Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Uitgeverij de ster, ginnekenweg 124, 4818 jk breda

Dovnload 2.49 Mb.

Uitgeverij de ster, ginnekenweg 124, 4818 jk breda



Pagina27/43
Datum05.12.2018
Grootte2.49 Mb.

Dovnload 2.49 Mb.
1   ...   23   24   25   26   27   28   29   30   ...   43
148 De vervloeking van Chorazin, Bethsaïda en Kapérnaum

[1] Na die dreigende woorden kwamen Mijn leerlingen bij Mij staan en zeiden: 'Heer! Hoe kunt U dat aanhoren? U heeft toch genoeg macht om zulk gespuis te vernietigen? Verschillende malen werden de Samaritanen verdreven omdat ze zich tegen U wilden verzetten, en toch heeft U in Sichar niet eens zoveel gedaan als in Kapérnaum!'

[2] Ik zeg: 'Daarvoor heb Ik zeker meer dan genoeg macht. Maar het is voor de Heer van het leven niet nodig om hier recht te spreken; want na dit leven komt nog een leven, dat nooit eindigt, of het nu goed is of slecht, -het duurt even lang. En voor die eeuwige tijd geef Ik nu reeds een rechtvaardig oordeel: Ik vervloek al de steden, waarin Ik zoveel goeds gedaan heb en waarvan Ik nu een loon ontvang zoals jullie dat zojuist hoorden!

[3] En zij hebben zich niet verbeterd (Matth. II:20) ondanks al Mijn prediking, en al Mijn daden lieten hun harten onberoerd. daarom wee, Chorazin, wee Bethsaïda! Als in Tyrus en Sidon zulke daden gebeurd waren zoals bij jullie, dan zouden ze tijdig in zak en as boete gedaan hebben! (Matth. 11:21)

[4] Maar Ik zeg jullie: Op de jongste dag van het gericht in de andere wereld zal het Tyrus en Sidon draaglijker vergaan dan dezen! (Matth. 11 :22)

[5] En jij trots Kapérnaum, dat verheven werd tot in de hemel, zult neergestoten worden in de hel! Want als in Sodom zulke wonderen waren gebeurd als bij jou gebeurd zijn, dan stond die stad er op de huidige dag nog! (Matth.11 :23)

[6] Maar nogmaals zeg Ik jullie: Eenmaal in de andere wereld op de jongste dag van het gericht, zal het land der Sodomieten het draaglijker hebben dan jij

(Matth. 11:24), jij trotse en mateloos ondankbare stad! Heb Ik daarom duizenden van je zieken genezen en je doden opgewekt, dat je Mij nu vervloekt?! Duizendmaal wee voor jou op de dag van het gericht in het hiernamaals! Daar zul je ondervinden, Wie Degene was Die je vervloekt hebt!'

[7] Na Mijn strafrede kregen velen een visioen en zagen, hoe het op de jongste dag zal vergaan met zulke steden; die door Mij vervloekt zijn, en zij zagen Mijn gestalte in de wolken en uit Mijn mond kwam een vloek en deze trof de vervloekte steden! –­

[8] Toen dit visioen weer verdween bij de merendeels onmondige, dat wil zeggen eenvoudige, Mij liefhebbende mannen en vrouwen die Mij omringden, vielen ze voor Mij neer en loofden en prezen Mij.

[9] Maar Ik hief Mijn handen over hen, zegende hen en zei: 'Ook Ik, mens zijnde, prijs U, Vader en Heer des hemels en der aarde, dat U dat voor deze wijzen en verstandigen van de wereld hebt verborgen en het hebt geopenbaard aan de onmondigen! (Matth.11;25) Ja, heilige Vader, zo is het aangenaam voor U en Mij! (Matth. 11:26) Want wat U doet, dat doe Ik ook; want wij zijn eeuwig Een! Ik was nooit een ander dan U, heilige Vader, en wat van U is, is ook van Mij!'

