Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Uitgeverij de ster, ginnekenweg 124, 4818 jk breda

Dovnload 2.49 Mb.

Uitgeverij de ster, ginnekenweg 124, 4818 jk breda



Pagina41/43
Datum05.12.2018
Grootte2.49 Mb.

Dovnload 2.49 Mb.
1   ...   35   36   37   38   39   40   41   42   43
219 Gelijkenis van de gemeste os

[I] Na het avondmaal zegt Ahab: 'Heer, vanzelfsprekend heb ik voor mijzelf al sinds Jesaïra een heel duidelijk beeld van Uw wezen, en voor mij en mijns gelijken waren zulke geweldige tekens niet nodig geweest om ons meer dan voldoende ervan te overtuigen, dat U Jehova Zelf bent, Die werkt door middel van een van de aarde als het ware geleend mensenlichaam. Maar ik vraag mij af of de vijf Farizeeën uit Bethlehem, die overigens echte mannen van eer schijnen te zijn, er serieus niets van merken wie degene zou kunnen zijn, die hun zieken zo wonderbaarlijk genezen heeft. Als ze ook maar enig idee hebben, dan ligt het toch erg voor de hand dat een gewoon mens zoiets in der eeuwigheid niet kan. Ik denk dat ze eens wat aan de tand gevoeld moeten worden, dan zal wel vlug blijken wat ze in hun hart over U denken.'

[2] Ik zeg: 'Vriend, Ik hoop niet dat je er aan twijfelt, dat Ik precies weet wat ze van Mij denken; en daarom vind Ik het helemaal niet nodig dat we hen in hun persoonlijke bespiegelingen storen. Bovendien komt er morgen nog een dag, waarop nog menige zaak uitstekend geschikt kan worden. Laat ze vannacht maar goed doorgisten! Want net zoals voor de nieuwe most de gisting nodig is, opdat uit de most een alcoholische wijn ontstaat, zo heeft ook ieder mens een soortgelijke gisting in zijn gemoed nodig als hij over wil gaan in het volle en ware geestelijke.

[3] Kijk, als een mens alles heeft wat hij behoeft, dan voelt hij zich heel behaaglijk; hij heeft nergens zorgen over, hij doet niets, geniet overal van en vraagt zich niet af of er een God is, of er een leven is na de

dood van zijn lichaam, of de mens niet meer is dan een dier of dat het dier meer is dan de mens. Bergen en dalen maken geen verschil voor hem, winter en zomer doen hem niets; want in de zomer heeft hij schaduw en verkoelende baden en in de winter heeft hij een goede verwarming en warme kleren.

[4] Daarom maakt het hem ook niets uit of het jaar vruchtbaar was of niet; want ten eerste heeft hij voor tien jaar alles in voorraad en ten tweede heeft hij geld genoeg om dat wat hij te kort zou komen aan te schaffen.

[5] Nu, zo'n mens leeft dan in net zo'n rustig gangetje als een gemeste os in de stal en denkt ook niet veel meer dan een os en is derhalve niets meer dan een genietend dier in menselijke gestalte.

[6] Ais je bij zo iemand zou komen om hem het evangelie van het Godsrijk te prediken, dan doet hij met jou precies hetzelfde wat de os in de stal doet met een steekvlieg die hem stoort bij zijn onbezorgde vreten: de os slaat met zijn staart naar de hem storende gast, en die moet er snel vandoor gaan om niet platgeslagen of op z'n minst half dood geslagen te worden.

[7] Zo'n zorgeloze genieter van het eten zal zijn dienaren, die eigenlijk de verjagende en afwerende staart van de levensgenieter zijn, opdracht geven om je er uit te jagen; en jij zult zeker zo snel mogelijk maken dat je weg komt en pas op een behoorlijke afstand erover na kunnen denken, wat de invloed van jouw evangelieprediking op de zelfvoldane voedselgenieter was.

