Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Uitgeverij de ster, ginnekenweg 124, 4818 jk breda

Dovnload 2.49 Mb.

Uitgeverij de ster, ginnekenweg 124, 4818 jk breda



Pagina35/43
Datum05.12.2018
Grootte2.49 Mb.

Dovnload 2.49 Mb.
1   ...   31   32   33   34   35   36   37   38   ...   43
188 Wie is Mijn moeder en wie zijn Mijn broeders

[1] Terwijl Ik Mij nog onderhield met het volk, kwam moeder Maria met Mijn broeders; want in het huis van Kisjonah had zij gehoord dat Ik naar Jesaïra gevaren was en Mij daar ophield. Dat was voor haar een voetreis van een halve dag, en omdat ze zeer vroeg 's morgens van huis was weggegaan, was ze maandag 's middags in Jesaïra.

[2] Enerzijds was het een huiselijke aangelegenheid waarover ze met Mij wilde spreken, anderzijds wilde ze ook over een geestelijke aangelegenheid spreken, omdat ze zoveel uit Kapérnaum over Mij gehoord had wat zij speciaal wilde vertellen. (Matth.12:46) Maar door het gedrang kon ze het huis niet in, zodat ze verplicht was buiten te wachten tot Ik naar buiten zou komen.

[3] Maar omdat ze al een hele tijd tevergeefs stond te wachten, vroeg ze aan een van de huisgenoten van Baram, of hij tegen Mij wilde zeggen dat zij buiten al geruime tijd stond te wachten en hoognodig met Mij moest spreken. De boodschapper drong zich door het volk, kwam in Mijn buurt en zei: 'Meester! Uw moeder en Uw broeders staan buiten en zouden U graag willen spreken!'

(Matth. 12:47)

[4] Toen zei Ik ernstig tegen de boodschapper: 'Wat zeg je? Wie is Mijn moeder en wie zijn Mijn broeders?!' (Matth.12:48) Toen deed de bood­schapper wat geschrokken een stapje terug.

[5] Maar Ik hief Mijn rechterhand op boven Mijn leerlingen en zei: 'Kijk, dat zijn Mijn moeder en Mijn broeders! (Matth.12:49) Want wie de wil doet van Mijn Vader Die in de hemel is, die is werkelijk Mijn broeder, Mijn zuster, Mijn moeder! (Matth.12:50) Ga echter naar buiten en zeg tegen de wachtenden dat Ik zal komen!'

[6] Er waren er die dit gezegde van Mij hard vonden en Mij verwijten maakten en vroegen, of Ik niet wist hoe het gebod van Mozes luidt over het eren van de ouders.

[7] Ik ging echter niet in op deze vraag en zei: 'Ik weet, Wie Ik ben, en Mijn leerlingen en Mijn aardse moeder weten het ook, en daarom mag Ik de waarheid spreken; maken jullie je dus maar druk over je eigen zaken, - niemand hoeft zich bezorgd of druk te maken over Mij; want Ik weet het beste wat Ik moet doen.' Toen zwegen allen, en niemand durfde iets terug te zeggen, niet ervoor en niet ertegen.

[8] Na enig zwijgen kwam de heer des huizes Baram naar Mij toe en zei: 'Heer en Meester! Het is middag, en de maaltijd staat klaar voor U, Uw leerlingen en ook voor Uw aardse verwanten die buiten op U wachten. Zou U mij arme zondaar de eer en de genade willen bewijzen om het goed klaargemaakte maal te aanvaarden?'

[9] Ik zeg: 'Weliswaar verwacht Ik aan de zee nog een andere maaltijd; maar omdat u Mij op zo'n passende manier heeft uitgenodigd, zal Ik u graag de eer en de genade bewijzen. Maar daar zeg Ik bij, dat Ik geen Farizeeër in de kamer wil hebben waar Ik eet, behalve de jonge Ahab, die Ik bij Mijn leerlingen opneem! Want hij zal zich bij zijn collega’s, die hem zwaar zijn gaan verdenken toen ze hem daarnet heimelijk met Mij zagen spreken, wel nooit meer geloofwaardig kunnen maken. Zeg nu echter tegen het volk dat Ik hier in huis niets meer zal zeggen of doen, zodat het naar buiten gaat en plaats voor ons maakt; want in dit gedrang zou het op natuurlijke wijze moeilijk zijn om buiten te komen.'

