Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Uitgeverij de ster, ginnekenweg 124, 4818 jk breda

Dovnload 2.49 Mb.

Uitgeverij de ster, ginnekenweg 124, 4818 jk breda



Pagina36/43
Datum05.12.2018
Grootte2.49 Mb.

Dovnload 2.49 Mb.
1   ...   32   33   34   35   36   37   38   39   ...   43
192 Onkruid tussen de tarwe, mosterdzaad en zuurdeeg

[1] En Ik zeg nu luid, zodat ook de aan de oever staanden het kunnen horen: 'Nu dan, wie oren heeft om te horen, die hore, en wie ogen heeft -in het hart, wel te verstaan -, die begrijpe het! Ik zal jullie een ander beeld van het Rijk van God geven; luister!

[2] Het hemelrijk is ook als een mens die goed zaad op zijn akker zaaide. (Matth.13:24) Maar toen zijn knechten sliepen, kwam de vijand van de landman en zaaide slecht onkruid tussen de tarwe, dat daarna gelijk met de tarwe opkwam. (Matth.13:25) Waar nu de tarwe met de vrucht, die zij geeft, opgroeide, daar stond ook het slechte onkruid. (Matth. 13:26)

[3] Toen de knechten dat merkten, gingen ze naar de heer des huizes en zeiden: 'Heer, u heeft toch goed zaad op uw akker gezaaid? Hoe komt dan al dat onkruid er op?!' (Matth. 13:27)

[4] De heer des huizes antwoordde echter: 'Dat heeft mijn vijand mij aangedaan!' Toen zeiden de knechten: 'Heer, als u dat wilt, dan gaan we het uitwieden!?' (Matth.13:28) Waarop de heer zei: 'Laat dat, opdat je niet bij het wieden van het onkruid ook de goede tarwe vertrapt en mee uittrekt! (Matth.13:29) Laat het gezamenlijk opgroeien tot aan de oogst! Als het oogsttijd is zal ik tegen de maaiers zeggen: Verzamel eerst het onkruid in bossen en breng het van de akker naar een plaats waar men het verbranden zal; en breng de zuivere tarwe vervolgens in mijn schuren!” (Matth.13:30) Kijk, dat is een goed beeld van het hemelrijk! Maar lulster verder naar Mij! Ik wil jullie nog meer van deze beelden geven, die allemaal een heel precieze weergave zijn van het Godsrijk. Luister daarom verder naar Mij!

[5] Het hemelrijk lijkt op een mosterdzaadje, dat een mens nam en op zijn akker zaaide. (Matth.13:31) Zoals bekend is dit zaad een van de kleinste onder alle zaden; maar als het opgroeit, is het groter dan de kool en tenslotte wordt het een echte boom, zodat de vogels er op af komen en tussen zijn takken nestelen.' (Matth.13:32)

[6] Daarop zagen de leerlingen elkaar met grote ogen aan en zeiden: 'Wat krijgen we nu? Wie begrijpt dat? Nu lijkt het hemelrijk zelfs al op een mosterdkool!'

[7] Maar Ik zeg: 'Verwonder je niet daarover, maar luister verder naar Mij! Ik geef je nog een ander beeld van het Godsrijk:

[8] Het hemelrijk is ook als een zuurdeeg dat een vrouw nam en door drie schepels tarwemeel mengde, net zolang tot het hele meel gezuurd was.' (Matth.13:33)

[9] Alweer zagen alle leerlingen inclusief de pientere twaalf apostelen, elkaar heel verbaasd aan en zeiden tegen elkaar: 'Wie kan dat in zich opnemen en begrijpen? Of houdt hij het volk vanwege de Farizeeën voor de mal? Het is echt niet te begrijpen waarom Hij nu opeens met zulke duistere beelden aankomt!'

