Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Uitgeverij de ster, ginnekenweg 124, 4818 jk breda

Dovnload 2.49 Mb.

Uitgeverij de ster, ginnekenweg 124, 4818 jk breda



Pagina26/43
Datum05.12.2018
Grootte2.49 Mb.

Dovnload 2.49 Mb.
1   ...   22   23   24   25   26   27   28   29   ...   43
140 Het goddelijk geheim in de mens

[1] Simon van Kana vraagt: 'Heer kunt U ons dan niet vertellen waar de hemel waarin de engelen wonen nu toch wel is, en hoe groot hij is; en hoe groot de zinnenwereld waarover U sprak, dan wel mag zijn?'

[2] Ik zeg: 'Vriend, je bent blind als je dat niet ziet en begrijpt. Ik zei toch al, dat de hemeloneindig groot is, wat vraag je dan nog naar zijn grootte? Het hemelrijk is geestelijk overaloneindig, dus net zo uitgestrekt als dit eindeloze wereldruim, waarvan je met je oog slechts een onnoembaar klein deeltje overziet.

[3] Deze aarde, de grote zon, de maan en al de sterren -ontzettend grote werelden, sommigen vele duizendmaal duizend millioen maal groter dan deze aarde -zijn, vergeleken met de eindeloos grote schepping van de zinnenwereld, allen bij elkaar verreweg niet zo groot en uitgebreid als wat het kleinste dauwdruppeltje is vergeleken bij de totale grote wereldzee, die toch zo groot is, dat een goede schipper het gehele oppervlak niet zou kunnen bevaren al werd hij dubbel zo oud als Methusalem. Maar de huidige zinnenwereld, zover die nu geschapen is, heeft toch een grens waarachter zich nog een eindeloze, eeuwige ruimte bevindt, die met haar naar alle kanten onbegrijpelijk eindeloze afmetingen zich verhoudt tot de eerder genoemde schepping van de gehele zinnenwereld als de eeu­wigheid tegenover één moment van de tijd.

[4] De geestenwereld is zelf net zo oneindig als de eeuwig nergens eindigende ruimte!

[5] Hoewel de ruimte dus in der eeuwigheid nergens eindigt en daarom in de ware zin des woords naar alle kanten oneindig is, is er toch in de eindeloze diepten en verten van de ruimte geen puntje, waar de geest van de wijsheid en macht van God niet net zo aanwezig is als hier nu bij jullie op deze plaats. De echte kinderen Gods, die door de ware liefde tot God, de eeuwige heilige Vader, en ook door de zuivere liefde tot de naaste gekend worden, zullen in het hiernamaals in het grote Vaderhuls de macht en kracht krijgen om in de eeuwig nooit te vullen ruimte steeds meer nieuwe scheppingen te creëren.

[6] Maar je ontwikkeling is nog niet, zo, ver dat je kunt begrijpen, wat Ik nu verteld heb. Alleen dit zeg Ik jullie nog: Geen sterfelijk oog kan zien, geen oor horen, en geen aards verstand kan ooit begrijpen wat degenen, die het waard worden om kinderen Gods te heten, in het hiernamaals in het hemelrijk wacht!

[7] Want voor de ogen van de echte kinderen Gods zullen de aarden, zonnen en manen als schitterend stof zweven.

[8] Wees daarom niet alleen hoorders, maar veel meer daders van Mijn woord!

[9] Pas door de daad zul je kunnen onderscheiden of de woorden, die Ik tot jullie gesproken heb en nog spreek, uit de mond van een mens of uit de mond van God tot jullie gekomen zijn! (Joh. 7:17)

[10] Maar net zoals jullie zelf vóór alles echte algehele toepassers van Mijn woord moeten zijn, als je tenminste in je hart krachtig ervaren wilt wie Hij is, Die je deze leer en het gebod der liefde heeft gegeven, zo moet je ook allen aan wie je Mijn woord zult verkondigen, aanzetten tot het toepassen; want zolang het woord alleen maar in de hersens blijft hangen heeft het niet meer waarde dan het lege gebalk van een ezel, dat zoveel anderen ook al produceren,

[11] Alleen als het woord in het hart dringt wordt het levend, gaat al gauw de wil beheersen die het zwaartepunt van de liefde is, en drijft van daaruit de gehele mens aan tot de daad.

[12] Door dit doen verandert de oude mens in een nieuwe mens, en Mijn woord wordt dan werkelijk nieuw vlees en bloed.

[13] En pas deze nieuwe mens in jullie zal je duidelijk vertellen, dat Mijn woorden werkelijk Gods woorden zijn, die nu en in alle tijden der tijden dezelfde macht, kracht en uitwerking hebben als eeuwigheden terug; want alles wat je ziet, voelt, ruikt, proeft en hoort, is oorspronkelijk slechts het Woord van God,

[14] Hij,Die voor eeuwigheden de werelden,zonnen en manen Zelf schiep en ze in hun uitgestrekte banen plaatste, Die zet nu jullie in nieuwe banen van het eeuwige leven!

[ 15] Ik zeg jullie echter bovendien, dat wie jullie opneemt, ook Mij opneemt; wie Mij echter opneemt, die neemt ook Hem op, Die Mij tot jullie gezonden heeft (Matth. 10:40), -en dat moet je goed begrijpen!'




141 Eerste uitzending van de apostelen

[1] 'Ik zeg jullie nog meer: Je weet, dat er nu net als in alle tijden profeten zijn, en die zullen er ook altijd bij alle volken der aarde tot aan het einde der wereld zijn, wat voor geloof ze ook mogen hebben. Want alleen door de profeten wordt, ook al zijn alle banden tussen hemel en aarde verbroken, nog standvastig een geheime verbinding onderhouden, die geen duistere macht kan doorbreken.

[2] Bij de echte profeten vond, vindt en zal men altijd valse profeten vinden; maar dat heeft op het al of niet echt zijn van een door de hemel geroepen profeet helemaal geen, of slechts een zeer geringe invloed, omdat de echte profeet maar al te gauw de leugenaar voor de wereld ontmaskeren zal, en deze de straf van de hemel nooit zal ontlopen.

