Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Uitgeverij de ster, ginnekenweg 124, 4818 jk breda

Dovnload 2.49 Mb.

Uitgeverij de ster, ginnekenweg 124, 4818 jk breda



Pagina38/43
Datum05.12.2018
Grootte2.49 Mb.

Dovnload 2.49 Mb.
1   ...   35   36   37   38   39   40   41   42   43
202 De ware vrije kerk

[1] Als jullie beiden dit begrepen hebben, keer dan vlug weer met jullie engelen naar Sichar terug en doe daar wat Ik gezegd heb, dan zullen daar weldra al die hachelijke zaken er heel anders voorstaan.

[2] Maar jullie moeten niet als vertoornde rechters, maar als echte wijze leraren en vrienden van de blinden, doven en stommen optreden, dan zullen ze zich wel door jullie laten leiden!

[3] Wie kan er nu redelijkerwijs kwaad worden als een blinde hem op zijn voet trapt? Als je ogen hebt om te zien, dan is het toch je eigen schuld als de blinde op je voet gaat staan?! Trek je voet van de plaats weg waar de blinde loopt, dan gaat er ook niemand op staan!

[4] Zie je echter dat de blinde aan de rand van een afgrond staat, snel er dan heen, pak hem beet en breng hem in veiligheid en breng hem dan naar het licht dat iedere blindheid der ziel geneest, en hij zal de beste, dankbaarste broeder voor je worden.

[5] Als jullie de mensen in Mijn naam Ieren, doe dat dan altijd zoals Ik het doe, eerst met goede daden en pas dan met bescheiden, eenvoudige en ware woorden, en jullie zullen daardoor snel veel waarachtige leerlingen kunnen tellen.

[6] Maar als jullie jezelf bijna hemelhoog omkleden met louter ondoor­grondelijke geheimen, en de mensen ervan wilt overtuigen dat je door God uitverkoren bent om ze te veroordelen, te zegenen of te vervloeken, en als je je dan bovendien nog ergert als Mijn engelen je bij die dingen niet willen steunen, dan moet het je toch wel duidelijk zijn dat die handelwijze zeker niet Mijn wil is die jullie geopenbaard werd, maar dat jullie voor jezelf een nieuwe orde geschapen hebben en van daaruit een nieuwe goed omheinde kerk in de plaats van de oude mozaïsche hebt willen opbouwen, waarvoor jullie lammeren hun knie al op een afstand hadden moeten buigen!

[7] Kijk, zo ging het ook met de Mozaïsche kerk, en zij bracht toen zij omheind werd, geen of slechts weinig en dan nog zeer verkommerde vruchten voort!

[8] Ik geef jullie nu een volkomen vrije kerk, waarbij geen omheining nodig is dan voor ieder mens het heel persoonlijke hart waarin de geest en de waarheid woont, en alleen daar wil God door de echte vereerders gekend en aanbeden worden!

[9] Omdat Ik jullie het eerst Mijn geest gaf, moeten jullie niet denken dat je een haar beter bent dan welk ander mens ook, en die gave mag ook geen reden voor een speciale functie zijn, zoals bij de heidenen en de tweemaal zo duistere Joden en Farizeeën, maar jullie hebben slechts één Heer; jullie zijn als broeders en zusters allen evenveel waard, en daarin mag onder jullie nooit een onderscheid zijn!

[10] Ook mogen er geen voorschriften onder jullie zijn, en je moet je ook niet aan bepaalde dagen en tijden houden alsof er betere en slechtere zouden zijn, of alsof God bepaalde dagen vastgesteld zou hebben waarop Hij jullie gebeden aan zou horen en jullie offers aan zou nemen. Ik zeg jullie: Bij God zijn alle dagen gelijk, en onder al die dagen is dat de beste dag, waarop je echt iets goeds voor je naaste gedaan hebt! En zo zal in de toekomst de ware en God alleen welgevallige sabbatdag alleen maar bepaald worden door jullie goede daad!

[11] Op de dag dat je goed doet, op die dag zal het ook de ware sabbat zijn die God meetelt; maar de gebruikelijke Joodse sabbat is een gruwel in Gods ogen!

[12] En als je al een zogenaamd Godshuis bouwen wilt, bouw dan zieken ­en bejaardentehuizen voor jullie arme broeders en zusters; geef hen daarin alles wat ze nodig hebben, dan zul je op die manier de echte godsdienst uitoefenen waaraan de Vader in de hemel veel genoegen zal beleven.

[13] Aan die echte en enig ware godsdienst zal men kunnen zien, dat jullie werkelijk Mijn leerlingen zijn.

[14] Ga dus nu naar huis en werk op deze wijze, dan zal jullie arbeid gezegend zijn.

203 Lofrede van Jonaël
[I] Na deze uitgebreide les zeggen beiden: 'Heer! Vergeef ons onze zonde! Want wij zien nu wel heel duidelijk dat het volk niet zozeer gefaald heeft, maar dat wij eigenlijk alleen gefaald hebben, en wij zullen nu met Uw genade en hulp alles zoveel mogelijk weer in orde maken!

[2] Pas nu dringt het tot ons door wat de echte geest van Uw heilige leer is, en wij zullen deze ook met zo veel mogelijk ijver onder het volk verbreiden! Er zijn er echter nu veel naar de heidenen gegaan; we weten nauwelijks hoe we die weer terug moeten halen! Wat kunnen we daaraan doen?'

[3] Ik zeg: 'Doe met hen wat Ik met de heidenen doe, en tesamen met de heidenen zullen ze jullie leerlingen zijn.

[4] Zie, dit huis is ook heidens en was al geruime tijd overgegaan tot de Griekse wereldbeschouwing, en nu heeft het zich, meer dan enig ander Joods huis, aan Mijn kant geschaard! Als jullie het ook zo aanpakken dan zullen zich weldra meer heidenen dan Joden bij je voegen!

[5] Want wie een lege maag heeft zal gretiger toehappen dan iemand met een volle maag, vooral als de maag daarbij nog helemaal bedorven is, zoals die van de Farizeeën en schriftgeleerden!'