[10] Na deze woorden van Mij wendt Baram zich tot het volk en zegt: 'Beste buren! De goddelijke Meester is nu uitgesproken en zal hier in huis geen toespraken meer houden en zeker niets meer doen, gaan jullie dus nu rustig naar buiten, behalve Ahab; want de Meester wil met hem spreken.' Na deze woorden gaat het volk naar buiten behalve de Farizeeën.

[11] Zodra het volk buiten is stappen de oude Farizeeën vol woede in hun harten op Mij af en vragen Mij heel brutaal, wat voor plannen Ik met Ahab heb, of Ik hem ook wil klaarmaken voor de hel?! Als Baram die vraag hoort, ergert hij zich terecht en zegt tegen hen: 'Ik heb ieder jaar mijn belasting tot de laatste cent betaald, en ben daardoor wettelijk bezitter van dit door mij gebouwde huis en daarom duld ik het van niemand, dat iemand die ik in mijn eigen huis als gast eer en verzorg, door vreemden zoals jullie, onaangenaam behandeld wordt! Ik gebied jullie daarom in alle ernst mijn huis ogenblikkelijk te verlaten en je buiten de omheining van mijn bezitting te begeven, omdat ik anders niet wacht om gebruik te maken van mijn duur betaalde rechten als eigenaar!'

[12] Maar de Farizeeën zeggen: 'Ben je dan ook al Griek geworden, dat je je tegenover ons een huisrecht wilt aanmatigen?! Weet je soms niet dat de Joden tegenover een Farizeeër geen huisrecht hebben?! Is niet iedere Farizeeër in ieder Joods huis dat hij betreedt, de algehele heer , en wordt de eigenlijke huisheer niet pas uit genade weer heer, als de Farizeeër het huis verlaat? En weet jij als Jood ook niet, dat je slechts pachter en geen heer bent noch van je huis, noch van je grond, en dat wij grond en huis van je af kunnen nemen als we dat willen, en het vijftig jaar lang aan een ander kunnen verpachten?'

[13] Baram antwoordt: ' Als Jood heb ik dat tot mijn grote ergernis wel geweten; daarom ben ik nu dan ook een Griek, respectievelijk een Romein, en heb ik tegen betaling van een vast bedrag bij het keizerlijke gerechts­kantoor het volledige onomstotelijke eigendomsrecht verkregen, en daar wil ik je meteen wel een proefje van geven als je nu niet direkt doet wat ik gezegd heb!'

[14] De Farizeeën zeggen: 'Laat ons de eigendomsbrief van het Romeinse gerecht zien!' Baram pakt deze nog pas op goed perkament geschreven brief, voorzien van het keizerlijke zegel, houdt hem de ouden onder de neus en zegt: 'Komt je dat bekend voor?!' Dan schreeuwen zij: ' Jij bent dus ook een verrader van God, de tempel en ons?! Dat danken we zeker aan deze zoon van David?! Daarvoor vervloeken wij jou en je hele huis!'

[15] Toen de Farizeeën die vloek hadden uitgesproken, greep Baram snel een behoorlijke stok en begon meteen zo hard mogelijk op de Farizeeën in te slaan, waarbij hij zei: 'Wacht, satansknechten, ik zal jullie eens het juiste loon uitbetalen voor je vloek!' Een Farizeeër, die de stok nog niet gevoeld had, riep: 'Er staat geschreven: 'Wee hem, die de hand aan een gezalfde slaat!' 'Dat weet ik', zegt Baram, 'en daarom gebruik ik nu juist die stok!' En Baram gaf ook deze gezalfde nu een proeve van de stok. Toen vluchtten alle slechte Farizeeën, uitgezonderd Ahab, naar buiten, waar het volk hen verder onder handen nam.

