Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Uitgeverij de ster, ginnekenweg 124, 4818 jk breda

Dovnload 2.49 Mb.

Uitgeverij de ster, ginnekenweg 124, 4818 jk breda



Pagina39/43
Datum05.12.2018
Grootte2.49 Mb.

Dovnload 2.49 Mb.
1   ...   35   36   37   38   39   40   41   42   43
210 Uitstapje naar Kana in het dal

[1] De volgende dag maakten wij, watje zou kunnen noemen, een uitstapje in een dal, dat precies tussen de beide bergketens in lag in de richting van Samaria, door welk dal tevens een hoofdweg naar Damascus liep en van daaruit verder naar alle kleine en grote plaatsen van Midden Azië, hetgeen dan ook de reden was dat de tol van Kisjonah in het plaatsje Kis een van de meest winstgevende van heel Galiléa was.

[2] In dit dal lagen natuurlijk een groot aantal kleine plaatsjes, waar veel Joden en Grieken woonden die voornamelijk handel dreven. Het dichtst bij Kis, ongeveer twee uur lopen het dal in, lag een plaatsje, dat ook Kana heette, waarom men dan ook ter onderscheiding voor Kana in de buurt van Nazareth het achtervoegsel 'in Galiléa' gebruikte; als men alleen 'Kana' zei, dan begreep men daaronder het tweede Kana in het dal, dat al in het gebied van Samaria lag, waarom dan ook in Kis, de grensplaats tussen Galiléa en Samaria, de grote tol aan de grens was.

[3] Dit Kana werd voornamelijk door Grieken bewoond, want op iedere Joodse familie waren er wel vijf Griekse families; de Joden leefden merendeels van akkerbouw en veeteelt, terwijl de Grieken zich alleen met de handel bezighielden.

[4] We bezochten dus dit Kana, en speciaal de daar wonende Joden, waarvan een deel vaak erg bedrogen werd door de slimme en listige Grieken en die, als eigenaars van het land en de grond bijna alleen alle belastingen en andere lasten moesten dragen en daarom ook vaak uit boosheid en droefheid ziek of ziekelijk waren.

[5] Toen wij in Kana kwamen, en zowel Joden als Grieken Kisjonah die zij allen goed kenden, zagen, kwamen ze snel naar hem toegelopen: begroetten hem en vroegen hem geduld met hen te hebben, want zowel Joden als Grieken waren hem grote sommen geld schuldig.

[6] Maar Kisjonah zei: ' Als ik wat van jullie had willen eisen, dan hoefde ik niet zelf hierheen te komen, maar dan zou ik mijn knechten wel gestuurd hebben; ik kom echter om jullie een grote troost te bereiden door wat ik jullie allen hier nu in het openbaar mededeel: Jullie schuld aan mij is meer dan voldoende betaald, want mijn en jullie Heer heeft ze betaald en mij volledig voldaan, en jullie kunnen daarom nu zonder verdere zorgen vrolijk zijn.'

[7] Als de bewoners van Kana dat horen, zijn ze zo uitermate verheugd, dat ze beslist willen weten, wie en waar deze heer is, die hen zo'n grote weldaad en genade heeft bewezen, want ze willen naar hem toe en hem danken en eren!

[8] Terwijl Kisjonah zijn hand op Mijn schouder legt, zegt hij: 'Dit is Hij, buig voor Hem je knie!'

[9] Hierop vallen ze allen voor Mij op hun knieën en aangezichten en roepen: 'Heil aan u, gij volledig onbekende weldoener! Wat voor goeds en vriendelijks hebben wij u dan ooit gedaan, dat u zich over onze grote ellende wilde ontfermen?! En omdat u, een geheelonbekende heer en weldoener, ons een nog nooit gehoorde grote genade hebt bewezen, vragen wij allen wat wij voor u kunnen doen, zodat wij de gelegenheid hebben ons uw genade wat meer waard te tonen dan waartoe we nu als volkomen vreemdelingen voor u, in staat zijn!'