[10] Maar Ahab, die erg goed op de hoogte was met de schrift, hoorde het gesprek van de leerlingen en zei tegen hen: 'Als Hij datgene is, wat ik nu vast geloof dat Hij beslist moet zijn, dan zou, omdat Hij nu steeds door en niet zonder gelijkenissen spreekt (Matth. 13:34), datgene wat Jesaja over de komende Messias voorspeld heeft op Hem betrekking kunnen hebben, namelijk toen hij zei: 'Ik zal spreken in gelijkenissen en zal vertellen, wat vanaf het begin der wereld voor alle mensen een geheim was!' (Matth. 13:35)

[11] Zie, zo sprak eens de grote profeet, en zo zong ook eenmaal David in zijn acht en zeventigste psalm in het tweede vers, en naast heel veel andere dingen slaat dat juist op Hem, en dan vragen jullie nog: Waarom zó, en wat betekent dat?', terwijl je toch al een behoorlijk lange tijd met Hem optrekt?! Als het noodzakelijk is dan zal Hij ons deze gelijkenissen wel uitleggen, en als het niet nodig is, -nu, dan mogen we ons allen wel heel gelukkig prijzen, dat wij nu zien en horen mogen, wat alle aartsvaders graag gezien en gehoord zouden hebben!'



[12] Na deze ingelaste toespraak van Ahab zijn alle leerlingen weer gerustgesteld; maar het volk vraagt Mij, omdat Ik tijdens de rede van Ahab zweeg, of Ik nog meer van die onbegrijpelijke taal zou spreken, of dat zij, die in afwachting van een goede les, die echter niet gekomen was, aan de oever zaten, maar weer naar hun bezigheden zouden terugkeren!

[13] Maar Ik zei: 'Ga naar huis; want voor jullie heb Ik Mijn mond niet opengedaan, omdat Ik wel wist hoe dom jullie harten zijn! Daarom zullen eenmaal ook jullie kinderen je meesters en rechters zijn!' Daarop ging al het volk snel weg van de oever en iedereen ging naar huis.

[14] De Farizeeën echter niet, zij klommen, toen ze zagen dat Kisjonah zijn schip begon vlot te trekken, ook meteen in hun klaarliggende schip en kozen vóór ons zee. Maar Ik wilde heimelijk, dat een krachtige wind hen zou voortdrijven. En zie, meteen dreef een krachtige wind hun schip hard voor zich uit en schuimende golven sloegen zo nu en dan over het dek.


193 De verwondering

[I] Wij voeren echter in een geheel andere richting weg van Jesaïra, en weer moest het gebeuren dat ook wij midden op zee door een storm werden overvallen, bij welke gelegenheid alle leerlingen en allen, die op het schip waren, nogmaals zeer angstig werden, zoals het al een keer eerder was gebeurd, en weer begonnen ze van angst en vrees te roepen dat Ik ze moest helpen omdat anders alles zou vergaan!

[2] En Ik gebood, net als toen, de wind en de zee, waarop ogenblikkelijk een grote windstilte intrad en de zee spiegelglad werd en al het volk op het schip hardop zei: 'Wie is hij, dat wind en zee hem gehoorzamen?!'

[3] Maar Ahab, die niet ingestemd had met deze vraag, zei tegen de leerlingen en verscheidene anderen: 'Vrienden, die vraag en die verwon­dering was weer echt dom en niet op zijn plaats! Jullie zijn toch al zo lang in Zijn omgeving, en toch verwonder je je nog net zo, alsof dit het eerste teken is dat je ziet gebeuren! Ik ben nog geen hele dag bij jullie, en voor mij is dat allemaal al net zo begrijpelijk, als wat dan ook maar voor een mens begrijpelijk kan zijn! Als Hij namelijk de grote beloofde Messias is, Die volgens David niets meer en niets minder is dan Jehova Zelf in vleselijke gedaante, dan zal het voor Hem toch erg eenvoudig zijn om aan een storm op zee een eind te maken, daar het voor Hem zeker niet moeilijk was de gehele wereld te scheppen! Als dat echter onweerlegbaar zo is en jullie Hem kennen, hoe kunnen jullie dan zo'n vraag en zo'n verwondering in je hart hebben?!'

[4] Een beetje boos door deze aanmerking van Ahab, zegt Judas: 'Vriend, dat we dat en nog veel meer van Hem hebben gezien, is dat dan een reden voor ons om ons over niets meer te verwonderen wat de Heer in ons bijzijn doet?'

