Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Uitgeverij de ster, ginnekenweg 124, 4818 jk breda

Dovnload 2.49 Mb.

Uitgeverij de ster, ginnekenweg 124, 4818 jk breda



Pagina7/43
Datum05.12.2018
Grootte2.49 Mb.

Dovnload 2.49 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   ...   43
29 Genezing van de vrouw aan de Jacobsbron


(En tegelijkertijd kwamen Zijn leerlingen, en zij verwonderden zich, dat Hij met de vrouw sprak. Toch zei niemand: 'Wat vraagt U, of waarover praat U met haar?'

Joh. 4:27)
[1] Toen Ik dit zei, schrok de vrouw erg, temeer omdat net op dit ogenblik de eten brengende leerlingen uit de stad terugkwamen en heel verwonderd keken, toen ze Mij in gesprek met deze vrouw aantroffen. Ze durfden echter noch aan Mij, noch aan de vrouw te vragen, wat wij gedaan hadden of waarover wij met elkaar gesproken hadden. De andere tochtgenoten inclusief Mijn moeder, die ook nog hier was, sliepen nog dermate vast dat ze nauwelijks wakker te krijgen waren, want de lange tocht had hen allemaal erg vermoeid. Tenslotte kwam ook de leerling, die naar een kruik om water mee te putten gezocht had, met lege handen uit het dorpje terug: Hij verontschuldigde zich en zei: 'Heer, het dorpje telt toch zeker twintig hulzen, maar U kunt het geloven of niet, voor U is er niemand thuis en alle deuren zijn afgesloten!

[2] Waarop Ik hem antwoord: 'Maak je daarover maar niet druk! Want geloof Me, datzelfde zal ons lichamelijk en vooral geestelijk nog heel vaak overkomen, als wij door de dorst van onze liefde gedreven aan de deuren van de mensen zullen kloppen om een kruik te zoeken voor het scheppen van het levende water; maar wij zullen de harten afgesloten en leeg vinden! Begrijp je deze beeldspraak?'

[3] De leerling zegt zeer ontroerd en pijnlijk getroffen: 'Heer, goede Meester, jammer genoeg heb ik U goed begrepen! Maar als het zo zal zijn, dan zullen wij geen grote vorderingen maken!'

[4] Ik zeg: 'Toch wel, Mijn broeder! Kijk eens naar deze vrouw! -Ik zeg Je: één verlorene te vinden is meer waard dan negen en negentig rechtvaardigen, die volgens hun geweten geen boete behoeven te doen, omdat ze menen dat ze op iedere sabbat God dienen op Garizim. Maar hier halen ze zelfs op de dag vóór de sabbat al alles waarmee water geput kan worden weg, opdat niemand op de sabbat een slok water uit deze bron zou halen om zijn dorst te lessen, waardoor naar de mening van deze rechtvaardigen de sabbat ontheiligd zou worden. O, wat een grote, ontzettend kortzichtige dwaasheid van dit soort rechtvaardigen! Hier staat echter een zondares met een goede kruik en zij zorgt voor ons. Dan vraag Ik je: wie is er beter: deze of die negen en negentig beoefenaars van de sabbatsheiliging op Garizim?!'

[5] De vrouw zegt echter vol wroeging: 'Heer! Zoon van de Eeuwige! Hier is mijn kruik, bedient u zich daarmee; ik laat hem hier voor u achter! Laat, mij,echter snel, naar de stad gaan, want ik sta in te onwaardige kleding hier voor u! - Ik antwoord: 'Vrouw wees gezond en doe wat je denkt te moeten doen!'
(Toen liet de vrouw de kruik staan en liep snel naar de stad en zegt tegen de mensen: ' Joh, 4:28)
[6] Met vreugdetranen in de ogen laat de vrouw de kruik achter en gaat van de bron snel naar de stad, ze kijkt onder het gaan nog vele malen groetend naar, Mij om, want ze heeft Mij zeer lief. De vrouw komt bijna bulten adem in de stad en ontmoet daar een groep mannen, die, zoals op de sabbat gebruikelijk, in een schaduwrijke straat voor hun genoegen heen en weer wandelen. De mannen, die de vrouw wel kenden, vroegen haar schertsend: 'Nou nou, waarom zo'n haast? Waar is de brand?' De vrouw kijkt hen welwillend ernstig aan en zegt: 'U moet niet schertsen, beste heren, want onze tijd is ernstiger dan u kunt vermoeden!'
(Komt en ziet een mens, die mij alles heeft gezegd wat ik ooit gedaan heb, Is Deze niet de Christus?' Joh, 4:29)
[7] Op dit moment vallen de mannen haar in de rede en vragen vol ongeruste nieuwsgierigheid: Nou, nou, wat is er dan, trekken vijanden ons land binnen of is er een sprinkhanenzwerm op komst?'