[10] Ik antwoord: 'Wees vanaf heden in alle dingen rechtvaardig; heb God boven alles lief en uw medemensen als li zelf, want het zijn allen uw naasten, of het nu vrienden of vijanden zijn; doe wel aan degenen, die u kwaad doen; zegen, die u vervloeken, en bid voor hen, die u vervolgen, dan zullen jullie als kinderen van de Allerhoogste worden opgenomen. Daaruit bestaat alleen maar de enige echte dank aan Mij voor alles, wat Ik voor jullie gedaan heb. Dat is alles, wat Ik van jullie verlang!'

[11] De Grieken zeggen: 'Heer en vriend! Wij hebben zoveel goden! Welke van die vele goden moeten we dan boven alles liefhebben? Zeus, Apollo, Mercurius of soms een andere van onze twaalf hoofdgoden? Of moeten we zo de god van de Joden liefhebben? Maar de god van de Joden is waarschijnlijk dezelfde als onze Chronos; hoe kunnen we deze buiten­gewone god boven alles liefhebben?!'

[12] Ik zeg: 'De goden, die jullie Grieken vereren, zijn slechts nutteloos knoeiwerk, door mensenhanden uit de materie gemaakt; en jullie kunnen hen duizenden jaren vragen, aanbidden, vereren en meer dan je eigen leven liefhebben, maar ze zuUen je toch nooit verhoren en iets goeds voor je doen om de heel eenvoudige reden, dat ze in de levende werkelijkheid niets zijn en niet bestaan.

[13] Maar de god der Joden, die de meesten nu ook niet meer in waarheid willen erkennen en die zij in plaats van in geest en waarheid van het hart, hetgeen in diepste wezen de ware liefde is, alleen maar door een zeer besmeurde en dode ceremonie aanbidden en vereren, is echter toch de alleen ware, eeuwige God, die eenmaal de hemel en deze aarde met alles wat daar op, in en onder is, leeft en beweegt, uit Zichzelf geschapen heeft!

[14] Ik ben Zijn eeuwige gezondene en kwam nu naar jullie, om aan jullie en je kinderen dit evangelie te verkondigen!

[15] Daarom moeten jullie deze God boven alles liefhebben en Zijn geboden opvolgen, die heel in het kort hierin bestaan, dat je, zoals Ik daarnet zei, Hem boven alles lief moet hebben en jullie naasten als jezelf!

[16] Daarbij moetje ook geloven dat nu juist deze God, Die Mijn Vader, Mijn eeuwige liefde is, Mij in deze wereld heeft gezonden opdat iedereen die in Mij gelooft, het eeuwige leven in zich zal hebben en zo een kind wordt van de Allerhoogste!

[17] Breng, om het geloven wat gemakkelijker voor jullie te maken, al jullie zieken, dan zal Ik ze allen gezond maken, wat voor ziekte ze ook mogen hebben! Ga daarom en breng ze allen hier!'

[18] Zij verbaasden zich over Mijn toespraak en riepen als uit één mond: 'Deze plaats heeft een grote zegen ontvangen! Hoe machtig en wonder­baarlijk klinken de heilige en ware woorden van onze grote weldoener! Waarlijk, bij zo'n vriendelijkheid en goedheid vind je geen arglist, geen valsheid en geen sluwheid; daarom zullen we ook zonder bezwaar alles doen, wat hij ook maar van ons verlangt! Want hij, die onze vriend werd voor hij ons gezien had, zal dat nog meer voor ons zijn nadat hij met ons gesproken heeft en ons in onze grote nood gezien heeft! Geloofd zij de God van Abraham, Izaak en Jacob, die weer aan ons denkt en zich over ons heeft ontfermd!' ­

[19] Na deze goede woorden gaan ze allemaal snel naar huis en brengen in aller ijl ongeveer tweehonderd zieken bij Mij.




