Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Uitgeverij de ster, ginnekenweg 124, 4818 jk breda

Dovnload 2.49 Mb.

Uitgeverij de ster, ginnekenweg 124, 4818 jk breda



Pagina43/43
Datum05.12.2018
Grootte2.49 Mb.

Dovnload 2.49 Mb.
1   ...   35   36   37   38   39   40   41   42   43
230 Jozefs dood en zijn getuigenis over Jezus

[I] Na dit verhaal, waarbij alle leerlingen dokter Borus, die zij goed kenden, wel hadden willen omarmen en kussen, gingen Wij weer naar Kis en kwamen daar juist bij zonsondergang aan.

[2] Baram zat al met het avondmaal te wachten, en wij lieten het ons na het gedane belangrijke werk goed smaken. De maaltijd bracht Judas ook in een iets betere stemming, en hij prees de moed van Borus, die hij ook heel goed kende.

[3] Na de maaltijd werd er nog lang over gesproken; zelfs moeder Maria zegende Borus vooral, omdat hij het voor haar had opgenomen bij de overste die in feite haar kleine huishouding van haar had afgenomen.

[4] De oudste zoon van Jozef zei: 'Zal ons onze rechtmatige bezitting tenslotte toch weer teruggegeven worden?!'

[5] Kisjonah zegt: 'Vriend, wens dat maar niet! Kijk, hier heb je allemaal een beter bestaan en tevens ben je veilig voor vervolgingen, en ik geef jullie de herberg daar aan het boveneind van de grote inham helemaal in eigendom en ongeveer vijfduizend are grond er bij, en bij zo'n ruil kom je het verlies van de kleine bezitting wel te boven, en hier vandaan is het ook een halve dagreis korter naar Jeruzalem dan vanuit Nazareth.' En Joses is het daar helemaal mee eens; toch vraagt hij ook Mij om Mijn raad.

[6] En Ik zeg: 'Wat beter is, is altijd beter; neem het daarom, maar beschouw het nooit te veel als je eigendom, maar slechts als iets dat voor deze korte tijd geleend is!'

[7] Joses zegt daarop: 'Heer en broeder! Dat heeft vader Jozef ons al geleerd, en daarom hebben wij de kleine bezitting in Nazareth dan ook nooit als een soort eigendom gezien, maar zuiver als een voor deze korte aardse levenstijd door God geleende zaak, waarvoor we Hem ook dagelijks met Jou Zelf gedankt hebben en wij hebben Hem daarnaast ook altijd gebeden, dat Hij dit kleinood voor ons wilde bewaren voor ons nood­zakelijke aardse onderhoud. Zolang het Zijn heilige wil was heeft Hij het ook bewaard; maar nu zeg ik met Job: De Heer heeft het ons gegeven, en toen Hem dat behaagde, heeft Hij het ook weer van ons genomen. Zijn wil, die alleen heilig is, geschiede, en Hem alleen zij alle eer, alle lof en alle prijs! Wat God neemt, dat kan Hij rijkelijk teruggeven. Nu, als Je aardse broers en zusters vinden we dat in orde; maar al onze werktuigen en al ons huisraad heeft men ons ook afgenomen. We dachten toch wel, dat we dat terug zouden krijgen of dat we minstens iets anders bruikbaars daarvoor in de plaats zouden krijgen.

[8] Ik zeg: 'Maak je daarover maar niet druk; binnen drie dagen gaan we naar Nazareth, en dan zal het allemaal teruggegeven moeten worden! We hebben niet voor niets een engel van de hoogste rang bij ons! Eén teken en alles is in orde; en als er één niet genoeg is, dan staan er ieder moment legioenen voor onze dienst klaar!

[9] Ik zeg u: Wat Ik de Vader in Mijn hart kenbaar maak, dat doet Hij; en wat de Zoon wil, dat wil de Vader in eeuwigheid evenzo, en er is nooit een verschil tussen de wil van de Vader en de wil van de Zoon! Want geloof Mij: Vader en Zoon zijn er geen twee, maar in alles totaal Een! Wees dus kalm en geloof dat het zo is!'

[10] Joses zegt: 'Heer en broeder, wij geloven allen. Hoe zouden wij het niet geloven, terwijl wij toch vanaf Jouw geboorte steeds bij Je waren en zoveel tekens gezien hebben die overluid verkondigden wie Jij was. Broer Jacob heeft een groot boek volgeschreven vanaf Je geboorte tot aan Je twintigste levensjaar, waarna Je tot Je huidige leeftijd geen teken meer hebt gedaan, en Je hebt samen met ons als een heel gewoon mens gewerkt en geleefd, zodat wij bijna vergeten zouden zijn wie Je bent, als de dood van onze geliefde vader Jozef een paar jaar geleden ons niet geweldig had wakker geschud.

[11] Want toen Jozef in Jouw armen overleed, sprak hij nog verheerlijkt glimlachend met zijn laatste woorden:

[12] 'O mijn God en mijn Heer! Wat bent U toch genadig en barmhartig voor mij! Oh, ik zie nu, dat er geen dood is; ik zal eeuwig leven! Ach, hoe heerlijk, God, zijn Uw hemelen! Kinderen, kijk naar Hem, Die nu mijn stervende hoofd met Zijn armen ondersteunt! Hij is mijn God, mijn Schepper! O hoe zalig is het, in de almachtige armen van je Schepper op deze armzalige wereld te sterven!'

[13] Na deze woorden stierf hij, en wij hebben allen luid geweend; alleen Jij hebt niet gehuild. Maar wij begrepen, waarom Jij niet huilde!

[14] Wel, van dat ogenblik af konden wij niet meer vergeten, wie Jij bent; want dat had Jozef in het laatste uur van zijn aardse leven maar al te duidelijk gezegd! Hoe zouden wij dan nu niet alles geloven wat Je zegt, terwijl we zo goed weten wie Jij in wezen bent?!'

[15] Ik zeg: 'Heel goed, lieve broers! Het is heel juist, dat jullie hier zo gesproken hebt; want wij zijn hier allen als ingewijden bij elkaar, en die kennis zal niemand veroordelen behalve één, als hij zich er aan stoot! (Daarmee werd Judas bedoeld.)

[16] Maar als wij ons onder niet ingewijden bevinden, moeten jullie daar heel zorgvuldig over zwijgen! Laten we ons nu echter ter ruste begeven, opdat we morgen vroeg aan de slag kunnen gaan!' Daarop gaat iedereen heel gerust slapen.

231 Booswichten in de val
[I] Maar Kisjonah, Baram, Jonaël en Jaïruth gaan naar buiten, en Kisjonah controleert of alles in zijn grote huishouding in orde is. Overal is alles helemaal in orde, en de tolgaarders en tolbewakers zijn opgewekt en melden hun heer, dat er deze nacht nog een belangrijke vangst zou plaats vinden, die hen al aangekondigd werd.

[2] Kisjonah informeert naarstig, waar die vangst uit zal bestaan, en of het soms geen armen betreft die hun spaarzame voorraden naar de een of andere markt brengen, om daarvan hun belasting te voldoen.

[3] Dan zegt het hoofd van de tolwachters: 'Heer en gebieder! U weet, hoe zeer wij al uw rechtvaardige en voor de arme mensen werkelijk buitengewoon milde voorschriften eren en respecteren; maar aan deze vangst komt geen armoede te pas, maar een veelvoudig schandaal van de kant van de joodse Farizeeën en priesters en levieten.

[4] Zij willen van Kapérnaum uit in de wijde omtrek een aantal schan­delijke beslagleggingen en afpersingen uit gaan voeren, en vannacht om het middernachtelijk uur zullen zij allerlei vee, graan, wijn en alle mogelijke gereedschappen naar Jeruzalem brengen om daar te verkopen. Maar dat gebeurt niet via de officiële weg, maar langs een sluipweg die zij zelf door het gebergte hebben gebaand.

[5] U weet, dat er vanwege de hoge rots die met zijn hoge en steile wand in zee vooruitsteekt, over land geen begaanbare weg is naar Sibarah, waar uw hulptol is die u altijd verpacht; men moet dus als men rechtstreeks van Sibarah hierheen wil, op de daarvoor aangewezen aanlegplaats mensen, vee en alle andere bezittingen over het water laten komen, of men vaart als de zee rustig is, wat zelden het geval is, rechtstreeks naar Pirah, waar ook een tol van u is die nu voor tien jaar verpacht is.

[6] Om al uw tollen echter te ontlopen, hebben de rijke Farizeeën door herendienstplichtigen al op Samaritaans gebied een sluipweg door het gebergte laten maken, en via deze weg doen ze vandaag de eerste poging.

[7] Ongeveer twee duizend passen hiervandaan het dal in naar Kana zullen ze het dal inkomen op de plaats, waar een door ons gebouwde brug over de beek voert, en waar de weg, die nog lang over uw grond doorloopt, over de beek gaat en aan de linker kant van het dal omhoog naar Kana gaat; we hebben echter vroegtijdig tegen de tweehonderd goed bewapende opzieners, wachters en gerechtsdienaars op de beste punten opgesteld. Ik beloof u, vader en heer, dat er geen muis doorheen komt! We zullen deze oerslechte booswichten wel eens kennis laten maken met Jehova, zodat ze hun leven lang aan Hem zullen denken!'

[8] Kisjonah zegt: 'Dat hebben jullie goed en degelijk georganiseerd; jullie loon zal je niet ontgaan! Het geld, dat de verkopers bij zich hebben, wordt als buit in beslag genomen, en alle vee, koren, meel en gereed­schappen blijven zo lang hier, tot de overtreders al degenen waarvan ze het met geweld afgenomen hebben, precies omschreven hebben en wij het hen dan nauwgezet weer terug geven.

[9] Maar voor het feit dat ze zonder mijn toestemming door mijn bergen en bossen een weg hebben aangelegd, worden ze door de Romeinse rechter, die hier in mijn huizen zijn kantoor gevestigd heeft, tot duizend pond zilver veroordeeld; twee derde daarvan is voor de keizer en één derde voor mij volgens de plaatselijke wet.'

[10] Juist komt de Romeinse rechter aangelopen en vraagt, wat er te doen is bij de tol, of er soms verdachte mensen verwacht worden, en of men militaire hulp nodig heeft. Het hoofd van de tolgaarders herinnert de rechter echter aan datgene, wat hij hem overdag al gemeld had.