[5] 'In geen geval, broeder!', zegt Ahab. 'Maar Ik vind alleen maar dit: Wij moeten ons in alle deemoed van onze harten wel verwonderen dat Hij zoiets in ons bijzijn doet, en ons, hoewel we echt niet zulke waardevolle schepsels zijn, zo waardig acht voor Zijn liefde, wijsheid en macht, dat Hij nu juist zulke daden ten aanschouwe van ons verricht! Ik vind mijzelf tenminste voor de minste nog niet waardig genoeg! Maar als wij weten Wie Hij is, en we verbazen ons dan nog, als Hij die hemel en aarde geschapen heeft iets buitengewoons doet, net alsof een mens dat gedaan had, dan vinden wij de Heer eigenlijk alleen maar een wat buitengewoon mens! En dan vind ik, dat de manier waarop jullie je verbazing hebt getoond na het plotseling verdwijnen van de storm, niet op zijn plaats is!

[6] Zou het dan niet belachelijk zijn, om je nu ook te gaan verwonderen over de zon, over de maan, over alle sterren, over de aarde en over alle wonderbaar georganiseerde en gevormde schepsels, die toch even goed Zijn werken zijn als dat het stillen van deze harde storm op zee Zijn werk is?! Ik meen dat als we ons dan toch willen verwonderen, we dat alleen maar daarover moeten doen, dat de almachtige Onuitsprekelijke god Jehova, vanaf Zijn eeuwige onmeetbare hoogte zo diep is neergedaald naar ons sterfelijke, zeer zwakke mensen. Daarom zou het haast onge­lofelijk zijn, als dat, wat nu hier is en volkomen echt gebeurt, al niet sinds Adam, Henoch en door alle profeten tot op de arme Zacharias en diens zoon Johannes toe, geprofeteerd was.

[7] Ik vind het grootste wonder dat, wat door honderden profeten eensluidend geprofeteerd is, nu hier is! Wat nu plaats vindt is niets anders dan een natuurlijk gevolg van de eerste wonderbaarlijke verschijning op deze aarde, namelijk: de geprofeteerde vleselijke verschijning van Jehova!'

[8] Dan zeggen zelfs de twaalf apostelen tegen Mij: 'Heer, waar haalt hij die taal en die zuivere wijsheid vandaan?'

[9] Ik zeg: 'Zijn vlees en bloed zeggen hem dat niet, maar de geest, die al zover in hem is ontwikkeld, dat hij niet ver meer af is van de algehele wedergeboorte van de geest! Maar het is werkelijk geen bijzondere eer voor jullie, dat hij jullie leraar is, in plaats dat jullie dat voor hem zijn; hij heeft echter veel op jullie voor omdat hij de schrift heel goed kent, en Ik heb hem lief zoals Ik jullie lief heb; want er is veel deemoed in zijn hart!'



194 Het geestelijk huis van de mens
[1] Nu vragen de leerlingen die aan de zee wonen: 'Heer, waar zullen we nu naar toe gaan?' 'Recht toe, recht aan, naar huis!', zeg Ik. Maar zij zeggen daarop: 'Heer, daar zal het ons niet zo goed vergaan! Want de Farizeeën hebben Uw aardse moeder alles afgenomen, en wij denken daarom dat het er thuis wat bedenkelijk uitziet, hoewel we heel precies weten dat U eigenlijk overal een huis heeft en thuis bent.'

[2] Ik zeg: 'Jullie zouden nu toch wel wat bekend moeten zijn met de geestelijke taal! Wil Ik dan naar Nazareth, als Ik zeg, dat we nu rechtstreeks naar huis zullen gaan?! Begrijp dat nu toch eens! Als Ik over thuiskomen spreek, dan bedoel Ik daarmee het innerlijk van de mens, wat een werkelijk geestelijke verzamelplaats is van het leven, de kracht, de macht en alle wijsheid. Dus daar gaan wij nu heen! Wij hebben echte innerlijke geestelijke rust nodig, en dat is een echt thuis; daarin zullen we datgene -niet voor Mij, maar voor jullie -vinden, wat voor ons mensen van vlees en bloed nodig is! Begrijpen jullie dat?'

[3] De leerlingen zeggen daarop: 'Ja, Heer, nu begrijpen wij het!'