[10] Door deze laatste woorden worden allen bevangen door een grote vrees. Want onder de Mij steeds volgende leerlingen waren er nu al veel, die niet meer twijfelden aan Mijn goddelijkheid; en juist deze werden het meest door vrees bevangen.


149 De opwekking tot het eeuwige leven

[I] Nathanaël gaf aan de achtergeblevenen als het ware leiding omdat hij voor zichzelf, zonder dat Ik hem dat persoonlijk opgedragen had, uitgebreider dan alle anderen een evangelie vastlegde in de Griekse taal, die hij goed meester was. Hij kwam tot in het diepst van zijn wezen geschokt naar Mij toe en zei: 'Heer! Almachtige! Ik zag dat visioen ook en daarin de verschrikkelijkste dingen, zodat ik van angst niet meer schrijven kon! Ik vraag U in alle volheid van mijn liefde voor U, eeuwig Heilige, om mij te zeggen of dat te eniger tijd in het hiernamaals in alle werkelijkheid zo gebeuren zal zoals ik en velen het nu hebben gezien.'

[2] Ik zeg; 'Vrees niet, want je hebt niets te vrezen! Wie zo leeft en doet als jij, die zal reeds hier of in het hiernamaals tot het eeuwige leven gewekt worden; en ieders jongste dag is dan, wanneer hij door Mij gewekt wordt tot het eeuwige leven, hier of in het hiernamaals.

[3] leder moet er echter naar streven om reeds hier gewekt te worden; want wie reeds hier in het vlees gewekt wordt, die zal de vleselijke dood niet voelen of beleven, en zijn ziel zal niet beangst worden.

[4] Maar wee deze en alle latere vijanden van Mijn orde! Waarlijk, die zullen duizendvoudig voelen Wie het was Die zij weerstreefden en met Zijn echte volgelingen met alle vloeken belaadden!

[5] Ik kan dit zeggen en doen; want Ik zeg je; Alle dingen zijn door de Vader in Mijn hand gegeven! Maar niemand kent Mij, de Zoon, behalve de Vader; en zo ook kent niemand de Vader dan alleen maar de Zoon, en na Hem degene aan wien de Zoon het wil openbaren. ' (Matth. 11;27)

[6] Nathanaël zegt; 'Dus kennen ook wij, Uw getrouwste leerlingen, U nog lang niet, hoewel U ons al zo veel heeft geopenbaard en heeft laten zien Wie U bent?!'

[7] Ik zeg: ' Jullie kennen Mij weliswaar voor zover Ik Mij aan jullie geopenbaard en getoond heb. Maar jullie missen nog veel. Pas wanneer jullie de Vader zult herkennen, zul je ook Mij helemaal kennen, en dat zal gebeuren wanneer Ik van deze aarde weer naar Mijn hemelen zal zijn opgevaren. Vanaf dat moment zal de Vader jullie naar Mij optrekken, zoals Ik jullie nu naar de Vader trek. En wie niet door de Vader getrokken wordt, die zal niet tot Mij, de Zoon, komen. Waarlijk Ik zeg je; In die tijd zal iedereen van God Zelf moeten leren Wie de Zoon is. En wie niet door God zal zijn geleerd, die zal niet tot de Zoon komen en zal niet het eeuwige leven in Hem hebben.

[8] Maar de Zoon is niet strenger dan de Vader; want wat de liefde van de Vader doet, dat doet ook de liefde van de Zoon, en evenals de liefde van de Vader de Zoon is, zo is ook liefde van de Zoon de Vader.

[9] De Zoon zegt echter tot jullie zoals tot alle mensen: Komt allen tot Mij, die uitgeput zijt en onder lasten gebukt gaat, Ik zal jullie verkwikken! (Matth. 11:28)

[10] Neem Mijn juk op, leer van Mij het te dragen en doe zoals Ik ­ want Ik ben zachtmoedig en deemoedig van hart - dan zullen jullie rust hebben en alle angst zal je verlaten! (Matth. 11:29)

[11] Mijn juk is zacht en de last, die Ik je te dragen geef, is licht; want Ik weet waartoe je in staat bent' (Matth. 11 :30)



150 De bestraffing van de Farizeeën
[I] Deze woorden kalmeerden de leerlingen, en de Farizeeën en al de aartsjoden begonnen te vragen wat ze dan wel gezien hadden, en hoe dat zo zichtbaar angstaanjagend kon zijn.

