Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Uitgeverij de ster, ginnekenweg 124, 4818 jk breda

Dovnload 2.49 Mb.

Uitgeverij de ster, ginnekenweg 124, 4818 jk breda



Pagina32/43
Datum05.12.2018
Grootte2.49 Mb.

Dovnload 2.49 Mb.
1   ...   28   29   30   31   32   33   34   35   ...   43
174 Gedragsregels voor rechters en wetgevers

[1] Toen na een uur de zon in een nauwelijks te beschrijven pracht en majesteit opkwam, werden allen geheel en al gesticht en tot tranen toe geroerd en men zong psalmen tot eer van Degene, Die dat alles zo wonderbaarlijk, goed en heerlijk had geschapen.

[2] De oude Tobias zei na dit feestelijke ochtenduurtje: 'O Heer! Dat is een andere tempel dan die in Jeruzalem, die voortdurend vol vuil en viezigheid is! Hoe vaak heb ik in mijn leven psalm na psalm gezongen terwijl mijn hart droog bleef als tien jaar oud stro en koud als ijs! En hoe warm slaat het nu voor mijn almachtige schepper! Hoe vaak was ik in de tempel en hoe blij was ik als ik diens steeds stinkende voorhoven mocht verlaten; en hier zou ik een eeuwigheid willen blijven en de grote God, die alle talloze heerlijke dingen heeft geschapen, willen prijzen uit de van liefde brandende diepte van mijn hart! Beste Meester, hoe kan ik U danken voor deze heilige hoge levensvreugde, die ik nog nooit eerder heb ondervonden?!'

[3] Ik zeg: 'Wie zo in Gods schepping gaat staan en zo warm voelt en ondervindt wat hij daarvoor zijn God en Schepper schuldig is, zoals dat nu bij jou het geval is, die brengt Mij daarmee ook al de beste en aangenaamste dank.

[4] Blijf jij echter in het vervolg vervuld van zulke gevoelens en gewaar­wordingen en sluit je hart nooit voor de armere broeder, ook al was hij eens je vijand, dan zal jou mettertijd een grote genade uit de hemel ten deel vallen! Als je allerlei zondaren ziet, veroordeel en verdoem ze dan niet; want -begrijp Mij goed -zij zijn het meestal niet die zondigen, maar de geest die ze daartoe aanzet. Je kunt niet weten door welke geest ze gedreven worden. Er zijn er genoeg, die in hun vroomheid heel gemakkelijk hoogmoedig zouden kunnen worden en die dan al gauw vanaf de vermeende hoogte van hun deugd met veel verachting en afschuw neer zouden willen zien op de zondaren, waardoor ze dan zelf onbewust nog grotere zondaars zouden worden dan degenen, die ze verafschuwen; dan komt er een geest en verleidt zulke mensen tot de een of andere zonde, en de al trots geworden voorvechter van de deugd ondervindt zo aan den lijve, dat hij nog lang geen God, maar slechts een heel gewoon zwak mens is !

[5] Zo'n mens wordt dan weer deemoedig en doet boete, waarvoor hij zich vroeger, toen hij nog meende zo deugdzaam te zijn, veel te verheven voelde!

[6] En daarom moet niemand een zondaar haten omdat hij een zondaar is; iedereen doet goed en voldoende als hij de zonde alleen haat en verafschuwt! Maar een verharde booswicht, die één is geworden met de zonde, moet je geen hulp geven! Als hij daardoor echter voor zijn verbetering terecht in de ellende is gekomen, dan moet je aan hem denken, en als hij je wat vraagt, dan moet je daarnaar luisteren. En als je een misdadiger naar de galg ziet brengen moet je geen vreugde voelen over zijn treurige lot, ook al zou hij zijn misdaad waarvoor hij nu de dood in gaat aan jouw huis hebben gepleegd; want weet, dat het niet onmogelijk

is dat zo'n misdadiger in de andere wereld zalig kan worden!

[7] Liefde moet in alles het voornaamste levenselement zijn van ieder mens!

Rechtvaardigheid, die niet in de liefde wortelt, is voor God geen recht­vaardigheid; en de degene die zo recht spreekt is voor God dan ook een tienmaal grotere zondaar dan degene die door hem veroordeeld wordt, en God zal hem eens net zo onbarmhartig veroordelen, als hij zijn naasten veroordeeld heeft.