[8] Maar Ik heb de mogelijkheid om zulke ossen een heel andere preek vooraf te geven: Ik Iaat ze het ene ongeluk na het andere overkomen; daardoor krijgen ze allerlei zorgen en angst en vrees, beginnen na te denken, te zoeken en te vragen hoe dat toch komt dat ze nu van alle kanten belaagd worden, terwijl ze toch nooit iemand onrecht aangedaan hebben en altijd als nette, fatsoenlijke mensen hebben geleefd!

[9] Maar dat gebeurt alleen maar voor het nodige gistingsproces.

[10] Als zulke mensen dan goed gaan gisten, hebben ze behoefte aan vrienden die hen weer tot rust zouden kunnen brengen; ga dan naar hen toe en predik hen het evangelie, en ze zullen naar je luisteren, en nooit hun trotse en woedend om zich heen slaande staart tegen je opheffen!

[11] Wel, om deze reden is het goed dat onze gasten gedurende deze nacht een bepaald gistingsproces doormaken; daardoor zal hun geest meer gaan werken, en dan zullen wij het morgen met zo moeilijk met hen hebben. Zie je dat nu in?'

220 De rust en het nietsdoen
[I] Ahab zegt: 'O wijsheid, o wijsheid! Hoe hoog en waar is datgene, wat in U woont, en hoe vreselijk dom zijn wij daarbij vergeleken! Het is al eeuwenlang bewezen dat er niets ontstaat zonder een voorafgaande strijd; en toch wilde ik nu zonder meer naar de Bethlehemieten gaan om hun geest te verlichten! O ik ben toch wel het toppunt van domheid?! De Griekse wijzen zeggen toch al: 'Iedere werkzaamheid hangt van strijd af, en iedere uitwerking is daar het gevolg van!', -en ik had dat niet in de gaten! Hoe komt het toch dat ik het nu wel inzie?! .

[2] Ja, als in het innerlijk van een mens niet echt een gevecht met zichzelf en zijn verschillende eigenschappen plaatsvindt, is alles nutteloos wat men van buitenaf met hem wil doen!

[3] De leerzame levensverhoudingen van de mens zijn me nu volkomen duidelijk, en bijna zou ik hier een voorname grondregel voor het.leven opstellen en ik geloof, dat ik daarmee niet ver naast de roos zou schieten! 'Laat maar eens horen!', zeg Ik, 'Ik wacht met Mijn oordeel, tot je hem hebt uitgesproken.'

[4] Ahab zegt: 'Wat een mens zichzelf niet verschaft door zijn oorspron­kelijk ontvangen eigenschappen te gebruiken, dat kan geen God hem geven, want dan zou hij vernietigd worden! God kan alles, maar daar heeft de mens niets aan!

[5] Als iemand zichzelf niet eerst kent, hoe zal hij dan een ander of tenslotte zelfs God kennen?! - Deze grondregel had ik bedacht. Heer, zit ik er ver naast?'

[6] Ik zeg: 'Nee, vriend Ahab, werkelijk, je hebt de spijker nu precies op de kop geslagen; het is zo! Wat de mens zich met zijn eigen hem geschonken krachten niet zelfstandig verschaft, dat kan en mag God hem ook niet geven zonder hem daardoor te oordelen!

[7] Wees allen daarom niet alleen slechts hoorders van Mijn woord, maar enthousiaste daders, dan pas zullen jullie de zegeningen daarvan in je waar gaan nemen!

[8] Want het leven bestaat uit doen, en niet uit het ongebruikt laten van de krachten waarvan het leven afhankelijk is, en het leven moet zelfs ?oor de aanhoudende werkzaamheid van de gezamenlijke krachten eeuwig In stand gehouden worden; want in het 'zich ter ruste leggen' bevindt zich geen blijvend leven.