189 Duivelse aanval
[I] Nadat ze van het terrein zijn afgejaagd, komt Baram vermoeid terug en zegt: 'Heer vergeef het mij! Wat ik nu heb gedaan, deed ik echt niet voor mijn plezier; maar het was geen uithouden meer met deze slechte overspelige soort! Je kunt je de duivel echt niet slechter voorstellen dan deze kerels, die er van overtuigd zijn dat de gehele aarde volkomen hun eigendom is! Normaal wind ik me daarover niet zo op; maar toen die kerels U, o Heer en Meester, letterlijk begonnen aan te vallen, kon ik mijn rechtvaardige toorn niet meer onderdrukken en moest ik wel van mijn huisrechten gebruik maken! Maakt U Zich daar echter maar niet druk over; want als die kerels een klacht indienen, dan zal ik die wel aanvechten en ik zal U wijs en slim weten te verontschuldigen!'

[2] Ahab zegt: 'Vriend, je kunt er in ieder geval vast rekening mee houden; want deze oude booswichten zullen al hun best doen om het hele voorval zo ongunstig en zwart mogelijk aan Jeruzalem door te geven! In de eerste plaats de voor hen zeer ongunstige bezigheden van deze goddelijke Meester, dan de totale afvalligheid van heel Jesaïra van het Jodendom, vervolgens mijn gedrag en ten laatste zullen ze Herodes laten weten, dat hij hier al zijn onderdanen heeft verloren, omdat ze zich het Romeinse burgerrecht gekocht hebben! Dat zal in Jeruzalem in één keer alle slechte geesten wekken, en dat zou hier wel eens verscheidene kwade voorvallen kunnen veroorzaken! Wees er daarom op voorbereid en zorg vooraf voor hulp van de keizer, anders zullen deze slechte geesten je veelleed bezorgen. ,

[3] Ik zeg: 'Houd daar maar over op, Ahab; Ik sta er voor in, dat het huis van Baram onverlet blijft; -maar dat die oude onmensen zullen doen, wat je gezegd hebt, is waar, maar noch Baram, noch jij behoeven daar enige angst voor te hebben. Maar nu gaan we aan de maaltijd, waar Ik ook naar Maria en de zonen van Jozef wil luisteren!'

[4] Verbaasd over de naam Jozef, zegt Baram: 'Wat zegt U, die van mijn meester uit Nazareth, waar ik zoveel aan te danken heb?! Hij was nog een jonge man en al meester in zijn vak toen ik bij hem in de leer was. Wat heeft hij mij geduldig en liefdevol alle knepen van het vak laten zien, en hoe gauw heeft hij mij niet het beste werk laten doen en mij belangeloos met raad en daad terzijde gestaan; dat zal ik werkelijk eeuwig nooit van hem vergeten!'

[5] Ik zeg: 'Wel, Maria is zijn tweede vrouw, hem door de tempel als vrouw gegeven; maar de beide mannen die bij haar zijn, zijn de zonen van Jozefs eerste vrouwen die zetten nu zijn handwerk voort. Maar Ik ben lichamelijk de zoon van Maria en Mijn naam is Jezus!'

[6] Baram antwoordt: 'O wat ben ik gelukkig, dat deze eer en genade aan mijn huls bewezen wordt! Laten we nu vlug aan tafel gaan, opdat de heerlijke moeder met de beide zonen van Jozef niet te lang op ons behoeven te wachten!' Dan gaan wij snel de eetkamer in waar ook Maria met de beide zonen van Jozef op ons wachten.

[7] Als Maria Mij ziet, begint ze van vreugde te huilen; want ze had Mij nu al twee maanden lang niet gezien, en de beide broers, die Mij zeer liefhebben, vergaat het net eender. Nadat wij ons wederzijds dus zeer hartelijk begroet hebben, gaan we allen aan tafel, spreken het dankgebed uit en gebruiken dan het goede en rijkelijke maal, waaraan Kisjonah, die Mij met vrouwen dochters tot op heden niet verliet, ook heel opgewekt deelnam en daarbij veel besprak met Maria en de broers.

[8.] Toen we na de maaltijd aan tafel zaten en vanwege de grote hitte, wijn aangelengd met water dronken, vroeg Ahab of hij spreken mocht. Hij moest ons iets belangrijks mededelen wat vooral samenhing met Mijn persoonlijke veiligheid, omdat hij nu pas in de loop van het gesprek te weten was gekomen, dat Ik de bij het volk beroemde, en bij de Farizeeën zeer beruchte Jezus van Nazareth was, die in het hele land een buitengewone reputatie had. Ik zei tegen hem: 'Vertel wat je weet!'