[2] De ondervraagden gaven echter allemaal dezelfde beschrijving van wat ze gezien hadden. Daar keken de Farizeeën raar van op en ze begonnen onder elkaar vragen te stellen en zeiden; 'Hoe kan dat, hoe is het mogelijk dat ze allemaal op hetzelfde ogenblik hetzelfde visioen hebben gehad? Hoe kan een magiër alleen bij een paar mensen een visioen te weeg brengen en de anderen er buiten laten? Waarom zagen alleen zijn volgelingen iets, en waarom zagen wij niets? Nu zijn wij, getrouwe volgers van Mozes, door hem, die toch ook Jood wil zijn, verdoemd -en hoe! , zoals blijkt uit de beschrijving van het visioen. Maar van zijn kant bezien zou het toch veel raadzamer geweest zijn als hij ons het visioen had laten zien, zodat we daarna uit angst zijn leerlingen zouden zijn geworden. Maar hij is slim en laat ons zo'n spektakel niet zien; want hij is bang dat wij het direct zouden herkennen en het dan bij de juiste naam zouden noemen, en daardoor misschien vele van zijn aanhangers de ogen zouden openen zodat deze dan zouden zien wie hun beroemde meester was! We moeten tegen deze steeds gevaarlijker wordende mens strengere maat­regelen treffen, anders groeit hij ons heel snel boven het hoofd, en dan komen de Romeinen en bezorgen ons allen een onprettige dood!'



[3] Ik zeg met verheffing van stem tegen hen; 'Daar zijn jullie allang rijp voor, en één woord van Mij aan de overste zou al voldoende zijn om jullie van de een op de andere dag met duizenden aan de schandpalen te zien hangen! Denken jullie, dat Ik niets afweet van jullie heel geheime Intriges tegen keizer Tiberius? O volstrekt niet! Ik weet de dag, het uur en het afgesproken teken voor heel Judéa, voor Galiléa en voor Jeruzalem binnen haar, muren! Maar Ik wil je wel vertellen, dat dat verwonderlijk slecht voor Jullie zal aflopen, en de landvoogd Pontius Pilatus, die met harde hand regeert, zal jullie dan voor de muren van de stad Jeruzalem het loon voor je moeite geven, en Herodes zal het niet makkelijk hebben om weer in de gunst van de landvoogd te komen!

[4] Als jullie dus in je overgrote blindheid en kwaadaardigheid tot steeds hardere maatregelen tegen Mij en Mijn leerlingen overgaat, dan weet Ik wel wat Ik voordien nog tegen jullie zal ondernemen!

[5] Johannes noemde jullie 'slangengebroed' en 'opgefokte adders'! Ik heb jullie nog nooit zo genoemd; maar nu noem ik jullie ook zo en geef je te verstaan, dat je hier moet verdwijnen, anders Iaat Ik beren uit de wouden komen en laat met jullie dat gebeuren, wat ten tijde van Eliza gebeurde met de ondeugende knapen die deze profeet bespotten! Want voor jullie is nu wel ieder glimpje medelijden uit Mijn hart verdwenen.

[6] Als jullie Mij hoe dan ook belasterd zouden hebben dan zou Ik het jullie vergeven. Maar jullie zijn hoogmoedig geworden en hebt je bewapend tegen Mijn geest, die liefde heet en eeuwig Mijn Vader is en deze zonde zal je niet vergeven worden, niet hier en nog minder in het hiernamaals! Verdwijn dus, zodat Ik die paar dagen hier bij Mijn vriend Kisjonah zonder verdere storing kan doorbrengen!'