[11] Dan zegt de rechter: 'Ah, is het dat! Nu, zorg er maar voor, dat jullie de zwarte booswichten vangt! We zullen ze dan hier enige duidelijke lessen geven over de Romeinse zeden en wetten! De lust zal hen voor altijd vergaan, om Romeinse onderdanen tot de bedelstaf te brengen zodat zij niet in staat zijn om aan de keizer de hem toekomende belasting te betalen, terwijl van die zwarte booswichten nooit een stater los te branden is! Die kerels houden zich eeuwig arm en begraven goud, zilver, parels en edelstenen in massa's. En die van Kapérnaum zijn net de goede, net als die van Chorazin! Nou, reken maar, jullie spitsboeven, jullie zullen je streken zo thuis krijgen, dat je je leven lang er nog aan zult denken!'

[12] De rechter was nog maar net uitgesproken of men hoort ook al een luid geschreeuw in de verte uit het dal. komen, en de tolgaarder begint zich van vreugde de handen te wrijven en zegt heel laconiek: 'Aha, aha, zij hebben elkaar reeds ontmoet; binnen een kwartier zullen ze al hier zijn. Nu even vlug alle pekpannen aansteken, zodat het in het dal zo licht wordt als de dag en geen van de spitsboeven ons kan ontsnappen!'

[13] Nu worden vlug ongeveer veertig grote pekpannen aangestoken zodat de hele omgeving overal helder verlicht is, en de aanstekers zijn nog maar net klaar met hun werk als de eerste groep al arriveert, bestaande uit twaalf Farizeeën, die afgevaardigd waren om het geroofde naar Jeruzalem te brengen en daar te verkopen.

[14] De forse begeleiders plaatsen de twaalf gebonden Farizeeën voor de tolboom en zeggen tegen Kisjonah: 'Heer, hier zijn dan de hoofd­verdachten, vijf uit Kapérnaum, drie uit Nazareth en vier uit Chorazin! Heel slechte kerels, die hun geld waard zijn! Hierachter komt nog van alles, een massa ossen, koeien, kalveren, geiten, schapen, ongeveer vier­honderd met graan beladen ezels met hun veulens, net zoveel muildieren beladen met wijnzakken en nog een keer ongeveer vijfhonderd ezels en lastpaarden met vastgebonden knappe meisjes en knapen, tussen de twaalf en achttien jaar oud, die allen voor de grote markt in Sidon bestemd waren. Tevens natuurlijk veel dienaren van deze twaalf hoofdverdachten! Het komt hier allemaal zo binnen; maak daarom plaats, zodat we alles zoals het behoort onder kunnen brengen!'

[15] Kisjonah zegt: 'Maak. aan zee maar meteen de grote stalling voor onderpanden open; daar kan alles ondergebracht worden, en gebruik voor de kinderen de grote herberg hier boven op de berg, en zorg er meteen voor dat ze. wat te eten en te drinken krijgen; want deze twaalf onmensen zullen hen onderweg maar heel karig voedsel gegeven hebben. O God, o God, waarom laat u toch op aarde zulke duivels macht hebben over de arme vreedzame mensheid?!'


232 Voorbereiding voor de rechtszaak

[1] Nu hoort men reeds het gejammer van de kinderen, die met geweld uit de armen van hun ouders gerukt waren. Kisjonah en Baram, Jonaël en Jaïruth met de engellopen snel de kinderen tegemoet; maar de rechter laat de twaalf meteen vastbinden en in een stevige gevangenis gooien.

[2] Spoedig daarna komt de kinderkaravaan aan, en de engel bevrijdt in een oogwenk allen van de ezels en pakpaarden waarop ze vastgebonden waren. Het zijn er meer dan de eerste drijvers, die de twaalf hoofdver­dachten gebracht hebben, zeiden, want op menig pakpaard waren er drie vastgebonden. Alle kinderen beven van angst ~n vrees omdat ze denken dat hen hier wat kwaads zal overkomen, maar de engel spreekt ze heel vriendelijk en aardig toe en zegt dat hen hier niet alleen niets ergs, maar alleen maar iets heel goeds zal overkomen, en dat ze zich de volgende dag alweer in de armen van hun treurende ouders zullen bevinden. Toen werden de kinderen rustiger .

[3] Enigen klagen. echter over pijn, die door de pakriemen veroorzaakt is; een aantal had bloedige plekken op hun tengere lijf; want, omdat ze huilden heeft men ze geslagen, omdat door hun huilen de hele karavaan verraden kon worden. De meesten waren naakt; want met kleren aan had de een of de ander hen misschien op de weg van Kapérnaum naar Sibarah, waar men ook omheen getrokken was, kunnen herkennen en dan de karavaan ergens kunnen verraden. Dus moest er ook voor de noodzakelijkste kleding gezorgd worden.

[4] Kisjonah zorgde meteen voor een grote hoeveelheid fijn linnen, en iedereen moest direkt schortjes maken, zodat 's morgens alle kinderen een schort kregen; vele handen maakten licht werk. Maar de kinderen werden snel in de grote herberg gebracht, die Kisjonah zelf wat hoger dan de tol had laten bouwen.

[5] Toen de kinderen in de herberg ondergebracht waren, kwam ook reeds het hoofdtransport aan met het vee en al de andere zaken. Alles werd in ontvangst genomen en goed ondergebracht; en de knechten van de twaalf werden ook gebonden in een grote gevangenis gebracht.

[6] Toen deze drukte voorbij was en de wachters overal verdeeld op wacht stonden, gingen Kisjonah en zijn vier begeleiders ook eindelijk slapen, maar dat duurde echter niet zo lang, omdat het al Iaat was en de komende dag veel en belangrijke zaken beloofde.

[7] Tot zonsopgang bleef alles rustig, maar daarna was iedereen op; en het eerste wat Kisjonah deed, was naar Mij toekomen, om Mij alles te vertellen wat er 's nachts gebeurd was en om natuurlijk van Mij te horen, wat er nu voor God in alle rechtvaardigheid gedaan moest worden.

[8] Maar Ik was hem voor en vertelde hem wat er deze nacht gebeurd was, en gaf hem ook advies over wat hij nu zo snel mogelijk moest doen. Dit advies luidde als volgt:

[9] 'Broeder, zend vóór alles met de meeste spoed een door het keizerlijke gerecht alhier beëdigde boodschapper naar overste Cornelius in Kapér­naum, opdat hij een commissaris hierheen zendt om de twaalf zondaren te ondervragen en een oordeel over hen uit te spreken, en om alle belanghebbenden, die de twaalf zullen moeten noemen, hun geroofde vee, maar vooral hun kinderen in zo kort mogelijke tijd terug te geven! Want het hier aanwezige speciale gerechtshof is te klein voor dit zeer grote spitsboevenproces en ook niet competent voor dit soort gevallen. Maar Mijn naam moet er beslist buiten gelaten worden!

[10] Het hoog gerechtshof zal het niet makkelijk krijgen met de twaalf Farizeeën! Voor de berovingen kunnen ze hen niet veroordelen. Ook voor het niet betalen van tol kunnen ze hen niets maken, want ze hebben voor het hele land een vrijbrief; en omdat ze inwoners van het land zijn, kan volgens de wet geen tol van hen geheven worden, en dat was dan ook niet de reden waarom ze de tol ontweken, dat deden ze alleen maar uit angst voor het volk. Want bij soortgelijke ondernemingen hebben ze al leergeld betaald en daarom hebben ze die geheime weg naar Jeruzalem gemaakt.

[11] Daarom is er maar één twistpunt, waarvoor ze door het gericht veroordeeld kunnen worden tot een grote schadevergoeding, en dat is de schade, die ze aan jouw bossen aangericht hebben. Daarvoor zullen alle panden die zich nu in jouw handen bevinden, bij lange na niet voldoende zijn, ook niet inclusief het geld dat ze bij zich hebben.

[12] Laat daarom als tweede noodzaak ook snel vakbekwame taxateurs begeleid door een gerechtsdienaar het bos ingaan en de schade opnemen, opdat, als het hoog gerechtshof hierheen komt, alles er al is wat voor het geldige vellen van een wettelijk oordeel nodig is; want anders kan het gerecht het onderzoek in de lengte en in de breedte rekken, en dan zouden de zwaar benadeelden misschien pas over een jaar aan hun trekken komen. Als echter alles wat het gerecht nodig denkt te hebben aanwezig is dan kan het ook snel een oordeel vellen en na het oordeel tot de

uitvoering overgaan.

[13] Na deze informatie gaat Kisjonah meteen naar zijn personeel en regelt alles zoals Ik hem dat heb aangeraden.

[14] Een klein zeilschip vaart met gunstige wind snel naar Kapérnaum, en de Romeinse rechter gaat zelf met acht onder ede staande taxateurs het gebergte in, dat van Kis uit gezien de linker zijde van het dal begrenst, en hij zendt een commissaris met acht andere, eveneens beëdigde taxateurs naar het gebergte aan de rechterzijde van het dal.

[15] Ongeveer om vier uur 's middags arriveren een commissaris van het hoog gerechtshof met twee schrijvers, en de taxateurs van de beide bergen met de precies opgenomen schade.


233 Romeinse rechtspraak

[1] Er worden nu vlug vooronderzoeken ingesteld, en nadat deze spoedig beëindigd zijn, worden de twaalf voorgeleid. Als de opperrechter hen ondervraagt, zeggen ze: 'Wij zijn eigen baas en wij hebben onze rechtbank in de tempel in Jeruzalem; buiten God en die rechtbank zijn wij over al ons doen en laten niemand wat voor antwoord dan ook schuldig, en u kunt ons dus vragen wat u maar wilt, u krijgt toch. geen antwoord meer van ons; want wij staan op wettelijke grond, en die is heel stevig, en u kunt ons niets maken.

[2] Daarop zegt de rechter: 'Voor dergelijke weerspannigheid heb ik een middel bij mij; het bestaat uit roede en zweep! Dat zal .u wel aan het praten krijgen! Want het gerecht kent geen klassenverschillen; voor het gerecht is ieder gelijk!'

[3] De voornaamste van de twaalf Farizeeën zegt nu: 'Oh, die middelen kennen wij en ook de kracht en de uitwerking daarvan; maar wij kennen nog een ander middel! Als wij ons daarvan bedienen, en. dat doen we waarschijnlijk wel, dan zouden wij wel de allerlaatsten zijn die U durft te berechten! Kent u de beroemde officiële verklaring van Caesar Augustus, die hij eigenhandig geschreven heeft en de priesters van Jeruzalem deed toekomen, waarin hij zegt:

[4] 'Deze priesterkaste is de keizerstroon in Rome beter gezind dan alle anderen; daarom moeten ook al hun wetten en voorrechten als heilig beschermd worden! Wee degene, die hen aanvalt! Die misdadiger moet wegens hoogverraad de zwaarste straf ondergaan!' Deze wet geldt nu nog net zo als dertig jaar geleden. Als u er soms niets van af wist, dan hebben wij uw geheugen nu opgefrist. Doe nu maar, wat en hoe u wilt; dan doen wij wel, wat ons belieft!