[9] Ahab vertelt: 'Heer en Meester! U heeft de dochter van onze overste Jaïrus opgewekt uit de dood - dat is bekend in de gehele streek -, en ook de..dochter van een overste uit het Romeinse leger. Wie zou er dan aan twijfelen of zo'n afschuwelijke tiran niet eeuwig dankbaar zou zijn voor zo'n wonderdaad, en de wonderdoener een plaats rechts naast zich op de troon zou geven, net zoals eens de farao met Jozef deed nadat deze hem zijn droom had uitgelegd!

[10] Maar wat doet dit tempelgebroed, deze echte duivelsknechten?! Zij stuurden een bericht dat ik jammer genoeg ook heb moeten ondertekenen, hoewel Ik tot op heden noch van Jezus, noch van Zijn leer ook maar ooit gehoord, noch van Zijn daden iets gezien had. Volgens dit afschu­welijke bericht zijn nu allerwegen gehuurde spionnen en sluipmoordenaars door de tempel en ook door Herodes en de Romeinse landvoogd aangesteld, om U uit de wereld te helpen!

[11] In deze mededeling wordt U door Jeruzalem op een zodanige wijze als volksbedrieger, verleider en opruier in opspraak gebracht, zoals dat tot op heden, zo ver ik weet, nog met geen mens gebeurd is. De dochter van Jaïrus zou helemaal niet dood-- zijn geweest toen men U riep om haar te genezen of uit de dood op te wekken, maar ze was helemaal gezond geweest en had, om U te beproeven, alleen maar gesimuleerd! Toen U' kwam en 'talitha kumi' tegen haar zei, werd het de overste geheel duidelijk dat U een bedrieger was en geen verstand had van de echte geneeskunde; want als U als een genezer een mens en zijn kwalen had kunnen beoordelen, dan zou U op het eerste gezicht al gezien hebben dat het meisje niet alleen niet dood, maar daarbij ook nog kerngezond was!

[12] Weliswaar is de Romeinse overste, ik geloof dat hij Cornelius heet wiens knecht of .dochter U ook hebt opgewekt uit de dood, daar op tegen; maar wat kan hij alleen tegen zo n massa valse getuigenissen!

[13] Beste, dierbaarste vriend, Meester en Heer! Ik zou U nog veel kunnen vertellen; maar ik zie, dat mijn vertellen van de naakte waarheid U bedroefd heeft gemaakt. Omdat de laster over U te duivels gemeen is, zwijg ik maar over al het andere; het is voldoende dat ik U van het belangrijkste op de hoogte heb gebracht. Het beste aan deze hele zaak is nog, dat de satan dom is en door werkelijk wijzen en slimmen gemakkelijk schaakmat gezet kan worden, wat in Uw geval des te makkelijker zal gaan omdat U buitengewoon wijs bent! Laten we er maar niet meer over praten!

[14] Bij U vergeleken ben ik weliswaar maar een heel eenvoudig mens; maar deze slechte booswichten wind ik allemaal heel makkelijk om iedere vinger! En ik vind het zeker geen zonde om de satan zo hard als dat maar mogelijk is ergens tegen op te laten lopen. Want dat dwingt hem om zich weer voor een tijdje heel bescheiden van het kwade gevechtsterrein terug te trekken; en zo wint de wijze en slimme mens weer tijd om zijn geest met edeler zaken bezig te houden, in plaats van steeds maar door met de satan ruzie te maken.'




190 De leer van het Rijk der hemelen

[1] Nu zegt Maria: 'Mijn Heer en zoon! Wat deze jonge man Je nu vertelde, is helemaal waar, en ik ben juist daarom naar Jou toe gekomen, om Je te vertellen dat ik voor Jou letterlijk uit mijn huis ben gejaagd. Wat moet ik nu doen met Je broers en zusters, alleen in aardse zin dan? Want ik weet wel dat Jij op aarde geen verwanten hebt, behalve Jouw leerlingen die Je liefhebben.