[3] Maar als een echte profeet in een huis komt en als zodanig aangenomen wordt, zal degene die hem als een echte profeet opneemt, of ook als hij een door de profeet gezondene in naam van de profeet opneemt, hem aanhoort en in zijn hart rekening houdt met diens woorden, in het hiernamaals in het Rijk van God het loon van een profeet krijgen. En wie een rechtvaardige in de naam van een rechtvaardige opneemt, -dat wil zeggen, als zo iemand als rechtvaardig bekend staat en die naam hem toekomt, of ook als hij niet als zodanig bekend staat, maar door degene die hem opneemt als zodanig erkend wordt en hem zo opneemt, zonder van de rechtvaardige een bewijs te vragen -, die zal eenmaal in het hemelrijk het loon van een rechtvaardige ontvangen. (Matth. 10:41)

[4] En Ik voeg daar ook nog aan toe: Kijk eens naar deze kleinen, die hier liefdevol om Mij heen zijn! Wie in de naam van een leerling aan de allerminste van deze kleinen slechts een beker water geeft, waarlijk Ik zeg jullie, zo'n zeer geringe daad zal niet onbeloond blijven. (Matth. 10:42)

[5] Nu hebben jullie alles wat je nodig hebt voor datgene waarvoor Ik je heb uitgekozen. Ga nu naar alle steden die Ik jullie heb aangewezen, en maak hun die daar wonen het Rijk van God bekend, en doe datgene wat Ik je nu heb aanbevolen: jullie loon zal niet gering zijn.

[6] Als jullie in het niet zo grote aantal steden van Israël de opdracht hebt uitgevoerd, kom dan weer naar Mij terug, opdat Ik jullie dan in de diepere geheimen van het Rijk van God kan inwijden; want het zal jullie worden gegeven om zulke geheimen van het Rijk van God te begrijpen.'

[7] Petrus vraagt: 'Heer, moeten wij twaalven tesamen of alleen, ieder voor zich, naar de verschillende steden gaan en ook naar de markten en dorpen?'

[8] Ik antwoord: 'Dat hangt van jullie af; maar het is beter, als je minstens met z'n tweeën of met drie tesamen gaat, zodat de een voor de ander kan getuigen; Mijn geest kan sterker door jullie werken als twee of drie van jullie ergens in Mijn naam samen zijn en zo leren en werkzaam zijn.

[9] Maar dat jullie nu juist met z'n allen bij elkaar moet blijven, dat is in de eerste plaats helemaal niet nodig, en in de tweede plaats zou je des te moeilijker in een willekeurig huis onderdak vinden vanwege de ruimte en de verzorging. Maak daarom een verdeling in groepjes van twee of van drie! Kies echter vooraf de steden, markten en dorpen uit en spreek onder elkaar af, wie waar naar toe gaat!

[10] Daardoor kun je in verscheidene steden tegelijk werken en zul je veel tijd winnen en des te eerder weer naar Mij terug kunnen komen. Als je ijverig bent, zijn jullie in zeven weken gemakkelijk klaar, eerder kan ook. Maar ga nu; want ieder uur is waardevol!'

[11] Judas Iskariot zegt: 'Heer, de zon gaat al gauw onder, de dag duurt geen half uur meer en het is hiervandaan naar alle plaatsen ver; als je goed doorloopt, bereik je zelfs het dichtstbijzijnde dorp pas na twee uur. Zouden we niet net zo goed morgen heel vroeg op weg kunnen gaan?

[12] Ik zeg: 'Neen, Mijn vriend, iedere minuut vertraging is gevaarlijk! Jullie bereiken vandaag net na zonsondergang een marktplaats, die achter de berg naar het oosten ligt, daar zal men jullie hulp nodig hebben en je zult daar een goed onderdak vinden; maar blijf daar niet langer dan drie dagen, en doe dat ook niet lichtvaardig ergens anders! Tot daar moet je bij elkaar blijven; in die marktplaats moet je je in groepjes splitsen!'

[13] Na deze woorden gingen de twaalven snel op weg, en de bewoners van dit verwoeste, maar door Mijn genade wonderbaar herbouwde dorpje, gaven hen een paar mensen mee die goed de weg kenden, en die hen langs de kortste weg naar het marktplaatsje brachten.




142 De eerste daad van de uitgezonden apostelen

[1] Toen de twaalven na een paar uurtjes in het bovengenoemde markt­plaatsje aankwamen, vonden ze de bewoners huilend en schreiend en enigen hartverscheurend klagend, in groepjes voor de poorten van het plaatsje; want Herodiaanse belastingafpersers gingen daar te keer. Ze plunderden de huizen en namen van de ouders die niet konden betalen, de liefste, beste en mooiste kinderen af, bonden deze als kalveren met touwen bij elkaar en wierpen hen op hun met ossen bespannen belastingwagens. Toen de leerlingen die gruwelen constateerden, richtten ze zich in hun harten tot Mij.

[2] En toen ze in hun hart duidelijk de woorden vernamen: 'Wat jullie willen, dat zal ook dadelijk gebeuren!', - zeiden ze tegen de treurige bewoners: 'Vrede zij met u! Het Rijk van God, waarvan wij in de naam des Heren de verkondigers zijn, kome tot u! Ga met ons mee uw plaats in, en we zullen voor u afrekenen met de onrechtvaardige en harteloze belastingafpersers!”

[3] De inwoners zeggen: 'O, die luisteren niet naar u! Want die onrecht­vaardige belastingafpersers zijn geen mensen, maar wilde verscheurende dieren, die u boosaardig zullen aanvallen.'

[4] Petrus zegt: 'Beste broeders, aanvaardt wat wij u brengen; het andere zal de Heer door ons doen! Verwacht geen goud en zilver van ons; maar wat wij hebben, dat zult u ook van ons krijgen. Nu gaan we echter snel opdat de kinderen niet te lang lijden!'

[5] Wanneer de leerlingen met de bewoners in het plaatsje komen, zien ze verscheidene wagens vol met allerlei bezittingen, een paar wagens met kinderen en nog andere met schapen en kalveren beladen, en de belastingafpersers geven al het teken om weg te rijden en letten niet op het schreien en jammeren van de gebonden kinderen.