[5] Onze panden zijn geheel volgens de wet verkregen, en niemand kan en mag ze van ons afnemen. Nu op dit ogenblik kan dat wel met geweld worden gedaan, omdat wij niet sterk genoeg zijn; maar als wij onze panden hier inlossen, moeten wij vrij gelaten worden, en dan weten wij wel wegen om deze zaak verder te laten behandelen!'

[6] De opperrechter antwoordt: 'De zaak waarvoor u hier terecht staat gaat helemaal niet over de panden, hoewel u zich voor God en alle eerlijke mensen daarvan veel eerder meester gemaakt hebt door schandelijke roof, dan dat u daar het een of andere werkelijke recht op had. Want ik weet maar al te goed, welke voorrechten u door uw huichelarij van de keizer afgeperst hebt.

[7] Als Augustus u gekend had zoals ik u ken, dan zou u echt wel een ander getuigenis hebben gekregen! Maar jammer genoeg heeft hij zich door valse schijn laten bedriegen en heeft hij uw flakkerende lamp aangezien voor het licht van een zon en u daarom een voorrecht gegeven.

[8] Maar ik en overste Cornelius zijn van plan om u in uw ware gedaante aan de keizer te tonen, en dan zult u uw voorrecht vlug kwijt zijn! Verder kunt u mij dreigen zoveel u wilt; want ook ik bevind mij op wettelijke bodem, en wij opperrechters van dit land hebben sinds kort een nieuwe verordening ontvangen met betrekking tot uw intriges, waar de keizer nu ook van op de hoogte is, en daarin staat uitdrukkelijk vermeld, dat wij u zeer scherp in het oog moeten houden, en ik verzeker u, dat wij opperrechters deze nieuwste verordening uit Rome buitengewoon trouw en gewetensvol nakomen en wij hebben u al op een voor u beslist niet erg vriendelijke wijze beschreven! Begrepen?!

[9] U zuigt net als de Afrikaanse basilisk de onderdanen van de keizer de laatste druppel bloed uit, u maakt bedelaars van hen, en wat u nog over laat dat pakt de landpachter Herodes, opdat hij al zijn duizend hoeren vet en wulps kan voeren. Maar het arme volk moet in de grootste ellende versmachten! Is dat rechtvaardig?!

[10] Als er de een of andere god is, die maar net zoveel rechtsgevoel heeft als ik en net zoveel liefde voor het volk heeft als mijn jas, dan zou het onmogelijk zijn om zulke duivels, zoals u en uw Herodes, nog langer over de arme mensheid te laten heersen!

[11] 'Heb uw naaste lief als uzelf!' luidt een zedelijke wet in uw boek, dat God u gegeven zou hebben; hoe houdt u zich daar echter aan?!

[12] Waarlijk, de wet, die u altijd met veel ijver navolgt, heet haat tegen iedereen die u in uw geile en wellustige leven niet ten volle ondersteunen wil! Jammer genoeg heeft u voor dat doel op slinkse wijze een voorrecht verkregen, waarop u zich nu beroept om allerlei ongehoorde afpersingen te kunnen ondernemen.

[13] Gelukkig heeft u echter in dit geval buiten uw wettig genoemde pandopeising iets gedaan dat zelfs ook schijnbaar niet door een mij bekende wet goedgekeurd wordt. Deze daad, waarvoor u nu alleen hier terecht staat, heet vernieling van bos. Daaraan heeft u zich zeer uitgebreid in de mooie bossen van Kisjonah schuldig gemaakt. Hij is een Griek en een betrouwbaar onderdaan van de keizer, wiens rechten door iedere keizer van Rome met een compleet legioen zullen worden beschermd als ze ook maar in het geringste aangetast zouden worden, want hij betaalt jaarlijks daarvoor aan de keizer duizend pond, wat echt geen kleinigheid is.

[14] Over een weglengte van ongeveer vijf uur gaans heeft u bij de aanleg van uw geheime smokkelweg bijna duizend mooie jonge ceders en verscheidene duizenden andere mindere soorten oude en jonge bomen vernield, en volgens opgaven van beëdigde taxateurs heeft u Kisjonah een schade van meer dan tienduizend pond berokkend. Nu; hoe zult u deze schade vergoeden?!'

[15] De voornaamste Farizeeër antwoordt: 'Weet u dan niet, dat de aarde van God is en dat wij zijn kinderen zijn waaraan Hij zijn aarde persoonlijk gegeven heeft? Zoals God Zelf het recht heeft om met de aarde te doen wat Hij wil, hebben wij als Zijn kinderen ook dat recht en kunnen wij met de aarde doen wat wij willen. Ook al heeft de een of andere heidense macht ons dit recht voor een, tijdje ontroofd, dan zal ze het toch niet zo lang behouden; God zal het hen afnemen en weer aan ons, Zijn kinderen, geven.

[16] Uit het oogpunt van het recht van God behoeven wij geen schade aan het bos te vergoeden, omdat de aarde van ons is en wij daarmee doen kunnen wat wij willen. Maar tengevolge van de grotere, slechts schijnbare macht die u Romeinen nu wederrechtelijk over ons uitoefent, zullen wij ons wel verwaardigen om tot vergóeding over te gaan; maar er kan gerust negentiende van de tienduizend pond af. Want zoveel weten wij er wel van, dat wij best bepalen kunnen hoeveel de bomen waard zijn die wij gerooid hebben en waarvan wij natuurlijk maar een heel klein gedeelte gebruikt hebben voor de mogelijke bouw van bruggen; en over hoeveel schade spreken we dan nog?! Er ligt nu een nieuwe weg die de tollenaar Kisjonah heel goed gebruiken kan! Als hij hem zelf aangelegd had, dan zou hem dat zeker duizend pond gekost hebben; nu kan hij daar een nieuwe tol vestigen, en dan heeft hij in een jaar driemaal zoveel geïnd, dan wat de hele weg ons gekost heeft.'

[17] De opperrechter zegt: 'In naam van de keizer en zijn wijze wet veroordeel ik u, daar de schade door beëdigde taxateurs is vastgesteld, en omdat u zich als kinderen Gods alle macht over de gehele aarde aanmatigt, waaruit logischerwijze voortvloeit dat u ook macht over de keizer heeft waarvan hij tot op heden ook zelfs niet gedroomd zal hebben, maar waarmee u echter wel, door zo'n schandelijke aanmatiging, pure majesteitsschenners van de heilige persoon van de keizer geworden bent, tot een geldstraf van twintig duizend pond, waarvan een derde ten goede komt aan Kisjonah en twee derde voor de keizer is; tevens worden daarbij al uw panden verbeurd verklaard!

[18] Omdat echter op majesteitsschennis de onherroepelijke straf van de dood of de eeuwige verbanning staat, kunt u nu kiezen wat u liever heeft, onthoofding door de bijlof verbanning naar Europa 's ijsland! Ik heb gesproken in de naam van de keizer en diens wijze wet! Dit alles moet direkt ten uitvoer gebracht worden! AI vergaat intussen de hele wereld, het recht zal worden uitgeoefend!

[19] Kijk, zo doet een opperrechter uit Rome en hij is voor niemand bang, behalve voor de goden en de keizer!'

[20] Vervolgens Iaat hij zich naar Romeins gebruik water brengen en wast zijn handen; een gerechtsdienaar breekt een staf in tweeën en werpt deze voor de voeten van de twaalf.

234 Een goede vangst
[I] Nu zinkt de moed de Farizeeën in de schoenen, maar één van hen, die iets meer durf heeft, zegt tegen de rechter: 'Heer, ontsla ons van het tweede oordeel! Daarvoor in de plaats verviervoudigen wij het eerste en wel binnen acht en veertig uur!'

[2] De rechter zegt: 'Ik neem dat aanbod aan; maar toch blijf ik bij de verbanning voor de volgende tien jaar! Is dat akkoord?'

[3] De Farizeeën zeggen: 'Heer wij betalen u het vijfvoudige in puur zilver, als u ons de verbanning helemaal kwijtscheldt!'

[4] De opperrechter zegt: 'Goed, maar met het voorbehoud van het hoge gerechtshof, dat u toch tien jaar onder toezicht staat van de Romeinse politie, en iedere wederrechtelijke poging, om de staat en diens hoofd te bedriegen, of iedere verdachtmaking tegen Rome, zowel als iedere. eigenmachtige, aan het gerecht vooraf niet meegedeelde en door het gerecht niet toegestane pand verbeuring, waaruit die ook moge bestaan en welke naam die ook moge hebben, wordt direkt gevolgd door de tienjarige verbanning naar Europa, wat dan niet meer af te kopen zal zijn! Het geld moet echter binnen acht en veertig uur hier in de gerechtszaal betaald worden; één uur later wordt het onder de nu mildere voorwaarden niet meer aangenomen, maar dan treedt het eerste oordeel weer in werking.

[5] Nu echter nog iets! Voordat u weer in vrijheid gesteld wordt, moet u de namen en woonplaatsen opgeven van alle partijen, waar u zo schandalig uw panden hebt opgeëist, zodat ik ze hierheen kan laten komen en hen al het geroofde, zoals kinderen, vee, koren en wijn terug kan geven!'

[6] De Farizeeën doen hun best om aan deze opdracht te voldoen en geven precies alle namen en plaatsen op. En de rechter zendt meteen boodschappers naar alle aangegeven plaatsen, en binnen tien uur arriveren reeds alle partijen die in Kis iets te halen hadden.

[7] De twaalf Farizeeën haalden meteen het dekkleed van hun met muildieren bespannen geldwagens af, en iedereen stond stomverbaasd over de ontzaglijke goud en zilvermassa. Zij hadden zoveel zilver en goud bij zich, dat ze hun straf makkelijk nog vijf keer hadden kunnen betalen! Het speet de opperrechter dan ook oprecht, dat hij geen hogere straf gevraagd had.

[8] Maar hem viel een wijze gedachte in, die maakte dat hij de twaalf nogmaals ging.ondervragen en tegen hen zei: 'Luister, u hebt het gevraagde op de juiste wijze betaald en daarvoor een kwitantie gekregen! Maar nu ontdek ik zo'n, massa geld bij u dat het mij. echt onmogelijk toeschijnt dat u op wettige wijze aan deze hoeveelheid goud en zilver gekomen bent - want echt, als de keizer nu met al zijn contante geld hierheen kwam, dan zou het zeer de vraag zijn, of dat meer was dan dat van u! Verklaart u mij maar eens kort en duidelijk, hoe u aan zoveel goud en zilver gekomen bent; want deze zaak komt mij zeer verdacht voor!'