[9] Dat bepaalde gevoel van welbehagen dat de rust jullie geeft, is niets anders dan een gedeeltelijke dood van de voor het leven nodige krachten; wie het steeds prettiger vindt om zich over te geven aan het rustende nietsdoen, vooral aan het geestelijke nietsdoen, die omarmt daardoor steeds meer de werkelijke dood, waar geen God hem zo makkelijk uit kan bevrijden!

[10] Ja, er is ook een echte rust die volleven is, maar dat is een rusten in God en dat is het onbeschrijfelijk zaligmakende gevoel van tevredenheid over het bezig zijn volgens de wil van God.

[11] Dit zalige gevoel van tevredenheid en het duidelijke besef steeds volgens Gods orde te hebben gehandeld, is de bewuste echte rust in God, en alleen die is volleven omdat die daarna veel energie en actie veroorzaakt. Iedere andere rust die bestaat uit het stoppen van de levenskrachten, is echter zoals reeds gezegd, in zoverre een echte dood, als de mate waarin de verschillende levenskrachten zich onttrokken hebben aan het werk en daarmee niet meer verder gaan. - Begrijpen jullie dat?'

[12] Judas Iskariot zegt: 'Heer, als dat zo is, dan moet de mens de slaap mijden als de pest; want tijdens de slaap rusten er toch ook een aantal levenskrachten, al zijn het dan ook uiterlijke!'

[13] Ik antwoord: 'Zeker! Daarom zullen langslapers ook nooit zo bijzonder oud worden. Wie zijn lichaam in de jeugd vijf uur en als oudere zes uur slaap gunt, zal ook meestal een hoge ouderdom bereiken en lang een jeugdig uiterlijk behouden, terwijl een langslaper gauw veroudert, een rimpelig gezicht en grijze haren krijgt en er op latere leeftijd als een schim uitziet.

[14] Zoals het lichaam echter door te veel slaap steeds meer afsterft, net zo en nog veel sterker uit zich dat bij de ziel, als ze steeds meer nalaat om volgens Mijn woord en wil bezig te zijn.

[15] Als het nietsdoen zich echter eenmaal in een ziel genesteld heeft, dan nestelt zich daar ook de zonde; want het nietsdoen is niets anders dan eigenliefde, die iedere bezigheid voor iemand anders des te meer ontvlucht, omdat ze in wezen niets anders wil dan dat alle anderen ten behoeve en ten nutte van haar zullen werken!

[16] Vermijdt daarom vooral het nietsdoen; want dat is het echte zaad voor alle mogelijke zonden!

[17] Als voorbeeld kunnen ook de verschillende roofdieren dienen. Kijk, deze dieren gaan alleen dan maar tot hun verderf brengende bezigheid over, als ze door een razende honger gedreven worden; hebben ze hun buit veroverd en hun honger gestild, dan gaan ze meteen weer in hun holen en rusten daar vaak dagenlang; zoals speciaal de slangen dat wel doen.

[18] Bekijk dan eens een rover en moordenaar! Deze mens, die overigens alle arbeid schuwt, en eigenlijk een vleselijke duivel is, ligt dagenlang ergens in zijn roversnest; alleen als de wachtposten hem meedelen dat er een rijke karavaan voorbij zijn roversnest zal trekken, gaat hij met zijn kornuiten mee op de loer liggen en valt dan de voorbijtrekkende karavaan meedogenloos aan en berooft haar, en vermoordt de kooplieden om niet verraden te worden! En dat is een vrucht van het nietsdoen.

[19] Ik zeg daarom nog eenmaal: Wees vooral op je hoede voor het nietsdoen; want dat is de weg en de brede deur tot alle mogelijke zonden!

[20] Na gedane arbeid is een matige rust goed voor de ledematen, maar een overmatige rust is slechter dan helemaal geen rust.'



221 'De nachtprediking'
[I] Als iemand te voet een lange weg heeft afgelegd en tenslotte een herberg bereikt, dan zal hij als hij niet direkt naar bed gaat maar zich matig beweegt en de volgende morgen al voor het opgaan van de zon op is, de gehele dag geen moeheid merken, en hoe langer hij zijn reis op die manier voortzet, des te minder daardoor vermoeid raken.