[8] Helemaal uitgeput zegt de vrouw: 'Niets van dat alles! Het gaat om iets veel groters en buitengewoners! Luister rustig naar mij!

[9] Al een uur geleden ging ik naar buiten naar de Jacobsbron om voor deze middag water te halen, en zie, daar vond ik een mens, van wie ik eerst echt dacht dat het een Jood was, zittend op de borstwering van de bron! Toen Ik haast zonder op hem te letten mijn water uit de bron geput had, sprak de mens mij aan en wilde dat ik hem uit mijn kruik zou laten drinken. Ik stond hem dat niet toe, omdat ik dacht dat hij een Jood was.

[10] Hij ging echter door met praten, net zo wijs als eens Elia, en vertelde mij alles wat ik ooit gedaan had. Aan het eind begon hij zelf over de Messias en toen ik hem nog vroeg, waar, hoe en wanneer de Messias zal komen, keek hij mij liefdevol en ernstig aan en zei met een stem die mij door merg en been ging: 'Ik ben het, Die nu met je praat!' ,

[11] Ik had Hem al eerder gevraagd, omdat Hij zei hoe ziek ik was, of ik niet weer gezond kon worden. En toen aan het eind zei Hij tegen mij: 'Wordt gezond', en zie, mijn kwaal verliet mij als een wind en nu ben ik helemaal gezond!

[12], Ga toch naar buiten de stad en zie voor uzelf of dat niet werkelijk Christus, de beloofde Messias, is. Naar mijn mening is Hij het zeker, want grotere wonderen dan deze mens doet, zal Christus, als Déze het niet zou zijn, nooit kunnen doen! Ga dus naar buiten en overtuig uzelf! Ik ga nu vlug naar huis om betere kleren aan te trekken want zo kan ik niet in Zijn hoge bijzijn gekleed gaan! Als Hij de Christus niet zou zijn, dan is Hij toch zeker méér dan een profeet of een koning van het volk.'



[13) De mannen voelen de ernst van de situatie en zeggen: 'Ja als dat zo is, dan is deze tijd werkelijk zeer ernstig en zeer belangrijk! Dan moeten we echter wel met meer mensen gaan en er moeten er ook een paar bij zijn, die de Schrift goed kennen; het is wel jammer dat al onze rabbijnen zich op de berg ophouden! Maar misschien kunnen we Hem overhalen een paar dagen in ons midden te blijven en dan kunnen zij Hem ook toetsen!'
(Toen gingen zij de stad uit en kwamen naar Hem toe, Joh, 4:30)
[14] Daarop nodigen ze nog meer mensen uit om met hen naar buiten te gaan naar de Jacobsbron, en zo gaat er een optocht van bijna honderd mensen, zowel mannen als vrouwen naar buiten om de Messias te zien.