[6] Petrus stapt naar de leider van de belastingafpersers en zegt op heel ernstige toon: 'Ongelukkige! Met welk recht begaat u zulke afgrijselijke daden? Weet u dan niet, dat boven u een almachtige God leeft, Die u tesamen met uw medeplichtigen in een oogwenk kan vernietigen? Houd met uw gruwelen op, geef alles terug, anders zult u op deze plaats de volle gestrengheid van Gods toorn over u zien komen!' De leider van de belastingafpersers zegt tegen Petrus: 'Wie ben je, dat je het waagt om op zo'n toon met mij te spreken? Weet je soms niet, welke macht ik van Herodes heb gekregen, die deze gepacht heeft van de keizer in Rome? Weet je soms ook niet, dat ik ieder, die mij in de weg komt, ogenblikkelijk zonder enige voorafgaande rechtspraak kan laten doden? Ga nu opzij! Nog één woord, en je voelt de scherpte van het zwaard!'

[7] Petrus zegt: 'Nu dan, omdat u – hoewel ook een zoon van Jacob - geen mens meer bent, maar een wild, verscheurend dier, daarom zal het gericht van God u en uw handlangers treffen! Want ik, die u dit verkondig, ben een afgezant van God, en die met mij zijn, zijn het ook! Wat u met mij wilde doen, omdat ik u in de naam van God van gruweldaden afhield, had u met God willen doen; daarom zal u dan ook het gericht van God treffen! Amen!'

[8] Toen Petrus dat met veel vuur uitsprak, sprong er vuur op uit de aarde, greep de leider en verteerde hem in een oogwenk. Toen zijn handlangers dat zagen, schrokken ze zo ontzettend, dat ze voor Petrus neervielen en beloofden alles te doen, wat hij ook maar zou bevelen, als hij hen maar niet zo verschrikkelijk zou straffen!

[9] Petrus zegt: 'Laat dan iedereen vrij en geef alles terug en ga dan in vrede! Maar zie er van af Herodes ooit weer zo'n dienst te bewijzen; want bij de eerstvolgende stap in die richting, gebeurt met jullie, wat nu in je bijzijn met jullie leider is gebeurd!'

[10] Na deze woorden binden de belastingafpersers meteen de kinderen los en laten ze vrij, en doen dat ook met het vee, zoals schapen en kalveren, en ook met alles wat ze in dit plaatsje afgeperst hebben, waarvoor zij en ook Herodes geen recht hadden. Want dit plaatsje had zich bij de Romeinen al een jaar eerder vrijgekocht van Herodes, zoals meer plaatsen dat gedaan hadden vanwege de onbegrensde onderdrukking van Herodes. Maar Herodes ondernam heimelijke strooptochten, liet de afkoopoor­konde ongeldig verklaren en gaf aan zijn belastingafpersers volmacht met een nieuwe oorkonde, waarmee hij zich bij de keizer kon verantwoorden.

[11] Petrus legde nu aan de belastingafpersers uit, welk onrecht ze hun broeders aandeden, en zij begonnen Herodes te vervloeken en zichzelf te verwensen dat ze zo dom waren zo'n tiran te helpen.

[12] Maar Petrus begon over het Rijk van God te leren, en zie, alle belastingafpersers bekeerden zich en volgden nu Petrus, ongeveer honderd in getal, en dat was een goede vangst; want deze belastingafpersers werden toen zelfbuitengewoon actief en droegen veel bij tot een snellere verbreiding van Mijn leer .

[13] De bewoners van dit plaatsje hielden de leerlingen drie dagen bij zich en lieten zich zelfs in Mijn naam dopen. Want de leerlingen doopten in Mijn naam ook ieder, die de doop verlangde, met water .

[14] Daartoe hadden ze van Mij weliswaar nog geen opdracht ontvangen; maar ze wisten dat dit niet tegen Mijn wil was.

[15] De inwoners deden er alles aan om de leerlingen zo goed mogelijk te verzorgen, en brachten tenslotte geld, omdat zij hun zieken genezen hadden. De apostelen namen echter geen geld aan, en ook niets anders, waarover de vroegere belastinginners zich zeer verwonderden en zeiden: 'Uw ongeëvenaarde onzelfzuchtigheid bewijst nog meer dan uw wonder­daden, dat u echte gezanten van God zijt; want mensen van deze wereld denken alleen maar aan hun eigen belang'.

[16] Judas was weliswaar uit het veld geslagen toen hij het vele geld zag dat men hem wilde geven; maar Thomas bleef steeds bij hem, en daarom durfde de geldgierige leerling het dit keer niet aan te nemen, wat hem heimelijk echt speet.

[17] Na drie dagen verdeelden de leerlingen zich van hieruit in groepjes van twee, en met ieder tweetal gingen ook tien tot vijftien van de bekeerde belastinginners mee en bewezen de leerlingen goede diensten; want ze waren erg moedig en hadden geen mensenvrees.

[18] De twaalven deden nu, wat Ik hen geboden had, en deden overal goede zaken.

[19] Wat deed Ik echter, nadat Ik de twaalf leerlingen met de gegeven opdrachten had uitgezonden?




143 Het antwoord van de Heer aan Johannes de doper

[I] Toen de leerlingen, zoals nu duidelijk genoeg verteld is, de plaats verlieten waar Ik hen de opdrachten gaf, bleef Ik daar nog tot zons­ondergang, zegende dit arme volkje en de kindertjes, en trok toen ook verder met nog een groot aantal leerlingen die Mij omringden, naar de steden langs de zee van Galiléa. Een aantal van de leerlingen die bij Mij gebleven waren, hoorde daar thuis en was daar geboren. Ik leerde en predikte daar Zelf wat Ik de twaalven had opgedragen om te leren en te prediken, en Ik genas overal de zieken. (Matth. 11: 1 )

[2] In deze tijd was echter Johannes, die aan de Jordaan gedoopt had, al door Herodes in de gevangenis geworpen; oorzaak daarvan waren de priesters in Jeruzalem, die daarvoor bij Herodes al hun invloed uitgeoefend hadden. want ze konden Johannes niet vergeven dat hij hen 'slangen­broeds' en 'addergebroed' genoemd had. Maar zelf dorsten ze de prediker in de woestijn niet te belagen, omdat ze wel wisten dat het volk hem voor een groot profeet hield; daarom verschuilden ze zich natuurlijk door middel van geld en politieke druk achter Herodes, en Herodes nam hem gevangen onder het voorwendsel, dat hij een gek was die het volk opruide en hun hoofden met allerlei staatsgevaarlijke ideeën vol stopte en de mensen helemaal gek maakte.