[9] De voornaamste Farizeeër zegt: 'Wat verdacht, wat verdacht?! Dit is het geld, dat alle in dit land aangestelde Farizeeën, priesters en levieten gedurende vijftig jaar voor de tempel gespaard hebben; en omdat de tijd nu verstreken is, moeten wij het aan de tempel afleveren. Ondanks dat is dit trouwens het kleinste bedrag, dat ooit uit Kapérnaum naar de tempel is overgebracht. Het zijn alleen maar offers, legaten en speciale stich­tingsgelden voor de tempel en derhalve volkomen rechtsgeldig verworven en bijeengebrachte gelden.'

[10] De opperrechter zegt: 'Het woord 'rechtsgeldig' zullen we maar weglaten! Ook al is dat zo, dan zijn dat toch afpersingen en gemene door bedrog verkregen erfenissen, en de rechtsgeldigheid heeft dus heel weinig met deze rijkdom te maken!

[11] Maar pas een maand geleden heeft men mij, net als alle hoge gerechtshoven, het volgende meegedeeld: Men. wacht al een half jaar op belastinggelden uit Klein-Azië en een deel van de plaatsen aan de Pontus; deze zijn reeds lang geïnd en verzonden, en bestaan uit goud en zilver en edelstenen en parels, - goud en zilver merendeels in ongemunte toestand. De opgegeven waarde zou zijn, enkel goud twintig duizend pond, zilver zeshonderdduizend pond en ongeveer net zo'n waarde aan edelstenen en parels.

[12] Ik zie nog vijf overdekte wagens; haal het dek eraf, zodat ik ook hun inhoud in ogenschouw kan nemen!'

[13] Zichtbaar verlegen halen ze de dekken van de vijf karren af, en kijk, ze waren vol met allerlei edelstenen, merendeels nog in ruwe ongeslepen toestand, en een kar, met meer dan een ton inhoudsmaat, was gevuld met kleine en grote nog niet doorboorde parels.

[14] Terwijl de opperrechter alles precies bekijkt, zegt hij: 'Ik geloof dat het nu wel duidelijk is, waar de belasting en schatting bleef, die van Pontus en Klein-Azië naar 'Rome is gezonden! Ondanks jullie geslepenheid zal het je erg moeilijk vallen, te bewijzen dat dit jullie rechtmatig bezit is; maar ik durf bij alle goden en hun hemelen te zweren, dat ik hier voor mij de zichtbare, en in Rome reeds lang verwachte, belastinggelden en andere schatten al zo goed als in handen heb. Blijven jullie dus nog maar netjes hier; als het gerechtshof bijeen is, zal ik met een grote ondervraging beginnen!'

[15] Als de Farizeeën deze woorden van de opperrechter horen, worden ze bleek om hun neus, en ze beginnen behoorlijk koorts te krijgen, hetgeen de oplettende opperrechter niet ontgaat; en hij zegt tegen de rechter van Kis: 'Broeder ik geloof, dat we de grote roofvogels al in ons net hebben.'


235 Weerzien met de opperrechter

[I] De rechter uit Kis zegt: 'Vriend, de beroemde Jezus van Nazareth houdt zich hier al een week of drie geregeld op, en zal waarschijnlijk hier nog een paar dagen blijven. Volgens mij is Hij een God die alle nog zo verborgen dingen zonneklaar weet, en Hij heeft ons daarvan al heel duidelijke voorbeelden gegeven; wat denk je er van, als we Hem hierbij eens te hulp riepen? Hij zou ons wel eens goed kunnen helpen, en dat nog te meer, omdat hij absoluut geen vriend is van de zwarte dieven en rovers die de tempel voor haar snode plannen ter beschikking heeft. Want ik heb met mijn eigen oren gehoord hoe hij de priesters en Farizeeën uit Chorazin en Kapérnaum naar de diepste Tartarus verwenst heeft. En daarom ben ik er van overtuigd, dat Hij ons klaarheid zal kunnen verschaffen.'

[2] Heel verbaasd zegt de opperrechter: 'Wat?! Is deze Godmens hier?! Ei, waarom hebben jullie mij dat niet direkt gezegd?! Waarlijk, ik zou hem meteen in mijn plaats hebben laten rechtspreken en daar zou ik me drie kwart van het werk mee bespaard hebben! Breng me toch snel naar hem toe! Want de overste Cornelius heeft mij ook heel dringend opgedragen om intensief navraag te doen naar deze goddelijkste van alle mensen en hem daarover meteen te informeren.

[3] Als de overste de verzekering krijgt dat Jezus hier is, dan is hij binnen de kortste keren hier met zijn hele familie; want hij en zijn gehele huis aanbidden deze Jezus letterlijk, en ik zelf ben het helemaal met hen eens. Ik dank welke echte God dan ook ervoor, dat mij nog eens het niet te schatten geluk te beurt valt, om mijn hemelse vriend Jezus te zien en te spreken! Breng mij toch snel, snel bij Hem! Nu is alles al gewonnen!'

[4] Als de opperrechter naar het grote huis loopt met het brandende verlangen om Mij te zien en te spreken, kom Ik hem tegemoet; en als hij Mij ziet, roept hij blij: 'Daar, daar bent U, goddelijke vriend en broeder, als ik U zo nog noemen mag!

[5] O laat U omarmen en Uw heilige aangezicht met duizend vrienden ­en broederkussen bedekken! O, heilige vriend van mij! Ik ben zo onuitsprekelijk gelukkig, nu ik U eindelijk weer terug heb! Waarlijk, waar ook maar mensen in de grootste nood zitten, daar bent U ook aanwezig om hen te helpen! Ach, ik weet me van vreugde geen raad, dat ik U hier gevonden heb!'

[6] Ik zeg, terwijl Ik hem ook vast aan Mijn hart druk: 'Ik groet jou ook eindeloos! Want je hart heeft door je zware rechtersambt echt geen schipbreuk geleden, en daarom houd Ik nog steeds bijzonder veel van je en zegen Ik al je werk.

[7] Waarlijk, je hebt het aan Mij en Degene, Die in Mij woont te danken, dat je hier die grote belastingdiefstal ontdekt hebt!

[8] Maar laten we nu in huis gaan, waar een rijkelijk avondmaal op ons wacht! Na de maaltijd spreken we er verder over!'

236 Het huwelijk van Faustus en Lydia
[I] De opperrechter en de gewone rechter met Kisjonah, Baram, Jonaël, Jaïruth en Archiël gaan nu met Mij de kamer in en gebruiken ongeveer een half uur na zonsondergang samen met Mij en al de Mijnen een goed klaargemaakt, rijkelijk maal. De nog ongehuwde opperrechter schept een groot behagen in de oudste dochter van Kisjonah en zegt tegen Mij: 'Edele vriend, U weet hoeveel ik ondanks het verschil in godsdienst, respectievelijk leer der goden, van U hield omdat ik in U geen sluwe, eenzijdige Jood, maar een heel open en vrijzinnig en tevens veelzijdig ontwikkeld en in alle wetenschappen zeer ervaren mens gevonden heb.

[2] Daarom vertrouw ik U nu ook toe, dat Kisjonah's dochter mij buitengewoon goed bevalt. Zoals U wel weet ben ik echter een Romein, en zij zal ongetwijfeld een Jodin zijn, die haar mooie hand aan geen heiden, zoals wij door de Joden genoemd worden, geven mag. Raad mij eens, vriend, is daar nog iets aan te doen? Zou het onder geen enkele voorwaarde mogelijk zijn, dat zij mijn vrouw werd? Kom, doe mij eens een middel aan de hand!'

[3] Ik zeg: 'Jij bent een Romein, en zij is een Griekse en geen Joodse, en dus is er van nature niets wat je hindert om haar aan Kisjonah ten huwelijk te vragen, die haar ook zeker aan jou zal geven. Dat ze echter geestelijk, net als het hele huis, volgens Mijn aan jou niet onbekende leer toch Jodin is, dat zal voor jou toch wel geen steen des aanstoots zijn?!'

[4] Dan zegt de opperrechter, die Faustus Caji Filius heet: 'Dat moest er nog bijkomen! Ik ben toch zelf in mijn hart een van de vurigste aanhangers van Uw goddelijke leer! Want ik vind, dat een God die een wereld kon bouwen en daarop allerlei levende wezens en tenslotte zelfs mensen kon scheppen, buitengewoon wijs moet zijn! Als zo'n wijze God de mensen een leer wilde geven, dan moest die leer toch ook zeer wijs zijn. Deze zou dan toch zeker geheel overeenstemmen met de natuur en de onderlinge instandhouding van zeg maar -Zijn mensen.

[5] Nu, Uw leer heeft die geest en dat karakter in zich en is daarom zuiver goddelijk, en ik heb haar daarom als geheel waar voor mijn gehele leven aanvaard en ik verkondig haar aan mijn gehele huis en aan mijn vele ondergeschikte beambten. Als dit dus zo is, dan is alles al helemaal in orde op de instemming van de vader na!'

[6] 'Wel', zeg Ik, 'die heb je al, net als de liefde van de mooie Lydia. Kijk maar eens achter je, dan zie je de in en in gelukkige Kisjonah, die van vreugde niet weet wat hij doen moet omdat zijn huis zo'n eer te beurt valt!'

[7] Faustus kijkt om en Kisjonah zegt: 'Heer en gebieder over ons hele Galiléa en Samaria! Is het mogelijk, dat u mijn Lydia tot vrouw wilt hebben?!'

[8] Faustus zegt: 'O ja, als u haar aan mij wilt geven, uit duizenden is zij voor mij de enige!'

[9] Kisjonah roept Lydia. Zichtbaar verlegen van liefde en grote blijdschap komt zij, en Kisjonah zegt tegen haar: 'Wel, lieve dochter, zou je wel gezegend willen zijn met deze heerlijke man?'

[10] En Lydia zegt, terwijl ze haar ogen neerslaat, na een poosje: 'Waarom vraagt u dat nog aan mij? Toen deze heerlijke Faustus vandaag aankwam en ik hem voor de eerste maal zag, hoorde ik mijn hart zeggen: 'Wat gelukkig moet de vrouw van deze heerlijke man zijn!' En moet ik dan nu, als hij mij begeert, nee tegen hem zeggen?'

[11] Kisjonah zegt: 'Maar wat zal jouw geliefde Jezus daar dan van zeggen?!' Lydia zegt: 'Wij zijn allen van Hem! Hij is de schepper, en wij zijn Zijn schepsels die Hij nu tot echte kinderen opvoedt! Ondanks dat blijft Hij het diepst van mijn hart vervullen!'