211 Genezing in Kana in het dal

[1] Toen de zieken, ten dele geleid, ten dele moeizaam op muildieren zittend en ten dele liggend op ziekbedden door mensen gedragen, in een halve kring om Mij heen opgesteld waren, kwamen de oudsten van deze plaats naar Mij toe en vroegen Mij:

[2] 'Heer! U, die onze schulden aan de machtige en zeer rijke Kisjonah betaald hebt, - een daad, waarvoor wij u niet genoeg kunnen danken, - genees, als u kunt deze armen, opdat zij zich met ons helemaal kunnen verheugen over de grote weldaad, die u ons heeft bewezen. ,

[3] Ik zeg: 'Ja, dat heb Ik aan jullie gevraagd en Ik kan en zal Mijn belofte ook inlossen; maar vooraf vraag Ik jullie, of je dat geloven kunt of wilt?! Jullie geloof zal je veel helpen!'

[4] De oudsten zeggen daarop: 'Heer, wij menen dat u dat kunt, en daarom vertrouwen wij er zogezegd blindelings op dat u onze zieken genezen zult door uw, ons nog onbekende, wonderlijke geneesmiddelen!'

[5] 'Maar', zeg Ik, 'hoe dan, als Ik geen speciale geneesmiddelen bij Mij heb, geen heilzame olie of andere voor het genezen van verschillende ziekten gebruikelijke middelen? Hoe denk je dan dat ik deze zieken zal genezen?'

[6] De oudsten zeggen: 'Heer! Hoe zouden wij dat nu moeten weten?! Want we hebben beslist overal meer verstand van dan van de geneeskunde! In deze plaats hebben we wel een dokter, maar dat is er eigenlijk geen. want hij heeft de mensen alleen maar onder de grond geholpen! Als we dus net zoveel wisten als onze dokter, dan zouden wij over uw geneeswijze zonder het gebruik van geneesmiddelen ook niets kunnen zeggen; vandaar dat we niet in staat zijn om te bepalen, hoe u op natuurlijke weg in staat zou zijn om de zieken zonder geneesmiddel gezond te maken!

[7] Misschien heeft u wel de beschikking over bovennatuurlijke middelen, maar dat kunnen wij niet weten; of misschien bent u een leerling van de beroemde wonderdokter uit Nazareth, Jezus genaamd? Dan zou u natuurlijk op die manier wel kunnen genezen!

[8] Het is toch eeuwig jammer, dat, zoals wij gehoord hebben, de Farizeeën te Jeruzalem Herodes het vuur zo na aan de schenen gelegd hebben, dat hij ten langen leste toegestemd heeft om deze zeer beroemde genezer gevangen te nemen en in een kerker te werpen! Oh, dat is een grote tegenslag voor de arme, lijdende mensheid!

[9] Toch is het nog een geluk, dat Hij naar het schijnt verscheidene leerlingen in Zijn kunst onderwezen heeft! Een leerling wordt wel zelden zo goed als zijn meester; maar met de juiste ijver kan hij toch wel iets van zijn meester geleerd hebben. En dat is dan toch altijd nog wel een heel voornaam iets, dat wij in hoge mate bij u aanwezig achten en daarom geloven wij, dat u --- maar wat is dat nu?! Terwijl wij alle moeite doen om aan te geven dat wij ons geloof baseren op het feit dat u een leerling van Jezus bent, staan ineens alle zieken op! De blinden zien, de lammen lopen, de stommen spreken, de melaatsen zijn rein! En er waren daarbij nog een paar met cholera, en een aantal dat met TBC besmet was, en ze zijn gezond! Ah, zo iets is toch sinds het ontstaan van de wereld nog nooit vertoond! Grote, almachtige God, hoe gebeurde dat? Heeft u ze allemaal genezen?! Of is er soms een engel in dit dal neergedaald en heeft die de zieken allemaal onzichtbaar aangeraakt en zo genezen? Hoe -hoe is dat nu toch gebeurd?

[10] U heeft nog niet eens naar de zieken gekeken en u was alleen maar met ons bezig, en alle zieken zijn nu beter! O zeg ons toch, hoe dat gebeurde!'