30 De heiliging van de sabbat
(Intussen vermaanden de leerlingen Hem en zeiden: 'Meester eet nu toch!' Joh.4:31)
[1] Terwijl de grote schare uit de stad zich in de richting van de bron bewoog, vermaanden Mijn leerlingen Mij om nu eerst eens te eten! Want ze hadden gemerkt dat Ik niets at zodra ergens mensen tot Mij kwamen. Zij hadden Mij echter lief en waren bang dat Ik zwak en ziek zou kunnen worden. Want, hoewel ze wel wisten dat Ik de Christus ben, hielden ze Mijn lichaam toch voor zwak en gebrekkig en vermaanden Mij daarom dat Ik eten moest!
(Maar Hij zegt tot hen: 'Ik eet voedsel, dat jullie niet kennen.' Joh. 4:32)
[2] Ik zie hen echter liefdevol en ernstig aan en zeg: 'Mijn beste vrienden. Ik eet nu voedsel. dat jullie niet kennen!.
(Toen zeiden de leerlingen onder elkaar: 'Heeft iemand Hem dan al iets te eten gebracht?' Joh. 4:33)
[3] Toen keken de leerlingen elkaar aan, hielden ruggespraak en zeiden: 'Heeft iemand Hem dan al ergens vandaan iets te eten gebracht? Wat kan Hij gegeten hebben? Heeft Hij het dan al opgegeten? Er is niets te zien - behalve de kruik vol met water. Heeft Hij misschien het water in wijn veranderd?
(Jezus zegt tot hen: 'Mijn voedsel is, dat Ik de wil doe van Hem, die Mij heeft gezonden, en Zijn werk volbreng.' Joh. 4:34)
[4] Ik zeg tegen hen: 'O maak toch niet zulke dwaze veronderstellingen over wat Ik wel of niet gegeten heb! Je hebt toch meermalen gezien. dat Ik Mij bij jullie nooit iets extra 's heb laten geven. Ik heb het tegen jullie niet over lichamelijk voedsel, maar over veel hoger en waardiger geestelijk voedsel, en dat bestaat daaruit, dat Ik de wil van Diegene doe. Die Mij gezonden heeft, en dat Ik Zijn grote werk afmaak! Degene, Die Mij daarvoor gezonden heeft is de Vader, waarvan jullie zeggen, dat Hij je God is, hoewel je Hem nog nooit herkend hebt. Ik ken Hem echter en daarom doe Ik, wat Hij gezegd heeft en dat is Mijn echte voedsel. dat jullie niet kennen. Ik zeg het je: Niet alleen het brood, maar iedere goede daad of ieder goed werk, is ook voedsel, wel niet voor het lichaam, maar des te meer voor de geest!.
(Zeggen jullie zelf niet: 'Nog vier maanden, dan komt de oogst?' Zie Ik zeg jullie: 'Slaat de ogen op en aanschouwt het veld; het is nu reeds wit om te oogsten!'

Joh. 4:35)
[5] 'Velen van jullie hebben akkers thuis, en zelf zeg je: 'Nog vier maanden en de oogsttijd begint en wij zullen naar huis moeten gaan en oogsten!. Ik zeg je echter: Doe je ogen beter open! Nu al zijn alle velden wit om te oogsten. Maar Ik bedoel niet deze natuurlijke velden, maar het grote veld, dat bestaat uit de gehele wereld, waarop de mensen als gerijpte tarwe staan, dat voor de schuren van God geoogst moet worden!.
(De maaier ontvangt het loon en verzamelt de vrucht voor het eeuwige leven, opdat een gemeenschappelijke vreugde zal ten deel zal vallen aan degene die zaait en degene die maait! Joh.4:36)
[6] En zie, dit oogsten is het ware werk en dit werk is het echte voedsel, dat wij allen volop te eten zullen krijgen. Wie op dit veld een goede maaier is, die verzamelt de ware vrucht voor het eeuwige leven, opdat aan het einde van de oogst, zowel degene, die gezaaid heeft, als hij, die gemaaid heeft, daaraan tesamen vreugde zullen hebben.
(Want hier geldt de spreuk: Deze zaait, en een ander maait. (Joh. 4:37)
[7] 'Want na de oogst zal zaaier zowel als maaier van één en dezelfde vrucht en één en hetzelfde brood des levens eten; en dan wordt de oude spreuk geheel bewaarheid: De één zaait en een ander oogst, maar beiden zullen op dezelfde wijze van hun arbeid leven en zij zullen één en dezelfde spijs eten!