[7] Een Farizeeër zegt: 'We mogen je niet uit het oog verliezen, want we zijn daarvoor door onze overste over je aangesteld!'

[8] Ik zeg: ' Ja, jullie houden toezicht op Mij, zoals wolven op een schaapskudde. Als je echter bij je voornemen blijft, laat Ik direct beren uit de bergen komen en zal hen aanstellen als jullie opzichters en tuchtmeesters!'

[9] Op dit moment klinkt er vanaf het nabijgelegen gebergte een luid gebrul van veel beren. Bij het horen daarvan zoeken de Farizeeën en aartsjoden snel hun toevlucht aan zee, klimmen daar haastig in vissersboten en duwen ze van de oever. Maar een harde wind drijft ze weer naar de oever, waar zich hier en daar een paar beren vertonen. Wel twee uur vechten ze tegen de wind, die hen iedere keer hardnekkig weer tegen de oever duwt zo dikwijls ze bij het wegvallen van de wind een paar vadem daar vandaan zijn gekomen. Na twee uur vertwijfeld vechten met de wind en de zee komt er tenslotte een groter schip; dat neemt de bijna vertwijfelde en haast van vermoeidheid omvallende mensen op en vaart

met hen weg onder een zware storm, waardoor het schip bijna ieder ogenblik dreigt te vergaan. Zo worden ze een hele dag en een hele nacht gepijnigd en ze bereiken pas tegen de middag van de volgende dag de oever in de buurt van Kapérnaum.

[10] Daar worden ze door de leiders van de Farizeeën heel naarstig ondervraagd over wat ze allemaal gezien, gehoord en beleefd hebben. Maar zij houden hun mond en durven niet te praten; want ze hadden veelontzag voor Mij gekregen en waagden voorlopig niets tegen Mij te ondernemen.

151 De berg beeft
[I] Maar de leiders in Kapérnaum benoemden anderen en zonden die achter Mij aan. En ook die moesten hard vechten tegen de storm; want het waren de zogenaamde hondsdagen en de herfst was dichtbij, en in die periode stormt het veel in Galiléa en nog meer op de zee van dit land. En pas op de vijfde dag kwamen ze in de plaats waar Ik Mij nog ophield, en ze verlangden een gesprek met Mij. Ik liet ze echter niet binnenkomen, want Ik wist wel wat ze wilden, maar Ik liet hen weten dat Ik hier nog langer zou blijven en van hier uit de nabijgelegen plaatsjes zou bezoeken, - en dat ze zich kalm moesten houden, want anders zou het hen heel slecht bekomen!

[2] Het was net na sabbat, wat nu zondag is, en tevens een bijzonder heldere en mooie dag, en Kisjonah kwam naar Mij toe en stelde Mij en alle aanwezigen voor om de dichtstbijzijnde hoge berg te beklimmen.

[3] Dit was een berg die nog geen naam had. Want de aardrijkskunde stond toen nog in de kinderschoenen, en daarom hadden de meeste bergen, dalen, vlakten, meren, beken en kleinere rivieren geen algemeen geldende eigen namen, maar alleen die, welke de in de omgeving wonende mensen hen gaven. Het lastigste ging het met de namen van de bergen.

[ 4] Bergen, die niet zoals de Tabor, de Libanon, de Ararat en de Sinaï op zichzelf stonden, maar die tot een grote en uitgestrekte bergketen behoorden, hadden gewoonlijk geen eigen naam, behalve een aantal dat een plaatselijke en van de tijd afhankelijke naam had. Dat was niet zelden de naam van de een of andere rijke bergbezitter, die daar zijn kudden liet weiden; als er een andere bezitter kwam, dan kreeg de berg ook een andere naam. Dat was ook het geval bij deze berg, die naar de tollenaar genoemd was en eigenlijk al bij Griekenland hoorde.