[11] Ik zeg: 'Waarom is de manier 'waarop' nu zo belangrijk, als de zieken alleen maar door Mijn wil en Mijn innerlijke woord, waaraan alles ondergeschikt is, volledig gezond zijn geworden, want daaraan kunnen jullie toch wel niet meer twijfelen!? Deze daad geschiedde echter niet zozeer terwille van de zieken, maar veel eerder voor jullie. Lichamelijk zijn jullie wel helemaal gezond, maar geestelijk zijn jullie zieker dan dat zij lichamelijk waren!

[12] Ik zou echter erg blij zijn als Ik jullie zielen ook zo kon genezen zoals Ik de lichamelijk zieken genezen heb! Maar dat gaat niet zo gemakkelijk, omdat iedere ziel haar eigen dokter moet zijn.

[13] Maar vooraf heb ik jullie de geestelijke medicijn al gegeven; gebruik deze, dan zullen jullie in je ziel gezond worden en daardoor zullen jullie je omvormen tot echte kinderen van God.

[14] Het woord, dat Ik tegen jullie heb gesproken, moet zonder de geringste toevoeging en zonder de minste weglating wezenlijk in acht genomen worden. En jullie geringe aantal Joden in deze plaats moet in hart en nieren Jood zijn; en jullie Grieken moeten ware Joden worden, opdat vrede en eenheid onder jullie heerse!

[15] Ook zullen jullie Grieken met je sluwe woekergeest de toch al arme Joden niet meer noodzaken om geld tegen rente te lenen, om aan jullie onrechtvaardige vorderingen te kunnen voldoen.

[16] Jullie hebben de aarde met haar menigvuldige schatten toch niet geschapen, zodat je daarmee kunt doen alsof deze jullie eigendom zijn?!

[17] Waarom eis je dan van de Joden een pachtsom, terwijl God toch het land aan de Joden heeft gegeven en alleen zij dus het recht zouden hebben om van jullie pacht te vragen?! Jullie zijn vreemdelingen in het land van de Joden, die meer dan jullie, kinderen van Jehova zijn, en toch vraag je pacht voor de akkers, weiden en bossen, die sinds Abraham eigendom van de Joden zijn! Vraag jezelf eens af, of dat wel rechtvaardig kan zijn voor God en alle rechtvaardige mensen!

[18] Daarom waarschuw Ik jullie voor de toekomst heel ernstig voor zulke schreeuwende onrechtvaardigheden, omdat het jullie anders slecht zal kunnen vergaan!

[19] Geef dat zeer onrechtmatig in bezit genomen goed en eigendom gratis aan de Joden terug en zie jezelf in het land van de Joden zoals je bent, namelijk vreemdelingen, dan zullen jullie een gezegend aandeel in alles hebben wat de Joden nu volgens de belofte letterlijk zullen ontvangen; maar anders zullen jullie deel hebben aan de vloek van duizenden en de gevolgen daarvan!

[20] Denk er nog maar eens goed over na, en dan zul je zien dat de Joden in jullie ogen alleen maar lastdieren zijn!

[21] Jullie hebben de Joden wel het politieke eigendomsrecht laten behouden, en de Jood kan altijd nog zeggen: 'Deze grond is van mij!'; maar jullie kwamen met je verleidelijke waren, je hebt van de mooie dochters en vrouwen van de Joden ijdele pronkzuchtige dames gemaakt en de blinde Joden voor gek gezet, omdat ze hun vrouwen en dochters mooier vonden met de Griekse opschik dan in de joodse ingetogen, eenvoudige kleding! Daarvoor kregen jullie het vruchtgebruik van hun akkers, tuinen, weiden en bossen; en omdat ze toch ook voor hun eigen levensbehoeften vruchten van hun akkers wilden oogsten, moesten ze duur als onderpachter voor het gebruik betalen en van de oogst ook nog de tienden afdragen! Bovendien laten jullie hen, als de eigenlijke bezitters

alle belastingen en andere lasten dragen!

[22] Ik zeg jullie: Dit onrecht is ten hemel schreiend en roept om straf van boven! Laat dus toe dat Ik jullie terechtwijs, anders zul je de hardste tuchtroede van boven niet ontlopen!'