[12] Faustus zet grote ogen op en zegt, zeer verbaasd over dit onverwachte getuigenis van Lydia over Mij: 'Wat, wat - wat moet ik nu horen?! Kan het dan zijn dat een hele mooie droom, die ik kortgeleden gedroomd heb, op de een of andere wijze een echte betekenis heeft? De hele hemel zag ik geopend; alles was licht, alle talloze wezens waren licht, en in de diepste diepte der hemelen zag ik blijkbaar U, mijn vriend Jezus, en alle wezens wachtten met een soort ongeduldige vreugde op Uw aanwijzing, om Uw bevelen binnen een ogenblik aan de hele oneindigheid te ver­kondigen!

[13] Toen meende ik in Uw evenbeeld, dat de glans van de zon verre overtrof, Zeus te herkennen, en ik verwonderde mij er erg over, dat U zo buitengewoon veel leek op Zeus. In het geheim hield ik U voor een aardse zoon van de hoofdgod, die ik vereenzelvigde met Jehova van de Joden en met Brahma van de Indiërs. Daarbij hield ik alle andere goden net als U voor Zijn aardse kinderen, die Hij bij tijden bij de aardse dochters verwekte om de mensen met zulke zonen leiders, leraars en stimulators te geven!

[14] Maar nu krijgt die droom opeens een heel ander gezicht; U bent Zelf de levende Zeus, Brahma of Jehova, die in levende lijve bij ons is en ons Zelf Uw goddelijke wijsheid leert, omdat Uw eerdere kinderen deze op aarde slecht onderwezen en niet voldoende in praktijk hebben gebracht!

[15] Als dat vaststaat, krijg ik deze buitengewoon mooie vrouw direkt uit handen van mijn God, mijn schepper, en daarom hoef ik niet meer te vragen of ik met haar gelukkig zal zijn!

[16] Maar nu heeft mijn verlangen dan ook een heel ander gezicht gekregen! -Schoonste Lydia! Kijk nu naar de Heer! Het gaat nu niet meer om ons wederzijds verlangen en begeren, maar alleen om de heilige wil van deze Enige der Enigen, deze Heer van alle heerlijkheid, deze God van alle Goden, uit Wien alle hemelen en zon, maan en deze aarde en wij allen ontstaan zijn!

[17] Waarachtige goddelijke Jezus! Als U het goed vindt, dat Lydia mijn vrouw wordt, dan neem ik haar tot vrouw; maar als U daar ook maar het minste bezwaar tegen hebt, dan behoeft U dat maar te zeggen en mijn leven wijdt zich geheel aan het uitvoeren van Uw wil!'

[18] Ik zeg: 'Edele broeder van Mij! Ik heb jullie al gezegend, en jullie zijn dus al volkomen vereend; maar vergeet niet:

[19] Wat God verbonden heeft, dat behoort geen mens meer te scheiden, en dus blijft een echt huwelijk voor altijd geldig! Een verkeerd werelds huwelijk is echter toch al voor God geen verbond en daarom net zo ontbindbaar als de wereldse mensen en al hun overeenkomsten, die altijd al niets anders zijn dan de grofste hoererij, waardoor de kinderen van de satan in het jammerlijke bestaan gebracht worden. Jullie zijn nu volledig man en vrouw, en vleselijk één voor God, amen!'

[20] Na Mijn woorden omarmen ze elkaar en begroeten elkaar met een kus.

[21] Dat deze snelle huwelijksvoltrekking in heel Kis een groot opzien baarde en dat Kisjonah zich nu beraadde over een rijke huwelijksgift is wel te begrijpen.


237 Vervolg van de rechtszitting

[I] Toen de eerste opwinding over dit voorval wat geluwd was, arriveerde de ons reeds bekende Philopold uit Kana, die meteen naar Mij toekwam en Mij wilde vertellen, hoe hij in Kana alles al helemaal had geregeld.

[2] Maar Ik begroette hem heel vriendelijk en zei tegen hem: 'Ik weet alles al; jij bent Mijn leerling, ga nu naar Mijn andere leerlingen, want die zullen je heel veel te vertellen hebben. Ik heb vannacht nog veel te bemiddelen. Maar morgen al zullen ook wij het nodige met elkander te bespreken krijgen; want jij moet een bekwaam werktuig voor Mij worden.

[3] Philopold gaat nu naar de leerlingen, en bijna op hetzelfde ogenblik melden de opzieners, dat reeds alle uitgenodigden uit Kapérnaum en Chorazin zijn aangekomen, en zij vragen, wat er nu moet gebeuren.

[4] 'Breng ze eerst naar hun kinderen en geef hen te eten en te drinken!', zeg Ik. 'Wij zullen.intussen een buitengewone behandeling van de zaak tegen de twaalf Farizeeën hebben.'

[5] Toen gingen de. opzichters weg en vroeg Faustus Mij, of het niet beter zou zijn, dat Ik de twaalf zou verhoren en dat hij alleen maar voor griffier zou spelen.

[6] Maar Ik zeg: 'Nee, broeder, dat gaat niet; want voor hen geldt alleen maar jouw ambtelijk gezag en daarom draag jij ook de ring van de keizer als teken van jouw macht aan je rechterhand en daarbij nog het zwaard en de staf; je moet ze dus zelf verhoren. Maar Ik zal je wel ingeven, wat je en hoe je ondervragen moet en zij zullen je niet ontsnappen! Laten we daarom maar vlug aan de slag gaan; want de nacht is niet zo jong meer.'

[7] Daarom gingen we nu meteen naar het gerechtshuis, waar de twaalf met hun dertig belangrijkste handlangers wel bewaard door de sterke wacht, met grote vrees en angst op de opperrechter zaten te wachten; want ze hadden nu geen tijd en gelegenheid meer om ergens een dozijn valse getuigen op te snorren, die voor hen gelogen en op de leugens ook nog gezworen zouden hebben; want de tempel beloofde een bijzondere genade aan ieder, die ten gunste van de tempel en al haar dienaars een vals getuigenis aflegde als de omstandigheden dat vereisten! Maar vooraf moest zo iemand natuurlijk wel behoorlijk van informatie voorzien zijn, hetgeen in dit geval absoluut onmogelijk was.

[8] Onder begeleiding van Kisjonah, Baram, Jonaël, Jaïruth en de engel Archiël met de onderrechter en een aantal schrijvers gingen wij nu de gerechtszaal in.

[9] Meteen bij het binnenkomen vraagt de voornaamste Farizeeër heel boos aan Faustus: 'Wat is dat voor een manier, om ons priesters van God, terwijl we ons zonder meer al tot alles wat verlangd werd bereid hebben verklaard, nu nog als gewone boeven gevangen te houden?! Zo waar wij dienaars van God zijn: -als men ons niet direkt de volle vrijheid geeft, dan zal God dat weten te bestraffen!'

[10] Faustus zegt: 'Wees rustig, anders ben ik genoodzaakt jullie tot rust te dwingen; want we hebben nu bijzonder belangrijke zaken met elkaar in het reine te brengen! Luister nu met al uw aandacht naar mij!

[11] Ik heb al eerder tegen u opgemerkt, dat volgens mij uw grote schat uiterst nauwkeurig lijkt op die, waar ik het al eerder met u over had. Op één punt na is me nu alles wel duidelijk over deze aanslag op. de van Pontus en Klein-Azië naar de keizer in Rome verzonden en vermiste belastinggelden en andere schatten; dit ene is het volgende:

[12] De belastinggelden en de andere schatten werden volgens de gegevens door bijna een kwart legioen Romeinse soldaten begeleid; daarom kan het niet zo gemakkelijk geweest zijn om zo'n geweldig escorte te over­weldigen ze in de pan te hakken of minstens op de vlucht te doen slaan.

[13] Dat deze gelden en schatten rechtstreeks door uzelf, door list en geweld of door uw nog sluwere collega’s van de Romeinse leiders gestolen zijn, is me helemaal duidelijk; daar hebben we ook geen bewijs meer voor nodig omdat we daar intussen meer dan honderd getuigen voor hebben; maar zoals gezegd, er ontbreekt alleen nog maar hoe en op welke manier het gebeurd is en tenslotte nog de juiste som, hoe groot die was, zodat ik in staat ben om tesamen met de gelden en andere schatten het juiste bericht aan de keizer in Rome te sturen.

[14] De voornaamste Farizeeër zegt: 'Heer, die laster is te groot om ooit op ons te laten rusten! Al had u duizend valse getuigen tegen ons, dan zal u dat toch weinig helpen; want wij staan te stevig in onze schoenen, en u zult ons toch met al uw macht geen haar kunnen krenken! Bespaar u daarom maar alle verdere moeite, want hierna zult u geen antwoord meer waardig geacht worden, behalve één tot uw verderf!

[15] Als u de Farizeeën tot op heden nog niet gekend hebt, dan zult u ze nu of ten minste binnenkort leren kennen! Want zo'n ontzettende beschuldiging kunnen wij nooit op ons laten rusten. Vanwege de bos­beschadiging waren we toegeeflijk, hoewel we volgens onze wetten niet toe hadden hoeven te geven; maar voor de lieve vrede hebben wij uw hoogst onrechtvaardige oordeel aanvaard. Maar daar komen wij op terug, en als u zo misdadig zou zijn om ook maar iets van het goud, de panden of de schatten aan te raken, dan zult u dat niet alleen honderdvoudig moeten vergoeden, maar dan is het met al uw glorie ook totaal afgelopen! Want op dit ogenblik al zal men in de tempel weten, wat op zo'n allerbrutaalste manier hier met ons gebeurt'.

[16] 'Zo', zegt Faustus, 'dus op deze manier wilt u zich uit de val bevrijden? Al goed, nu weet ik dan ook heel precies, wat ik met u moet doen! Uw verhoor is nu afgelopen; de misdaad is door honderd getuigen vastgesteld, en uw schuld is duidelijk! Meer zeg ik u niet en ik stel een ultimatum - de gerechtsdienaars staan buiten -

[17] Als uw dertig handlangers bekennen, dan behouden ze het leven; als ze echter ook niet willen praten, dan worden ze net als u nog deze nacht onthoofd! Dan zult u wel beseffen hoeveel angst ik voor u heb!'

[18] Na deze koelbloedige krachtige taal van Faustus komen alle dertig handlangers naar voren en roepen: 'Heer, spaar onze levens; wij willen u haarfijn beschrijven, hoe het gegaan is!'

238 Het verhaal van de diefstal
[1] Faustus zegt: 'Nu, spreek dan! Mijn woord van eer, er zal jullie geen haar gekrenkt worden!'

[2] Dan zegt een Farizeeër, verschrikkelijk bevend van doodsangst: 'Heer, schenkt u mij ook het leven, als ik spreek?'

[3] Faustus zegt: 'U ook; want u bent de minste van hen.'

[4] Dan schreeuwen de andere elf Farizeeën: 'Weet je dan met, dat je liever moet sterven - dan voor God een verrader te worden?!'