[5] Daarom was dit plaatsje, omdat het op de grens tussen Galiléa en Griekenland lag, een belangrijke tolplaats, want van daaruit liep een tamelijk begaanbaar bergpad uit Galiléa over het gebergte naar Grie­kenland waarover vele duizenden kooplieden trokken en op kamelen, bergpaardjes en ezels hun veelsoortige waren vervoerden.

[6] Toen de pas gearriveerde Farizeeën hoorden dat wij de hoge berg beklimmen wilden, vroegen ze aan Kisjonah of ze mee mochten met het gezelschap. Kisjonah zei: 'Als u geen kwaad in de zin hebt, dan biedt de berg, die van hier tot Griekenland ongeveer twintig uur gaans lang en ongeveer vijf uur gaans breed geheel mijn bezit is, voldoende ruimte om ook u op te nemen. Maar ik kan u beslist niet gebruiken als u kwaadwillige spionnen bent van het priesterdom in Kapérnaum en Jeruzalem, want ik ben een Griek en nu een zeer toegewijd aanhanger van de heilige en volgens mijn mening alleen echte leer van deze goddelijke meester van alle meesters, en dan zou ik mij met ieder mij ten dienste staand middel tegen uw gezelschap verweren! Raadpleeg uw hart! Is het zuiver, dan hebt u vrij toegang; is het onzuiver, dan kunt u beter meteen weer daarheen gaan, waar u vandaan bent gekomen!'

[7] De Farizeeën zeggen: 'Wij zijn zuiver en hebben geen arglist in onze harten. Wij volgen Mozes en wij zijn Joden, zoals ook Jezus een Jood is en de wet van Mozes nooit te niet kan doen. Men hoort echter van alle kanten veel vertellen over zijn daden en lessen, en wij moeten daarom beslist weten of zijn daden en lessen Mozes wet niet opheffen. Als ze Mozes en de profeten bevestigen, dan nemen wij ze ook aan; doen ze het tegendeel, dan is het wel duidelijk dat we daartegen moeten zijn!'

[8] De tollenaar zegt: 'Zoals u nu spreekt, spraken uw voorvaderen ook tegen de profeten en ze hebben hen later als godloochenaars gestenigd, en ik ken er maar weinig die niet gestenigd werden. En toch haalt u bij iedere gelegenheid de profeten aan en roemt hen! Maar uw voorvaderen waren precies dat, wat u bent, en u bent geen haar beter dan uw voorvaderen die de profeten stenigden. Daarom twijfel ik ook aan uw bedoelingen ten opzichte van deze heilige profeet der profeten,

[9] U noemt uzelf wel volgelingen van Mozes; maar met uw doen en laten staat u verder van Mozes af dan dat deze aarde van de hemel verwijderd is! Onderzoek uzelf dus, of u waardig bent om met ons mijn berg te beklimmen!'

[10] Ik zeg tegen Kisjonah: 'Laat ze maar meekomen! Als het teveel voor hen wordt zullen ze wel teruggaan; want geen van hen heeft ooit een berg beklommen! Misschien reinigt de zuivere lucht van deze hoge berg hun harten een beetje.'

[11] Kisjonah vond dat goed, en met van alles bij ons gingen we op weg naar boven.

[12] De vijf dochters ontbraken niet en liepen als kuikens om Mij heen, ondervroegen Mij over zeer verschillende dingen van de oorspronkelijke schepping en over het ontstaan van zulke bergen, en Ik legde hun alles zodanig uit dat ze het begrijpen konden, Ook de vele leerlingen en veel mensen die ons begeleidden, luisterden als ze maar even konden mee naar Mijn uitleggingen en dat deed hun bijzonder veel genoegen.

[13] Maar Nathánaël, die het meest doordrongen was van Mijn godde­lijkheid, sprak zo nu en dan met de berg en zei: '0 berg! Voel je, Wie er nu Zijn voeten op je zet?' En iedere keer als Nathánaël zo'n diepzinnige vraag stelde aan de berg, trilde de berg zodanig dat allen het voelden.