[2] Maar als iemand die net zo vermoeid van een dagtocht, in een herberg aankomt, meteen naar bed gaat en pas de volgende dag 's middags op staat, dan zal hij zijn verdere reis voortzetten met totaal verstijfde voeten en met een geheel verward hoofd en na een poosje lopen zal hij zo moe zijn dat hij vurig verlangt naar een rustpauze, en het kan zelfs gebeuren dat hij langs de weg blijft liggen en dood gaat als hij mogelijkerwijs geen hulp krijgt.

[3] Waar komt dat door? Door zijn eigen te grote zin om te rusten en het daarmee verbonden zelfbedrog, dat de rust de mens zou versterken.

[4] Als iemand zich in de een of andere kunst, waarvoor een grote mate van hand­ en vingervlugheid vereist is, een grote verbazingwekkende perfectie wil bereiken, dan vraag Ik je: Zal hij die ooit bereiken, als hij in plaats van iedere dag voortdurend vlijtig te oefenen, zijn handen en vingers in zijn zakken steekt en dag na dag niets doend rondloopt, omdat hij angst heeft dat hij door het vermoeien van zijn vingers en handen, deze te stijf en te onhandelbaar zou maken voor het nagestreefde kunstenaarschap?

[5] Waarlijk, Ik zou Zelf ondanks al Mijn onbegrensde wijsheid niet het moment kunnen voorspellen waarop zo'n leerling van de kunst een virtuoos zou worden! Daarom, beste vrienden en broeders, zeg Ik nogmaals tegen jullie:

[6] Alleen voortdurende werkzaamheid voor het algemeen welzijn van de mensen is goed! Want al het leven is een vrucht van de voortdurende en onvermoeibare activiteit van God en kan daarom slechts door ware werkzaamheid in stand gehouden worden en voor de eeuwigheid bewaard blijven, terwijl uit het nietsdoen alleen maar de dood voor de dag komt en komen moet.

[7] Leg je handen op je hart en besef, hoe het steeds maar door dag en nacht werkzaam is! Alleen van die werkzaamheid hangt het leven van het lichaam af; als het hart echter eens stil gaat staan, is het - denk Ik - met het natuurlijke leven wel gedaan!

[8] Zoals echter de rust van het lichamelijke hart duidelijk de dood van het lichaam is, zo is ook de vergelijkbare rust van het hart der ziel, de dood van de ziel!

[9] Het hart van de ziel heet echter 'liefde', en het kloppen van dit hart uit zich in de echte en complete werken der liefde.

[10] Het voortdurend uit liefde handelen is derhalve de nooit moe wordende polsslag van het hart der ziel. Hoe vlijtiger dat zielehart slaat, hoe meer leven er in de ziel komt, en als zich daardoor een voldoende hoge levensenergie in de zielontwikkeld heeft, zodanig, dat deze de goddelijke, allerhoogste levensenergie evenaart, dan wekt zij het leven van de goddelijke geest in zich op.

[11] Deze geest, die puur leven is, omdat hij de onvermoeibare hoogste activiteit zelf is - vloeit dan in de hem door de werken der liefde geheel gelijk geworden ziel, en dan is het eeuwige onvergankelijke leven in de ziel volledig begonnen!

[12] Zie je, dat is nu allemaal het gevolg van werkzaamheid, maar nooit van luie rust!

[13] Ontvlucht daarom de rust en zoek de volle werkzaamheid, en je loon zal het eeuwige leven zijn!

[14] Geloof maar niet, dat Ik gekomen ben om de mensen van deze aarde vrede en rust te brengen; o nee, maar wel het zwaard en de oorlog!