[6] Dan zeggen de beiden: 'Wat moeten we dan met diegenen doen, die Uw naam vervloekt hebben terwille van hun bezit dat anders van hen afgenomen zou worden?'

[7] Ik zeg: 'Beur de gevallenen op en breng.hen op de goede weg en leid hen, opdat ze hun zonde inzien en er berouw over hebben! Dat is jullie taak!

[8] Ik ben niet gekomen om deze wereld te oordelen en te gronde te richten, maar om het verlorene te zoeken en het gevallene weer op te richten! Als dit nu duidelijk is voor jullie, ga dan heen en gedraag je zo!'

[9] Na deze woorden bogen beiden heel diep voor Mij en vroegen Mij of ze nog een paar dagen bij Mij mochten blijven.

[10] En Ik stond hen dat toe en zei: 'Toen Ik jullie daarnet zei, dat je meteen weer naar huis moest gaan, doelde Ik meer op de bereidwilligheid van jullie hart en haar begrip, dan op de wens dat jullie nu op dit ogenblik direkt hiervandaan naar Sichar zouden gaan; en dus kunnen jullie best die paar dagen die Ik hier nog bij Mijn vrienden zal doorbrengen, hier blijven.'



[11] Zeer voldaan over Mijn 'antwoord zeggen de beiden Mij dank en geven Mij eer, en Jonaël zegt in een diep bewogen gemoedstoestand: 'O aarde! Verouderde akker van onkruid, dorens en distels! Donker levens­graf, oude moeder van zonde en dood! Ben je wel waard dat de Heer, je God en Schepper, je met Zijn heilige voeten betreedt, je verpeste lucht inademt en je slechte vruchten eet?!

[12] Wij mensen, de dieren en de planten hebben geen waarde genoeg om door Hem ook maar bekeken te worden! Het is allemaal zuiver eindeloze genade en ontferming!

[13] Laat alles zich daarom verheffen en Hem altijd loven en prijzen!

[14] En sterren daarboven aan de hoge hemel, bedek je onheilige gezicht; want het is God, jullie schepper, waarop je vanaf jullie hoogte trots neerkijkt!

[15] O aarde, wat heb je bereikt?! Welke naam zul je krijgen -niet terwille van je zelf, maar door Hem die jij, zeer onwaardige, nu draagt?!

[16] Oh, hoe meer ik er over nadenk wie Degene is, Die hier bij zijn uitverkorenen verblijft, des te minder ruimte vind ik in mijn borst! Hoe zal die beperkte ruimte Hem in zich op kunnen nemen, waarvoor alle hemelen en engelen te klein zijn!?

[17] O heiligste tijd der tijden op deze aarde, waar Hij nu woont Die aan de zon en de maan het licht gaf en Die hen heeft voorgeschreven om de lange weg van Zijn liefde en wijsheid te volgen, en aan de aarde de tijd en dag en nacht te geven!

[18] Laat alles daarom de Heer der heerlijkheid uit alle hemelen loven; want geheel alleen aan Hem behoort alle prijs, alle eer, alle lof en alle liefde van de eeuwige oneindigheid!'

[19] De leerlingen, die deze uitroepen aanhoren, zeggen: 'Heer, hoort U niet hoe Jonaël U looft en prijst alsof de geest van David in hem gevaren is?!'

[20] Ik antwoord: 'Ik hoor zijn lof en dat bevalt Mij heel goed; maar van jullie heb Ik die nog nooit gekregen. Het zou jullie ook zeker geen kwaad doen als je eens goed bij jezelf overdacht, wie Degene is, Die nu met je spreekt! -Maar laten we nu wat gaan rusten, want het midden van de nacht is allang voorbij!'

[21] Na die woorden wordt het al gauw stil op de heuvel, en de meesten vallen in slaap; slechts Jonaël en Jaïruth verdiepen zich in allerlei beschouwingen en loven Mij in stilte.

204 Gelijkenis van de moeder met de twee zonen
[1] Als 's morgens de zonsopgang al zichtbaar wordt, wekt de engel van Jonaël en Jaïruth al degenen die nog slapen, en Kisjonah, die met zijn familie het dichtst bij Mij bivakkeerde, gaf snel zijn vrouwen zijn dochters evenals alle dienaren de opdracht om voor een goed morgenmaal te zorgen!

[2] Maar Ik zeg dan tegen de bezorgde Kisjonah: 'Doe jij dat vandaag maar niet, want weet je, we moeten broeder Baram uit Jesaïra ook eens een genoegen doen! Kijk eens daar aan zee! Daar vlak aan de oever ligt het vol geladen schip van Baram, en zijn zonen en dienaren zijn samen met hem bezig om de ochtendmaaltijd hierheen te brengen. Heb voor vandaag dus maar geen zorgen beste broeder; want het grote schip bevat ook nog een uitgebreid middag­ en avondmaal, benevens veertig zakken beste Griekse wijn.’

[3] ‘Ah', zegt Kisjonah, 'die zwijgzame Baram toch! Hij zei geen woord over wat hij van plan was; 's avonds verdween hij heel stilletjes; ik meen dat hij vlug na onze aankomst verdween, en nu is hij met een volgeladen schip terug! Hij moet een goede wind gehad hebben, anders zou hij naast het werk nog lang niet hier kunnen zijn; want met kwade wind moet je van hier naar Jesaïra een hele dag roeien.'

[4] Ik zeg: 'Geloof Mij broeder, wie goeds van plan is, zal steeds een goede wind hebben; wie echter slechts in de zin heeft, zal steeds een slechte wind hebben.

[5] Er waren eens twee broeders, die een moeder hadden die veel schatten bezat. Beiden hielden heel veel van hun moeder, en wel zodanig, dat de moeder niet kon vaststellen welke van de twee het meest van haar hield, zodat ze aan hem het grotere erfdeel kon geven. Maar alleen de ene hield echt van haar; de andere had het slechts voorzien op het grote erfdeel en daarom was hij zeer attent voor de moeder en was daarbij niet zelden de broer, die echt van zijn moeder hield, voor.