[14] De Farizeeën werden daarom erg bang en begonnen het volk te overreden om zich niet verder naar boven te wagen. Het zou best eens een van oudsher heilige berg kunnen zijn, die geen onwaardige betreden , mocht of de berg zou gaan beven en uitbarsten en vanwege die ene onwaardige allen vernietigen! .

[15] Het volk zei echter: 'Gaan jullie dan maar alleen terug; want bij ons heeft de berg nog nooit gebeefd, hoewel we hem al vaak beklommen hebben!'

[16] Toen begonnen de Farizeeën op het volk te mopperen. En de berg beefde weer tijdens het mopperen van de Farizeeën, en die keerden daarop snel om en liepen wat ze lopen konden, de berg af terug naar de vlakte, en op deze manier waren wij in één keer verlost van onze hinderlijke begeleiders.

[ 17] Wij zetten toen onze reis heel rustig voort en bereikten zo tegen de avond de wijd uitgestrekte bergboerderijen van Kisjonah, waar we ook de nacht doorbrachten. Vanwege de vermoeidheid van de vrouwen begonnen we pas op de tweede dag met de beklimming van de hoogste top van deze berg, van waaruit men een buitengewoon mooi en ver uitzicht had over heel Judéa, Samaria, Galiléa en een groot deel van Griekenland.


152 De geestenwereld

[I] Op deze top verbleven wij een dag en een nacht en genoten van veel heerlijke en wonderbare dingen.

[2] Voor Mij waren hier natuurlijk geen wonderbare dingen, omdat de oorsprong van alle talloze verschijnselen en gebeurtenissen in Mij Zelf ligt en liggen moet; maar allen die bij Mij waren, beleefden heerlijke en wonderbare dingen in overvloed.

[3] Ten eerste was daar het verrukkelijke wijde uitzicht, dat gedurende de dag alle ogen voortdurend bezig hield. Ten tweede liet Ik na zons­ondergang toe dat het geestelijk oog van de mensen geopend werd, zodat ze in de grote geestenwereld konden zien.

[4] Hoe groot was bij allen de verbazing, dat zij boven de aarde een grote wereld zagen vol met wezens die daar leefden en werkten, en daarbij onafzienbaar uitgestrekte streken en gebieden die er ten dele buitengewoon heerlijk, ten dele ook naar het noorden toe zeer woest en treurig uitzagen.

[5] In stilte gebood Ik echter alle geesten om over Mij te zwijgen.

[6] Veel leerlingen spraken met de geesten over het leven .na de dood van het lichaam, en de geesten waren voor hen een overtuigend bewijs van een verder en volkomener leven na de lichamelijke dood, en zij kregen een inzicht in de aard daarvan.

[7] Kisjonah zei ook: 'Nu zijn al mijn wensen vervuld. Bij alles wat ik heb, en bij deze berg die mijn aards bezit is, ik zou de helft van al mijn bezittingen geven als ik nu een paar van de belangrijkste Sadduceeën en Essenen, die niet geloven in een leven na de dood van het lichaam, hier kon hebben! Wat zouden deze wijzen hier hun neus aan de gees­tenwereld stoten! Zelf was ik eens al helemaal door hun leer gegrepen, maar ik liet deze geleidelijk aan weer los, omdat een toch wel behoorlijk griezelige verschijning van mijn vader mij gelukkig uit de droom hielp.

[8] Het is wel buitengewoon! Men kan nu als gelijken met deze wezens omgaan en praten. Waar ik me wel een beetje over verwonder, is, dat er hier onder de zeer vele geesten, waarvan ik er enige als persoon heel goed herken, geen aartsvader, geen profeet en net zo min een koning te zien is!'