[3] Maar eigenlijk kon het Herodes weinig schelen wat Johannes leerde, bij hem telde alleen dat hij daarmee een goede buit binnenhaalde. Herodes hield Johannes daarom niet zo heel streng opgesloten en tegen een redelijk bedrag kon iedereen hem in de gevangenis bezoeken. Leerlingen van Johannes, die dat konden bewijzen, betaalden voor een hele week slechts een stater, terwijl anderen voor een dagbezoek een zilverling moesten betalen.

[4] Herodes had er ook helemaal geen bezwaar tegen dat Johannes in een grote zaal, ter grootte van een hedendaagse grote gevangenis, net zo veel predikte en lawaai maakte als hij maar kon en wilde, want dat bracht Herodes zoveel te meer geld in het laatje.

[5] Vaak bezocht hij zelf Johannes en moedigde hem aan om nu juist in de gevangenis, waar hij veilig was voor de priesters en de Farizeeën, nog meer van zich te laten horen dan voorheen in de woestijn bij Bethabara, en hij noemde zich vriend en beschermer van Johannes.

[6] Johannes wist in de geest wel met wie hij te doen had; maar hij benutte deze gelegenheid toch en predikte in zijn gevangenis verder, en zijn leerlingen mochten vrij bij hem komen, natuurlijk wel tegen de kleine storting van een stater per week. Tempelpriesters moesten een pond betalen als ze naar Johannes wilden, en op hun vraag aan Herodes, waarom hij Johannes in de gevangenis verder liet prediken, antwoordde Herodes, die sluwe vos: 'Dat is een geheim politiek spelletje van mij, daardoor leer ik alle aanhangers van deze staatsgevaarlijke mens kennen!' Dit antwoord was aanleiding voor de priesters om Herodes bijzonder te prijzen en ze schonken hem veel goud, zilver en edelstenen; want ze dachten bij zichzelf: 'Dit is de juiste man; die moeten we zoveel mogelijk steunen; hij is voorbestemd om al dat profetengespuis uit de weg te ruimen.'

[7] Maar Herodes, een geboren Griek, vond alleen geld belangrijk en al het andere kon hem niet in het minst schelen. Behalve geld hadden ook nog hele mooie concubines voor hem enige waarde. Om die te plezieren kon hij zelfs onmenselijk worden als ze dat wensten; verder kreeg niemand zonder geld iets van hem gedaan, - maar voor geld deed hij dan ook alles.

[8] Aan de hand van deze nauwkeurige beschrijving van Herodes is het voor iedereen wel duidelijk, hoe Johannes in zijn gevangenis zijn leerlingen bij zich kon hebben, en hoe hij daardoor, zowel door zijn leerlingen alsook door andere mensen die hem vaak bezochten, op de hoogte kon blijven van Mijn doen en laten in Galiléa.

[9] Omdat Johannes dus in de gevangenis hoorde hoe Ik leerde en werkte, zond hij al spoedig twee van zijn betrouwbaarste leerlingen naar Mij toe (Matth. 11:2) en liet hen vragen: 'Bent U het, Die voorzegd is, of moeten wij nog op een ander wachten?' (Matth. 11:3)

[10] Hier zal men vragen: 'Hoe is het mogelijk dat Johannes, die als eerste het grootste en schitterendste getuigenis over Mij gaf, zoiets kon vragen?' Voor degenen, die iets verder kunnen denken dan alleen maar aan het materiële, is de reden hiervoor eenvoudig en zelfs logisch.

[11] Nadat Johannes Mij had Ieren kennen, meende hij, en was daar ook helemaal van overtuigd, dat Ik stellig de beloofde Messias was en dat het gehele Joodse volk alleen al door Mijn komst zo goed als volledig was verlost, en dat alle macht van de groten der wereld voor eeuwig had opgehouden. Toen hij echter in de gevangenis kwam en er van dag tot dag meer van overtuigd raakte, dat met Mijn komst de macht van de groten der wereld niet was opgehouden maar zich integendeel had vergroot, begon ook Johannes zo zachtjes aan bij zichzelf aan Mijn echtheid te twijfelen.

[12] Want hij dacht bij zichzelf: 'Als deze Jezus uit Nazareth werkelijk de Beloofde is, de Zoon van de levende God, hoe kan hij mij dan in de steek laten en mij niet bevrijden uit de gevangenis, en hoe kon hij het toelaten dat ik in de gevangenis kwam?'

[13] Daarentegen hoorde hij van degenen die hem bezochten, welke nooit gehoorde daden Ik deed, en daarom zond hij dan twee van zijn betrouw­baarste leerlingen naar Mij toe, die Mij de bovengenoemde vraag moesten stellen.

[14] Omdat Ik de reden wel wist waarom Johannes dat aan Mij liet vragen, antwoordde Ik de leerlingen heel kort en zei tegen hen: 'Ga heen en vertel aan Johannes, wat je ziet en hoort (Matth. 11:4): De blinden zien, de lammen lopen, de melaatsen worden rein, de doven horen, de doden staan op, en de armen wordt het evangelie gepredikt. (Matth.11:5) Maar zalig is en wordt degene, die zich niet aan Mij ergert!' (Matth.11:6) Toen wisten de leerlingen niet, wat ze daarop moesten zeggen.


144 Het getuigenis van de Heer over Johannes de doper

[I] Pas na een poosje vroeg de oudere van hen aan Mij, waarom Johannes nu in de gevangenis moest wegkwijnen, terwijl hij toch nooit tegenover God en alle mensen gezondigd had.

[2] Ik zeg: 'Als hij het wilde, kon ook hij vrij zijn! De maan doet 's nachts wel goede dienst; maar als hij ook met de zon wedijveren wil, als zou zijn licht overdag naast de zon net zo belangrijk zijn als dat van de zon, dan maakt de maan een grote vergissing. Want als de zon er eenmaal is, dan kan de aarde het schijnsel van de maan heel goed missen. Begrijp je dat?

[3] Indien Johannes Mij duidelijk herkende toen Ik aan de Jordaan naar hem toe kwam, wie verbood hem dan om Mij te volgen? Hij bleef in zijn woestijn en gedroeg zich daar als een strenge boeteling - en had toch nooit gezondigd. Waarom deed hij dat dan? - Hij heeft zichzelf aan Herodes uitgeleverd; nu moet hij maar zien hoe hij met die vos klaar komt!