[15] Want de mensen moeten door de nood en allerlei tegenspoed aangezet worden tot werkzaamheid, omdat ze anders trage, gemeste ossen zouden worden die zichzelf vetmesten als voer voor de eeuwige dood!

[16] Ook veroorzaken nood en tegenspoed in de mens opeenvolgende gistingsprocessen, waaruit zich op den duur toch iets geestelijks ontwik­kelen kan.

[17] Natuurlijk kun je zeggen: 'Door nood en tegenspoed ontstaan ook toorn, wraak, moord en doodslag en nijd, hardvochtigheid en vervolging!' Dat is beslist waar; maar hoe erg deze zaken ook zijn, de gevolgen daarvan zijn toch nog beter dan de luie rust, die dood is en geen goed en ook geen kwaad veroorzaakt.

[18] Daarom zeg Ik jullie: Loop warm voor Mij of blijf koud voor Mij; want een lauwe spuug Ik uit!

[19] Een actieve vijand heb Ik liever dan een lauwe vriend; want de actieve vijand noopt Mij om zo actief mogelijk te zijn, opdat Ik hem win of de goede weg insla om hem voor Mij voor altijd onschadelijk te maken; bij een lauwe vriend wordt Ik Zelf ook lauw, en zal Ik iets aan die vriend hebben als Ik in nood kom?!

[20] Een lauwe bestuurder is daarom een plaag voor zijn volk; want daardoor vergaat de geest van het volk, en de mensen verworden tot pure gemeste ossen en pakezels! Maar een krachtige en zelfs tirannieke bestuurder maakt het volk levend, en alles is zo actief mogelijk om toch maar geen straf op te lopen; en als de tiran het te bont maakt, dan zal het volk zich tenslotte massaal verheffen en zich van zijn beul bevrijden.

[21] Ik geloof, dat Ik nu voldoende over de waarde van de werkzaamheid gesproken heb, en Ik ben ervan overtuigd dat jullie deze les allemaal hebben begrepen. Dus, als iemand dat wil en vindt dat zijn lichaam slaap nodig heeft, Iaat die dan een bed opzoeken; wie echter gedurende de nacht met Mij waken wil, die blijve hier!' Daarop zeggen allen: 'Heer, hoe zouden wij nu kunnen slapen, als U waakt?! - Alleen moeder Maria schijnt lichaamsrust nodig te hebben, dus kunt U tegen haar wel zeggen dat ze moet gaan slapen.’

[22] Maar hoewel Maria achter Mij op een leunstoel wat sluimerde, hoorde ze toch wat er gezegd werd, ze ging rechtop zitten en zei heel vriendelijk tegen de spreker: 'Vriend, ik zeg tegen jou, omdat jij meestal de woord­voerder voor al je medeleerlingen bent, dat jouw bezorgdheid voor mij een beetje overbodig is; want weet je, ik heb voor mijn Heer al wel een paar honderd slapeloze nachten doorwaakt, en ik leef nog steeds - en als het Zijn wil is zal ik er weer zo veel doorwaken en mijn leven niet verliezen! Hebben jullie dus allemaal maar geen zorgen over mij; het is voldoende als er Een aan mij denkt!'

[23] Deze woorden waren echter aan Thomas gericht. Hij ging naar Maria en vroeg haar om zijn goed bedoelde mening niet onvriendelijk op te nemen. Maar Maria suste hem en was zeer vriendelijk over zijn zorg over haar en het werd Thomas weer lichter om het hart, zodat hij weldra weer helemaal gerustgesteld naar zijn plaats ging.

[24] Toen bleef het een poos stil. Niemand zei iets; want ze dachten allen nu diep erover na, en het licht van de waarheid van het vertelde werd steeds helderder voor hen.