[4] Ik vervolg: 'In aardse termen gesproken, trekken we nu weer bij Kisjonah in! In zijn huis zijn wij veilig; want het is een vrij huis en het betaalt daarvoor aan de keizer een grote schatting, en de Farizeeën zullen op een afstand worden gehouden. Maar na enige dagen zullen we van daaruit wel naar het aardse vaderland gaan en daar proberen recht te maken, wat erg krom is geworden.'

[5] Kisjonah zegt dan: 'Heer, U zou niet een paar dagen, maar liever een paar maanden, of op z'n minst weken met al de Uwen in mijn, maar in waarheid eigenlijk geheel en al Uw, huis moeten doorbrengen. Want in Nazareth zult U, als U geen vuur en zwavel van de hemel laat regenen, bijna of helemaal geen geloof vinden, vooral niet bij de Farizeeën en schriftgeleerden, die U eigenlijk hoe langer hoe meer naar het leven gaan staan!'

[6] Ik antwoord hem: 'Vriend, maak je daarover geen zorgen; want men kan Mij slechts zover benaderen en kwaad doen, als Mijn Vader, die in Mij is -zoals Ik in Hem ben, het toelaat; en wat allemaal toegelaten wordt tot heil van alle mensen en ter vervulling van de schrift, dat weet Ik al sinds eeuwen! AI de profeten hadden nooit zo kunnen voorspellen, als Ik het niet vooruit had geweten; want dezelfde geest, die in alle volheid in Mij woont en nu zo tegen jou spreekt, heeft ook zo tegen de profeten gesproken wat je in de schrift leest! Maar omdat nu dezelfde geest hier is, moet Hij datgene vervullen, wat Hij over Zichzelf door de profeten geprofeteerd heeft! En heb jij daarover maar geen zorg! Want deze almachtige geest weet wel wat Hij doet!'

[7] Kisjonah begrijpt Mij, zwijgt, slaat zich dan driemaal op de borst en zegt na een poosje: 'Ik ben wel niet waard, dat U bij mij intrekt, maar wees mij arme zondaar toch genadig en barmhartig en blijf een paar dagen als troost bij mij!'

[8] 'Wees maar kalm!', antwoord Ik. 'Want zolang Ik hier op aarde werk heb zal Ik bij jou wonen, samen met allen die bij Mij zijn; jouw huis zal voor Mij een rustoord zijn. Maar voor Mijn werk zal Ik het vaak moeten verlaten; geestelijk zal Ik het echter nooit verlaten!' (Daarbij leg Ik Mijn hand op Kisjonah's hart.)



195 Weerzien met Jaïruth en Jonaël
[1] Nadat we dit met elkaar besproken hadden, bereikten we ook de oever, en wel juist bij de landingsplaats van Kisjonah, waarvandaan men meteen door een grote en mooie tuin in de zeer ruime gebouwen en woonhuizen van Kisjonah kwam, waarin alles al voor onze ontvangst gereed was. Want Kisjonah had in het huis van Baram al in 't geheim van Mij gehoord dat Ik weer bij hem zou terugkomen, en zodoende had hij door middel van een kleiner vaartuig direkt boden met een bepaalde opdracht naar huis gestuurd.

[2] Maar wie troffen we daar ook aan? - Jaïruth, de rijke koopman uit Sichar, die het oude slot van Ezau bewoonde en bezat, en Jonaël, de reeds bekende opperpriester uit dezelfde stad; beiden waren door de engel, die bij Jaïruth was, daarheen gebracht; want zij hadden heel belangrijke zaken met Mij te bespreken. En dat was dus werkelijk een heel aangename, echt hemelse verrassing.

[3] Toen deze twee Mij zagen, werden zij innerlijk zo blij, dat ze geen woord over hun lippen konden krijgen; zij legden hun van diepe ontroering en vreugde bevende handen op hun borst en begroetten Mij zo in alle liefde van hun hart.

[4] Ik zei echter tegen hen: 'Mijn beste vrienden en broeders! Vermoei je tong niet; want één woord van je hart telt bij Mij meer dan duizend nog zulke mooie woorden die de tong spreekt terwijl het hart er vaak niet veel van weet!