[4] Zeg hem echter ook, dat Ik niet ben gekomen om de aardse macht van de groten af te nemen, maar om hen op hun heersersstoelen te bevestigen. Maar wie met Mij twisten wil, die zal een harde strijd moeten doorstaan!'

[5] Nadat de beide leerlingen die woorden van Mij gekregen en gehoord hadden, antwoordden ze niets meer, maar namen afscheid, gingen meteen terug naar Johannes in Jeruzalem en brachten hem alles ook direkt over.

[6] Johannes sloeg zich vol berouw op de borst en zei: ' Ja, ja, Hij is het, Hij heeft gelijk; Hij moet groter worden en ik moet minder worden en deze wereld achter mij laten.

[7] In het dorpje Seba, een vissersdorp aan de Galilese zee, zetten de vele bewoners en ook diegenen die Mij uit andere dorpjes daarheen gevolgd waren, grote ogen op over Johannes de doper en zeiden: 'Hoe is het mogelijk dat hij een zonde beging? Want dat hij U, o Heer, nadat hij U toch herkend had, niet gevolgd is, dat was dan toch een hoofdzonde waarvoor hij nu moet boeten!? Heer plegen wij onrecht, als wij zo oordelen?'

[8] Ik antwoord hen echter: 'Als de volle maan 's nachts schijnt, dan gaat iedereen naar buiten, bewondert haar licht en verheugt zich daarover; maar als de zon komt, terwijl de maan heel bleek en mat nog aan de hemel staat, dan wenden allen zich af van de maan, vergasten hun ogen aan het machtige zonlicht en prijzen het bij iedere flonkerende dauw­druppel; want onder de zon glanst één druppel water meer dan tien manen 's nachts.

[9] Is het dan een zonde van de maan dat zij overdag door de zon in de schaduw wordt gezet, en dat zelfs één dauwdruppel voor het oog van de toeschouwer meer licht afstraalt dan de hele maan?

[10] Ik zeg jullie allen: Wie oren heeft, die hore! Ook de Mensenzoon is een zon, en Johannes is Zijn maan. De maan geeft wellicht in jullie geestelijke nacht en getuigde vooraf over het licht dat nu bij jullie is gekomen, en dat je nog steeds niet herkent in jullie duisternis; als de glans van deze maan nu echter mat wordt, omdat de zon van de dag bij jullie schijnt, hoe kan je hem dan van zonde verdenken?

[11] Waarlijk, Ik zeg je, zo lang er al mensen op deze aarde bestaan, vanaf Adam tot nu toe, heeft nog nooit een zuiverder ziel in een lichaam gewoond en het tot leven gebracht!

[12] Nu vraag Ik echter, omdat jullie allen in de woestijn bij het dopen en prediken van Johannes geweest zijn, - jullie hebben allemaal zijn prediking gehoord, en de meesten hebben zich ook laten dopen -: Waarvoor zijn jullie dan de woestijn in gegaan?

[13] Wilden jullie soms een riet zien dat de wind heen en weer bewoog?



(Matth. 11:7) Of zijn jullie naar buiten gegaan om een mens te zien die in zachte kleding gehuld was? Kijk, degenen, die zachte kleren dragen, wonen in de paleizen, maar niet in de harde woestijn bij Bethabara! (Matth. II :8) Of zijn jullie daarheen gegaan om een profeet te zien?

[14] Ja, Ik zeg je: Johannes is méér dan een profeet! (Matth. 11:9) Want van hem staat geschreven: 'Zie, Ik zend Mijn engel voor U uit, die Uw weg voor U zal bereiden!' (Matth. 11:10) Bemerken jullie nu, wie hij is?

[15] Voorwaar, Ik zeg nog duidelijker dan Ik het jullie al gezegd heb: Onder allen die vanaf den beginne uit vrouwen zijn geboren, was er niet één die groter was dan deze Johannes de doper; maar Ik zeg Je ook, dat van nu af aan de kleinste in het Rijk van God groter zal zijn dan hij. (Matth. 11:11)

[16] Maar denk daar wel aan: Sinds de dagen van Johannes de doper tot nu en voortaan heeft het hemelrijk onder geweld te lijden, en die het geweld aandoen, die trekken het tot zich! (Matth. 11:12)

[17] Alle profeten en ook de wet van Mozes hebben voorspellingen gedaan tot aan Johannes. (Matth. 11:13) Hij was de laatste profeet vóór Mij.

[18] Als jullie het wilt aanvaarden dan is nu juist deze Johannes dezelfde als Elia,, die in de toekomst, dat wil zeggen vóór de Messias, nog éénmaal moest komen! (Matth. 11:14) Hij is dan ook gekomen en heeft voor Mij geprofeteerd en heeft Mijn weg voorbereid, zoals jullie het zelf ondervonden hebben. Zeg nu eens, of je nu weet, wie Johannes is!'



145 De geest en de ziel van Johannes de doper
[I] De mensen zeggen: 'Heer! Als dat zo is, dan is het toch niet rechtvaardig dat U hem nu in de kerker laat! Te oordelen naar Uw daden, die buiten God zeker geen mens tot stand kan brengen, zou het voor U toch niet moeilijk zijn om de doper, omdat hij voor U gewerkt heeft, te bevrijden! Heer, dat zou U toch wel moeten doen en U zou hem nu niet in de steek moeten laten!'

[2] Ik zeg: 'Wie zelf komt, kan meer bereiken dan wie een bode of een brief stuurt. De geest van Johannes is groot en groter dan alle geesten, die ooit op deze aarde een lichaam gehad hebben; maar zijn lichaam behoort aan deze aarde, en uit diens zwakheden heeft zich ook een zwakke zielontwikkeld, en zo is het goed!

[3] Want een geest, die zo sterk is, is wel in staat om een zwakke ziel krachtig op te voeden; maar het vlees en de ziel van Johannes zijn zwak. Daarom stuurde hij in zijn plaats steeds boden, en boden en brieven bereiken nooit datgene, wat de eigen persoon, waarin ziel en geest wonen, bereiken kan.

[4] Ik mag en Ik kan met Mijn wil niemand Mijn kracht en macht schenken, tenzij iemand komt en ze zelf neemt; want Ik zal niemand ooit verhinderen zich naar eigen keus van het leven te beroven of het oordeel over zich af te roepen, en zo kan men ook Mijn macht en kracht nemen als men die voor een goed doel nodig heeft.