[9] Ik zeg: 'Beste vriend en broeder, ook zij leven in de geestenwereld; maar opdat al die millioenen en millioenen geesten hun niet de een of andere goddelijke verering zullen geven, worden ze op een speciale plaats, die voorportaal der hel heet, afgezonderd gehouden van alle andere geesten, en daar verblijven ze in de algehele verwachting dat Ik hen nu in deze tijd vrij zal maken en ze dan binnen zal voeren in de hemelen van het oorspronkelijke verblijf van Mijn engelen, -hetgeen dan ook weldra zal gebeuren.

[10] Tevens vormen deze geesten van de aartsvaders, profeten en echte koningen een afscherming tussen de werkelijke hel en deze geestenwereld, zodat de hel haar niet verduisteren, verpesten en verleiden kan.

[11] De satan mag weliswaar de natuurlijke wereld ingaan om zich daar van tijd tot tijd uit te leven; maar deze geestenwereld is voor eeuwig voor alle duivels onbereikbaar. Want waar het eigenlijke leven begint, daar kan de dood nooit komen. 'Satan', 'duivel' en 'hel' behoren tot het gericht en dus tot de eigenlijke dood en hebben daarom niets te doen in het rijk des levens. Begrijp je dat wel?'

[12] Kisjonah zegt: 'Heer, zo ver als dat mogelijk is en Uw genade het toelaat, begrijp ik het nu; maar achter dit alles zal zeker nog enorm veel schuilgaan dat ik waarschijnlijk dan pas helemaal bevatten en begrijpen, zal, als ik eenmaal zelf een bewoner van deze altijd meer trieste dan, vriendelijke wereld zal zijn.In het oosten en zuiden ziet deze geestenwereld er echt wel heel mooi en vriendelijk uit; maar in het westen en noorden ziet het er nog veel droeviger en treuriger uit dan op de uitgestrekte vlakte waar eens het grote Babel gestaan heeft. Zo'n aanblik bederft dan ook de lieflijkheid van het oosten en zuiden.'

[13] Ik zeg: 'Je hebt gelijk; het is zoals je gevoel je dat ingeeft. Maar de geesten, die je nu met vele honderdduizenden voor je ziet, zien het verre westen en noorden niet zoals jij het nu ziet; want een geest ziet steeds alleen maar dat, wat met zijn innerlijk overeenstemt.

[14] Omdat noch het westen en nog minder het noorden overeenstemt met hun innerlijk, zien ze het westen niet en het noorden nog minder .

Alleen als ze helemaal gelijk worden aan Mijn engelen, dan zullen ze ook alles zo kunnen zien, zoals jij dat nu ziet.'

[15] Kisjonah zegt: 'Heer, het is weliswaar wat vaag, en ik begrijp het nog niet, maar ik denk dat dat voorlopig ook helemaal niet nodig is. Maar omdat U, o Heer, hier nu zo vrijgevig bent met zulke wonderbaarlijke onthullingen, wat zou U er dan van denken om ons naast deze talloze vele geesten ook een paar engelen te laten zien?! Ik heb al veel over de aartsengelen, over de Cherubijnen en Serafijnen, horen vertellen, veel daarover in de Schriften gelezen en ik heb mij daarvan heel verschillende voorstellingen gemaakt die waarschijnlijk zeer onjuist en dus fout waren. U, o Heer, zou mij daarvan wel een juiste voorstelling kunnen geven, als dat Uw heilige wil was!' - Ook de vijf dochters, die de gehele tijd om Mij heen waren, vroegen Mij dat.

[16] Ik zei: 'Ik wil het doen; echter niet vóór het aardse middernachtelijke uur, maar daarná. Onderhoudt je nu met de geesten, maar verraadt niet aan hen dat Ik hier ben; want daar hebben ze vóór de tijd niets aan; want iedere geest moet zijn rijpheid in volle en ongedwongen vrijheid verkrijgen!'

[17] Met deze belofte stelden ze zich tevreden en ze wachtten zeer verlangend tot middernacht voorbij zou zijn.


1   ...   23   24   25   26   27   28   29   30   ...   43

  • 149 De opwekking tot het eeuwige leven
  • 152 De geestenwereld

  • Dovnload 2.49 Mb.