[2] Onze kleine bezitting is verloren; de slechte Farizeeën hebben haar in beslag genomen en zij hebben onze woning samen met de tuin vol gewassen aan een vreemde verkocht! Weet Je, ik en Je broers en zusters zijn niet meer zo jong om het zware daglonerswerk te doen; en ook al zouden we dat willen, dan hebben deze slechte tempelheersers onder bedreiging van zware straffen alle Joden toch verboden om ons wat voor werk dan ook te geven, en evenmin een aalmoes! Wat moeten we nu doen, en waar moeten we van leven?!'

[3] Dan zeggen Baram en Kisjonah tegelijk: 'Hooggeëerde moeder, die God de eindeloze genade heeft waardig bevonden, om door haar de allerhoogste zoon van alle hemelen in deze slechte wereld te laten geboren worden, maakt u zich daar maar geen zorgen over! Kijk, in de eerste plaats zijn wij staatkundig gezien geen Joden meer, maar naar buiten toe zijn wij Grieken, hoewel wij in onze harten echte Mozaïsche Joden zijn! Beiden zijn wij - de Heer zij alle lof - rijk; kom daarom met al uw verwanten bij ons wonen, en u zult niets te kort komen!'

[4] Ik zeg: 'Vrienden! Jullie voorstel is balsem voor Mijn hart! Mijn zegen en Mijn genade zal eeuwig jullie deel zijn. Maar eerst zal Ik naar huis gaan en zien, met welk recht de slechte booswichten het kleine en met veel moeite verkregen bezit van moeder, Jozefs rechtmatige vrouw, hebben geroofd.

[5] Dan zal Ik ook met Jaïrus een paar woordjes te spreken hebben; want zijn dochter zal weer ziek worden, en dan komt hij wel. En Ik zal met hem praten. We zullen nu echter, omdat het werkelijk zo ernstig is en het slechte hellebroedselons allerwegen vallen heeft gezet, meteen opbreken en de zee op gaan; die heeft geen val voor ons uitstaan!

[6] Aan de zee zal Ik eerst het volk nog door middel van beelden veel over het Rijk der hemelen onthullen, opdat niemand zich te eniger tijd verontschuldigen kan door te zeggen: 'Hoe zou ik dat hebben moeten geloven en doen, terwijl ik er nooit iets over hoorde?!' Als de oude booswichten komen, dan moet het volk hen niet tegenhouden opdat ze zich eens nog minder zullen kunnen verontschuldigen.

[7] Vriend Kisjonah, ga jij vast en maak je grote schip klaar; want dat zullen we nodig hebben!' Kisjonah staat met de zijnen op, en gaat om aan Mijn wens te voldoen.

[8] Baram vraagt Mij echter, omdat Ik niet meer in zijn huis kan en wil blijven, of hij Mij mag begeleiden.

[9] En Ik zeg: 'Net zo ver en net zo lang als je maar wilt! Want Ik heb nog nooit het eerlijke en echte verlangen van iemand afgewezen of onverhoord gelaten!' Baram regelt derhalve zijn zaken, geeft zijn vrouw en kinderen opdracht over wat zij tijdens zijn afwezigheid moeten doen, en hoe zij tegen slechte vijanden op moeten treden. Vervolgens neemt hij wat goud mee en gaat met ons allen naar buiten aan de zee, en een zeer grote volksmenigte volgt ons op de voet. (Matth. 13:1)

[10] Ook de oude Farizeeën mankeren niet, hoewel ze zich verkleed hebben, opdat het volk ze niet zal herkennen. Wanneer we aan de zee komen, dringt het volk onder het voortdurende roepen van 'Heil aan de zoon van David!' zo dicht naar de oever, dat Ik met Mijn verwanten geen plaats meer heb om te staan, en al Mijn talrijke leerlingen nog minder .

[11] Daarom zei Ik tegen Kisjonah: 'Laat de trap op de oever zakken; wij moeten in het schip, want het land wordt ons te eng!' Kisjonah liet snel de trap neer, en wij klommen meteen op het schip. (Matth.13:2) Maar omdat het volk Mij het schip in zag gaan, dacht het dat Ik meteen zou wegvaren. Daarom begon het luid te vragen om hen de beloofde leer van het hemelrijk te geven!