[5] Maar de ene Farizeeër zegt: 'Dat weet ik, maar van God is hier geen sprake; het gaat hier alleen maar om jullie schandalige bedrog tegen.over de Romeinen. Door een schandelijke list wisten jullie de grote buit zo keurig van de Romeinen te stelen, dat de hele wereld zich daar echt over moet verbazen."

[6] Jij als eerste hoofdboef was gekleed in de kleding van de opperland­voogd, die nu in Sidon, maar ook vaak in Tyrus resideert, je had de grote keizerlijke ring als teken van de macht en je had een gouden zwaard en de heersersstaf van heel Palestina, Coelesyrië, Klein-Azië en de gehele Pontus.

[7] Bovendien zie je er uiterlijk net zo oud uit als de hoogst eerwaardige grijsaard Cyrenius, je nam zijn naam aan en je had je een gevolg en een hofhouding aangeschaft, gelijkend op die van Cyrenius, daarbij zat je op een imposant paard. Toen de leider van het geldtransportje begroette als opperlandvoogd en je op een halve dagreis van Tyrus, denkend dat je de stadhouder was, de getekende bevelrollen gaf en daarbij dan ook de gelden en de schatten, die jouw verklede Romeinse soldaten in ontvangst namen, gaf je hem bevel om zo snel mogelijk naar de Pontus terug te trekken, omdat je met zekerheid vernomen had, dat daar vanwege de belastingafpersingen onlusten uitgebroken waren en dat de bewoners van de Achterpontus zich met sterke Skythenhorden tegen de overheersing van Rome verbonden hadden. Uitstel zou gevaarlijk zijn; daarom was hij als opperlandvoogd, na een korte en duidelijke opdracht van Rome, hem, de dappere overste van de Pontus en Klein-Azië, zo ver tegemoet getrokken, om hem in dit dringende geval de snelle terugweg een beetje te bekorten!

[8] Natuurlijk is de overste van de Pontus en Klein-Azië toen met zijn drieduizend ruiters zo snel mogelijk omgekeerd en in een paar uur was hij al zo ver van ons verwijderd, dat wij onmogelijk meer iets van hem te vrezen hadden. Ons allen was op leven en dood opgedragen te zwijgen en ieder zou tweehonderd pond zilver krijgen, die we echter tot op heden nog niet ontvingen, want dat zou pas in Jeruzalem gebeuren. Het noodlot wilde het echter anders, en van die tweehonderd pond hoeven we niet veel meer te verwachten.

[9] Het geld en de schatten werden toen 's nachts naar Kapérnaum gebracht, waar ze nu al ongeveer twee maanden lagen, en de geheime weg is enkel en alleen aangelegd ten behoeve van de grote schat en leidt volgens mij niet naar Jeruzalem, maar naar een grote verborgen grot in deze bergen, waarin - en niet in de tempel - al heel veel duizenden ponden goud en zilver liggen te wachten.

[10] Slechts wij twaalven waren met dit geheim bekend, en buiten onze dertig handlangers weet geen Farizeeër er iets van af. De helpers weten alleen niet voor welk doel het is. Tegen hen is gezegd, dat alles bewaard wordt voor de toekomstige Messias, die de Joden in deze tijd zal bevrijden van het juk van de Romeinen. Maar ik ken natuurlijk. wel een andere reden, en dat is in de eerste plaats: een uitermate luxueus leven, -en in de tweede plaats een geweldige mogelijkheid tot omkopen, als men in belangrijke gevallen de Romeinen naar zijn pijpen wil laten dansen, of om een functie van overste in de tempel te kopen, wat natuurlijk altijd ontzettend veel geld kost. Nu weet u alles; u kunt ook alle dertig ondervragen, maar zij zullen u hetzelfde zeggen.

[11] Slechts de panden waren voor Jeruzalem bestemd, om de tempel gunstig te stemmen; de gelden en schatten zouden echter naar de andere in het hol zijn gegaan, als ze hier niet zo'n geweldige schipbreuk hadden geleden. Nu weet u precies hoe de zaken staan, en moet u maar doen wat u rechtvaardig vindt; maar wees tegen mij en de dertig verblinden niet te hard en te onverbiddelijk rechtvaardig!'

[12] Faustus zegt: 'Tegen u en de dertig zal ik niet als rechter, maar als beschermer optreden; maar wat met de elf moet gebeuren, daarover zal Cyrenius oordelen! Zeg mij alleen, of er van de gelden en schatten niets is weggenomen, of alles wat uit Klein-Azië gebracht werd hier bij elkaar is, en of u iets weet van de beroemde grot.'

[13] De Farizeeër zegt: 'Het geheel, inclusief de wagens, is nog net zo onbeschadigd en compleet zoals het ontvangen werd. Wat betreft de beroemde grot, weet ik als mede eedgenoot natuurlijk precies wat deze bevat, en zonder een van ons twaalven kan geen mens de toe­ en ingang vinden.'

[14] Nu prijst Faustus de minder rijke Farizeeër, die Pilah heette, en hij zei tegen Kisjonah: 'Wel, vriend, en nu mijn dierbare schoonvader, de grot die naar het schijnt in uw gebergte ligt, zal dat, wat u volgens het eerste oordeel toekomt, geven; maar neem de gelden en de schatten van de keizer vast in bewaring; want bij u zijn die tot het eind van dit buitengewone proces het best bewaard.

[15] Verzorg Pilah op mijn rekening, maar geef de dertig voor deze nacht een goed bewaakt nachtverblijf; zolang de grot niet leeg is, kan ik hen de vrijheid niet geven; maar na de ontruiming kunnen ze gaan waar ze willen, omdat hun bereidwilligheid ons tot grote ontdekkingen heeft geleid.’


239 De tempelschatten

[I] Dan wendt Faustus zich tot de elf en zegt: 'Nu, hoe staat het met het ongeluk, waarmee u mij eerder zo arrogant gedreigd hebt? Wat zegt u hier nu over als gezalfde dienaren van God? Waarlijk, het moet verschrikkelijk bitter zijn voor iemand die een gezalfde van God heet, om als grootste staatsboef te kijk te staan! Maar heb maar geduld, u zult nog wel wat ergers meemaken; dit was maar een simpel voorspel!

[2] Echt, u hebt het maar aan Een hier te danken, dat ik u niet snel laat ontkleden, de vloek van de keizer over u uitspreek en dan overgeef aan de gerechtsdienaars, die staan te popelen om het vonnis uit te voeren! En deze Ene staat naast mij, de goddelijke Jezus uit Nazareth, die u allang hebt vervloekt en die door u nu van de ene plaats naar de andere vervolgd wordt alleen maar omdat Hij zo eerlijk is, om het door u verblinde. volk te laten zien, wie u in werkelijkheid bent.

[3] Onderzoek uw. innerlijk en zeg eens of er behalve uw satan nog iets ergers kan zijn, dan wat u bent!?

[4] U brengt het volk de kennis over een God bij waaraan u zelf nooit hebt geloofd; want als u in een God geloofde, aan Jehova, die Mozes u duidelijk heeft verkondigd, en waarin uw voorouders levendig geloofd en waarop ze gehoopt hebben, dan zou u met de almachtige God niet de honendste spot en de brutaalste schande bedrijven!

[5] U laat zich als zogenaamde gezalfde knechten van de Allerhoogste door het geestelijk doodgeslagen volk goddelijke eer bewijzen, en bo­vendien eist u niet op te brengen offers van het arme volk om daarvoor de poort naar Gods licht­ en levensrijk met ijzeren deuren en sloten te barricaderen.

[6] Vraag u zelf nu eens af, of er ergens nog groter misdadigers tegen God, de keizer en tegen de arme mensheid gevonden zouden kunnen worden, dan u bent!

[7] O dat onbegrijpelijke geduld en die lankmoedigheid van de grote God! Als ik ook maar een sprankje goddelijke macht had over de elementen, dan zouden de hemelen voor mij waarschijnlijk geen vuur genoeg hebben om bij dag en nacht over u uit te storten!

[8] Heer, waarom heeft U ten tijde van Abraham de tien steden met Sodom en Gomorra zo zwaar bestraft, -terwijl hun inwoners, behalve voor wat betreft hun verkeerde vleselijke lusten, toch blijkbaar engelen waren vergeleken bij deze booswichten, waarvan er nu in het hele Jodenland meer zijn dan het totale aantal inwoners van de tien steden!?

[9] U noemt zich Gods kinderen en zegt, dat God uw vader is! Waarlijk voor de God, die zulke kinderen ter wereld brengt, zou ik in der eeuwigheid niets doen; want die noemen ze bij ons Romeinen volgens de mythe Pluto, - en Satan of Beëlzebub, dat is uw vader!

[10] U bent het levende slechte zaad, dat uw vader altijd tussen het koren zaait, opdat daardoor het goddelijke zaad verstikt wordt, en u noemt zich gezalfde dienaren van God?! Ja, dienaren van de satan bent u; die heeft u gezalfd ten verderve van al het goddelijke op aarde!

[11] Als u maar een klein beetje minder duivels was dan u bent, dan zou ik terwille van die Ene, Die hier is, een zo draaglijk mogelijk oordeel over u geveld hebben. Maar omdat u zo meer dan duivels slecht bent, zal ik mijn naam niet aan u vuil maken, maar zal ik u aan de 'judicio criminis atri' (rechtspraak over zware misdaden) overleveren in Sidon; want daar wast iedere 'judex honoris' (rechter over zaken van eer) zich zeven maal de handen. ,

[12] Na het horen van deze woorden van Faustus verliezen ze de moed en smeken om genade en beloven een algehele ommekeer en verbetering en ze willen iedere schade, die ze iemand berokkend hadden, honderd­voudig vergoeden. .

[13] 'Waarmee dan?', zegt Faustus, 'de rijke grot is nu in onze handen; waar wilt u dan nog goud en schatten vandaan halen? Heeft u dan nog meer grotten, die uitpuilen van het goud, het zilver en de parels?'

[14] Dan zeggen de elf: 'Heer, wij hebben er nog één achter Chorazin, waarin oude schatten bewaard worden, die ten tijde van de Babylonische ballingschap uit de tempel en uit andere godshuizen daarheen gebracht zijn. Tot in onze tijd wist niemand iets daarvan; maar wij jaagden ongeveer zeven jaar geleden op korhoenders en wij zochten bijen en honing in het bos. Toen vonden wij na ongeveer dertig veldwegen gaans, al bijna helemaal op het Griekse gebiedsdeel, waar zich een middelmatig gebergte verheft, een plaats waar de honing en de was letterlijk over een vier mans hoge en loodrecht steile wand naar beneden liep. Bovenaan de wand was een opening te zien zo groot, dat een knaap van ongeveer twaalf jaar daarin rechtop zou kunnen staan.