[8] Kijk eens naar de velen, die uit de stad naar ons toe zijn gekomen om in Mij de Beloofde te zien, en zoals je ziet, komen er nog steeds meer! Let op, dat zijn niets anders dan al overrijpe tarwe aren. die al lang gemaaid hadden moeten worden! Ik zeg jullie met veel vreugde: De oogst is groot, maar er zijn nog veel te weinig maaiers; vraag daarom de Heer van de oogst, dat Hij meer maaiers in Zijn oogst zenden zal!.


(Ik heb jullie gezonden om te maaien wat je niet gezaaid hebt; de anderen hebben gezaaid en jullie doen nu hun werk verder. Joh. 4:38)
[9] 'Ik heb jullie opgenomen en tijdens het opnemen heb Ik je ook al in de geest uitgezonden om te maaien wat jullie niet gezaaid hebt; want anderen hebben gezaaid, en jullie maken hun werk af, en daarover mag je je wel uitermate gelukkig prijzen! -Want degene, die zaait, is nog ver van de oogst, wie echter maait, die oogst tevens en heeft reeds het nieuwe brood des levens voor zich! Weest daarom ijverige maaiers; want jullie moeite is gelukzaliger dan die van de zaaier!

[10] De meeste leerlingen begrepen deze les wel en begonnen direct Mijn woord over de liefde tot God en over de liefde tot de naaste aan de Samaritanen te verkondigen, en ook dat Ik werkelijk de Christus ben.

[11] Maar een paar dommere leerlingen kwamen naar Mij toe en vroegen Mij heel heimelijk in vertrouwen: 'Heer, waar moeten we de sikkels vandaan halen, en het is toch ook nog sabbat vandaag?!.

[12] Waarop Ik hen antwoordde: 'Heb Ik dan gezegd, dat jullie deze Voor ons liggende natuurlijke gerstevelden moeten maaien? O jullie domkoppen, hoe lang zal Ik je op die manier nog moeten verdragen?! -Begrijpen jullie dan nog niets?! -Luister dan en begrijp het:

[13] Mijn woord van het Rijk van God is de geestelijke sikkel. Dit woord komt eerst in jullie eigen harten en van daaruit over je tong naar de oren en in de harten van je medemensen en broeders. Deze sikkel geef Ik jullie om de mensen, je broeders, te oogsten voor het Rijk van God, het Rijk van de ware kennis van God en het eeuwige leven in God.

[14] Het is vandaag inderdaad sabbat, maar de sabbat is net zo dom en onzinnig als jullie hart, en je houdt rekening met de sabbat omdat het er in je hart nog erg sabbatachtig uit ziet. Ik zeg je echter, omdat Ik ook Heer over de sabbat ben:

[15] Verban in de eerste plaats de sabbat uit jullie harten als je Mijn waarachtige leerlingen wilt zijn en blijven! Ons werk blijft iedere dag doorgaan; waar de Heer van de sabbat werkt, daar mogen Zijn knechten de handen niet in de zakken steken!

[16] Moet de zon op de sabbat niet net eender op­ en ondergaan als op een werkdag? Als echter de Heer van de zon ook de sabbat zou vieren, zou je dan tevreden zijn met een stikdonkere sabbat? Zie eens hoe dom jullie nog zijn! Tracht het te begrijpen en doe daarom wat Ik nu doe en wat je broeders doen, dan zullen jullie een voor Mij welgevallige, echte levende sabbatsviering hebben!

[17] Na deze woorden gingen ook de zwakkere leerlingen naar de Samaritanen, die nu in groten getale uit de stad naar Mij toegekomen waren, en onderwezen hen wat Ik hen geleerd had.