212 De stoïcijn

[I] Deze toespraak wekt de achterdocht van de Grieken, en sommigen zeggen: 'Dat hebben die anders zo domme Joden toch heel mooi bedacht; ze hebben deze wonderdoende Jezus per brief gevraagd om hierheen te komen om ons vrees aan te jagen! Maar wij hebben grond onder de voeten en staan stevig.’

[2] Maar Ik werd dit keer boos over de hardheid van de Grieken en zei tegen de verharde spreker, die de andere over het algemeen toch wat betere Grieken van een goede daad af wilde houden: 'Luister, verharde mens! Let op, of de grond niet wankelt, en hoe vast je dan wel staat! Er zijn er al veel geweest die ook met de stem van een superheld tegen hun omstanders geroepen hebben: 'Laat de aarde maar in puin vallen ­en ik zal mij zonder enige vrees op de uiteengespatte resten in de eindeloze ruimte voort laten dragen!'; maar toen daarna de aarde maar een klein beetje trilde, was de grootsprekende held de eerste die met verbluffend voetenwerk maakte dat hij weg kwam! Maar misschien deed hij dat toch niet zo zeer uit vrees om in zijn huis onder het puin begraven te worden, maar eerder alleen maar om, als de aarde echt in puin zou vallen, buiten een stuk op te pikken en daarop dan een onverschrokken rit door de oneindigheid te beginnen!

[3] Ik zeg je, snoevende Griek met de naam Philopold, de vlieg, die zich niet zelden brutaal veroorlooft over je neus een kleine bedrijfsrondgang te maken, staat op de punt van jouw neus steviger dan jij op jouw aardbodem! Want als jouw neus schipbreuk leed, dan zou de vlieg toch nog een tweede laag hebben waar ze zich heel goed in leven kan houden, en dat is de lucht; maal waar is jouw tweede laag als de bodem onder je voeten je niet meer houdt?!'



[4] De Griek Philopold, die van huis uit ook een spotter was, wordt wat nijdig over Mijn opzettelijk met een beetje spot vermengde woorden en zegt: 'Kijk nu eens, een zeldzame verschijning! Een Jood die ook geestig is?! Waarschijnlijk de eerste en tevens de laatste in heel Israël! Vriend! Als een Griek het over moed heeft, dan is het zoals hij zegt! Want een Griek weet van het leven afstand te doen en de dood te zoeken; de geschiedenis kent alleen maar Griekse heldenmoed, en de onbegrijpelijke lafheid van de Joden is haar niet onbekend! Laat de aarde maar beven, of laat alle draken der aarde maar vrij, en je zult zien of een Philopold daardoor ook maar een spier van zijn gezicht vertrekt!'

[5] Ik zeg: 'Houd op met je waardeloze grootsprekerij en doe wat Ik jullie allen gezegd heb, want anders dwing je Mij echt je moed aan een harde proef te onderwerpen! Want een God van een Jood laat in zulke ernstige gevallen niet de spot met zich drijven; want ook het grote geduld van God heeft in bepaalde zaken haar vastgestelde grenzen!

[6] Als jij met je aanhangers het er echter op aan wilt laten komen, dan moet je wel goed beseffen dat een kwade God niet meer zo gemakkelijk te sussen is en van vandaag op morgen geen verdiende straf van een erge zondaar door de vingers ziet!'

[7] Philopold zegt :'Dat zal wel weer echt Joods zijn!? De Joden hebben zekere profeten gehad; die deden hun mond niet open behalve voor het uiten van pure bedreigingen, waarvan sommige na meestal onbepaalde tijd uitgekomen zijn, maar de meesten waren praatjes in de wind; want de aardse natuur is hopelijk toch altijd sterker geweest dan de mond van een joods profeet! De Grieken zijn merendeels stoïcijnen, en een echte stoïcijn is nergens bang voor -en ik dus ook niet! Want ook ik ben een doorgewinterde stoïcijn!'