191 De gelijkenis van de zaaier

[1] Toen wij allen in het schip waren, en de trap opgetrokken was, zei Ik tegen het volk dat het zich rustig moest gedragen en zich aan de oever een plaats moest zoeken. En het volk werd rustig, en stil zocht het zich een plaats aan de oever; alleen de oude Farizeeën zetten zich niet neer, maar stonden niet ver van de oever in de nabijheid van hun schip; want ze waren van plan om Mij steeds in het oog te houden en waren daarom ook helemaal klaar, om ons ook op zee te achtervolgen.

[2] Ik zette Mij op het zeer ruime dek van het schip en begon veler!.ei zaken in beeldspraak aan het volk te vertellen; de reden voor Mijn beeldspraak was, dat de domme Farizeeën het dan niet zouden begrijpen. Maar het volk, dat hier wat sneller van begrip was, begreep wel wat Ik hen vertelde.

[3] Als eerste beeld vergeleek Ik Mijzelf met een zaaier en sprak: 'Hoor en luister goed!

[4] Een zaaier ging eens een goed en gezond gewas zaaien (Matth.13:3). En terwijl hij zaaide, viel er een deel op de weg; toen kwamen de vogels en pikten het op. (Matth.13:4) Een deel viel op rotsachtige grond waar niet veel aarde lag, en het schoot daarom snel op, omdat er weinig drukkende aarde op lag; (Matth.13:5) maar toen de zon opkwam en fel begon te schijnen, verwelkte de in de koele en vochtige nacht opgeschoten kiem al gauw omdat hij geen wortels had, en verdorde. (Matth.13:6) Een deel viel tussen de dorens, en deze groeiden veel breder Uit dan het gewas en verstikten het. (Matth.13:7) En een deel viel tenslotte op goede grond en droeg vruchten, een deel honderdvoudig, een deel zestig voudig en een deel dertigvoudig. (Matth.13:8) Wie oren heeft om te horen, die hore. (Matth. 13:9)

[5] Ik wilde de toespraak hier niet onderbreken, maar omdat de leerlingen verscheidene van deze beelden zelf niet begrepen, kwamen ze naar Mij toe en zeiden: 'Waarom spreekt U nu opeens tegen hen in gelijkenissen? (Matth.13:10) Wij, die al.zo lang bij U zijn, begrijpen ze nog maar nauwelijks; hoe zullen de luisteraars aan de oever ze dan kunnen begrijpen. Ziet U dan niet hoe ze hun schouders ophalen en dat een aantal zelfs denkt, dat U ze voor de mal houdt, of dat U over zulke oninteressante dingen spreekt vanwege de Farizeeën, want iedereen. weet toch wel, dat je het gewas niet op de weg, of op stenen en net zomin tussen de dorens moet zaaien! Wij begrijpen wel wat U daarmee bedoelt; maar zij op de oever denken heus dat U ze ertussen neemt! Of wilt U ze dan echt op een manier lesgeven die ze niet begrijpen?'

[6] Maar Ik zeg tegen de leerlingen: 'Waar heb je het over en waarom storen jullie Mij?! Ik weet heus wel, waarom Ik tegen dit volk in gelijkenissen spreek die het niet begrijpen moet! Het is aan jullie gegeven om het Rijk Gods te begrijpen; maar aan hen is het niet gegeven (Matth.13:11); want weet wel, dat het zo is: Wie heeft, zoals jullie, daaraan wordt gegeven zodat hij dan in overvloed heeft; maar wie niet heeft, daar wordt ook nog van afgenomen wat hij heeft! (Matth.13:12) Daarom spreek Ik als Heer tegen hen in gelijkenissen; want met ziende ogen zien zij niets, en met horende oren horen zij niets; want ze begrijpen het niet! (Matth.13:13)

[7] Wat deed Ik hier, en wie denken ze dat Ik ben? Zij zijn allemaal blind en doof. Hun evenbeeld heb je gisteren gezien aan de blinde en tevens stomme man die Ik heb genezen. Zoals hij lichamelijk was, zo zijn zij geestelijk, en Ik spreek tegen hen in gelijkenissen opdat de voorspelling van Jesaja door hen vervuld wordt, die zo luidt: 'Met de oren zult u het horen en toch niet begrijpen, en met ziende ogen zult u het zien en daarbij toch niets verstaan! (Matth.13:14)