31 Het echte ereteken
(Velen nu van de Samaritanen uit die stad geloofden in Hem, terwille van de vrouw, die getuigde: 'Hij heeft mij alles gezegd, wat ik heb gedaan'. Joh. 4:39)
[1] En zo ging het tot aan de avond, en heel veel van degenen, die uit de stad tot Mij waren gekomen, geloofden nu in Mij, eerst vanwege het getuigenis van de vrouw, die het stadsvolk in vurige bewoordingen wist te vertellen, hoe Ik haar alles vertelde wat ze ooit gedaan had; vervolgens echter geloofden velen ook aan de hand van wat de leerlingen over Mij getuigden. Het grootste geloof echter hadden die Samaritanen, die zo dicht bij Mij waren, dat ze Mij zelf konden horen spreken.

[2] Want sommigen van hen, die de schrift goed kenden, zeiden: 'Deze spreekt als David, die zegt: 'De geboden des Heren zijn waar en verblijden het hart; de geboden des Heren zijn zuiver en verlichten de ogen! De vrees des Heren is onverdeeld en blijft eeuwig en de rechten des Heren zijn onloochenbaar en geheel en al rechtvaardig. Ze zijn kostbaarder dan goud en veel fijn goud; ze zijn zoeter dan honing en honingzeem. Uw wil, Heer, doe ik graag en Uw wet heb ik in mijn hart; ik wil Uw gerechtigheid prediken in de wereld. Zie, ik wil mij de mond niet laten snoeren, Heer, dat weet u. Uw gerechtigheid verberg ik niet in mijn hart; ik spreek van Uw waarheid en Uw heil. Ik verberg Uw goedheid en Uw trouw niet voor de wereld' - Wij weten, en dit getuigenis van ons is vol waarheid en kracht, dat Degene, Die zo spreekt en handelt zoals David vóór Hem in Zijn naam sprak en handelde, dat dat werkelijk de beloofde Messias is. Hij is de enige, Die na David zo gesproken en gedaan heeft als David; daarom is Deze ongetwijfeld de Christus, de eeuwige gezalfde van God! Deze willen we daarom geheel en al aanvaarden!'


(Toen nu de Samaritanen naar Hem toe kwamen, vroegen zij Hem bij hen te blijven! En Hij bleef toen twee dagen daar. Joh. 4:40)
[3] Nadat deze Samaritanen zo onder elkaar van Mij getuigden, kwamen ze gezamenlijk in alle eerbied naar Mij toe en vroegen Mij, of Ik bij hen wilde blijven. Want ze zeiden: 'Heer, U, Die waarachtig Christus bent, zoals wij U nu duidelijk herkend hebben, blijf bij ons; want in Jeruzalem zult U weinig geloof vinden, in plaats daarvan echter des te meer ongeloof en alle soorten vervolging! Want iets slechters dan een Farizeeër is er op de hele aarde niet te vinden, noch op het land, noch in het water. Hier zal men U echter behandelen, zoals het voor Diegene past, Die ons door Mozes, David en de profeten voorspeld is!'

[4] Maar Ik zei tegen hen: 'Beste mannen uit Sichar! Het verheugt Mij echt, dat Ik zo'n goede oogst op jullie akker geoogst heb; maar het zou niet netjes van Mij zijn als Ik daar, waar Ik de zieken genezen heb en waar ze nu gezond zijn, zou blijven en nooit meer naar de vele andere zieken zou omkijken! Ik zal echter nog twee dagen bij jullie blijven en pas op de derde dag verder naar Galiléa afdalen.


(En er geloofden nog veel meer in Hem vanwege Zijn woord. Joh. 4:41)
[5] Daarop kwamen er nog veel meer bij, die voordien nog niet helemaal vast geloofden, en zij getuigden nu van hun rotsvaste geloof. Ook de vrouw was daar nu, netjes gekleed, en zij zei tot degenen, die nu geloofden: 'Beste vrienden, jullie zult me nu zeker wel een ereplaats geven? Want ik heb jullie als eerste de weg hierheen gewezen, toen je mij uit de grap vroeg, waar de brand was!’
(En zeiden tot de vrouw: 'Wij geloven voortaan niet meer omdat jij het zei; want wij zelf hebben Hem gehoord en onderkend, dat Deze waarlijk de Christus is, de Heiland der wereld. Joh. 4:42)
[6] Toen zeiden de Samaritanen: 'Als de Heer je eerder dan ons heeft aangenomen, dan krijg je bij ons ook de eer, zoals dat in Sichar gebruikelijk is. Maar van nu af aan en in de toekomst geloven wij niet meer vanwege jouw woorden; want we hebben Hem nu Zelf gehoord en herkend; Hij IS waarlijk Christus, de Heiland der wereld! En jij zult ons nu nooit geloviger maken, dan we al zijn! Maar van nu af aan zal je ook bij ons echt geëerd worden, als je in het vervolg niet meer zondigen zult!'