[8] Veroordeel daarom niemand en verdoem ook niemand, ook al zondigt hij nog zo erg tegen jou, dan zul jij ook eenmaal niet veroordeeld en verdoemd worden; want de maat waarmee iemand meet, is dezelfde als waarmee het hem eenmaal in de andere wereld weer vergolden wordt. De strenge, volgens wat voor een wet dan ook rechtvaardige, maar tevens koude, liefdeloze rechter zal eens net zo'n streng rechtvaardig en on­verbiddelijk oordeel over zich horen uitspreken; de gerechtsdienaars en scherprechters zullen echter nooit Gods aangezicht zien!

[9] Wie een dief en moordenaar vangt, heeft goed gehandeld als hij hem aan het wettelijke gerecht overgeeft; maar de rechter mag nooit vergeten, dat de misdadiger zolang hij in deze wereld leeft, nog geen volledige duivel is, maar een misvormd, verleid mens, die men op alle mogelijke manieren nog kan trachten te verbeteren voor hij als een onverbeterlijke duivel ter dood veroordeeld kan worden!

[10] Bij het scherprecht moet het echter zo toegaan, dat de veroordeelde niet meteen gedood wordt, maar men moet hem een hele dag vijf handbreedten boven de begane grond met handen en voeten aan een paal gebonden te kijk hangen.

[11] Toont hij dan oprecht en smekend dat hij zijn leven beteren wil, dan moet hij van de paal losgemaakt en in een geëigende en op rechtvaardige liefde gebaseerde verbeteringsinrichting worden gebracht, maar dan niet eerder vrij worden gelaten voordat duidelijk aantoonbaar is dat hij zich verbeterd heeft. Geeft de misdadiger aan de paal echter gedurende de gehele dag geen teken van verbetering, dan is hij een complete duivel en moet daarom ook, als hij nog leeft aan de paal, na zonsondergang gedood en daarna tesamen met de paal op de terechtstellingsplaats worden verbrand.

[12] Ik zeg dit daarom tegen jou, opdat je je in de toekomst daarnaar richten zult, want jij was ook rechter en dat ben je nog steeds bij de Farizeeën en je zorgt voor de graven van de overledenen en de terecht­stellingsplaatsen voor de misdadigers.

[13] Gezegend is hij die zich daarnaar zal richten; zijn naam zal schitteren in het eeuwige levensboek!

[14] Maar nu gaan we weer naar beneden naar de hutten; Kisjonah heeft al een bescheiden morgenmaal klaargemaakt en wacht op ons met zijn vrouwen zijn dochters.'


175 Sabbatsheiliging

[I] We gaan nu snel naar beneden, en Kisjonah komt Mij al vlug tegemoet om Mij en alle leerlingen uit te nodigen voor de morgenmaaltijd, maar tevens verontschuldigt hij zich dat de tafels wat soberder voorzien zijn dan anders, want de voorraden waren op en hij had ze niet aan laten vullen omdat hij wist dat Ik vandaag -op de sabbat -weer bergafwaarts naar het dal zou gaan. Als het morgenmaal daardoor iets minder zou zijn dan anders, dan kwam dat niet omdat hij dat zo gewild had, maar omdat hij, geheel buiten zijn schuld, niet bij machte was om daar iets aan te veranderen!

[2] Ik stel hem gerust en zeg: 'Wees maar gerust en maak je daarover geen zorgen! Zo is het heel goed en juist, en het gaat zoals Ik het wil; - overigens moet Ik je als Mijn beste broeder en vriend er op wijzen, dat je je gedurende deze paar dagen toch wat te veel ingespannen hebt.

[3] Ten opzichte van de onuitgenodigde gasten, de grote groep Farizeeën, zou je beslist niet gezondigd hebben als je ze niet had uitgenodigd; want die hebben zeer veel goud en zilver, en als ze hier wilden zijn, dan hadden ze zich zelf best kunnen verzorgen! Maar het was zeker ook geen zonde van je, dat je ze kosteloos verzorgd hebt. Als je ze echter een rekening wilt presenteren dan zal Ik dat niet afkeuren. De oude Tobias hoort echter bij Mij.'