[8] Want het hart van dit volk is eigenzinnig en hun oren horen slecht en hun ogen dutten, om te voorkomen dat ze op een keer met de ogen zouden zien, met de oren zouden horen, met het hart zouden begrijpen en zich zouden bekeren en Ik hen dan echt kon helpen!' (Matth.13:15)

[9] Maar zalig zijn jullie ogen, die dat zien, en jullie oren, die dat horen! (Matth.13:16) Want voorwaar, Ik zeg jullie: Vele profeten en rechtvaar­digen hebben gewenst om datgene te zien en te horen, wat jullie zien en horen, en hebben het toch niet gezien en gehoord! (Matth. 13:17)

[10] Ik heb jullie echter eerder gezegd, dat het jullie gegeven is het geheim van het Rijk van God te begrijpen; toch merk Ik dat jullie begrip in de aard der zaak niet zoveel beter is dan dat van hen op de oever. Hoor dan en luister dan naar de gelijkenis van de zaaier, die als volgt uitgelegd moet worden (Matth. 13:18):

[11] Als iemand de woorden over het Rijk van God die Ik uitspreek, wel hoort, maar in zijn hart niet begrijpt, omdat dat hart van pure wereldgelijkvormigheid net zo platgetreden is als een weg, dan ziet de boze maar al te snel het niet in de aarde gevallen, maar op de vast gestampte, wereldse gladde buitenkant van het hart blootliggende woord, en pakt met gemak weg wat eigenlijk in het hart gezaaid is maar toch aan de werelds gladde buitenkant bleef plakken; en zo'n mens lijkt dan op de weg waarop het zaad, of wel Mijn woord, viel. (Matth.13:19) En daar aan de oever staan er veel van deze soort!

[12] Het zaad dat op de rotsgrond viel, betekent het volgende: Een mens hoort het woord en aanvaardt het met veel vreugde. (Matth.13:20) Maar omdat zo iemand net als een steen te weinig levensvocht, waarvoor een moedig hart alleen borg staat, en ook te weinig grond, ofwel vaste wil, in en boven zich heeft en daarom ook net als een steen afhankelijk is van het weer om vochtig of droog te zijn, en dus met het weer meedraait, ergert hij zich erg en wordt kwaad als hij allerlei ellende en vervolging ter wille van Mijn woord moet ondergaan (Matth. 13:21) en lijkt daarom juist op een door de zon verhitte steen, waarop Mijn woord natuurlijk geen wortels kan krijgen en tenslotte helemaal verdorren moet.

[13] En kijk, daar aan de oever staan veel van zulke stenen, die nu ter wille van Mij erg kwaad zijn op de slechte Farizeeën. Ze zien nu echter tijdens Mijn aan hen gerichte woorden, dat zich boven hun hoofden allerlei ellende en vervolging samenpakt. Door te veel ergernis enerzijds en te veel vrees anderzijds doden ze nu Mijn woord in hun hart, want ondanks alle tekens die zij hebben gezien, en ondanks al Mijn uitdrukkelijke verzekeringen geloven zij toch niet dat Ik voldoende machtig ben om ze te beschermen tegen al het kwade. Op deze manier lijken ze op de steen waarop het zaad viel.

[14] Het zaad, dat tussen de dorens viel, betekent: Dat een mens het woord hoort en ook aanvaardt, maar daarbij bezig is met allerlei wereldse zaken en de daarbij behorende zorgen, of met bedrieglijke winsten of de nog bedrieglijker rijkdom. Zulke ijdele zorgen hopen zich van dag tot dag op, tieren net als alle onkruid welig in het hart voort en verstikken maar al te makkelijk en te snel Mijn gezaaide woord. (Matth. 13:22)

[15] En kijk, weer staan er daar aan de oever velen die lijken op de dorens, waartussen het zaad viel!