[7] De vrouw antwoordt: 'Ik heb in al die tijd heus niet zoveel gezondigd, als jullie tot mijn spijt nog steeds veronderstelt. Voordat ik met een man trouwde, heeft er nog nooit een man mijn lichaam aangeraakt; en nadat Ik getrouwd was, leefde ik geheel zoals dat voor een gehuwde vrouw behoort. Dat ik geen kinderen kreeg en dat ieder van mijn rechtmatige mannen, na gemeenschap met mij, weldra moest sterven, daar kon ik werkelijk niets aan doen. Daarvoor kan men niet mij, maar hoogstens degenen, die mij besmet hebben, aansprakelijk stellen. Nadat mijn vijfde man gestorven was en ik mijn hartzeer nauwelijks verdragen kon, heb ik besloten om nooit meer een man te trouwen. Maar na een jaar kwam, zoals jullie wel weten, een dokter naar Sichar met kruiden, oliën en zalven en genas veel mensen; ik ging ook naar hem toe, gedreven door mijn zeer voelbare nood, in de hoop dat hij mij kon helpen.

[8] Hij bekeek mij echter en zei: 'Vrouw, ik zou de hele wereld er voor geven, als ik je kon helpen, want mijn oog zag nog nooit een mooiere vrouw dan jij! Hoewel ik je er niet van af kan helpen, kan ik je ziekte toch wel verzachten! Hij kwam in mijn armelijke huis wonen, gaf mij iedere dag verzachtende middelen en zorgde voor mij; maar hij heeft mijn zieke lijf nog nooit met slechte bedoelingen aangeraakt, zoals jullie dat geheel ten onrechte schijnen te denken!

[9] En dus ben ik wel voor God altijd een zondares, net zoals jullie ook zeker allen zondaars zijn, maar ik ben niet datgene, waarvoor je mij belieft te houden. Degene echter, Die hier aan de Jacobsbron zit, Die mij eerder gezegd heeft wat ik allemaal gedaan heb, Die moet je maar eens vragen of ik de naam van openbare zondares verdien of niet, en Hij zal het jullie zelf zeggen.'

[10] Nu kijken de Samaritanen elkaar verbaasd aan en zeggen tegen de vrouw: 'Goed, goed, wees maar niet zo boos, we hebben het eerlijk gezegd niet zo kwaad gemeend; om het goed te maken beloven we je dat je nu ereburgeres van Sichar wordt. Zeg eens, ben je nu tevreden over ons?'

[11] De vrouw antwoordt: 'O maak je maar niet bezorgd over de eer van een arme vrouw! Ik heb mijzelf al het grootste deel van het eerbetoon toegeëigend!'

[12] De Samaritanen zeggen: 'Hoe heb je dat dan wel gedaan? Wij weten niets af van een ereteken dat de stad je uitgereikt zou hebben! Waar heb je dat dan vandaan?'