[25] Alleen Matthéus zei na een poosje bij zichzelf: 'Morgen bij het krieken van de dag wordt deze leer van de werkzaamheid en de rust, zo goed dat mogelijk is, opgeschreven op een vel dat alleen voor deze leer gebruikt wordt; want deze buitengewoon belangrijke leer mag voor geen goud van de wereld verloren gaan!' En toen niet lang daarna de dag aanbrak, hield Matthéus ook zijn woord; en deze leer heeft nog lang bestaan en is door Jonaël en Jaïruth ook naar Samaria meegenomen, maar in de loop der tijd werd ze zeer misvormd en is daarom ook verloren gegaan. Zolang ze echter nog in omloop was, circuleerde ze onder het volk onder de naam 'de nachtprediking'.


222 De vijf Farizeeën

[1] De volgende morgen kwamen de vijf Farizeeën naar Mij toe, begroetten Mij en Mijn leerlingen op hun manier zeer hoffelijk en betoonden Mij nog een grote eer, door Mij te vragen, of Ik hen waardig vond om Mij de voeten te wassen.

[2] Want het was in Bethlehem nog een oud gebruik om iemand te eren door de voetwassing; de gastheer waste de voeten van zijn gasten, of de voornaamste van de gasten waste als een tegenbewijs van eer op de volgende morgen de voeten van de gastheer. Daarom liet Ik dan ook de vijf Farizeeën uit Bethlehem Mijn voeten wassen en afdrogen.

[3] Pas na deze handeling vroegen de vijf Farizeeën aan Mij: 'Waarlijk, onbegrijpelijk grote meester! Vertelons nu toch eens iets over de aard en manier, waarop de kracht werkt waarmee U dergelijke nooit gehoorde genezingen tot stand brengt! Dat U zulks - in het algemeen gesproken - duidelijk door de kracht van God doet, staat wel vast; maar hoe en op wat voor wijze dat zo ongehoord volmaakt kan gaan, dat is een andere vraag. Slechts daarover - als u ons voor enigszins waardig houdt -zouden we iets naders willen weten, en dan zullen we zeer tevreden en u eeuwig dankbaar blijvend de terugweg naar Bethlehem weer aanvaarden.'

[4] Ik zeg: 'Al zou Ik het u willen zeggen, dan zou u het toch niet aannemen; want de driedubbele doek van Mozes hangt ook voor uw ogen, opdat u niet zou merken, wie degene is, die nu met u spreekt! Als u Hem zou kennen, dan zou U zo'n vraag nooit stellen; maar omdat u Hem niet kent, daarom vraagt u zoals u vraagt!

[5] En als Ik u een juist antwoord zou geven, dan zou u het toch niet aanvaarden. Want u ziet wel datgene, wat zich in de stoffelijke wereld bevindt en gebeurt; maar wat de geest en diens rijk en werken betreft, dat is vreemd voor u, en u kunt daarom ook niet begrijpen en voelen wat het wezen en werken van het Godsrijk in de mens is.

[6] Maar ga heen en doe boete voor uw vele zonden, dan zult u merken dat het rijk van God u genaderd is.

[7] Heb God met al uw krachten lief en aanbid Hem in geest en in waarheid; maar heb ook uw naaste arme broeder en zuster lief; vervolg uw vijanden niet; vervloek niet degenen die u vervloeken en doe degenen die u kwaad doen, goed, dan zult u gloeiende kolen op hun hoofden stapelen, en God zal uw werken aanschouwen en ze honderdvoudig aan u vergelden.

[8] Leen uw geld niet uit aan degenen die het u met veel winst weer terug kunnen geven, maar leen het aan echte armen en behoeftigen, dan zal uw geld in de hemel tegen hoge rente uitgezet zijn, en de Vader in de hemel zal u altijd kapitaal en interest voor eeuwig uitbetalen!

[9] Ontvang ook niet zo gretig lof, dank en prijs van de wereld voor uw goede daden; want als u dit doet om wille van de wereld, wat zal dan uw loon in de hemel zijn?! Ik zeg u: Wie op aarde voor een goede, aan arme broeders bewezen daad het een of andere loon verlangt of in welke vorm dan ook aanneemt, diens loon in de hemel is nihil!