[16] Het in de goede aarde gezaaide zaad betekent echter: Dat een mens Mijn woord hoort en het opneemt in de grond van zijn hart, waar het altijd en immer helemaal juist en levend begrepen wordt; zo'n mens lijkt dan op een goede grond waarin het zaad valt en afhankelijk van de wil en de kracht van de mens gemakkelijk honderdvoudige, of zestig voudige of dertigvoudige vrucht opbrengt aan goede werken. (Matth. 13:23) en daarbij betekent honderdvoudig dat hij alles voor Mij doet, en zestig voudig dat hij veel voor Mij doet, en dertigvoudig dat hij behoorlijk wat voor Mij doet.

[17] Er zijn dan ook drie hemelen in Mijn rijk: de bovenste voor de honderdvoudige vrucht, daaronder die voor de zestig voudige vrucht en de onderste voor de dertigvoudige vrucht. Minder dan dertigvoudig telt niet mee, en wie minder dan dertigvoudig heeft, raakt het kwijt aan degenen, die dertig, zestig en honderdvoudige vrucht hebben. Zo wordt dus genomen van degene, die niet heeft, en toegevoegd bij degene, die reeds heeft, opdat hij dan overvloedig heeft!

[18] En zie, daar aan de oever staan er velen van wie het nu al genomen is, en het is aan jullie gegeven terwijl je toch al veel hebt, terwijl zij te weinig of niets hebben!

[19] Als iemand een akker heeft, die hem veel vruchten opbrengt, omdat de grond goed is, maar ook een akker heeft, die ondanks alle bemesting slecht blijft en nauwelijks meer vruchten oplevert dan wat er op gezaaid wordt, -dan vraag je je af: Wat zal de eigenaar doen? Wel, hij zal de geringe opbrengst van de slechte akker nemen en bij de goede en rijkelijke vrucht van de goede akker doen en hij zal het jaar daarop niet meer zaaien op de slechte akker, maar alles zaaien op de goede akker! Die zal dan de volle oogst geven, maar de slechte wordt overgelaten aan het onkruid, de distels en de dorens.

[20] Zo pakt een verstandige heer des huizes dat aan; moet de Vader in de hemel soms onverstandiger handelen dan een verstandig mens op deze vergankelijke aarde?

[21] Denk daarom niet in je hart dat de Vader in de hemelonrechtvaardig zou kunnen zijn!

[22] Als je weet dat men alleen bij diegene raad vraagt, die enige wijsheid heeft, en zich gauw afwendt van iemand die al snel Iaat blijken dat hij slechts een praatjesmaker is, dan is de vraag: -doet men onrecht, als men het geloof in de praatjesmaker opgeeft en het overdraagt op de echte wijze, die toch al van alle kanten vertrouwen in overvloed geniet?

[23] Of doen jullie, als Mijn leerlingen, onrecht, als je Mij volgt en tempel en Farizeeën en alle schriftgeleerden verlaat, en daardoor het laatste vonkje vertrouwen dat je in hen had, bij hen wegneemt en het aan Mij geeft, terwijl Ik door Mijn daden en woorden toch al zoveel vertrouwen bezit?! Ik denk, dat het jullie nu wel duidelijk is dat er absoluut geen onrecht gebeurt als, zoals Ik jullie vertelde, eenmaal van degene die niet heeft volgens dat getal dat Ik noemde, ook dat wat hij heeft wordt afgenomen.

[24] Ik spreek echter alleen maar over het geestelijke en niet over de materie, want het zou welonrechtvaardig zijn als men bij de weinig bezittende het kleine bezit weg zou nemen en het aan een rijke zou geven, wiens voorraadschuren en kamers toch al te vol zijn. Daarom betreft alles waarover Ik nu spreek, alleen maar het geestelijke en niet de materie, waarvoor slechts een dwingende en harde wet kan en mag gelden tot de tijd van haar eens komende ontbinding. Is dit nu duidelijk?'

[25] Allen antwoorden: ' Ja, Heer en Meester; want Uw wijsheid gaat boven al onze nog zo hoge en wijs gewaande gedachten! Daarom vragen wij U, of U op deze manier verder wilt spreken!'




1   ...   31   32   33   34   35   36   37   38   ...   43

  • 190 De leer van het Rijk der hemelen
  • 191 De gelijkenis van de zaaier

  • Dovnload 2.49 Mb.