[4] Kisjonah zegt: 'Ik zal dat ook doen; er zijn genoeg armen, - dat gelag zal hen ten goede komen! Maar wees nu zo goed, o Heer, om het wat karige maal met Uw leerlingen te gebruiken; de Farizeeën slapen nog in de grote slaaphut en ik wilde graag zonder hen eten!'

[5] Ik zeg: 'Doe dat niet! Wek ze en nodig ze uit voor de maaltijd! Ik zal vandaag met al de Mijnen vasten tot de middag; beneden zullen we dan pas een echte maaltijd gebruiken.'

[6] Kisjonah doet dadelijk wat Ik tegen hem zei, hoewel het hem wel wat tegen de borst stuit. De Farizeeën en hun genoten komen vlug van hun slaapplaatsen en haasten zich naar het morgenmaal, dat ze ondanks de sabbat heel haastig opeten; want ze zijn bang dat de zon, die weliswaar allang is opgegaan maar nog niet de hut bereikt heeft omdat deze naar het westen vlak bij een hoge rotswand is gebouwd, toch heel gauw de hut zou kunnen bereiken, en dan mochten ze pas weer eten na de ondergang van de zon, of in de tempel te Jeruzalem tijdens het breken van de toonbroden.

[7] Kisjonah vestigt er Mijn aandacht op en zegt: ' Je kunt eigenlijk wel lachen om dat gedoe; bij hen begint de sabbat pas op het moment dat de zonnestraal het punt beschijnt waar zij zich bevinden! Zoals U nu al een paar maal hebt gezien, o Heer, komt de zon pas tegen de middag bij deze hut, en deze ogendienaars zouden dus pas na een halve dag met de sabbat beginnen en deze gaan vieren. Zulke kerels zul je ergens anders op de goede aarde toch nauwelijks vinden!'



[8] Ik zeg: 'Laat ze maar; heel vlug zullen er zich verscheidene gelegenheden voordoen, en wel nog voordat we helemaal beneden zijn, waarbij we hen hun sabbat onder de neus kunnen wrijven. Maar dit betekent nog niets als je weet hoe slim ze hun sabbat ontduiken als ze dat willen en de sabbat in hun synagoge hen geen rijke oogst voorspelt: -dan doen ze ramen en deuren dicht, zodat de zon haar licht niet kwijt kan in de vertrekken van zulke ogendienaars, en op die plaats en op dat ogenblik is er dan geen sabbat in het huis! Ook een dag zonder zon geldt niet als een hele sabbat tenzij ze in hun synagoge hun zevenarmige kandelaar aansteken, maar zoiets kost natuurlijk altijd een rijkelijk offer! Daarom hebben ze dan ook altijd liever een sombere sabbat dan een vrolijke zoals vandaag.

[9] Maar zoals Ik al zei, vandaag komt er nog wel een gelegenheid, waarbij we dat onder de aandacht kunnen brengen. Maar nu gaan we op weg, want het zal vandaag erg warm worden, en in de grote hitte is het niet aangenaam om te reizen.

[10] Nu breken we ook meteen op en dalen in snelle pas de berg af het dal in, en de Farizeeën hijgen achter ons aan en ergeren zich over onze vlugge stappen. Een roept er ons zelfs na en zegt: 'Waarom lopen jullie toch zo onzinnig hard? Hebben jullie boven soms iets gestolen?!'

[11] Matthéus, de apostel, Iaat dat niet op zich zitten en antwoordt: 'Wij lopen met onze eigen voeten, net als jullie met die van jullie, en we gaan daarom zo goed en zo vlug we zelf willen, waarvoor we jullie toch hopelijk geen rekenschap behoeven af te leggen; ook hebben we vooraf met jullie geen bindende afspraak gemaakt hoe vlug we voor jullie uit zullen gaan! Houdt dus je mond en ga je eigen weg zoals je kunt en wilt! Wij maken ons niet druk over jullie; waarom maak je je dan bezorgd over ons?!'

[12] Dan zegt een Farizeeër, die daardoor al erg kwaad is geworden: 'Wat loop je toch te kletsen, domme tollenaar; weet je dan niet dat het vandaag sabbat is, waarop niemand behoort te twisten?!'

