Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Uitgeverij de ster, ginnekenweg 124, 4818 jk breda

Dovnload 2.49 Mb.

Uitgeverij de ster, ginnekenweg 124, 4818 jk breda



Pagina9/43
Datum05.12.2018
Grootte2.49 Mb.

Dovnload 2.49 Mb.
1   ...   5   6   7   8   9   10   11   12   ...   43
38 Niet het horen, maar het doen brengt heil

[1] Nu komt de gastvrouw met haar nieuwe gemaal, groet Mij heel innig en vraagt Mij en ook alle andere gasten of we genegen zijn het ontbijt te gebruiken, daar het reeds op ons staat te wachten.

[2] Ik zeg echter: 'Beste Irhaël, wacht nog even, de leerlingen zullen dadelijk nog meer gasten brengen, die ook aan het ontbijt zullen deelnemen en die tevens uit Mijn mond zullen vernemen, dat jullie beiden, jij en Joram, nu officieel getrouwd zijn. Ze zullen ook zien dat jullie huis niet een van de minste, maar in alles, zowel uiterlijk als innerlijk, het eerste huis van deze stad is, en dat Ik daarom in dit huis Mijn intrek nam.'

[3] Terwijl Ik dit tegen het echtpaar zeg, openen Petrus en Johannes ook al de deur en tussen hen in komt Matthéus binnen, die diep buigt en zegt: 'Heer, ik sta helemaal klaar om U alleen te dienen! Ik heb hier wel een baan als schrijver en kan daarvan leven en mijn kleine familie onderhouden; maar als U, o Heer, mij nodig heeft, dan laat ik ogen­blikkelijk mijn werk liggen; en U, o Heer, zult mijn kleine familie niet laten verkommeren!'

[4] Ik zeg: 'Wie Mij volgt, die hoeft zich alleen maar zorgen te maken over dat hij tijdelijk en eeuwig bij Mij blijft. Zie dit huis eens; deze beide eigenaren zullen je familie in Mijn naam opnemen en prima verzorgen, en ook jou, als je overdag of 's nachts hierheen zou komen.'

[5] Matthéus, die dit huis al van vroeger kende, toen het meer een ruïne was dan een huis, was uitermate verbaasd en zei: 'Heer, hier moet een groot wonder gebeurd zijn! Want het huis was een ruïne, en nu is het een paleis, zoals er in Jeruzalem maar enkele zijn! En wat een koninklijke inrichting! Dat moet toch welontzettend veel hebben gekost!'

[6] 'Houd jij nu alleen maar vast voor ogen', zeg Ik, 'dat bij God zeer veel dingen mogelijk zijn, die bij de mensen onmogelijk schijnen, en dan zul je zonder moeite begrijpen, hoe deze vroegere ruïne nu in een paleis kon veranderen! -Heb je wel voldoende schrijfmateriaal?'

[7] Matthéus zegt: 'Ik heb voor twee dagen voldoende; moet ik meer hebben dan zal ik het direct gaan halen.’

[8] Ik zeg: 'Er is genoeg voor tien dagen, daarna zullen we wel ander materiaal krijgen. Blijf maar hier en ontbijt met ons; na zes uur zullen we de berg op gaan. Daar zal Ik deze menigte het heil verkondigen; jij schrijft al het gesprokene voor Mij woordelijk in drie hoofdstukken op en je maakt daarbij een indeling in kleine verzen, zoals bij David gebruikelijk was. Zoek er nog een paar andere schrijvers bij, die het van je kunnen overschrijven, zodat er in dit plaatsje ook een geschreven getuigenis blijft!'

[9] Matthéus antwoordt: 'Heer, Uw wil zal zeer nauwkeurig worden uitgevoerd!'

[10] Na dit noodzakelijke onderhoud met Matthéus komen de andere leerlingen binnen, en daarop volgen de priesters en de andere notabelen van deze stad en zij begroeten Mij zeer berouwvol. En de voornaamste priester komt iets naar voren en zegt: 'Heer, U heeft dit huis zeer goed voor U ingericht, zodat het waardig is om U te herbergen. Salomo bouwde de tempel met veel pracht, opdat deze waardig zou zijn, om als woonplaats voor Jehova bij de mensen te dienen. Maar de mensen hebben deze woonplaats door hun vele ten hemel schreiende laster ontheiligd, en Jehova verliet de tempel en de ark en kwam naar ons op de berg, net zoals U, o Heer, eerst in de tempel was en weinig weerklank vond en toen naar ons, Uw van oudsher echte vereerders, gekomen bent. En zo zal nu geschieden, zoals geschreven staat:

[ll] 'In de eindtijd zal de berg, waar des Heren huis is, zeker hoger zijn dan alle bergen en zal boven alle heuvels verheven worden en alle heidenen zullen er heen gaan. En ook zullen vele volken er heen gaan en zeggen: Komt, laat ons op de berg des Heren gaan, naar het huis van de God van Jacob, opdat Hij ons Zijn wegen wijst en wij op Zijn hellingen wandelen! Maar toch zal Zijn wet uitgaan van Sion en het woord des Heren van Jeruzalem komen (Jesaja 2:2-3).