[13] Dan zegt de vrouw, terwijl ze op Mij wijst, met tranen van liefde en oprechte dank in haar ogen: 'Hier zit Hij nog! Hij alleen is nu mijn hoogste eer, een eer, die mij niet door jullie en ook niet door de hele wereld gegeven is en die mij dus net zo min afgenomen kan worden! Want Hijzelf heeft hem mij gegeven en van Hem heb ik hem gekregen! Ik weet wel, dat er niets in mijn hele wezen de moeite waard is om van Hem, de Heer der heerlijkheid eerbetoon te krijgen; maar Hij gaf het en ik nam het voor jullie en vertelde jullie van Hem, omdat je voordien niets van Hem wist. Zie, dat is het wat ik hier heb en wat je mij niet gegeven hebt, en omdat ik het nu eenmaal heb, kunnen jullie het mij niet meer afnemen, en het is een ereteken van de juiste soort en het houdt zijn waarde tot in eeuwigheid. Jullie ereteken is echter maar tijdelijk en dan nog alleen maar voor Sichar, en dat kan men missen als men het eeuwige heeft. Ik hoop dat je nu begrijpt hoe en wanneer ik mijn grootste deel van de echte eer genomen heb.'

[14] De Samaritanen zeggen: 'Heb je dan een bevoorrechte positie, omdat je toevallig als eerste uit het dorp kwam en hier de Christus aantrof? Wij hebben Hem nu ook gevonden en prijzen Hem nu in onze harten net als jij, en Hij beloofde ons ook, net als aan jou, om hier twee dagen in onze stad te blijven. Dit alles in overweging genomen, hoe kun jij het dan hebben over een eerste eer, die jij nog voor ons kreeg?'

[15] 'Beste mannen van Sichar', zegt de vrouw daarop, 'als ik jullie zou willen overtuigen, dan zouden we nooit klaar komen. Ik heb het je nu gezegd, hoe het geheel volgens de waarheid is, een tweede keer zeg ik het jullie echter niet meer! Verscheidene van jullie hebben Romeins recht gestudeerd en zijn nu volgens deze wetten rechters en zeggen, dat het een verstandig recht is! Ik heb deze wetten gelezen, want ik ken het Romeins, en nu staat daarin: Primo occupanti jus! (Het recht van degene, die er het eerst mee begonnen is) Aangezien ik hier de eerste was, geeft mij dat het recht van de eerste, en dat kunnen jullie mij niet ontnemen.'

[16] Toen zwegen de Samaritanen en hadden geen weerwoord voor de vrouw, want ze had hen op hun zwakke plek geraakt, en ze wisten daartegen niets in te brengen. Hun antipathie tegen de Joden maakte, dat ze grote vrienden van de Romeinen waren, en de wijsheid en ordening van het Romeinse recht hoog achtten; daarom zwegen ze nu, omdat de vrouw hen met de Romeinse wet om de oren sloeg.

[ 17] Dat de vrouw de Romeinse taal zo goed kende is niet zo verwonderlijk, want de Samaritanen spraken bijna doorlopend Romeins en ten dele ook Grieks, omdat ze zelfs in de taal iedere overeenkomst met de Joden wilden vermijden.



32 De Heer ziet het hart aan
[1] Het was al avond geworden en allen, die uit Judéa met Mij meegekomen waren en de hele middag geslapen hadden omdat ze erg moe waren, werden de een na de ander wakker en verbaasden zich erover, dat het zo vlug avond was geworden! En ze vroegen Mij, of ze onderdak zouden zoeken, of dat Ik nu in de koelere nachtelijke uren verder zou trekken.

[2] Ik zei echter: 'ook al slapen de mensen, dan waakt toch de Heer, en de Heer zorgt voor alles, en degenen, die bij Hem zijn, behoeven er alleen maar voor te zorgen dat ze bij Hem blijven. Maakt u daarom gereed, zodat we deze Samaritaanse stad in kunnen gaan! Daar zullen we allemaal goed onderdak vinden. Deze vrouw hier, die Mij vanmiddag geen water wilde geven, heeft een ruim huis en zij zal ons, naar Ik meen, twee dagen onderdak niet weigeren.’

[3] Daarop valt de vrouw snikkend van liefde en vreugde voor Mij op de knieën en zegt: 'O Heer, mijn Heiland, waaraan heb ik, arme zondares, deze genade verdiend?'

[4] Ik antwoord: 'Je nam Mij in je hart op en dat hart is veel heerlijker dan je huis, dus zal je Mij ook wel in je huis op willen nemen, dat, net als deze bron, door Jacob voor zijn zoon Jozef gebouwd is. Maar we zijn met veel mensen. Je zult daarom voor twee dagen veel te doen en te zorgen krijgen; maar je zult er veel voordeel aan hebben!'