[13] Daarop antwoordt Matthéus: 'Geldt de sabbat dan alleen maar voor mij en niet voor jullie?! Wie begon er te twisten?! Er staat toch nergens geschreven dat je op de sabbat niet vlug mag lopen; daarentegen verlangen jullie zelfs dat men niet teveel moet treuzelen op de sabbat bij het gaan naar de synagoge, en dus overtreden wij zelfs jullie wet niet als wij vandaag op de sabbat wat sneller gaan dan op een andere dag. Beneden in het dorp staat een kleine synagoge waar wij, als wij vlug genoeg lopen, beslist nog op tijd kunnen komen; wat verlang je dan nog meer van ons?!'

[14] De Farizeeën zeggen: ' Ja, daar hoor jij toch niet bij, die zich naar de synagoge en de scholen haasten! Het is toch belachelijk als een tollenaar over een synagoge praat! We zullen jou niet kennen?! Je bent meer een heiden dan een geboren Griek en toch praat je over ijver voor de synagoge, zwarte boosdoener?!'

[15] Matthéus zegt: 'Het wordt nu toch wel tijd dat je je tong beteugelt, anders veroorloven wij ons om met knuppels op jullie ruggen de sabbat te breken! Moet je die eeuwige dagdieven zien en wat ze zich met ons durven te veroorloven! Nog één beledigend woord en ik vergeet de sabbat en mijn menselijkheid en pak jullie als een beer aan!' Na dit dreigement zeggen de Farizeeën weliswaar niets meer, maar inwendig zijn ze woest.




176 Aren lezen op de sabbat

[I] Maar na een poosje, al tamelijk diep in het dal, kwamen we bij een akker die vol met bijna gerijpt koren voor ons lag. Er liep een weg door de akker, en we namen deze weg omdat we dan vlugger bij het dorp zouden zijn. Wij liepen dus door het gezaaide, en het was natuurlijk nog sabbat. Maar de leerlingen hadden honger omdat ze net als Ik geen morgenmaal gehad hadden, en ze begonnen daarom de rijpere aren af te plukken, de korrels in hun hand er uit te wrijven en ze te eten. (Matth.12:1)

[2] Toen de toch al kwade Farizeeën dat zagen, liepen ze vlug naar Mij toe en zeiden met gewichtige gezichten: 'Ziet u niet, dat uw leerlingen op sabbat dingen doen die niet betamelijk zijn?!' (Matth.12:2)

[3] Ik antwoordde hen: 'Hebben jullie dan nooit gelezen, wat David deed, toen hij en zijn metgezellen honger hadden? (Matth.12:3) Dat hij in het huis van God ging en de toonbroden at, die hij niet mocht eten noch degenen die bij hem waren, maar wat alleen aan de priesters toegestaan was?! (Matth.12:4) Of heb je nooit in de wet gelezen, hoe de priesters op de sabbat in de tempel de sabbat ontheiligen en toch niet schuldig zijn?! (Matth.12:,5) ...

[4] Boven hebben jullie Mijn daden gezien en Mijn leer gehoord, en dikwijls is er tegen jullie gezegd Wie Ik ben! Als dat jullie nog niet genoeg is, dan zeg Ik je nu nog één keer onverbloemd, dat in Mij Diegene is, Die groter is dan de tempel! (Matth.12:6)

[5] Als jullie echter zouden weten wat het betekent: 'Ik heb een welgevallen aan barmhartigheid en niet aan offers!', dan zouden jullie deze onschuldigen nu in je hart niet vervloekt hebben! (Matth.12:7) Weet dan, blinde en dove Farizeeën: De Zoon des mensen, Die Ik ben, is ook Heer over de sabbat!' (Matth.12:8) De Farizeeën schrokken zo van deze woorden, dat ze meteen achteruit gingen en de leerlingen niet meer verboden om aren af te plukken.

[6] Maar Kisjonah, die steeds naast Mij liep en van wien de akker was, zei tegen Mij: 'Heer, ik zal nu vooruitgaan en meteen een uitgebreide maaltijd klaar laten zetten; want ik heb medelijden met de brave leerlingen vanwege hun kennelijke honger!'