[5] Bekom eerst van je verre en moeilijke reis; daarna zal Ik je pas vertellen wat je thuis moet doen tegen de door de orthodoxe Samaritanen naast jou, beste Jonaël, aangestelde opperpriester voor de nietszeggende, blinde dienst op Garizim. Maar, zoals Ik al zei, jullie hebben voor alles rust en herstel nodig, houdt je daar dus eerst mee bezig!

[6] Broeder Kisjonah, zorg jij voor verfrissingen en maak gebruik van de dienaar van deze twee uit Sichar hierheen gekomen vrienden; want die is niet moe, en hij zal je snelle en goede diensten verlenen en kent je huis al zo goed, alsof hij al vele jaren bij jou in dienst was. Maak dus maar onbezorgd gebruik van hem en Iaat jouw vermoeide mensen ook een poosje rusten; de dag loopt al wel op z'n eind, maar je huishouden zal er niet onder lijden als de vermoeiden vandaag eerder dan anders rust nemen, want deze dienaar zal ze allen goed vervangen.'

[7] Kisjonah zegt: 'Heer, dat alle dingen bij U mogelijk zijn, daar ben ik vast van overtuigd en daarover heb ik helemaal dezelfde mening en hetzelfde geloof als onze jonge Farizeeër Ahab; maar hoe deze heel teer gebouwde jongeman, die eigenlijk nog maar een knaap is, die grote hoeveelheid werk kan verrichten en ons allen zal bedienen, terwijl we toch met een paar honderd mensen hier aanwezig zijn, dat is, Heer, ­hoewel ik er niet in het geringste aan twijfel­ te raadselachtig voor mij!',

[8] Ik zeg: 'Vriend je hebt hier te weinig melk, kaas en boter; maar boven op je berg heb je een grote voorraad. Laat deze knaap eerst je hele voorraad van de berg halen; het is beter, dat je de voorraad hier hebt dan boven in de bergen, waar vannacht een horde wilde Scythen zal passeren op zoek naar buit.'

[9] 'Ah', zegt Kisjonah, 'nu gaat me een licht op! Deze knaap is er zeker net zo een, als die drie die ons op de bergtop gediend hebben?' Ik antwoord: 'Jawel, maar vraag en raad nu niet langer, anders wordt het te laat!'

[10] Dan gaat Kisjonah vlug naar de jongeman en brengt hem op zijn vriendelijkste manier zijn wens over. De jongeman geeft ten antwoord: 'Beste vriend van mijn Heer en God, maak u maar niet druk; in een paar ogenblikken is alles in orde, want bij mij is hier en daar en overal een en hetzelfde, en hoewel ik een van de zwaksten ben, moet onder het geweld van mijn voeten toch de hele aarde beven!'

[11] Kisjonah was geweldig verbaasd over zo'n uitspraak en kon zich beslist niet voorstellen wat dat betekende en hij merkte van pure verbazing nauwelijks, dat de jongeman bij de laatste woorden de kamer verliet om zijn opdracht uit te voeren.

[12] Kisjonah was nog lang niet bekomen van zijn verbazing en wilde Mij net vragen, hoe dat mogelijk zou zijn, toen de jongeman heel soepel weer voor hem stond en glimlachend zei: 'Wel, u staat er nog over na te denken hoe dat mogelijk zou zijn, en het is allemaal al gedaan! Zelfs dat, waarvoor uw ijverige schrijvers geen gelegenheid hadden om in de dag­ en rekeningboeken te boeken, vanwege de drukte aan de tol, heb ik gauw nog verholpen -zodat ze nu helemaal vrij zijn en klaar met hun werk!'

[13] De geheel verblufte Kisjonah weet nu helemaal niet meer wat hij hiermee aan moet, en zegt heel verwonderd: 'Maar mijn beste, hoe is dat mogelijk?! Terwijl je nog maar net de kamer verlaten hebt, beweer je nu dat je al meer gedaan hebt dan waartoe al mijn mensen zo hard mogelijk werkend in een week in staat zijn? Dat vind ik toch wel een beetje te ongelofelijk! Daarvoor zou je minstens duizend handen moeten hebben en zo snel moeten zijn als de bliksem?!'

[14] De jongeman antwoordt: 'Wel, ga dan naar buiten en overtuig u zelf overal van!'