[6] Omdat de goede zoon zijn moeder echt liefhad, verdacht hij zijn broer niet in het minst en verheugde zich er alleen maar over als zijn broer de geliefde moeder een plezier deed. Zo ging dit dus enige jaren goed.

[7] Maar de moeder werd ouder en zwakker en riep de beide zonen bij zich en zei: 'Ik kom er niet achter wie van jullie beiden mij meer liefheeft, zodat ik hem het grotere erfdeel kan geven; daarom wil ik dat jullie na mijn sterven de erfenis gelijkelijk zullen verdelen!'

[8] Toen zei de goede zoon: 'Moeder, u heeft ervoor gezorgd dat ik heb leren werken en ik kan net zoveel brood verdienen als ik nodig heb; maar ik zal God met mijn gehele hart smeken dat Hij u net zo lang laat leven als ik leef, en dat u uw schat voor het welzijn van het hele huis beheren kunt! Want zonder u zou de erfenis mij kwellen en mij altijd treurig maken zo vaak ik er naar zou kijken. Liefste moeder, houd u dus de erfenis en geef hem aan wie u maar wilt! Voor mij is uw hart de beste erfenis; dat God het lang in leven moge houden!'

[9] Toen de moeder deze taal van haar goede zoon met een ontroerd hart aangehoord had, sprak zij, terwijl zij niet liet merken wat zij dacht: 'Beste zoon, je bekentenis doet mij welontzaglijk veel plezier, maar dat is nog geen reden om jouw erfenis aan een vreemde weg te geven. Als jij er geen deel van wilt hebben, dan moet je broer de gehele erfenis na mijn dood nemen, en jij moet hem dienen en je brood in het zweet van je aanschijn verdienen!'

[10] De goede zoon antwoordt: 'Liefste moeder, als ik dienen en werken zal, dan zal mijn hart toch steeds zeer dankbaar aan u denken en zeggen: 'Zie, zo heeft je lieve tedere moeder je werken geleerd!' Maar als ik de erfenis had, dan zou ik uiteindelijk werkschuw worden en mij in het nutteloze leven van de weelde storten en tenslotte zelfs u nog vergeten! Daarom wil ik uw verworven geldschat niet, waarop niet uw hart staat afgebeeld, maar die slechts de macht van de keizer weergeeft; maar ik wil datgene wat ik uit uw hart heb meegekregen, dat draagt ook haar afdruk en heeft een onwrikbare plaats in mijn hart. En daarom is deze erfenis die u, lieve moeder, mij al vanaf de wieg rijkelijk hebt gegeven, en waardoor ik al veel goeds en kostbaars heb gekregen, onbeschrijflijk veel beter dan degene, die u zich met het werk en de moeite van uw handen heeft verworven! Bij het zien ervan zou ik alleen maar droevig worden, omdat ik er steeds bij zou moeten denken: 'Kijk, dat heeft je geliefde moeder zoveel moeite en werk gekost; misschien heeft ze wel vaak van pijn gehuild om jou een erfenis te bezorgen!' Wel, liefste moeder , omdat ik zoveel van u houd, zou ik dan toch onmogelijk vrolijk kunnen zijn!'

[11] De tot tranen toe bewogen moeder roept de andere zoon en zegt tegen hem, hoe zijn broer er over denkt, en wat hij wil.

[12] Deze antwoordt dan: 'Ik heb altijd wel gedacht dat broer weliswaar een edel mens, maar op bepaalde punten een zonderling is! Dan ben ik toch een heel ander mens! Net zo veel als ik u eer en acht, lieve moeder, net zo zeer acht ik ook alles wat u mij geven wilt en zult, en ik neem daarom de gehele erfenis met een van dank vervuld hart aan, en de diensten die mijn broer mij wil verlenen zullen niet onbeloond blijven. Als u dat echter wilt, lieve moeder, dan zoudt u mij alvast de halve erfenis kunnen geven, zodat ik een stuk grond kan kopen en een vrouw neem?!'

[13] De moeder zegt wat weemoedig na het antwoord van haar tweede zoon: 'Het blijft bij wat ik gezegd heb! Je krijgt pas na mijn dood je erfenis!'

[14] Toen werd de tweede zoon bedroefd en ging naar buiten.

[15] Maar na een jaar werd de moeder erg ziek, en toen de beide zoons op het veld werkten, kwam een maagd en riep de beiden bij de moeder opdat de waardigste volgens de wil van de moeder de zegen van haar zou krijgen.

[16] De goede zoon werd toen zeer bedroefd en bad onderweg luid tot God of Hij het leven van zijn moeder zou willen behouden.

[17] De slechte zoon ergerde zich echter daaraan en zei tegen de biddende broer: 'Wil je dan werkelijk met je gebed de natuur de wet voorschrijven?! Wie eenmaal zover is, hetzij vader, moeder, broer of zuster, moet sterven; en daar helpt geen smeken en bidden tegen! Daarom is mijn lijfspreuk: Wat God wil, daar ben ik het mee eens!'

[18] De goede broeder werd toen nog treuriger en bad nog inniger voor het leven van zijn moeder .

[19] Toen zij in de kamer kwamen waar de moeder ziek lag, zei de slechte zoon: 'Ik wist wel, dat u niet zo vlug dood gaat!' -En hij begon haar toen ervan te overtuigen dat ze niet bang moest zijn voor de dood!

[20] Maar de goede zoon weende en bad hardop. God verhoorde het zuchten van de goede zoon, stuurde een engel naar het bed van de zieke moeder, en deze genas haar volkomen.

[21] Weldra stond de moeder van het bed op daar ze merkte dat een hogere macht haar de gezondheid had weergegeven. En toen ze begon te lopen en merkte hoeveel kracht ze in haar voeten had, zei zij: 'Dat heb ik te danken aan het vurig gebed van die zoon, die het aangeboden erfdeel uit echte liefde voor mij niet aannam! Waarlijk, ik zeg je, liefste zoon: Omdat jij uit echte liefde voor mij niets wilde hebben, daarom krijg je nu alles; wat van mij is, is nu ook van jou! Maar jij, die alleen maar terwille van de erfenis van mij hield, en hartstochtelijk op mijn einde zit te wachten omdat ik zo goed was om je alles te laten erven, jij krijgt nu niets en zult voor altijd een knecht van de mensen zijn!'