[5] Maar wie niet zelf komt, die zal niets krijgen -behalve de genade des lichts, opdat hij daardoor hier of in het hiernamaals de weg naar Mij vindt en onderweg inziet, dat Ik Zelf de weg naar het leven en het Leven Zelf ben.

[ 6] Johannes deed wat niemand deed, om volledig meester van zijn lichaam te worden. Hij zag het heil vóór zich en kon het toch niet grijpen. Waarom ging dat niet? Moest het misschien zo zijn?

[7] Vóór jullie staat degene, die het 'Moet' uitspreekt, als dat nodig is! Maar Hij zegt jullie ook, dat Hij wat Johannes betreft hier geen 'Moet' uitgesproken heeft.

[8] Zijn roeping, om terwille van de mensen voor Mij de weg te banen, was een zeker 'Moeten', waarachter echter ook nog eeuwige vrijheid verborgen ligt, die jullie in dit lichaam niet kunnen begrijpen; maar dat hij Mij had mogen volgen toen hij Mij zag en herkende, dat was geen 'behoort' en nog minder een 'moeten'. Zijn geest heeft toen geluisterd naar de ingeving van de ziel, begon daarom ook te twijfelen en heeft al voor de tweede maal boden naar Mij gestuurd. Wie vraagt, weet nog niet waar hij aan toe is; want iedere vraag gaat uit van pure onwetendheid, of twijfel aan de waarheid van wat men denkt te weten. Als Johannes helemaal wist waar hij aan toe was, zond hij geen boden naar Mij.

[9] Wel heeft er vóór hem nooit een mens een zo streng leven geleid als hij -want, als hij een begeerte in zijn lichaam voelde, at en dronk hij dagenlang niets en was op die manier de grootste boeteling der aarde, zonder ooit gezondigd te hebben -; maar toch zeg Ik jullie allen: Als een zondaar zich bekeert en vol liefde in zijn hart tot Mij komt, staat hij hoger dan Johannes!

[10] Want wie tot Mij zegt: 'Heer ik ben een zondaar en ik ben niet waard, dat U in mijn huis komt!', is Mij liever dan negen en negentig rechtvaardigen, die geen boetedoening nodig hebben en in hun hart God ervoor prijzen, dat ze geen zondaars zijn en daarom beter zijn dan iemand die haast niet zondigt. Ik zeg jullie: Hun loon zal eens in Mijn rijk niet zeer groot zijn!'



146 Kis. Bekering van Kisjonah de tollenaar
[1] Toen Ik deze toespraak beëindigd had, kwam er uit de volksmenigte een tollenaar naar voren wiens hart al lang van liefde voor Mij gloeide, hoewel het zich van menige zonde bewust was. Deze man viel voor Mij neer, raakte met zijn gezicht de grond en sprak:

[2] 'O Heer! Hier in het stof ligt iemand voor U, die wel een groot zondaar is, maar U toch boven alles durft lief te hebben. Kijk, Heer, het is al ruim tijd voor het middagmaal; als ik waard ben dat U onder mijn dak zou komen, dan wil ik U en al Uw leerlingen aan tafel uitnodigen! Ik en mijn huis zijn te onrein en zondig voor U; maar in mijn keuken zijn reine spijzen en dranken klaargemaakt. 0, bewijs mij arme zondaar de genade, dat ik de spijzen door reine handen voor U hierheen mag laten brengen!'

[3] Ik zeg: 'Kisjonah! Sta op, Ik zal met je in je huis gaan en bij jou het middagmaal gebruiken! Je huis zal een groot heil te beurt vallen ­niet vanwege je zonden, maar om je ware liefde en deemoed; daarom zijn ook al je zonden je zo vergeven, alsof je nooit gezondigd had!'

[4] Daarop kwam de tollenaar Kisjonah overeind, en Ik ging met hem en veelleerlingen in zijn huis. Wel meer dan honderd personen werden daar rijkelijk verzorgd, en de beste wijn ontbrak niet.

[5] Behalve Mijn leerlingen was er echter ook nog een grote volksmenigte uit alle plaatsjes van Galiléa en Judéa verzameld, die Mij tot aan het huis van Kisjonah begeleidde; en Kisjonah liet hen, omdat ze bij Mij waren en er in huis geen plaats voor was, buiten brood en wijn geven.

[6] Bij zo'n gelegenheid ontbraken natuurlijk nooit de Farizeeën, die Mij vanuit Kapérnaum overal heen volgden. omdat deze Mij weer opgewekt en vrolijk zagen eten en drinken, en zagen hoe Ik ook aan tafel de berouwvolle tollenaars - die, volgens de Joden, verstokte zondaars zijn - in alle vriendschap de handen reikte en hen zelfs Mijn beste vrienden noemde, had Ik het weer gedaan bij de Farizeeën en andere aartsjoden.

[7] Het ergerde hen vooral, dat Ik na de maaltijd arm in arm met de tollenaars in een mooie, grote, aan het meer liggende tuin ging wandelen, en ook tegen de vijf aardige dochters van Kisjonah heel hartelijk en vriendelijk was, omdat ze een echte en diepe liefde voor Mij opgevat hadden. Ik noemde ze zelfs ook heel liefdevol en vriendelijk 'Mijn lieve bruiden', wat de Farizeeën helemaal ontzettend zondig vonden!

[8] Toen Ik ook nog tegen de avond de uitnodiging aannam, om 's nachts daar te blijven, en Ik Kisjonah tenslotte vrijwillig beloofde, dat Ik minstens gedurende drie dagen en misschien nog langer bij hem zou blijven, toen was de boot helemaal aan bij de Farizeeën en aartsjoden. 'Zo -', zeiden zij, 'met zulk gespuis, met zulke aartszondaars en tollenaars geeft hij zich af, eet en drinkt met hen op de vriendschap, bedrinkt zich letterlijk en wandelt dan als een voornaam heer met de zondige dochters van de aartszondaar, doet aardig tegen ze, en gebruikt tenslotte heel zoete en tedere woorden om zulke aartshoeren het evangelie van God te prediken, in plaats dat hij ons gebiedt om deze monsters op te pakken en te verbranden! Dat zou een mooie Messias voor ons geweest zijn! Nu die vijf wulpse hoeren hem ingepalmd hebben, wil hij daar nog God weet hoe lang blijven.

