen luisteren en je prediking zullen aanvaarden, maak dan hun zieken gezond, reinig de melaatsen, wek hun doden op - afhankelijk van wat de Geest je zal ingeven -lichamelijk, maar altijd en vóór alles geestelijk!

[12] Drijf de duivels uit en zorg dat ze niet terug kunnen komen! Maar bij dit alles geldt wel steeds, dat je je daarvoor door niemand iets Iaat betalen! Want jullie hebben het voor niets van Mij gekregen, en net eender moeten jullie het ook weer in Mijn naam geven!' (Matth. 10:8) - Dit laatste zei Ik toen voornamelijk ten behoeve van Judas Iskariot, omdat hij meteen heimelijk bij zichzelf begon uit te rekenen, hoeveel hij zich Voor een bepaalde eenmaal bewezen dienst zou laten betalen. Alleen al voor de opwekking van een dode, voor wie de een of andere zeer rijke erg veel over zou hebben, wilde hij duizend pond vragen! Maar omdat Ik die rekenarij in het hart van de verrader maar al te gauw bemerkte, maakte Ik direkt bovenstaande toevoeging, waarop de desbetreffende wel een wat zuur gezicht trok, wat de tegenover hem staande Thomas niet ontging, die niet kon nalaten er tussendoor te zeggen: 'Nou, nou, je zet een gezicht als iemand, die woekerwinsten had te vorderen, waar het gerecht nu een armdikke streep door haalt!'

[13] Judas zegt: 'Het gaat je niets aan wat voor gezicht ik trek! Uiteindelijk zal ik jou ook nog verantwoording af moeten leggen voor mijn gezicht?! Ik ben toch net als jij geroepen en nu uitgekozen; wat sta je me dan steeds te corrigeren?'

[14] Thomas zegt: 'Ik corrigeer je niet; maar bij bepaalde gelegenheden mag ik je toch wel een vraag stellen? Waarom trok je dan daarnet niet zo'n zuur gezicht, toen de Heer ons allerlei wonderbare macht toebedeelde en toonde hoe we deze kunnen en moeten uitoefenen? Toen de Heer echter zei, dat we dat voor niets moeten doen, kreeg je gezicht meteen die azijnzure uitdrukking; ja, waarom dan? Heb je soms kramp gekregen, waardoor je wangen en je voorhoofd zulke zure rimpels kregen? Geef eens eerlijk antwoord, als je dat durft!'

[15] Judas zegt tegen Mij: 'Heer, zeg eens dat hij op moet houden, ­anders ben ik steeds aan zijn opmerkingen overgeleverd, die op den duur werkelijk beledigend voor me zijn!'

[16] Ik zeg: Vriend! Als iemand vals beschuldigd wordt, dan lacht hij in zijn hart daarom; want daar weet hij, dat hij onschuldig is. Maar als iemand, ook al is het schijnbaar toevallig, een ander van iets beschuldigt waaraan hij werkelijk schuldig is, -zeg dan eens, zal ook die mens in zijn hart lachen? O nee! Ik zeg je: Deze mens wordt in zijn hart boos op degene, die hem als bij toeval beschuldigde, en wordt nooit zijn vriend! Wind je daarom niet op, anders beken je op die manier zelf nog je schuld!'

[17] Op deze woorden trekt Judas meteen een zo vriendelijk mogelijk gezicht, om maar niet te verraden dat hij ergens aan schuldig is! Maar Thomas zegt bij zichzelf: 'O vos, ik ken je; mij ontsnap je niet!' .

[18] Simon van Kana vroeg nu: 'Heer, wat moeten we echter doen, als iemand ons voor een genezing goud, zilver of muntstukken wil geven? Moeten we dat ook niet aannemen? Er zijn toch veel armen, die we dan met dat geld goed zouden kunnen helpen!' Ongevraagd valt Judas hem bij en zegt: ' Ja, ja, dat vind ik ook! Als iemand voor gegeven hulp, goud, zilver of ook muntstukken als het ware zou worden opgedrongen, dan kon hij dat voor het door Simon van Kana genoemde doel toch wel aannemen!?'

[19] Ik zeg: 'Beslist niet, broeders!' Ik zeg je: Jullie zullen noch goud, noch zilver, noch muntstukken in jullie gordels hebben; want een goede arbeider verdient zonder dat alles zijn voedsel! (Matth. 10:9) Wie echter niet werken wil als hij het wel kan, die moet ook geen eten krijgen! Want er staat geschreven: 'In het zweet uws aanschijns zult u uw brood verdienen!' Maar dat een werkschuwe mens met behulp van een aalmoes van goud, zilver en muntstukken voor zijn eten moet zorgen, dat staat nergens geschreven! De zwakken, ouden en gebrekkigen moeten volgens de wet door de hele gemeente onderhouden en goed verzorgd worden.

[20] Maar zonder dat zal er toch al veel te gauw een tijd komen, waarin het goud, het zilver en het geld de mensen zal regeren en zal bepalen hoeveel men voor de wereld waard is. Dat zal echter een kwade tijd zijn; het licht van het geloof zal uitdoven, en de naastenliefde zal net zo hard en koud worden als het geld!

[21] Daarom moeten jullie bij het weggaan geen reiszak meenemen, ook geen twee mantels en geen reisstok! Want zoals Ik al zei, een goede arbeider Ïs zonder dat alles ook zijn voedsel waard!' (Matth. 10:10)


1   ...   20   21   22   23   24   25   26   27   ...   43

  • 133 Een voedsel­ en kledingwonder
  • 134 Roeping van de twaalf apostelen
  • 135 Opdracht aan de apostelen

  • Dovnload 2.49 Mb.