[22] Beoordeel deze gelijkenis nu eens! Wat denken jullie nu, wie van de beide zonen had de goede wind?'

[23] De leerlingen antwoorden: 'Duidelijk degene, die zijn moeder echt liefhad!'

[24] Ik zeg: 'Heel goed geantwoord! Maar Ik zeg jullie: Net zoals deze moeder deed, zo zal de Vader in de hemel ook eenmaal doen!

[25] Wie Mij niet liefheeft terwille van Mijzelf, die komt niet daar waar Ik zal zijn!

[26] De mens moet God zonder winstbejag liefhebben, net zoals God hem liefheeft, anders is hij God geheelonwaardig!'

205 De liefde neemt
[1] Ahab zegt: 'Dat is een grote en diepe waarheid; maar toch zou ik daar aan toe willen voegen, dat in ieder geval bij de mensen een belangeloze liefde niet mogelijk is; want omdat ik speciaal over de liefde veel nagedacht heb, is het mij opgevallen, dat ook al is de liefde nog zo zuiver, ze toch altijd meer of minder steelt.

[2] Kijk, ik houd beslist zo veel van U, als een mens U maar liefhebben kan; ja, als dat mogelijk was, dan zou ik U uit pure liefde geheel in mij op willen nemen -en in mijn hart op willen sluiten!

[3] Maar dan vraag ik mijzelf af, of ik dat voor iemand anders, die mij geheelonverschillig is, ook kan voelen!? - Waarom niet? Waarom voel ik het dan wel bij U?! - Het antwoord hierop geeft het onderwerp zelf!

[4] Ik weet wie U bent, en weet wat U kunt, en weet nu ook wat ik door U en door het volgen van Uw leer bereiken kan, - en dat is dan ook de onbetwistbare reden van mijn vurige liefde voor U. Want als U niet Diegene was, Die U bent, dan zou mijn liefde voor U ook aanmerkelijk geringer zijn. Ik heb in U en voor U dus een overgroot interesse, en daarom wil ik U en houd ik van U!

[5] Ik wil niet beweren dat ik van U houd vanwege een bijzonder voordeel -want ik laat alles in de wereld terwille van de liefde voor U in de steek -; maar toch steelt mijn liefde hier iets op een speciale manier; want ze grijpt naar U omdat ze U meer acht dan de hele wereld!

[6] De geest van de liefde wordt steeds beïnvloed door de grotere materiële of geestelijke waarde. De koopman, die parels zocht, verkocht alles en kocht de grote parel die hij gevonden had! Waarom dan? Omdat zij veel meer waard was dan alles wat hij daarvoor bezat! En dat is weliswaar een edel belang; maar het is en blijft toch een belang, en zeker bij de mens is er zonder dat geen liefde! En wie mij iets wijs wil maken over een ongeïnteresseerde liefde, die misschien hoogstens in God kan voor­komen, tegen zo iemand zeg ik: 'Vriend, je kunt heel wijs zijn, maar over het onderwerp liefde heb je nog nooit diep nagedacht!'

[7] Ja, de goddelijke echte liefde onderscheidt zich overduidelijk van de liefde van de hel, doordat de goddelijke liefde weliswaar ook iets pakt, net als die van de hel, maar daarna geeft ze alles weer terug! Ze verzamelt slechts om het weer terug te geven, terwijl de helse liefde alleen maar zelfzuchtig neemt en niets terug wil geven.

[8] Als wij ons echter de hemelse liefde eigen maken, dan weten wij dat we daarmee nooit verlies of schade kunnen lijden, maar slechts in alle opzichten steeds meer kunnen winnen als we meer geven.

[9] Zo lijken wij op een kuil die in de grond gegraven wordt; hoe meer grond er uit gaat, des te groter wordt de inwendige ruimte voor de opname van het licht en de hemelse lucht. Heer, volgens mij heb ik geen ongelijk; wat zegt Uw oneindig hogere wijsheid daarover?'

[10] Ik zeg: 'Alleen maar, dat je geheel gelijk hebt; want als de liefde niets nam, hoe dan ook, dan was het geen liefde; want alle liefde eist en wil hebben.

[11] Maar het doel van het willen hebben maakt, dat er een bodemloze afgrond ligt, die hemel en hel voor eeuwig van elkaar scheidt!

[12] Nu brengen Barams mensen echter al de ochtendmaaltijd; daarom willen we omdat we urenlang voor de geest zorgden, ook een paar ogenblikken aandacht hebben voor het hongerige lichaam.’

[13] Baram brengt Mij op een gouden schotel een kostelijke en zeer goed klaargemaakte vis en een volle beker met wijn en vraagt Mij, om hem de genade waardig te achten van hem en uit zijn hand het morgenmaal te ontvangen.

[14] En Ik zeg tegen hem: 'Voor deze daad zul je beloond worden, want je doet al deze moeite uit liefde voor Mij en uit een even grote liefde voor broeder Kisjonah, waar je medelijden mee had omdat je bij jezelf dacht, dat het voor broeder Kisjonah in het verloop van verscheidene dagen toch wel wat moeilijk moest vallen om enige honderden gasten van al het nodige te voorzien.

[15] Ik zeg je: Kisjonah heeft echt nog geen nood, want in tien jaar maken wij met z'n allen zijn voorraden niet op. Maar omdat jij in jouw hart dacht dat Kisjonah tenslotte zonder voorraad zou komen te zitten, en jij hem daarom van zo ver te hulp komt, daarom zal jouw loon ook net zo groot zijn als wanneer je dit voor een arm mens gedaan zou hebben. Want God kijkt alleen maar naar het hart van de gever.

[16] Maar kom nu ook bij Mij zitten en eet met mij en broeder Kisjonah van één schotel; want de vis is zo groot dat drie mensen er meer dan genoeg aan hebben!' -Baram deed dat, evenals Kisjonah.