[10] Wie voor de hemel werkt die zal door de hemel, zowel nu in de tijd als eenmaal eeuwig, beloond worden; wie echter voor de wereld werkt, die zal van de wereld wel een smadelijk en vergankelijk loon oogsten; maar in de hemel zal hij zijn inkomstenboek leeg vinden, en zijn loon zal verdwenen zijn, en aan zijn geestelijke armoede zal heel moeilijk een einde komen!

[11] Als u dit goed ter harte neemt en daarnaar handelt, zal het u spoedig duidelijk worden, met welke middelen Ik uw zieken heb genezen. - Nu weet u alles wat u moet weten. Vraag niet om meer, waaraan u toch niets zou hebben als men het tegen u zei.

[12] Zorg er echter ook voor dat u over Mij, Mijn daden en Mijn leerlingen noch in Jeruzalem en evenmin in de stad van David iets rondvertelt; want dat zou u geen zegen brengen!

[13] Maar nu kunt u, als u uw morgenmaal genoten heeft, met een gerust gemoed de terugweg weer aanvaarden!'

[14] Na Mijn toespraak trekken de vijf wel wat verbouwereerde gezichten; maar ze durven het toch niet aan om nog een vraag te stellen, zij buigen voor Mij en gaan dan naar hun eetzaal en na het morgenmaal gaan ze weer op weg naar hun thuisland.


223 Een les in het geven van onderricht

[I] Maar dan komen de leerlingen naar Mij toe en vragen, waarom Ik toch in zulke bedekte termen met de Bethlehemieten heb gesproken.

[2] Ik antwoord: 'Zijn jullie dan nog steeds zo onverstandig, alsof je nog nooit een wijs woord van Mij hebt gehoord?! Zij denken dat Ik n.iets meer ben dan een dokter die begiftigd is met buitengewone geheime vaardigheden, en die met hulp van geheime krachten in de natuur zulke wonderbaarlijke genezingen verricht.

[3] Zij zijn niet onbekend met de sekte der Essenen, die zeer opmerkelijke kennis bezit over de geheime apothekerskunst, waardoor zij menige kwaal kunnen genezen en ook bepaalde verschijnselen te weeg kunnen brengen die door een leek als duidelijke wonderen aangemerkt moeten worden. Als je dit bedenkt, kan er dan uiteindelijk iets anders uitkomen dan dat deze Bethlehemieten mij zonder twijfel alleen maar aanzien voor een Esseen van de vierde, dus hoogste graad, wiens wetenschap zo groot is dat hij

de meest verschillende natuurkrachten beheerst en ze naar willekeur kan besturen?!

[4] Als Ik hen echter zonder meer verteld zou hebben, dat Ik als Zoon van de Allerhoogste de beloofde Messias was, dan zouden deze orthodoxe Joden zich bovenmatig zijn gaan ergeren en zouden Mij voor een magiër gehouden hebben die zich het hoogste aanmatigde en die met de satan een verbond had gesloten, en als zo iemand zouden ze Mij ook belasterd hebben, en de genezing van hun hierheen gebrachte zieken zou voor hun de ergste steen des aanstoots geworden zijn! Maar omdat ze Mij nu voor een pure Esseen houden, gaan ze heel gemoedelijk naar huis en loven en prijzen God die de mens zulke geheime kennis en kracht geeft, dat hij de lijdende mensen de zekerste, hoewel wonderbaarlijkste hulp kan geven!

[5] Opdat ze echter thuis bij rustiger en rijper nadenken toch gemakkelijk er achter kunnen komen dat Ik zeker geen Esseen ben, omdat de door Mij aan hen bekend gemaakte principes over het zedelijke en maatschap­pelijke onderlinge verkeer der mensen rechtstreeks indruisen tegen die van de Essenen, heb Ik hen precies zoveel onderricht gegeven als voor dit bepaalde doel nodig was. Zij zullen thuis Mijn leer mooi en netjes met de leer van de Essenen, die ze wel hebben, vergelijken en na de gevonden schrille contrasten pas echt raar opkijken. Zoals de vijf reeds in jullie bijzijn achterdocht kregen toen ze Mijn woorden hoorden, omdat Mijn leer voor hen, zoals Ik al zei, rechtstreeks indruist tegen die van de Essenen.