196 Engelenwerk

[I] Dan gaat Kisjonah naar de voorraadkamers en vindt daar de hele voorraad melk, kaas en boter allemaal ordelijk op de juiste plaatsen opgeslagen, en hij gaat in de schuren en vindt ze vol; want ook het te velde staande rijpe gewas was binnengehaald. Vervolgens gaat hij de grote stallen van de runderen, de schapen en ezels binnen en vindt daar alles keurig in orde! Ook gaat hij naar zijn grote rechthuis, kijkt in de boeken en vindt overal alles helemaal in orde en hij controleert de geldladen en vindt ze allemaal vol; dan snelt hij naar het grote kookhuis en vindt daar alles goed en in de juiste hoeveelheid en gevarieerdheid gekookt en klaar en hij vraagt de koks en kokkinnen, hoe dat allemaal in zijn werk gegaan is. Maar deze wisten hem niets anders te zeggen dan: 'Er kwam een mooie jongeman in de keuken en zei: 'Zet de spijzen klaar in de schotels; want ze zijn allemaal al gereed!' Daarop onderzochten wij de spijzen, en het was, zoals de jongeman gezegd had, die ons meteen weer verliet. Proef zelf de spijzen, en u zult zien dat het zo is!'

[2] Kisjonah proeft de spijzen en merkt dan, dat zijn koks en kokkinnen de zuivere waarheid gesproken hebben. Dan gaat hij weer in de grote kamer waar Ik was, en de jongeman vraagt hem: 'Wel, Kisjonah, ben je over mij tevreden?'

[3] Kisjonah antwoordt: 'Er is al veel wonderbaars in mijn huis gebeurd; het was voor mij alleen maar te begrijpen door in mijn hart hardop te zeggen: Bij God zijn alle dingen mogelijk! Maar toch is dat het onbe­grijpelijkste! Om werk, dat anders een hele dag hard werken gekost zou hebben, door de machtige hand van een met Gods geest vervulde mens, zo gezegd in een oogwenk te verrichten, dat is nog te begrijpen; maar het is heel wat anders om honderd werkzaamheden op ver van elkaar gelegen plaatsen door een menselijk wezen in een en hetzelfde ogenblik te laten verrichten, en dat is door een sterfelijk mens ondanks al zijn begrip en zijn scherpe verstand beslist niet te begrijpen, en ik kan daarover weer niets anders zeggen dan: Heer, wees mij arme zondaar genadig en barmhartig; want ik ben het nooit waard dat U onder mijn dak komt wonen!'

[4] Maar Ik zeg tegen Kisjonah: 'Houd nu toch eindelijk eens op je zo te verbazen, en laat je mensen nu de spijzen binnenbrengen; want we hebben allemaal al behoorlijk honger .

[5] Als dit je al zo bijzonder verbaast, wat zul je dan wel zeggen, als Ik je in alle waarheid zeg, dat op de gehele aarde slechts één engel aangewezen is om te zorgen voor de groei van alle grassen, alle struiken en bomen, ieder naar zijn aard, en de voortbrenging van de grootste verscheidenheid aan vruchten, en voor alle dieren in het water, de lucht en op de aarde?! Dat zal dan voor jou ook wel niet te begrijpen zijn, maar toch is het zo en gebeurt het zo! Wees dus maar niet zo verbaasd, maar ga en laat de dienaren ons de spijzen brengen!'

[6] Dan vraagt Kisjonah: 'Heer, mijn enige liefde en leven, wat zou U er van denken, om toe te staan dat deze wonderbare jongeman ons bij het binnenbrengen van de grote hoeveelheid spijzen helpt; want mijn dienaren kost dat wel een uur!'

[7] 'Goed', zeg Ik, 'laat hem je maar helpen, maar houd op met al die overmatige verbazing; want je weet, dat bij God alles heel gemakkelijk mogelijk is!'

[8] Met dit antwoord is Kisjonah helemaal tevreden, en hij vraagt aan de hem steeds zeer welwillend vriendelijk aanziende jongeman, om de spijzen uit de keuken op de reeds gereedgemaakte tafels te helpen brengen.