[17] En zo vangt het morgenmaal aan bij volle zonsopgang en duurt ongeveer twee uur; want de maaltijd was met de vis nog lang niet aan zijn eind, na de vis volgden nog tal van verfrissingen.

206 Het dode lichaam
[I] Het behoeft wel nauwelijks vermeld te worden, dat tijdens deze ochtendmaaltijd iedereen bijzonder vrolijk werd en zeer spraakzaam; want de wijn maakte alle tongen goed los. Zelfs Jonaël en Jaïruth werden heel opgewekt en vroegen Mij zelfs, of Ik hen in zo'n vrolijke stemming ook naar Sichar terug wilde laten gaan! En Ik stond hen toe bij hun afscheid in zo'n opgewekte stemming te zijn.

[2] Toen zeiden ze: 'Heer, dat U ons dat toestaat is wel goed, omdat we dan niet zondigen als we blij zijn; maar het is wel zeer de vraag of we vrolijk kunnen zijn!'

[3] Ik antwoord: 'Nu ja, je zou het moeten zijn -en je zult het zijn!'

[4] Maar hun engel trok een beetje droevig gezicht bij die belofte. Jonaël merkte dat en vroeg Mij naar de reden daarvan.

[5] En Ik zei: 'Omdat de engel maar al te goed weet, dat tussen een grote opgewektheid en de zonde, maar een heel kleine en smalle ruimte zit! Hij ziet al van te voren de moeite die hij zal hebben om jullie bij het naar huis gaan voor de zonde te bewaren, en daarom ziet hij er een beetje droevig uit. Geef hem ook wat wijn te drinken; misschien wordt hij daardoor wat opgewekter!'

[6] Daarop reikt Jonaël de engel een volle beker wijn, deze neemt de beker en drinkt hem helemaal leeg, waarover beiden zich erg verbaasden; want dat hadden ze hem nog nooit zien doen.

[7] Maar de engel zei: 'Ik ben nu toch al een hele tijd bij u; waarom geeft u mij thuis dan nooit een beker wijn?'

[8] Jonaël zegt: 'We hadden niet eens kunnen dromen, dat een engel op aarde het een of andere voedsel zou gebruiken?!'

[9] 'Vreemd!', zegt de engel. 'U heeft toch gezien, dat de Heer van alle hemelen ook at en dronk, en Hij is toch de hoogste en volkomenste geest; waarom zouden wij engelen, nu wij ook een lichaam gebruiken moeten om u in de materie te dienen, niet eten en drinken?!

[10] Als u mij ook een stukje vis en wat brood geeft, dan zult u meteen zien dat ik niet alleen drinken, maar ook behoorlijk goed eten kan; want waar de Heer aardse spijzen gebruikt, daar doen de engelen dat ook.'

[11] En Jonaël geeft de engel een hele vis en een goed stuk brood, en de engel pakt alles aan en eet het op.

[12] Nadat de engel aan de beiden getoond had dat een geest ook best in staat is stoffelijk voedsel te gebruiken, vraagt Jonaël aan hem, hoe dat nu mogelijk was, omdat hij in de aard van de zaak toch een geest was.

[13] De engel zegt: 'Heeft u wel eens een dood mens zien eten en drinken?' Jonaël zegt: 'Zoiets heeft nog niemand gezien.'

[14] De engel zegt: 'Als een zielloos en geesteloos lichaam, dat op zichzelf bijna geheel uit materie bestaat, geen eten tot zich neemt en ook niet nemen kan, dan moet het toch de ziel en de levensgeest in dit lichaam zijn die het voedsel opneemt. Omdat het lichaam niets anders is dan een handlanger van de ziel en voor zichzelf geen voedsel nodig heeft, daarom is het dus de ziel en haar geest die zolang het voedsel van de aarde gebruikt als ze haar lichaam bewoont, en het in stand houdt doordat ze het haar afval laat eten! Want het lichaam wordt gevoed door het afval van de ziel.

[15] Maar als dus in de materiële mens slechts de ziel, zolang ze in het lichaam woont, het voedsel van de aarde gebruikt, dan mag ik als ziel en geest, zolang ik mijn voeten op deze aarde zet om u te kunnen dienen, en daarvoor een bepaald soort uit luchtmaterie geschapen lichaam heb, toch ook wel aards voedsel tot mij nemen?! -Wat dunkt u?'

207 Het echte vasten
[1] Zowel de beiden als ook veel anderen die meegeluisterd hebben naar de uitleg van de engel, zijn heel verbaasd, en Petrus vraagt aan Mij: 'Heer, is dat waar, wat de dienaar van Jonaël nu verteld heeft? Dat klinkt toch wel een beetje te vreemd! Hoe kan een lichaam gevoed worden met het afval van de ziel!? Heeft de ziel dan ook een maag en uiteindelijk zelfs een anus?'

[2] Ik antwoord: 'De engel heeft volledig de waarheid gezegd; het is zo. Daarom wordt de ziel zelf door zwelgen en brassen zinnelijk en stoffelijk; zij wordt overladen, en het lichaam kan niet alle afval van de ziel opnemen, en het gevolg is dat het afval in de ziel blijft. Dat bedrukt en beangstigt haar zo, dat zij alle middelen en wegen zoekt om het te veelopgehoopte afval te laten verdwijnen. En die wegen bestaan dan uit allerlei ontucht, hoererij, overspel en nog meer van die zaken.

[3] Maar omdat de ziel daarvan een zekere lustprikkel ondervindt, wordt ze vervolgens steeds wellustiger en wellustiger en richt zich daarna nog meer op het zwelgen en brassen, en ze wordt uiteindelijk geheel zinnelijk en in geestelijke levenszaken volkomen duister, daardoor hard, gevoelloos en tenslotte slecht, trots en hoogmoedig.