[8] Dan zegt de jonge Matthéus, de apostel die voordien tollenaar in Sibarah was, heimelijk tegen Mij: 'Heer, ik ken hem, het is een buiten­gewoon onaangenaam en vervelend mens! Die heeft altijd bij mijn tolkantoor onuitstaanbare moeilijkheden veroorzaakt iedere keer dat hij met allerlei koopwaar naar Kapérnaum of naar Nazareth trok. Ik erger me nog steeds aan hem en ik zou veel zin hebben, om hem wat onder handen te nemen.'

[9] Ik zeg: 'Houd daar over op! Ik heb al een kleine test voor hem, die weldra werkelijkheid voor hem zal worden.'

[10] Matthéus doet meteen een stap terug; maar Philopold herkende de tollenaar uit Sibarah en zei tegen hem: 'Nou, nou gierig tolbaasje, hoe komt het dat jij ook hier bent?! Hoe zal het nu met je tolboom gaan, nu je die met je katteogen niet naar alle windstreken kunt bewaken?! Je hoeft heus deze wonderdokter niet tegen mij op te hitsen; hij zal zelf wel weten wat hij moet doen als ik te stug voor hem ben. Maar jullie beiden konden op natuurlijke weg wel eens een harde noot aan mij te kraken hebben; want een stoïcijn is geen touw of draad, dat je maar willekeurig naar believen buigen kunt!

[11] Kijk, de wonderbaarlijke genezing van de tweehonderd zieken heeft bijna alle inwoners van Kana overtuigd; waarom dan mij niet?! Omdat ik een echte stoïcijn ben, voor wie de gehele schepping nauwelijks een geducht standje waard is en mijn eigen persoon en het ongelukkige leven nog minder! Waarmee willen jullie mij dan straffen? Soms met de dood? Ik zeg jullie: Ik wil hem, tesamen met de eeuwige vernietiging; want voor dit smadelijke leven ben ik toch zeker geen enkele God dank verschuldigd! Of is men soms iemand voor de meest gehate gave dank schuldig?! Ik denk, dat het voor een almachtige God wel niet zo moeilijk zal zijn om een mens op de wereld te zetten! Wie zal God daarbij kunnen tegen­houden?! De te scheppen mens wordt beslist niet gevraagd of hij geschapen wil worden, zodat hij als enig rechthebbende zijn ja of nee daarover uit kan spreken; en een reeds geschapen mens heeft net zo weinig te zeggen over het scheppen van de mensen die na hem moeten komen -als iemand die nog niet geschapen is! Scheppen is dus voor een God niets bijzonders; maar voor de geschapen mens wel, omdat hij iets zijn moet waarvoor nooit zijn mening gevraagd is. Wat kan er nu ellendiger zijn dan te moeten bestaan, zonder dat ooit gewild te hebben?!

[12] Geef mij zonder arbeid en moeite mijn eten en drinken, dan zal mij dat tenminste gedurende mijn aardse levensduur enigszins bevredigen; maar om voor de instandhouding van dit bestaan ook nog onzinnig zwaar te moeten werken, dus lijden als een vervolgde wolf, en daarbij ook nog een God te moeten bedanken en zekere alleen voor de schepper van persoonlijk belang zijnde geboden te houden, dat doe ik niet voor al die Joodse en Griekse hele­ en halfgoden!'

[13] Matthéus zegt: 'Nog meer van zulke mensen op aarde, en satan heeft een school waarin hij zelf nog wel honderd jaar les kan gaan nemen! Heer, wat is er met hem aan te vangen? Als hij echt zo is dan kunnen alle engelen langs de natuurlijke weg niets met hem beginnen!'