[15] Boven deze opening verhief zich nog een steile wand, die zeker zeventig manslengten hoog was, zodat het zonder ladder onmogelijk geweest zou zijn de opening te bereiken, die zeker veel honing en was bevatte en waar we voortdurend een grote massa bijen zagen in­ en uitvliegen. Gauw werd een ladder en een behoorlijke hoeveelheid stro en allerlei gras bijeengebracht voor het uitroken van de bijen, en de operatie werd, een paar bijensteken niet meegerekend, succesvol uitgevoerd. Wij wonnen daar een paar honderd pond zuivere honing en net zoveel was; want er waren al veel raten van ongeveer duizend cellen aan beide zijden leeg.

[16] Maar toen wij de grondwas verzamelden, stootten wij al gauw op tempelgereedschap, en toen wij het metaal beter onderzochten, bleek maar al te gauw, dat het puur goud en zilver was. Wij drongen dieper en dieper door in de zich steeds verder uitstrekkende grot en vonden in haar dieptes steeds meer bewaarde schatten van onschatbare waarde. Wij lieten al de gevonden schatten ongeschonden in het hol; alleen versperden wij de buitenste opening met stenen en mos en lieten deze door beëdigde bewakers vanaf het uur van ontdekking tot op het huidige ogenblik bewaken. En zie, al deze schatten leveren wij aan u uit als u ons genadig bent en ons in de naam van de keizer de verschrikkelijke door u uitgesproken straf kwijtscheldt!'

[17 Faustus zegt: 'Ik wil er over beraadslagen! Maar geef me nu nog precies op, hoe dat zit met de grot in het gebergte van Kisjonah! Heeft u die ook tijdens een jacht op honing al vol ontdekt, of heeft u deze gevuld; en als dat laatste het geval is -waar zijn dan die schatten vandaan gekomen, en sinds wanneer is die grot al gevuld?'

[18] Dan zeggen de elf: 'Wij hebben wat daar ligt gedurende vijftien jaar door toegestane handel verworven; maar volgens een van onze nieuwere tempelvoorschriften mogen wij slechts een bepaalde som voor ons noodzakelijke levensonderhoud hebben, en moeten wij alles wat er meer !S aan de tempel afgeven. Als er bij iemand van ons, die in het land verspreid wonen, bij de jaarlijkse zeer strenge controle door de tempel een beduidend overschot wordt gevonden, bestraft men de betreffende persoon genadeloos als bedrieger van God. Om ons derhalve aan de straf te onttrekken en dan toch voor speciale gevallen iets te hebben, hebben wij de verborgen grot in het gebergte van Kisjonah uitgekozen en daarin hebben wij onze aanzienlijke overschotten opgeslagen. Dat is het hele geheim van de genoemde grot.

[19] Faustus vraagt nog:' Loopt de door u aangelegde weg helemaal tot aan de grot?'

[20] 'Nee, heer', zeggen de elf, 'slechts tot het zeer dichte struikgewas, waardoor men over een alleen aan ons bekend pad bij de voor niemand anders zichtbare grot kan komen.'

[21] Faustus zegt: 'Goed, dan bent u morgen onze gids! Maar voor vandaag, respectievelijk voor deze nacht is de onderhandeling gesloten; want voor dit moment weten we allen genoeg!'

[22] De elf werpen zich voor Faustus op de knieën en smeken om genade. Maar Faustus zegt: 'Dat hangt nu niet meer van mij, maar van een heel andere Iemand af; als Hij het u vergeeft, dan is het door mij ook vergeven, amen!' -Daarmee verlaten wij de rechtszaal en gaan ons lichaam de nodige rust geven.

[23] In de hal van het woonhuis wacht Lydia op Mij en Faustus, haar echtgenoot, en begroet ons en vindt het jammer, dat het ons wel een paar uren harde strijd gekost heeft.

[24] Faustus begroet zijn jonge gemalin eveneens en zegt tegen haar: 'Ja, geliefde Lydia, het was echt een harde strijd, maar met de goddelijke hulp van de eveneens goddelijke vriend Jezus, aan Wien alleen alle eer en alle lof toekomt, is de gehoopte ontknoping helemaal gekomen. Maar laten we dat nu laten rusten; morgen zal er nog veel gedaan moeten worden.'

[25] Uitgezonderd de nodige wachtposten ging iedereen nu slapen.




240 De afrekening

[I] De volgende dag, een sabbat, vroeg Faustus, hoewel hij een Romein was, aan Mij of de joodse sabbat hier gevierd moest worden of niet, en wat er met de elf Farizeeën moest gebeuren.

[2] Ik zei: 'Beste vriend en broeder! ledere dag die met goede daden gevuld wordt is een echte sabbat, en op iedere dag waarop men iets gedaan heeft wat beslist goed is, heeft men alleen al daardoor een echte sabbat gevierd. Daarom moet je op deze sabbat zoveel goeds doen als je maar kunt en wilt, en het zal je zeker niet als zonde aangerekend worden, behalve door de slechte wereldse dwazen, die zelfs de wind vervloeken als hij op sabbat waait, en dat ook doen met de regen en de. scharen door de lucht vliegende vogels. Zulke dwazen moeten ons nooit dienen als een te volgen voorbeeld, maar alleen als een bovenal afschuwwekkend voorbeeld. want zij vervloeken het goede en willen dat hun slechte daden door de hele wereld hoog geroemd worden! Nu weet je wat je op iedere sabbat moet doen!

[3] Wat de elf betreft, laat hen ook vrij nadat je al hun schatten bemachtigd hebt! Stuur de keizer dat wat van hem is, en geef hem maar een zelfbedachte reden op voor de vertraging; maar geef de tempel ook haar deel uit de grot bij Chorazin, vertel de opperpriester, daarbij, hoe de schatten door de elf Farizeeën al een aantal jaren geleden zijn ontdekt, maar de tempel zijn onthouden aan wie ze eigenlijk behoren, en dan zal de tempel deze zaak met de elf wel heel passend behandelen.

[4] Wat betreft de schatten in het gebergte van Kisjonah, laat een derde aan hem toekomen, en aan jou een derde in naam van de keizer, en verdeel een derde onder alle armen, die voor hun kinderen en hun geroofde spullen hierheen zijn gekomen, en dan is de hele rechtszaak daarna voor alle tijden der tijden beëindigd. Gebruik de dag van vandaag!

[5] Baram en Kisjonah hebben goede schepen, en bij gunstige wind zullen jullie in een paar uur klaar zijn met de ontruiming bij Chorazin; een deel van de mannen moet zich echter bezig houden met de ontruiming van de Kisjonah-grot, en als jullie een beetje opschieten, kunnen jullie de schatten uit beide grotten vóór de avond hier hebben en ze morgen naar de plaatsen van bestemming afzenden!

[6] Ik zou de schatten wel allemaal in een oogwenk door Archiël hier kunnen laten brengen, maar er is hier nu te veel volk, en zo'n wonder zou te veelopzien baren; daarom doe ik dat niet. Maar Ik zal jullie toch in het geheim zo helpen, dat je dit werk -waarvoor je normaal gesproken zeker drie dagen nodig zou hebben - in één dag, dus vandaag, helemaal klaar krijgt. Treuzel nu echter niet, maar ga naar links en rechts!

[7] Neem echter overal slechts één Farizeeër mee; de anderen moeten intussen hier opgesloten blijven!

[8] Pilah moet hier blijven; want hij is al te goed voor dat soort zaken, waarmee kinderen van God zich zo weinig mogelijk moeten bezig houden. Ook behoef jij niet persoonlijk naar de twee aangeduide plaatsen mee te gaan, maar een commissaris is voldoende, als je hem de nodige volmacht geeft. Wij zullen ons intussen bezig houden met de verdeling van de panden en het teruggeven van de kinderen aan de betreffende ouders.'

[9] Wie anders dan Faustus is het meest tevreden over deze regeling!? Want hij heeft er op drie manieren voordeel aan: ten eerste blijft hij bij Mij, ten tweede bij zijn jonge echtgenote die hij nu buitengewoon liefheeft, en ten derde heeft hij nu tijd om aan de keizer een instructief schrijven en een geleide­ en bestemmingsbrief op goed perkament op te stellen en al de gelden en schatten reeds de volgende dag naar de plaats van bestemming te versturen.

[10] Als de beide commissarissen vertrekken om de bewuste schatten op te halen, beginnen wij meteen met de verdeling van de panden en de kinderen, die 's nacht al merendeels hun ouders gevonden hebben; maar er waren er toch een aantal, waarvan de ouders ziek thuis lagen van hartzeer en verdriet en daarom niet naar Kis konden komen om daar hun kinderen en andere zaken af te halen.

[11] Die ouders gaven dan hun buren opdracht om hun kinderen en hun eigendommen, als die na de bekendmaking nog aanwezig waren, in ontvangst te nemen; en zo werd daar bij de verdeling ook rekening mee gehouden, en iedereen kreeg exact wat hem toekwam. En iedereen kreeg van Kisjonah, uit het derde deel van de schat uit de grot, op grond van de nog komende afrekening zoals Ik die bepaald had, een som van honderd pond. Na dit werk en deze schenking mochten alle deelhebbenden, waar er natuurlijk een paar honderd van waren, weer uit Kis naar huis gaan nadat hen eerst nog door Faustus een goede les en vermaning werd gegeven.

[12] Kisjonah liet alle vrachtschepen klaarmaken, en de hele grote karavaan, die thuis hoorde in Chorazin, Kapérnaum en Nazareth, werd op die manier weer naar huis gebracht, en de verdeling en het naar huis sturen duurde nauwelijks iets meer dan zeven en een half uur.


241 Een woord voor onze tijd

[1] Ik, dezelfde Christus die voor tweeduizend jaar als God en mens op deze aarde leerde en werkte, geef in deze tijd dit gebeurde van lang geleden door een daarvoor uitgekozen knecht opnieuw aan de mensen. Nu zou iemand wel eens kunnen vragen:

[2] Hoe zit dat nu? Deze kinderen zouden, als ze hier niet opgevangen waren, als pand van de Farizeeën in hoogstens tien tot twaalf dagen, voor een deel in Sidon, Tyrus, Césaréa, Antiochië en zelfs in Alexandria door de vaste slavenhandelaars verkocht zijn. Misschien meer dan de helft daarvan waren toch wel kinderen met een goede opvoeding, en er staat nergens aangegeven, dat Ik hen als grote kindervriend bezocht of zelfs maar een woordje met hen sprak. In andere gevallen daarentegen liet Ik de kleinen toch meteen naar Mij toe komen om ze aan Mijn hart te drukken en te zegenen!