[4] Wanneer zo'n ziel haar geestelijke waarde op grond van de nu aangegeven levenswijze heeft verloren en ook noodzakelijk moest verliezen, en daardoor geestelijk dood is gegaan, begint zij letterlijk uit haar afval een troon op te richten, en tenslotte stelt ze er een eer in en denkt dat ze aanzien heeft vanwege haar grote hoeveelheid afval.

[5] Ik zeg jullie: Alle mensen, die in deze wereld een welgevallen hebben aan wat hun zinnelijkheid prettig vindt, zitten als ziel tot over hun oren en ogen in het dikke afval en zijn daarom geestelijk doof en blind en willen niet meer zien en horen en begrijpen, wat hen zou kunnen helpen.

[6] Wees daarom altijd matig met het eten en drinken, opdat jullie ziel niet ziek wordt en te gronde gaat in haar afval!'

[7] Petrus trekt een zeer bedenkelijk gezicht en zegt: 'Heer, als dat zo is, waar geen twijfel aan bestaat, dan kan men dus beter vasten dan eten?'

[8] Ik antwoord: 'Wie op de juiste tijd vast, handelt beter dan degene, die altijd zwelgt en brast; maar toch is er verschil tussen vasten en vasten! Het hele echte vasten bestaat daaruit, dat men zich onthoudt van alle zonden en dat men zich ten opzichte van alle wereldse dingen uit alle kracht zelf verloochent, zijn kruis op zich neemt en op deze wijze Mij navolgt, zonder met het eten en drinken angstig te zijn, maar ook zonder meer te gebruiken dan noodzakelijk is en te gaan zwelgen; al het andere vasten heeft weinig of geen zin.

[9] Want er zijn mensen, die door een bepaalde kastijding van hun lichaam de geestenwereld willen binnendringen en dan met hun krachten de natuur willen bedwingen; dat is niet alleen helemaal onnut voor de ziel, maar ook erg schadelijk. De ziel valt dan als een halfrijpe vrucht van de boom des levens, terwijl de levenskern altijd verrot, leeg, doof en dus dood is.

[10] Zulk kastijden en vasten is dus geen deugd, maar een buitengewoon grove zonde!

[11] Wie daarom volgens de ware orde wil leven, moet net zo leven als Ik leef en leer om te leven, dan zal ook hij de vrucht des levens in zich tot bloei zien komen en rijp zien worden. Daarin zal zich geen dode, maar een geheel levende kern vormen voor het enige eeuwige leven in de geest en deze zal zich ordelijk en voorspoedig ontwikkelen tot een heel levend zelfbewustzijn. Nu weten jullie ook in dit opzicht wat er geheel volgens de goddelijke ordening gedaan moet worden; doe dat, dan zullen jullie het leven in je hebben! .

[12] Maar nu beginnen de zonnestralen meer en meer aan kracht te winnen; daarom trekken wij ons van deze heuvel terug in de schaduwrijke tuin, en Matthéus, jij als Mijn schrijver kunt nu je schrijfvellen ordenen en de aantekeningen van het gebeurde en het geleerde op een wat completere manier opschrijven. Maar wij gaan nu wat rusten!'



208 Aardbeven, storm en onweer
[1] Wij verlaten daarop de heuvel en begeven ons onder de schaduwrijke bomen, Er was een mooie zodenbank onder een wijdvertakte vijgenboom; daar ging Ik zitten en sliep in; en alle anderen in Mijn omgeving, zelfs Maria, gingen ook zitten en vielen in slaap, Alleen Jonaël, Jaïruth en Matthéus zaten aan een tuintafel, waar Matthéus zijn schrijfvellen begon te ordenen en de engel van Jonaël en Jaïruth hem nog op een aantal onvolkomenheden wees,

[2] Tegen de middag bemerkte Baram, die zich intussen met Kisjonah op het schip bevond, dat zich in westelijke richting bijzonder zware onweerswolken boven de horizon begonnen samen te pakken en dat de waterspiegel steeds gladder en gladder werd, wat een zeker teken was dat er heel snel een verschrikkelijk onweer vergezeld door een aardbeving op komst was,

[3] Daarop liet Baram alle etenswaren uit het schip halen en het schip zo vast mogelijk aan de oever vastleggen; en nauwelijks was Baram met dat werk klaar, of men zag de zee al in de verte tot een ongelofelijke hoogte oprijzen!

[ 4] Toen zei Kisjonah: 'We zullen de Heer en Zijn leerlingen moeten wekken; want als het water zo hoog is, zo hoog als ik nog nooit eerder gezien heb, dan kon de zee wel eens de hele tuin overstromen, en daarbij zouden de slapenden toch meer of minder letsel kunnen oplopen! Het is ook nog mogelijk dat het schip helemaal op de oever geslingerd wordt,'

[5] Baram zegt: ' Ja, vriend, als de Heer dit keer de storm niet aan banden legt, dan zou hij wel eens onnoemelijk veel schade aan kunnen richten! Maar ik vertrouw op de Heer; Hij zal ons beslist niet te gronde laten gaan! En ik geloof, dat zolang Hij rustig slaapt, wij van de komende storm, die in weinige ogenblikken hier zal zijn, weinig of niets te vrezen hebben; maar laten we toch vlug naar Hem toegaan en Hem op de komende storm opmerkzaam maken!'

[6] Vervolgens snellen de twee samen met de scheepsbemanning naar Mij toe en proberen Mij te wekken; maar Ik ontwaak niet, want daar had Ik een goede reden voor, en de engel komt naar hen toe en zegt: 'Laat Hem rusten en wek Hem niet; want Hij slaapt juist vanwege deze noodzakelijke storm! Uit wat er direkt gaat gebeuren zal blijken wat de reden voor deze storm was!'

[7] Kisjonah zegt: 'Maar wat moeten we dan, als de huizenhoge golven van de zee in een razende vloed zelfs over mijn tuin zullen spoelen?!'

[8] De engel zegt: 'Wees over andere dingen bezorgd! Denkt u dan, dat de Heer, hoewel Hij schijnbaar slaapt, niets van deze storm afweet?! Kijk! Zo wil Hij het, en daarom gebeurt het zo! Wees dus kalm!'