[6] Zij zouden wel graag meer aan Mij hebben willen vragen, maar Ik heb ze zo kort mogelijk te woord gestaan, en zij verdwenen en durfden geen verdere vragen meer te stellen; want zij zagen dat Ik volgens Mijn daden wel best een Esseen van de hoogste rang zou kunnen zijn, maar volgens de door Mij aan hen gerichte woorden toch weer niet. Maar terwijl ze onderweg aan niets anders dan aan dit verschijnsel denken, denken ze nu ook: 'Hebben de Essenen soms twee leren, een uiterlijke alleen voor het blinde wereldse volk, en een innerlijke voor zichzelf?' Het kon best zo zijn, dat Ik dus oprecht tegen hen geweest was, en dat Ik, als goede kenner van de schrift, hen zo maar enige zinnen van de innerlijke leer toegeworpen had, en het verdere zoeken aan hen zelf had overgelaten!

[7] Maar één van de vijf meent echter dat er heel wat anders achter Mij steekt dan een Esseen van de hoogste rang. Nu zegt hij tegen de andere vier: 'Ik voor mij vind nu niet di rekt dat hij een Esseen is; want ik heb nog maar pas met een Esseen over al hun leren en gebruiken gesproken, en hij was daarbij erg eerlijk; maar hij wist niets over een tweede geheime leer. Ik houd daarom deze zonderlinge genezer van Nazareth voor een geheel eigen en zover ik weet nog nooit voorgekomen verschijning. Hij is God - of een duivel, hetgeen ik echter wil betwijfelen omdat zijn leer het meest sociale principe behelst dat ik ooit hoorde; een duivel is daarentegen de grootst mogelijke tiran en dus een uitgesproken vijand van alle sociale leer!'

[8] Zie je, onderweg voeren die vijf nu al zulke gesprekken en zij zijn daarin zo verdiept dat ze nauwelijks merken, dat hun voeten zich bewegen en hen verder dragen.

[9] Beste vrienden, als men iets leert, moet men behoedzaam te werk gaan; men moet niet meteen met de deur in huis vallen en net als bij een maaltijd niet alle spijzen in één keer binnen brengen, maar men moet zachtjes het huis ingaan en bescheiden aan een deur kloppen die in het een of andere vertrek voert; en als men een maaltijd serveert, moet men pas dan de tweede gang op tafel zetten als de gasten de eerste reeds genuttigd hebben; anders vindt men je als bezoeker onaardig en brutaal en zul je in het door je bezochte huis weinig of niets kunnen uitrichten, terwijl de gastheer de gasten alle eetlust ontneemt als hij in één keer een massa spijzen van allerlei aard op tafel zou zetten; maar als alles ordelijk gaat, zullen de gasten hun eetlust behouden, en zij zullen tenslotte hun gastheer prijzen omdat hij zo voortreffelijk voor hen gezorgd heeft!

[10] En let op, zo moet men ook te werk gaan bij het lesgeven, als men daarmee iets wil bereiken. - Begrijpen jullie dit nu?'

[11] De leerlingen zeggen: ' Ja Heer, wij begrijpen nu alles, wat U nu zoals altijd zo wijs tegen ons gezegd hebt!'

[12] Ik zeg: 'Nu goed, dan zullen wij nu ook aan het ochtendmaal gaan!'




1   ...   35   36   37   38   39   40   41   42   43

  • 222 De vijf Farizeeën
  • 223 Een les in het geven van onderricht

  • Dovnload 2.49 Mb.