213 De reïncarnatie van Philopold
[I] 'Praat er maar niet meer over', zeg Ik, 'je zult je weldra kunnen overtuigen of er met hem iets is aan te vangen!' En Mij naar de stoïcijn Philopold wendend, zeg Ik: 'Denk je nu echt dat je vooraf met God, je schepper, geen contract afgesloten hebt en niets afweet van alle voorwaarden die je vaak genoeg onder ogen gebracht zijn en waar je op deze planeet niet buiten kunt? Weet dan, dwaas, dat dit al het twintigste hemellichaam is waarop je lichamelijk leeft; 1e totale lichamelijke ou­derdom telt al zoveel aardse jaren dat dit pet getal van de fijnste zandkorrels in alle zeeën der aarde verre overtreft! Maar wat een, niet voor een lichamelijk levend mens in te denken, haast eindeloze tijdsduur bestond je al als zuivere geest in een volkomen bestaan en met het helderste zelfbewustzijn in de eindeloze ruimte, waar je in gezelschap van talloze andere geesten buitengewoon genoot van het krachtigste en ongebondenste leven!

[2] De laatste zonnewereld waar je lichamelijk woonde, noemen de geleerden van deze aarde Procyon, maar de eigen bewoners van haar uitgestrekte oppervlakte noemen haar Akka - en zo noemen ze haar daar overal met een en dezelfde uitspraak, want de bewoners van Akka spreken maar één taal. Daar hoorde je van een engel, dat de grote, almachtige, eeuwige geest, de enige schepper en instandhouder van de oneindigheid en alles wat deze bevat, op een van de kleinste planeten, waarvan er in de eindeloze ruimte ontelbaren zijn, Zelf vlees en de mensengestalte zou aannemen. Jij uitte toen de vurige wens om, als dat zou kunnen, op die planeet geplaatst te worden om daar Degene die jou, geschapen heeft te zien en te horen. Toen kwam dezelfde engel die Je hier aan Mijn 'rechterhand als zevende mens ziet staan, maar die toch een geheel vrije geest is, en hij legde je haarfijn en precies de zware voorwaarden uit waaraan je moest voldoen als je een bewoner wilde worden van deze planeet waarop je nu staat, en als je daar het kindschap van God wilt bereiken!

[3] Jij nam alle voorwaarden aan, waaronder ook deze, dat je als bewoner van de gekozen planeet de herinnering aan je eerdere levens op andere hemellichamen volkomen zou verliezen tot aan het moment dat dezelfde engel je driemaal bij de naam zou roepen die je in Akka had.’ ,

[4] Zo heeft een en ander zich in waarheid toegedragen en dat is weliswaar onbegrijpelijk voor jou, maar het is dan toch wel onbillijk van Je als je beweert, dat er vóór jouw bestaan op aarde tussen jou en je schepper geen contract zou zijn opgesteld?!'

[5] Philopold zegt: 'Wat is dat nu voor hersenschimmige wartaal?! Moet ik al ergens op een andere, mooiere en naar het schijnt betere wereld als vleselijk mens gewoond en geleefd hebben?! Nee, dat is toch wel een beetje al te sterk! Luister eens, zevende van rechts, die door de Nazareeër 'engel' genoemd wordt, hoe heet je dan, en hoe heet ik!'

[6] De engel zegt: 'Wacht maar even; ik zal zo snel mogelijk kenmerken uit je vorige wereld halen en die zal ik je ter inzage en herkenning geven!'

[7] Na deze woorden verdwijnt de engel, maar komt binnen enige ogenblikken weer terug en geeft aan Philopold een rol, waarop de naam van de engel en zijn naam duidelijk leesbaar in origineeloud hebreeuwse letters getekend staan, en een tweede rol, waarop alle voorwaarden staan geschreven waar hij voor zijn overgang mee ingestemd had.

[8] Als de engel de rollen aanreikt zegt hij: 'Hier lees en herken het, gewezen Murahel, Murahel, Murahel! Want ik, die Archiël heet, heb ze voor jou van hetzelfde altaar gehaald waar jij mij die grote belofte deed! Vraag echter niet, hoe dat in die paar ogenblikken mogelijk was; want aan God zijn bijzonder wondere dingen mogelijk! Lees eerst alles, en spreek dan pas!'




1   ...   35   36   37   38   39   40   41   42   43

  • 211 Genezing in Kana in het dal
  • 212 De stoïcijn

  • Dovnload 2.49 Mb.