[9] Kisjonah vraagt: 'Ken je de reden?' De engel antwoordt: 'Ook als ik het wist, dan mocht ik het u toch niet zeggen voordat de Heer dat wil; vraag dus niets meer en wees kalm, zonder vrees en angst; wat komt zal u allen de ogen openen!

[10] Na deze woorden van de engel, die daarop heel rustig Matthéus hielp zijn vellen op de juiste manier te ordenen~ werd Kisjonah kalm, en Baram zei: 'Ik moet je openlijk bekennen, dat ik, zolang ik leef, nooit een dreigender storm gezien heb dan deze, die nu ieder ogenblik schijnt los te zullen barsten; maar ik heb ook nog nooit onverschilliger en met minder vrees naar een storm als deze gekeken! Kijk daar! Het is bij matige wind nauwelijks nog een kwartier varen vanaf de inham hier, die je ook gemakkelijk binnen die tijd kunt roeien! De storm moet in een paar ogenblikken hier zijn!

[11] Maar let op, die verschrikkelijke golven bewegen in de lengterichting van de zee, zoals ik al zei, een kwartier bulten de inham recht in de richting van Sibarah, en lijken op drijvende bergen die elk ogenblik door duizend bliksems verpletterd worden! En toch is de inham nog zo rustig, dat je moeiteloos zowel de rand van de storm als de oever duidelijk kunt zien, dat is beslist een zeer zeldzaam verschijnsel! Je zult me moeten toegeven: Als je met een heel rustig gemoed daarnaar kunt kijken dan is dat in volle ernst een zeldzaam, uitermate verheven en prachtig gezicht, Maar diegenen, die zich mogelijkerwijs buiten op de hoge zee bevinden, zal het wel anders te moede zijn -dan ons hier aan de spiegelgladde inham.

[12] In het geheel zal het toch nog wel een half uurtje zijn tot aan de afgrijselijk uitziende stormrand, en toch komt het dreun~n van de,donder machtig hierheen gerold! Daar aan de stormrand moet je er beslist doof van worden! Nu voel ik ook een behoorlijke aardschok! Merk jij daar niets van?

[13] Kisjonah zegt: “O ja, dat wilde ik daarnet reeds aan je duidelijk maken; maar dat mijn inham bij dat alles nog zo zeldzaam rustig blijft, dat is een buitengewoon wonder! Want ik weet maar al te goed, wat voor een heilloos spektakel hier kan ontstaan als het eenmaal begint, Maar het water is binnen en een behoorlijk stuk buiten de inham nog steeds volkomen rustig, Maar let eens op, het beven van de aarde wordt heviger! Als de huizen er maar niet door beschadigd worden! Nu ontdek ik ook al heel merkwaardige kringbewegingen in de inham, en ook buiten de inham begint de springvloed al zichtbaar te worden; het zal nu met lang meer op zich laten wachten! Nu, in de naam van de Heer! Er kan ons niets ergers overkomen, dan dat we ons aardse leven er bij inschieten, en laat dan nu maar gebeuren wat er moet gebeuren; de Heer en Zijn engel zijn toch bij ons! Maar het is een schrikwekkend gezicht! De Heer zij alle zondaren genadig en barmhartig!'

[14] Nu wordt ook de inham onrustig, Harde windstoten gieren door de bomen, en talloze bliksemschichten schieten door de inktzwarte wolken, Met onvoorstelbaar hard gekraak ontladen er zich verscheidene in de inham en veroorzaken daar een heftig naar alle kanten bruisend schuim; maar geen regendruppel valt nog uit de gloeiende wolk. Er slaat een bliksem in de heuvel waar wij de nacht doorgebracht hebben; het oorverdovende gekraak van de bliksem wekt allen uit hun rustige slaap, behalve Mij.

[15] Als de velen, die nu ontwaakt zijn, zo'n onvoorstelbaar geraas en zo'n storm der stormen boven zich zien en helemaal wakker worden door tien bliksems, die gelijktijdig in de oever slaan, komen ze vlug overeind, en de apostelen lopen vlug naar Mij toe en wekken Mij met veel angstgehuil!

[16] En Judas zegt helemaal opgewonden: 'Maar Heer! Hoe kunt U toch slapen in deze storm van de elementen?! De bliksem regent uit de hemel! Wie is hier ook maar een ogenblik veilig voor de dood? Help, Heer, anders wordt de gehele aarde verwoest!'

[17] Ik zeg: 'Ben je al door een bliksem getroffen?' Judas zegt: 'Tot nu toe zo gezien nog niet; maar wat tot nu toe nog niet gebeurde, dat kan met deze storm toch wel heel gemakkelijk gebeuren! Dus praat ik alleen nog maar zo lang ik in leven ben; de volgende bliksem kan mij wel voor altijd het spreken beletten!'

[18] Terwijl Judas dit nog zegt, rolt de vloedgolf met ontzettend gedreun en lawaai de inham in; en omdat de vloed schijnbaar verscheidene vademen hoger is dan onze standplaats in de tuin, beginnen alle leerlingen te schreeuwen, en een paar vluchten zelfs op de dichtstbijzijnde heuvel, waar ze echter snel door de duizenden bliksemflitsen vanaf gedreven worden. 'Heer, help ons, als U kunt en wilt, - anders overleven we het niet!', schreeuwen nu honderden. Alleen Matthéus, Jaïruth, Jonaël en hun engel laten zich niet in de war brengen en zijn bijna met hun werk klaar .

[19] Ditmaal stop Ik de storm voor wat betreft zijn blinde huilen en woeden echter niet, maar Iaat hem zijn gang gaan; alleen mag hij niet de geringste schade veroorzaken!