[7] Ik zeg: 'Daar zul je echt goed aan doen. Maar Ik zal nu toch eerst met de leerlingen een school bezoeken ter wille van deze Farizeeën, opdat hun ergernis niet nog groter wordt. Ze zitten toch al in hun maag met Matthéus, omdat hij hun een poosje terug erop heeft gewezen dat wij terwille van de synagoge zo vlug lopen. Als we nu de school in het dorp voorbij lopen, dan loopt de maat bij hen over en beginnen ze herrie te schoppen; maar als we nu eerst toch in een school gaan, dan kunnen ze niets meer zeggen en dan kan jij ook zonder schaamte je rekening aan hen voorleggen, dat wil zeggen als de sabbat afgelopen is.' Na deze woorden ging Kisjonah rechtstreeks met de zijnen naar huls, waar hij alles geheel verzorgd aantrof.

[8] Wij sloegen echter een beetje meer naar links een weg in naar de school, die op het hoogste punt van het dorp lag. Daar aangekomen betraden we direkt de zeer sporadisch bezochte school (Matth.12:9), en de Farizeeën volgden ons op de voet. Ze waren inwendig erg kwaad, omdat ze op de akker voor hun domheid door de leerlingen uitgelachen waren, toen Ik hun bezwaren tegen het aren plukken weerlegde.

[9] Toen we in de school kwamen deden de Farizeeën meteen weer heel gewichtig en brachten een mens bij Mij, die al heel lang een verdorde hand had en daardoor bijna geen enkel werk kon doen. Ze vroegen Mij, omdat Ik eerder gezegd had dat Ik ook Heer over de sabbat ben of het toegestaan zou zijn om ook op de sabbat te genezen. Dat vroegen ze Mij echter alleen maar om bewijzen tegen Mij in handen te krijgen (Matth.12:10); want hun slechte harten brandden al van toorn en haat.

[10] Maar Ik zei tegen hen: 'Waarom vragen jullie dat aan Mij, alsof Jullie deze zieke zouden kunnen helpen en zijn reeds lang gestorven hand levend. zouden. kunnen maken?! Als Ik hem echter genezen wil, dan zal Ik Jullie toch niet om Jullie toestemming vragen?!

[11] Wie van jullie is er zo dwaas, dat hij zijn schaap dat in een gat valt, daar op de sabbat met uithaalt?! (Matth.12:11) Maar een mens is toch veel waardevoller dan een schaap! Zodoende zal men op een sabbat een mens toch wel mogen helpen?!' (Matth.12:12)

[12] Toen zwegen de Farizeeën; maar Ik riep de mens bij Mij en zei tegen hem: 'Strek je hand uit!' En hij strekte zijn hand uit, en deze werd net zo gezond als de andere, die nooit ziek geweest was. (Matth. 12:13)

[13] Nu was de maat vol voor de Farizeeën; ze verlieten de school en beraadslaagden buiten hoe ze Mij zouden kunnen doden. (Matth. 12:14)

[14] Maar Matthéus, die een listige spion was, sloop hen na en luisterde ze ongemerkt af, kwam al gauw bijna buiten adem terug en riep luid wat hij gehoord had. Toen zond Ik vlug een leerling naar Kisjonah en liet hem zeggen dat Ik vandaag uit voorzorg niet bij hem kon komen eten, omdat Ik de Farizeeën die Mij nu naar het leven stonden niet nog grotere misdadigers wilde maken dan ze al waren waarom Ik een tijdje uit deze streek verdwijnen zou. De leerling liep pijlsnel, en wist waar hij Mij weer kon vinden.

[15] Nauwelijks had hij het aan Kisjonah overgebracht, of deze vertrok onmiddellijk met zijn hele huishouden, verzamelde in aller ijl nog een grote hoeveelheid volk, haastte zich naar de school en kwam nog net op het juiste moment, toen de Farizeeën al voorzien van stenen de school wilden binnendringen.

[16] Het spreekt wel vanzelf dat de Farizeeën behoorlijk door Kisjonah aangepakt werden, waarop Ik vervolgens met veel volk vandaar vertrok en al hun zieken onderweg genas; want omstreeks de tijd van de tarweoogst kwam er nogal wat koorts voor in deze streek die dicht aan de Galilese zee lag, en zodoende waren daar ook steeds veel zieke mensen vooral van het vrouwelijk geslacht. Toen deze over Mij hoorden, kwamen ze de menigte achterna om door Mij genezen te worden en allen die dat deden werden genezen. (Matth.12:15)

[17] Maar nadat Ik ze genezen had, waarschuwde Ik ze om daar thuis met niemand over te spreken (Matth.12,16), en ook niet tegen wie dan ook iets mee te delen over waar Ik was toen Ik ze genas, en in welke richting Ik verder was gegaan. Ze beloofden zich daar heel precies aan te houden en daarop liet Ik hen in vrede gaan.