[9] Laten we maar weg gaan! Wat moeten we verder nog bij hem? We weten nu echt wel, wat we aan hem hebben. We zijn nu toch al vrij lang bij hem en heeft één van ons hem al eens zien bidden? Wie heeft hem ooit zien vasten? Hij houdt geen rekening met de sabbat, de grootste aartsketters en heidenen, Grieken en Romeinen, tollenaars, aartszondaars en wulpse, meegaande hoeren zijn zijn vrienden en vreugde, en daarbij nog goed eten en veel bekers uitgelezen wijn!

[10] Kortom, hij is niets anders dan: ten eerste een geraffineerd magiër uit de school van Pythagoras, die z'n werk goed verstaat! Daarbij is hij een welbespraakt persoon, wat iedere magiër wel moet zijn om zijn kunst beter aan de man te kunnen brengen. Weliswaar neemt hij daarvoor geen geld aan; maar is dat nu wel zo prijzenswaardig? 0, dat doen alle magiërs het eerste jaar, om zo des te eerder beroemd te worden; maar als ze dat eenmaal zijn, dan hebben koningen vaak geen schatten genoeg om zulke kunstenaars tevreden te stellen!



[11] Waarvoor zou hij trouwens geld nodig hebben? Eten en drinken krijgt hij voor niets, zoveel hij maar wil, - en meer heeft hij niet nodig! In de tweede plaats is hij ook nog een gulzigaard en drinkebroer en iemand die met zondaren omgaat, en wenst zich geen ander leventje. Enten derde heeft hij God en Zijn wetten niet nodig; want hij vindt dat hij zelf een God is of minstens Zijn zoon, die onze God van Abraham, Isaäk en Jacob bij de ons maar al te bekende Maria van Nazareth verwekt moet hebben. Wie van ons is er zo dom dat hij zo'n pasgebakken, echt heidense tovenaarsklucht niet direkt door zou hebben?!

[12] In één woord, wij weten nu genoeg, en het is hoog tijd dat we bij hem weggaan; anders behekst hij ons nog en zijn we reddeloos aan de duivel overgeleverd! - Kijk nu toch eens, hoe hij de vijf dochters van die gehate tollenaar vleit, en hoe ze hem letterlijk aanbidden! Ik zet duizend pond tegen een stater, dat deze profeet en heiland, als hij nu naar Jeruzalem komt, maar al te gauw met de koningin van alle hoeren, de wereldberoemde Maria van Magdalon, zeer intiem kennis zal maken en met haar een hele hartelijke vriendschap onderhouden zal, - en misschien ook nog wel met Maria en Martha van Bethanië, waarvan men zegt dat die na Maria van Magdalon de meeste bezoekers krijgen!'

[13] Maar nu zegt een ander, die iets betere ogen heeft, tegen de eerste spreker, die Farizeeër is: 'Je hebt weliswaar niet helemaal ongelijk; maar als je nog eens terugdenkt aan die bijna eendere scène in het huis van tollenaar Matthéus, toen we daar ook zo'n oordeel hadden, maar ondanks dat door zijn wijze woorden enorm op ons nummer zijn gezet en allemaal met onze mond vol tanden stonden! Wat moeten we doen, als hij hier ook weer tegen ons begint uit te varen?! Zou jij dan wel alle verantwoording voor ons op je willen nemen?'

[14] De eerste zegt: 'Ik weet wel waar je het over hebt; want ik was er toen ook bij. Hij zal ontzettend veel uitvluchten bedenken; daarvoor is hij dan ook redenaar en belangrijk tovenaar. Maar we moeten ons verstand gebruiken; en ons verstand waarschuwt ons nu en zegt: 'Ga, voordat je je helemaal aan de duivel overlevert!' En zo'n raadgeving van het verstand zullen we hopelijk toch wel opvolgen!? Of willen we ons echt aan de duivel overleveren? In Godsnaam, nee! Dat zij eeuwig verre van ons allen; want Abraham is onze vader, en diens Vader is God, en daarom laten we ons niet net als de heidenen door deze magiër beetnemen!'

[15] Dan zegt de tweede weer: 'Maar zijn leer is zuiver en volledig aangepast aan de natuur van de mensen, en het ziet er toch helemaal niet duivels uit! Ik ben het niet helemaal met je eens, want Mozes leerde ons wel beschouwd hetzelfde als deze Nazareeër.

[16] God liefhebben boven alles en de naaste als je zelf, kwaad niet met kwaad vergelden, zelfs de vijanden goed doen en hen zegenen die ons vervloeken, daarbij deemoedig en vol zachtmoedigheid zijn, -dat ziet er toch helemaal niet duivels uit!'

[17] De eerste zegt: 'Zeker niet voor jou, want jij behoort al bij de duivel! Weet je dan niet, dat de duivel juist dan het gevaarlijkste is, als hij zich Iaat zien in het lichtende gewaad van een engel?!'

[18] De tweede zegt: ' Als je zulke oudewijvenpraat als richtsnoer voor je leven neemt, dan is er met jou ook geen zinnig woord meer te spreken! Waar vind je dan de os of de ezel, die ooit een satan in het gewaad van een engel van God heeft gezien of gesproken? Waarlijk, nu doe je samen met al je andere femelaars, deze man onrecht aan!

[19] Wij weten niets kwaads van hem, maar wel veel goeds en ongehoord wonderbaarlijks. Waarom moeten wij hem dan meteen veroordelen als we zien, dat hij de zondaars net eender tegemoet treedt als de recht­vaardigen, en veel geduld en consideratie met hen heeft?'

147 De gelijkenis van de fluitende kinderen
[1] Na dit antwoord verlaten de Farizeeën en aartsjoden de meer gematigde groep van de tweede spreker en gaan, terwijl het al tamelijk Iaat in de avond is, op weg naar Kapérnaum. Ze gaan over land, want de zee was rumoerig, en zij vertrouwden de zeelui niet, hoewel die hen verzekerden dat er veilig gevaren kon worden.