[9] De jongeman zegt: 'Maar, beste vriend, doe niet zo verbaasd! Kijk eens naar de tafels! Toen u nog bezig was om aan de Heer der heerlijkheid te vragen of ik helpen mocht, gebeurde het reeds. Maar waar is uw wijn?'

[10] Kisjonah kijkt vluchtig over de tafels en verbaast zich inwendig, maar zegt dan: 'Werkelijk, we zouden de wijn haast vergeten hebben! Wil je zo vriendelijk zijn, deze ook nog voor mij uit de grote kelder te halen?'

[11] 'Kijk!', zegt de jongeman, 'Het is allemaal al weer in orde, de wijn staat in de juiste hoeveelheid naast de spijzen op de tafels.'

[12] Kisjonah overziet de veertig grote tafels, die in de grote eetzaal aangericht en zeer goed voorzien zijn, en er ontbreekt niets; stoelen en banken staan sierlijk opgesteld en er staan ruim voldoende lampen voor de verlichting tijdens de avondschemering op alle tafels en ze branden reeds met zuivere vlammen en geven een helder licht!

[13] Als Kisjonah dat alles zo in zich opneemt, raakt hij inwendig vol verwondering en zegt na een poosje: '0 God, o God, Jezus, mijn eeuwige liefde! Als dat zo doorgaat, verheffen al mijn huizen zich vandaag nog en wordt al het hout en gesteente daarin nog levend!' -En zich tot de jongeman wendend zegt hij: 'Vriendelijk jong mens of engel, wat je ook bent of hoe men je ook noemt, leg mij nu toch eens heel globaal uit, hoe je dat kunt!'

[14] De jongeman antwoordt: 'U bent wel erg nieuwsgierig; maar ik kan u alleen maar zeggen, dat ik zonder Hem, Die nu bij u in deze wereld woont, niets kan doen; Hij is Degene, Die al zulke dingen doet! Hoe Hij dat alles doet, moet u dus aan Hem vragen; want de kracht om deze dingen te doen is niet van mij, maar van de Heer die Zijn onderdak bij u kiest. Ga en vraag het dus aan Hem!'

[15] Kisjonah zegt: 'Beste vriend, dat weet ik wel; maar ik wilde alleen graag iets weten over de manier waarop zoiets tot stand gebracht wordt. Je moet toch een beweging maken!? Dat moet dan toch wel erg snel en zeker gaan! Want daarmee vergeleken heeft de bliksem toch heel duidelijk een slakkengangetje! Ah, ah, ik moet er niet aan denken! Als je voor dat alles ook maar honderd momenten gebruikt had, dan was dat alles toch nog eerder te begrijpen; maar om zo -zonder merkbaar tijdsverlies zo veel te doen, en dan ook nog zeer ordelijk, dat tilt me nu boven mijn geijkte denkpatroon uit en daardoor durf ik van pure eerbied en bewondering nauwelijks meer adem te halen!'

[16] Ik zeg tegen Kisjonah: 'Wel, vriend, is je verbazing nog niet verdwenen? Ik vind, dat we nu maar eens aan tafel moeten gaan en daarna praten over de verdere punten van de almacht van God en diens vastbesloten liefde en wijsheid!'

[17] Kisjonah zegt: 'Heer, vergeef mij! Door al die verwondering zou ik bijna vergeten waarvoor de spijzen en dranken op de tafels staan; ik nodig U en al de Uwen uit om aan tafel te gaan! Maar waar is Uw moeder Maria, met de meegekomen en kennelijk bij U behorende zusters, dan kan ik ze halen voor het avondmaal?'

[18] Ik zeg: 'Vraag dan eerst naar je vrouwen je dochters! Waar die zijn, daar is ook de goede Maria met de dochters van Jozef, Mijn overleden aardse pleegvader. Zij zijn nu druk met elkaar bezig, om vandaag nog alles te bekijken, waar ze beslist morgen, overmorgen en daarna nog tijd genoeg voor zullen hebben! Onze jonge en vlugge dienaar zal ze allemaal wel halen en hierheen brengen, en maak jij je daar dus maar niet druk over!'


1   ...   32   33   34   35   36   37   38   39   ...   43

  • 193 De verwondering
  • 196 Engelenwerk

  • Dovnload 2.49 Mb.