177 De vervulling van de profetie

[I] Toen Ik met hen klaar was, kwamen de apostelen naar Mij toe en zeiden: 'Heer, U bent soms toch wat raadselachtig! Weet U, we hebben al zoveel wonderen van U gezien en ook aan den lijve ondervonden, dat we er ook maar geen ogenblik aan kunnen twijfelen, als we dat al zouden willen, dat U in de volste en waarste zin des woords de Zoon van de levende God bent en ook zijn moet; want wat U doet heeft tot op heden geen mens kunnen doen. Maar toch komen er bij U bepaalde ogenblikken voor, waarop U in alle ernst bang schijnt te zijn voor de mensen, terwijl U toch, zoals wij meermalen overtuigend gezien hebben, gebieden kunt over alle zeer machtige engelenscharen uit de hemel!

[2] Wij zouden die Farizeeën met hun ongeveer vijftig onbewapende aanhangers, waarvan de een nog laffer is dan de andere, behoorlijk hebben kunnen toetakelen; en zo'n almachtig woordje van U, - en de lust om U te vervolgen zou de Farizeeën voor altijd zijn vergaan! Het is ons een raadsel en dat kunnen we eerlijk gezegd met de beste wil niet begrijpen, waarom U, die alle goddelijke macht bezit, voor die kerels bent gevlucht! - Legt U ons Uw vreemde handelwijze toch eens uit!'

[3] Ik zei: 'Jullie zijn nog behoorlijk zwak en blind, dat je zoiets niet direkt ziet! Kijk, dat gebeurde opdat jullie zouden bemerken, dat wat de profeet Jesaja over Mij geprofeteerd heeft nu in vervulling ging, toen hij (Matth.12:17) het volgende zei: 'Zie, dit is Mijn knecht, Die Ik heb uitgekozen, en Mijn geliefde, Waaraan Mijn ziel een welbehagen heeft; Ik zal Mijn geest op Hem leggen, en Hij zal het oordeel aan de heidenen verkondigen (Matth.12:18). (Onder oordeel wordt hier waarheid.licht en leven verstaan; want de waarheid zorgt voor een rechtvaardig oordeel.) Hij zal geen ruzie maken en schreeuwen, en men zal Zijn roepen niet in de straten horen. (Matth.12:19) Het gekneusde riet zal Hij niet breken en de smeulende lampenpit zal Hij niet doven, totdat Hij het oordeel uitvoert. (Matth. 12:20) En de heidenen zullen op Zijn naam hopen.' (Matth. 12:21)

[4] Wel, dat is de reden waarom Ik het niet tot een ruzie en nog minder tot een handgemeen met de Farizeeën wilde en kon laten komen.

[5] Overigens wist Ik vooraf echt wel, dat Kisjonah ze niet zonder straf zou laten vertrekken! Nu zijn ze tien keer erger gestraft, dan wanneer wij ons daarover druk gemaakt hadden; want ten eerste hebben ze ontzettend op hun kop gehad van de mensen van Kisjonah, en ten tweede mogen ze over alles wat ze gezien, gehoord en beleefd hebben, in Kapérnaum geen lettergreep loslaten, en dat ergert en hindert ze nog het meest.

[6] Want als er één ook maar een lettergreep laat horen wordt hij, zoals hem dat op de berg is voorspeld, op datzelfde ogenblik stom, doof en, als dat nodig mocht zijn, ook blind. Daarom wilden ze ook proberen of ze Mij konden doden; want ze dachten dat daardoor de werking van Mijn op de berg gegeven dreigement, waarin ze beslist geloofden, vernietigd zou worden.

[7] Want ze houden Mij nog steeds voor een slechte magiër, die levend wel, maar dood niet tot iets in staat is. Het ergste voor hen is echter dat ze nu niet weten waar Ik ben heen gegaan. Weliswaar hebben ze al boden in oostelijke richting gezonden om Mij te zoeken -want ze zagen ons vanaf de school naar het oosten verdwijnen -; maar dat we in het bos onverwachts na een uur lopen in westelijke richting gegaan zijn en nu meteen ook over de zee naar de andere kant zullen varen, dat weten ze niet, en daarom zullen ze tevergeefs zoeken. Is jullie raadsel hiermee opgelost?'