[2] Maar de hele karavaan, ongeveer honderdvijftig man sterk en on­bekend met de juiste weg, kwam niet zo erg ver, namelijk niet verder dan een plaats waar een onbeklimbare hoge rots in zee uitstak en daar een erg sterke branding veroorzaakte. Direct boven de rots verhief zich een hoog en steil gebergte, waarover vanaf deze plaats aan de kust geen weg voerde, en zo bleef de karavaan niets anders over dan de tamelijk lange terugweg van enige uren te aanvaarden. Ze kwam in het stikdonker , terwijl het geweldig stormde en regende, bliksemde en donderde, pas tegen middernacht bij de hofstede van tollenaar Kisjonah terug en zocht daar beschutting en onderdak; want de hele karavaan was tot op de huid doorweekt en op het punt om in elkaar te zakken. De tollenaar en zijn mensen namen de vermoeiden vriendelijk op en gaven hen een droge rustplaats, wat de drijfnatte mensen erg van pas kwam.

[3] De volgende dag, al tamelijk Iaat, kwamen de verregende en nog wat vermoeide Farizeeën weer uit hun rustkwartier te voorschijn en droogden hun kleren in de zonneschijn.

[4] Maar het was sabbat, en Kisjonah en zijn mensen deden hun werk net als op een andere dag; en toen het middag werd, werden er tafels gedekt en daar werd allerlei goed klaargemaakt voedsel op gezet.

[5] Kisjonah nodigde ook de doornatte en vermoeide groep uit voor het middagmaal; maar zij namen de uitnodiging niet alleen niet aan, maar begonnen te morren en scherpe verwensingen te uiten tegen zulke sab­batschenders en sabbatbrekers; want een echte Jood mag voor zonson­dergang niets doen en ook niets eten, -het was slechts toegestaan om driemaal te drinken.

[6] Omdat de uitgenodigden de vriendschap van de tollenaar zo beloonden, wendde deze zich tot Mij en vroeg: 'Heer! Wat moet er met die dwazen gebeuren? Ik wil hen goed doen, en daarvoor vervloeken ze mij! Kunt U mij ook zeggen, of God acht slaat op de vloek van zulke dwazen, tot nadeel van de door hen vervloekte!' ,



[7] Ik antwoord: 'O ja, maar niet tot nadeel van de door hen vervloekte, maar tot nadeel van de vervloeker in eigen persoon. Wie oren heeft om te horen, die hore! (Matth. 11: 15) Want Ik zal jullie vertellen, wat er echt met hen aan de hand is: Denken jullie, dat ze sabbat houden omdat Mozes dat voorgeschreven heeft? Of denken jullie, dat ze daarom vasten?

[8] Ik zeg jullie: In hun harten geven ze geen drie stater voor Mozes en alle profeten, maar ze doen het voor de mensen die hen de tienden en veel geld geven, opdat die hen zullen zien als waardige volgelingen van Aäron!

[9] Met wie zal Ik dit slechte geslacht vergelijken? Ken je de gelijkenis niet van de kinderen, die op de markt zitten en hun kameraadjes toeroepen (Matth. 11:16): 'We hebben voor jullie gefloten en je wilde niet dansen, en we hebben voor jullie geklaagd, en je wilde niet huilen!' (Matth. 11: 17) Maar Ik bedoel met die kinderen niet de Farizeeën en Joden die daar staan, maar degenen die hier staan; want die hier staan hebben getracht deze dwazen en volmaakte godloochenaars gisteren hier te houden, en de dwazen hebben met hen en Mij gespot; en de schippers wilden ze, omdat de wind goed was, over zee naar Kapérnaum brengen, en deze dwazen vertrouwden de schippers niet; ze gingen te voet, en een kwade storm dreef ze weer hierheen. Nu hebben jullie ze voor het middagmaal uitgenodigd, en ze vervloeken je!

[10] Beste kinderen, jullie, die hier bij Mij op de echte markt van het leven zit, Ik zeg je: Fluit niet meer voor deze dwazen; want hun geest is verlamd en kan daardoor niet meer dansen. En houdt ook maar op met klagen; want hun gemoed is een uitgedroogde steen!

[11] Johannes, waarover gisteren zo veel gesproken werd, en over wien Ik een waar getuigenis gaf, kwam en leefde zo streng dat hij behalve sprinkhanen en wilde honing, die hij met zeer veel moeite uit de holen der aarde haalde, bijna niets at en dronk; en dezen en anderen van dat gespuis zeiden hem in zijn gezicht, dat hij door de duivel bezeten was (Matth. 11: 18), die hem 's nachts eten bracht en in leven hield!

[12] Johannes heeft toch, zoals niemand voor hem, gefloten en meer dan genoeg geklaagd en zie, - dezen en velen van hun soort wilden niet dansen en ook niet huilen!

[13] Met Mij is nu de lang verwachte Mensenzoon gekomen. Hij eet en drinkt. Wat zeggen ze nu? Jullie hebben gisteren zelf gehoord, hoe ze over Mij oordeelden en riepen: 'Zie! Wat een vreter en wijnzuiper is deze mens, en ook nog een vriend van de tollenaars en zondaars!'

[14] Maar Ik zeg jullie: De juistheid van die wijsheid moet door hun kinderen worden aangetoond! (Matth. 11: 19) Dat wil zeggen dat zij de juistheid van hun aan ons verkondigde wijsheid aantonen door hun eigen kinderen dwazen te noemen; maar dat ook de juistheid van Mijn wijsheid wordt aangetoond, omdat hun kinderen Mijn wijsheid aannemen en erkennen. Zo is dan de juistheid van beide soorten wijsheid, de verkeerde en de goede, voldoende aangetoond.' .

[15] Toen stonden de Farizeeën en aartsjoden op en zeiden tegen Mij: 'Pas op, - je bent nog steeds een Jood! Wij vertegenwoordigen de wet en hebben het recht je als een aartsketter te vernietigen; want je wilt Mozes vernietigen en de profeten ondergraven. Pas op, als je zulke wensen niet wilt laten varen! Wij hebben van de keizer de belangrijke toezegging, dat we ons in noodgevallen mogen bedienen van de Romeinse rechtspraak, en iedere stadhouder moet doen wat wij zeggen!'


1   ...   22   23   24   25   26   27   28   29   ...   43

  • 141 Eerste uitzending van de apostelen
  • 142 De eerste daad van de uitgezonden apostelen
  • 143 Het antwoord van de Heer aan Johannes de doper
  • 144 Het getuigenis van de Heer over Johannes de doper

  • Dovnload 2.49 Mb.