209 Het doel van de storm
[I] Maar Petrus komt bij Mij staan en zegt heimelijk tegen Mij: 'Heer, heeft de geest van de Vader in U zich zo van U verwijderd, dat U nu niet in staat bent, om deze storm meester te worden? Probeer toch, als het U mogelijk is, om deze storm te laten bedaren!' Ik zeg: 'Er is een wijze reden voor, waarom deze storm, die niet lang meer zal duren, uit moet razen! Als je echter daaraan twijfelt, weet dan dat er tien vijandelijke vaartuigen op zee zijn om ons te achtervolgen en ons allemaal gevangen te nemen en te vernietigen! Deze storm doet echter met hen, wat zij met ons wilden doen. Als dat zo is, waarom vraag je Mij dan en verlang je, dat Ik deze storm, die nodig is voor ons voorlopig noodzakelijke heil, zal laten bedaren? Laat hem helemaal uitrazen, totdat het doel waarvoor hij ontstaan is geheel bereikt is, dan zal hij wel op een heel prettige manier eindigen! Kijk daar eens en zeg Mij dan, wat de huizenhoge golven van de zee, net als kwaadaardige en baldadige kinderen met hun rondslin­gerende speelgoed, op hun woedende ruggen heen en weer en omhoog en omlaag slingeren!'

[2] Petrus kijkt onderzoekend naar het met stormachtige hoge golven bedekte oppervlak van de zee en ziet maar al te gauw verscheidene scheepswrakken en een wat minder beschadigd heel schip, die allemaal, schip en wrakken, door de machtige golven als kaf door elkaar gegooid worden; ook ziet hij een paar mensen, die, zich vastklemmend aan losse wrakstukken, met hun laatste krachten proberen aan de oever te komen, en door de opeenvolgende golven voortdurend bedolven en bij tijden omhoog geslingerd worden.

[3] Terwijl Petrus een poosje naar deze taferelen kijkt, zegt hij tegen Mij: 'Heer, vergeef het mij; maar U weet dat ik nog steeds een zondig mens ben en U daarom met een echte oerdomme vraag lastig heb gevallen; maar nu is mij alles duidelijk! De slechte Farizeeën uit Jesaïra hebben in Jeruzalem hulp gehaald; tien schepen met Romeinse soldaten werden uitgerust om ons hier gevangen te nemen. Zij moesten over het water hierheen komen, omdat ze moeilijk over land hier naar Kis (dit is de naam van de plaats, die geheel aan Kisjonah toebehoorde) konden komen, en nu hebben ze voor hun moeite het welverdiende loon gekregen! Zij zullen ons wel niets meer doen, en zoals ik aan de richting van de golven zie, zullen de schepen die schipbreuk hebben geleden, met de wrakken naar Sibarah drijven waar veel rotsen zijn, waar het bij deze nooit gehoorde en nooit geziene woedende storm voor iemand heel moeilijk zal zijn het er levend af te brengen! Oh, dat is buitengewoon goed dat deze slechte overspelige soort eens in zo'n oordeel terechtgekomen is! Dit voorval zou er wel eens veel toe kunnen bijdragen de Farizeeën alle verdere moed te ontnemen om tegen U op te staan!'

[4] Ik zeg: 'De satan Iaat zich duizendmaal duizend keer op de mond slaan, maar blijft na duizendmaal duizend slagen toch altijd dezelfde, allergrootste vijand van God en van al het goede en ware, dat afkomstig is van de geest van God. Degenen die nu dood op zee ronddrijven, zullen ons wel niets meer doen; maar voor hen staan er weer anderen op en die zullen het voor ons noodzakelijk maken om rn de steden van de Grieken de wijk te nemen, en tot dat moment zullen er echt niet zo veel weken voorbij gaan!'

[5] Petrus zegt: 'Heer zullen we zolang wij hier zijn, wel rust hebben?'

[6] Ja, ja, dat zeker', zeg Ik, 'maar er wonen op aarde nog veel mensen en volkeren, die het evangelie net zo nodig hebben als jullie, en zij zijn geschapen door de Vader, Die ook jullie geschapen heeft! Ondanks alle vervolgingen die ons nog wachten, moeten wij naar hen toe gaan en het goede bericht uit de hemel brengen! Zij zullen ons weliswaar ook vervolgen; maar in de loop der tijd zich toch bekeren en als lammeren in onze schapenstal hun intrek nemen!

[7] Wij zijn goed, en de wereld is slecht; dus kunnen we van haar ook niets goeds verwachten -behalve zo hier en daar een zoete aardbei tussen het overheersende onkruid! Maar kijk, de storm gaat zo zoetjes aan liggen, en alle gevaar is voor deze keer voorbij!'

[8] Dan zeg Ik tegen Baram: 'Vriend, de storm gaat liggen; de middag is met de storm voorbij gegaan, laten we dus het middagmaal gebruiken opdat we sterk genoeg zijn voor het werk van vanmiddag.’

[9] Het lijkt Mij niet noodzakelijk om het middagmaal verder te be­schrijven, en de uitwerking van de voorgaande grote storm nog meer te belichten, vooral wat betreft de tien schepen; het is voldoende te weten, dat er van de duizend mensen, die op de schepen waren, maar vijf overleefden; alle anderen werden een prooi van de zee, en op de klippen van Sibarah vond men nog na jaar en dag vergane en door de vissen afgeknaagde geraamtes en tevens een massa van allerlei Romeinse wapens en kettingen, die voor Mij en Mijn leerlingen bestemd waren.

[10] Het behoeft wel nauwelijks nader vermeld te worden dat deze storm zowel bij de Farizeeën als bij de Romeinen, vooral in Kapérnaum en in Nazareth, een zeer deemoedigende uitwerking had; en Ik had een paar weken rust met degenen die bij Mij waren.

[11] Na het middagmaal werd er op deze dag weinig belangrijks meer gedaan, en de leerlingen gingen daarom met de vissers van Kisjonah de zee op en trokken tot aan de avond vijf maal het net vol met de voortreffelijkste vissen die deze zee voortbracht, en brachten ze in de visbewaarplaats van Kisjonah, die daar echt blij mee was, en voor de avond moesten er meteen zo'n honderd stuks met allerlei specerijen en allerlei goede kruiden klaargemaakt worden. En zo eindigden we deze dag, en na het avondmaal rustte iedereen goed uit, want dat had men wel nodig.


1   ...   35   36   37   38   39   40   41   42   43


Dovnload 2.49 Mb.