[8] De twaalf en ook veel anderen die Mij volgen, antwoorden: 'Ja, nu is alles ons wel duidelijk! Het is zo werkelijk veel beter, dan wanneer wij zelf die kwaadaardigen aangepakt zouden hebben; nu is alles weer helemaal in orde.'

[9] Judas zegt een beetje laconiek: 'Behalve onze magen! Behalve die paar rauwe tarwekorrels is er vandaag, want het is nu alweer avond, niets ingekomen. Daarom zou het geen kwaad kunnen, als er voor we over de zee varen iets voor onze magen gedaan kon worden!'

[10] Ik zeg: 'Vasten is vandaag ons parool, in ieder geval tot aan de overkant; daar zullen we wel wat vinden.'

[11] Maar Thomas vermaant Judas om die opmerking en zegt: 'Hoe is het nu mogelijk, om midden in de verhevenste les van de Heer met zo'n beestachtig gemene opmerking te komen?! Heb je helemaal geen gevoel voor eer of oneer in je lijf?! Als je dan toch zo'n geweldige honger hebt, neem dan in het vervolg de een of andere mondvoorraad mee; maar om zulke opmerkingen tegenover de Heer te maken is echt te laag om daar nog meer woorden over vuil te maken!' .

[12] 'Ja, ja', zegt Judas, 'ik was vergeten, dat jij ook nog in ons gezelschap bent! Je bent en blijft mijn opvoeder en schijnt het erg plezierig te vinden om mij bij iedere gelegenheid de een of andere klap te verkopen. Dat is ook goed; als je het leuk vindt blijf het dan doen, maar ik zal me niet meer over je ergeren!'

[13] Dan zegt Petrus: 'Dat is ook beter; maar voor het overige heeft Thomas wel gelijk, hoewel hij menigmaal ook een beetje hard is. Maar ik vind dat we steeds de Heer in het oog moeten houden; als Hij iets zegt dan is het goed en juist dat het zo gezegd is, en dan moet ieder zich daaraan houden! Zegt de Heer echter niets, dan hebben wij nog minder recht om iets te zeggen! Ik vind, dat wij vooral in het bijzijn van de Heer daarop moeten letten om onder elkaar vrede en eendracht te bewaren!

[14] Geloof me, beste broeder Thomas, als hongerige Judas tegenover de Heer zijn mond al niet houdt, dan zal hij zich van jou nog minder aantrekken! Gesteld dat we iets op elkaar aan te merken hebben, dan moeten we het scherpe en bittere vermijden, opdat die spreuk van Jesaja, die de Heer eerder over Zichzelf aanhaalde, ook op ons, Zijn apostelen, van toepassing zal zijn!'

[15] 'Zo is het goed, beste Simon Jona!', zeg Ik. Zo moet het bij jullie zijn, en uiteindelijk bij alle mensen! Want wie een wond heeft en daar iets scherps op legt, die geneest de wond niet, maar maakt haar alleen maar groter en erger. Wie echter de wond met balsem en zuivere olie verzorgt, die zal haar spoedig laten genezen en de schade aan het vlees herstellen.

[16] Maar nu zie ik de schipper van Mijn vriend Kisjonah daar naar de oever sturen, en hij is er zelf ook; laten we daarom naar de walkant gaan, zodat we bij de hand zijn als de schippers het scheepstouw over zullen gooien; dan trekken we het schip helemaal aan de kant en schepen ons vlug in; want er staat aan deze kant tegenwind en daarom kunnen ze niet makkelijk helemaal aan de kant komen. Maar de wind zal ons heel goed helpen bij het oversteken en zal ons snel aan de overkant brengen. Laten we nu vlug afdalen naar de oever, zodat ze zich niet voor niets inspannen.




1   ...   28   29   30   31   32   33   34   35   ...   43

  • 175 Sabbatsheiliging
  • 176 Aren lezen op de sabbat
  • 177 De vervulling van de profetie

  • Dovnload 2.49 Mb.