[5] De vrouw zegt: 'Heer ook al waren jullie met tienmaal zoveel mensen, dan zouden toch, zover mijn middelen dat toestaan, allen bij mij zeer goed onder dak zijn! Want mijn huis is hier en daar wel zeer bouwvallig, maar het heeft veel schone vertrekken en is zo veel mogelijk ook aardig ingericht en wordt slechts door mij, mijn dokter en enige hulpen bewoond. Ik zeg U, o Heer, het huis is het Uwe, U alleen bent er de rechtmatige bezitter van, want U heeft het oudste recht daarop. Kom daarom, o Heer, en trek in Uw huis! Want van nu af aan is het geheel het Uwe en het zal van U ook steeds blijven met alles wat er in is!'

[6] Ik zeg: 'O vrouw, groot is je geloof en liefelijk je hart; daarom zal je ook Mijn leerlinge zijn en blijven. En waar dit evangelie ook verkondigd zal worden, daar zul jij in der eeuwigheid genoemd worden!'

[7] De Samaritanen waren hierdoor een beetje verbaasd en geërgerd en er kwamen er verscheidene naar Mij toe en zeiden: 'Heer, wij hebben ook huizen en het zou beter uitgekomen zijn, als U bij ons ingetrokken was! Want het huis van deze vrouw staat bij ons in een kwade reuk en het is meer een ruïne, dan een huis!'

[8] Ik zeg: 'Jullie zijn nu al drie uur bij Mij, je weet wie Ik ben en het is inmiddels avond geworden; maar, hoewel Ik toegezegd heb om twee dagen in jullie stad te blijven omdat je daarom vroeg, heeft niemand Mij en Mijn leerlingen onderdak aangeboden!

[9] Ik zag echter in het hart van deze vrouw, dat dit zeer verlangde dat Ik in haar huis zou trekken! Ik wenste dus niet om bij haar in te trekken, maar haar hart verlangde dat. Omdat het zich voor jullie niet luid dorst te uiten, kwam Ik dit hart tegemoet en wenste datgene, wat het Mij zo volliefde en levend verlangen bereidwillig wilde geven.

[10] Dat is dan ook de gegronde reden voor Mij om twee volle dagen in het huis van deze vrouw te blijven. Het ga hem goed, die zich daarover aan Mij niet ergert!

[11] Ik zeg u echter: Zoals iemand zaait, zo zal hij ook oogsten; wie zuinig zaait, die zal ook zuinigjes oogsten, wie echter rijkelijk zaait, die zal ook rijkelijk oogsten. Van u allen heeft niemand, noch aan Mij, noch aan Mijn leerlingen, iets aangeboden; deze vrouw geeft echter direct haar hele hebben en houden aan Mij! Wie van u heeft dat voor Mij overgehad? Is het dan onbillijk, dat Ik haar ten overstaan van u allen een verdiend eerbetoon geeft Ik zeg u echter: Wie deze vrouw het recht daarop betwisten wil, die zal het hier op aarde slecht vergaan!'

[12] De Samaritanen kijken elkaar eens aan, ze ergeren zich zichtbaar, maar ze vermannen zich en vragen Mij of Ik hen zou willen toestaan Mij de volgende dag te bezoeken.

[13] Ik antwoord hen echter: 'Ik nodig u niet uit en dwing niemand; wie van u uit vrije wil tot Mij wil komen, zal geen gesloten deur vinden, maar kan zonder meer bij Mij komen. Wie dus komen wil, die kome, wie echter thuis wil blijven, die blijve thuis, want Ik dwing en veroordeel niemand!'

[14] Toen stonden de Samaritanen op en gingen de stad in. Ik bleef nog een poosje bij de bron, en de vrouw gaf met haar kruik al de dorstigen die bij Mij waren, te drinken.




1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   ...   43


Dovnload 2.49 Mb.