[3] Op die vraag geef Ik het volgende antwoord: In de eerste plaats waren deze kinderen natuurlijk al merendeels ouder dan negen jaar, en daarbij waren ook meisjes van veertien tot zestien jaar en ook jongemannen, en je kon dus niet, zonder een zekere aanstoot te geven, het vertrek van zulke jonge, halfnaakte mensen binnenkomen. Ten tweede waren het echt niet zulke heel onschuldige kinderen meer, zoals Ik ze nog hier of daar wel eens aantrof; maar voor het merendeel waren ze lichamelijk en moreel grondig bedorven. De pederastie en het verkrachten had nergens zo'n schandalige vorm aangenomen als in de grensgebieden tussen de Joden en Grieken. En daarom was voor de verdorven kinderen deze door Mij toegelaten les niet helemaal voor niets; want in de eerste plaats moest het hen voorkomen als een behoorlijke straf voor de verdorvenheid en ten tweede werden zij daardoor gewaarschuwd tegen het verdere dienstbaar zijn aan de zinnelijkheid van geile Grieken. Faustus prentte dan ook in zijn vermanende toespraak heel indringend ouders en kinderen in om met alle ernst een godvrezend leven te gaan leiden, als ze niet bij een volgende zonde heel gevoelig door God gestraft wilden worden.

[4] Dat wetende, begrijpt men hopelijk dat Ik, hoewel Ik vervuld ben van de totale goddelijke liefde voor ieder mens, vanwege diezelfde goddelijke heiligheid niet persoonlijk het zondige, zeer verontreinigde vlees, in verband met haar staat, kan en mag benaderen, en in al zulke gevallen treedt dan het 'raak Mij niet aan' op.

[5] Want er is een groot verschil tussen een rein en een heel onrein kind. Het eerste kan direkt door Mij geleid worden, maar het tweede kan slechts indirect op naar behoefte nodige doornige wegen geleid worden, zoals in dit waar beschreven geval duidelijk zichtbaar is.

[6] Men moet daarom ook niet zo voorbarig zijn om te vragen, waarom niet zelden, kinderen die beslist niets misdreven hebben of althans niet toerekeningsvatbaar zijn, door Mij lichamelijk harder aangepakt worden dan oude zondaars, die hun zonden net zo moeilijk zouden kunnen tellen als het zand van de zee.

[7] Want daarop zeg Ik: Wie een boom op een bepaalde manier wil buigen, moet zolang de boom nog jong en meegaand is deze in de gewenste richting buigen. Als de boom eenmaal oud is geworden, dan moeten er al buitengewone middelen aan te pas komen om hem met de grootst mogelijke moeite een andere richting te geven; een heeloude boom kun je geen andere richting meer geven -behalve de laatste, door hem om te hakken.

[8] En dat is dan ook de reden, dat Ik, zegt de Heer, 'de kinderen en zelfs de kleine kinderen vaak harder bewerk dan een oudere; want de slechte geesten zijn nergens zo ijverig als juist bij de kinderen en zij zijn zeer dienstvaardig om bij het vormen van het zielelichaam zodanig te helpen, dat het lichaam ook voor hen een groot aantal vrijere en aangenamere woningen zal bevatten!'

[9] Wat doet de Heer dan, aan Wie van alles wat gebeurt niets onbekend blijven kan?

[10] Wel, Hij zendt Zijn engel, laat het gemene en sluwe werk van de slechte helpers afbreken en als vreemde stukken door allerlei schijnbaar lichamelijke ziektes uit het lichaam verwijderen.

[11] Let maar eens op de verschillende ziektes van de kleine en grotere kinderen, en Ik zeg u, dat zijn niets dan verwijderingen van het vreemde kwade materiaal waarmee slechte en onzuivere geesten voor zich zelf vrije behuizingen hebben willen vestigen in dat bepaalde lichaam.

[12] Als aan dit kwaad bij de kinderen niet steeds zeer krachtig een eind gemaakt werd, dan zouden er zoveel bezetenen, doofstommen, cretins en alle soorten kreupelen zijn, dat er op de hele aarde niet makkelijk ergens een gezond mens aangetroffen werd.

[13] Natuurlijk vraagt men dan weer: Maar hoe kan de zeer wijze God zoiets van den beginne toestaan, dat er zich slechte en onreine geesten in het jonge zielelichaam kunnen binnensmokkelen?!

[14] En dan antwoord Ik: 'Dat is een vraag van de blinde mens die niet weet, dat de gehele aarde, ja de gehele schepping, voor wat betreft haar van buitenaf gezien stoffelijke lichaam in al haar zogenaamde elementen zo te zeggen een samenraapsel is van geesten, die voor een bepaalde tijd geoordeeld zijn of vastgehouden worden.

242 Ons dagelijkse voedsel
[I] Iedere keer dat de ziel voor haar lichaam stoffelijk voedsel vraagt en dat krijgt, komen er met het voedsel ook altijd een legioen vrij geworden, nog slechte en onreine geesten in haar lichaam, die haar dan moeten helpen bij de verdere uitbouw daarvan.

[2] Deze geesten houden zich aan elkaar vast en vormen weldra een bepaald soort geheel eigen intelligente zielen. Als zij zich tot op deze hoogte ontwikkeld hebben, verlaten zij weldra de eigenlijke ziel als bezitster van het lichaam en beginnen voorzieningen in het lichaam aan te brengen die ze voor hun eigen doeleinden denken nodig te hebben.

[3] De maar al te vaak bij jonge kinderen voorkomende hongerige en vraatzuchtige zielen maken dat deze geesten al spoedig een tamelijk hoge graad bereiken van wat zij welzijn noemen, en dan kan en moet er ook het een of andere verschijnsel bij de kinderen optreden.

[4] Als men het kind niet volledig bezeten wil laten worden moet dit lichaamsvreemde door wat voor geschikte ziekte dan ook verwijderd worden. Om een zwakker kinderzieltje niet te zeer te kwellen, kan men ook de ziel tot aan een bepaald tijdstip behoeftig in het voor de helft vreemde lichaam door laten leven. Waarna men haar dan door lessen van de uiterlijke en innerlijke geestenwereld samen tot zoveel inzicht kan brengen, dat zij ten slotte zelf haar parasieten door vasten en allerlei andere ontzeggingen begint uit te drijven. Ook kan men haar, als de parasieten te hardnekkig zijn, het gehele lichaam ontnemen en dan zo'n ziel in een andere wereld voor het eeuwige leven opvoeden.

[5] Ook de voor de ouders vaak bittere vroege lichamelijke dood van hun kinderen vindt hierin zijn oorzaak; daarom moeten vooral naar aardse maatstaven rijke ouders er goed op letten, dat hun kinderen doelmatig voedsel gebruiken.

[6] Als een moeder de door Mozes als onrein aangegeven spijzen eet, dan moet ze het kind niet zogen, maar het door een ander laten zogen die reine spijzen gebruikt, anders zal ze met het kind veel zorgen krijgen.

[7] Daarom hebben de Joden reeds vanaf Abraham, voornamelijk van Mozes, wettelijk voorgeschreven gekregen wat de reine dieren en de reine vruchten zijn, en allen, die zulke wetten nauwkeurig volgden, hadden nooit zieke kinderen en bereikten zelfs een hoge ouderdom en stierven gewoonlijk aan ouderdomszwakte.

[8] Maar in deze tijd, waar men zelfs naar de vreemdsoortigste lekkernijen op zoek gaat en er helemaal niet meer aan denkt, of iets rem of onrein is en men in menig land domweg alles naar binnen werkt wat maar eetbaar lijkt, is het toch wel een wonder dat de blinde mensen lichamelijk nog niet die dierlijke vorm aangenomen hebben, die hun ziel al helemaal heeft.

[9] Als kinderen al in hun prille jeugd behept zijn met allerlei kwaaltjes, dan ligt de voornaamste oorzaak in de ongeschikte voeding, waardoor een te grote hoeveelheid slechte en onreine geesten in het lichaam gebracht wordt, die vaak ten behoeve van het heil van de ziel, tesamen met een algehele verwijdering van het jonge lichaam, van haar weggenomen moeten worden. Voor deze vroege lichamelijke dood van hun kinderen is de schuld dan alleen maar te zoeken bij de maar al te vaak onvergeeflijke blindheid der ouders, omdat zulke ouders alles eerder opvolgen dan de raad van God in het heilige boek !

[10] Kijk, Ik laat door Mijn engelen elk jaar alle vruchtbomen waar de mensen de vruchten van eten, zeer zorgvuldig onderzoeken, zodat geen appel, geen peer en geen wat voor naam hebbende vrucht dan ook die tijdens de bloei gevormd wordt, rijp wordt, als zich daarin de een of ander voor de ontwikkelingsfase van de vrucht nog te onreine geest binnengesmokkeld heeft; iedere vrucht, die daaraan lijdt, wordt geheel onrijp van boom of struik verwijderd.

[11] Dezelfde voorzorgsmaatregel wordt getroffen bij alle voor de men­selijke consumptie bestemde graansoorten en planten.

[12] Maar de blinde mens beseft dit niet alleen niet, maar vreet nog bovendien als een poliep alles wat hem maar enigszins lekker voorkomt; is het dan een wonder, dat hij ziek, traag, vermoeid, gebrekkig en dus steeds ongelukkiger wordt!?

[13] Zo zijn ook alle soorten van de zogenaamde aardappels vooral voor kinderen en zogende vrouwen evenals voor zwangere vrouwen erg slecht, en de koffie is nog slechter! Maar wat blind is ziet niets en het geniet heel gulzig van beiden vanwege de aangename smaak; maar de kinderen worden daardoor lichamelijk ongelukkig, en tenslotte hermafrodiet. Dat stoort de blinde echter niet; hij eet toch ook veel zwaardere vergiften, -waarom zou hij deze twee lichtere gifsoorten dan niet eten?!

[14] Maar Ik zal voor de mens nog één keer de voor hem geschikte spijzen vaststellen; als hij zich daaraan zal houden, dan zal hij gezond worden, zijn en blijven; richt hij zich echter niet daarnaar, dan moet hij maar als boosaardig wild in de woestijn te gronde gaan.



[15] Maar nu eindig Ik deze noodzakelijke verklaring, en dus weer terug naar de hoofdzaak!'

einde Deel 1
1   ...   35   36   37   38   39   40   41   42   43

  • 232 Voorbereiding voor de rechtszaak
  • 233 Romeinse rechtspraak
  • 235 Weerzien met de opperrechter
  • 237 Vervolg van de rechtszitting
  • 239 De tempelschatten
  • 240 De afrekening
  • 241 Een woord voor onze tijd

  • Dovnload 2.49 Mb.