[12] Wij allen zijn uitermate blij, zoals een bruid is wanneer haar bruidegom komt en haar begroet en voor het eerst zijn hart en zijn hand aanbiedt! Want waarlijk Heer, Jeruzalem, de uitverkoren stad van de grote koning, is het verkeerde pad opgegaan en deugt nergens meer voor en is U niet waard! Wij vinden ons zelf ook wel niet zoveel waard ­want wat heeft men nodig om waarde voor God te verkrijgen?! -maar het is wel zeker, dat als de Heer nu alleen tussen twee slechten te kiezen heeft, Hij ons, als duidelijk de minst slechte, kiezen zal! En dat zien wij nu wonderbaarlijk in vervulling gaan! U bent het waarop wij al zo lang wachtten, daarom hosianna aan U, Die in de naam des Heren tot ons komt!'

[13] Ik zeg tegen de spreker: 'Ja, u heeft het nu helemaal bij het rechte eind; maar Ik zeg U ook: Als u Mijn leer zult horen, neem deze dan ook in u op en blijf haar volgen, want dan pas zult u het heil werkelijk deelachtig worden, het heil dat Ik u vandaag van de berghoogte zal verkondigen. Want ook al komt de genade onbelemmerd van boven op u neer, dan is dat toch niet voldoende; want ze blijft niet, als ze niet daadkrachtig aangenomen wordt, -net alsof je hongerig onder een boom vol rijpe vruchten zou staan waar de wind de rijpe vijgen afschudt: als je die dan niet opraapt en eet, zullen die je dan verzadigen?!

[14] Dus niet alleen het horen, maar het doen volgens Mijn leer zal maken, dat u deel krijgt aan het heil dat uit Jeruzalem tot u gekomen is! Heeft u dat begrepen?'

[ 15] De spreker antwoordt: 'Ja, Heer, want zoals U kan God alleen maar spreken! ,

[16] 'Nu dan', zeg Ik daarop, 'omdat u het begrepen heeft, laat ons dan nu de ochtendmaaltijd gebruiken! Na de maaltijd moet u nog wel noteren, dat Ik gisternacht Irhaël en dokter Joram in de echt verbonden en gezegend heb, en dat van nu af aan verder niemand zich meer aan hen moet ergeren! Maar gaan jullie nu zitten voor de ochtendmaaltijd! Het zij zo!'

[ 17] Allen gaan nu zitten, en het zijn er veel, om de ochtendmaaltijd te gebruiken, die uit prima melk en honingbrood bestond.



39 Het oudste en echtste huis van God
[1] Elders zou men deze ochtendmaaltijd niet zeer kostelijk genoemd hebben, maar in het land, dat spreekwoordelijk overvloeide van melk en honing was het wel een kostelijke maaltijd, vooral omdat de honing van het beloofde land zeker de beste ter wereld was en nu nog is, terwijl dat ook gold voor de melk, die nergens ter wereld overtroffen werd.

[2] Na de maaltijd werd heerlijk fruit gepresenteerd, en velen genoten daarvan en loofden God, Die de vruchten zo heerlijk deed smaken, en Die aan de bijen de vaardigheid had gegeven, om uit de bloemen des velds de zo voortreffelijke zoete honing te puren en deze in hun kunstig gebouwde cellen op te slaan!

[3] Een wijze man uit het gezelschap van de Samaritanen zei: 'Gods wijsheid, almacht en goedheid kan nooit genoeg geroemd worden! De regen valt op de aarde, duizendmaal duizend vormen en soorten planten, bomen en struiken zuigen dezelfde regen op en staan in dezelfde aarde, en toch heeft iedere soort een andere smaak, een andere geur en een andere vorm! Iedere vorm is mooi en aantrekkelijk om te zien, en zonder nut groeit er niets, en zonder doel groeit zelfs niet de schraalste mosplant op een steen!

[4] En kijk dan eens naar al de dieren op de aardbodem,o in het water en in de lucht! Wat zijn het er veel en wat een verscheidenheid, van de mug tot aan de olifant, van de bladmijt tot de ontembare Leviathan, die bergen op zijn rug zou kunnen dragen en die zou kunnen spelen met de ceders van de Libanon! O Heer, wat een macht, wat een kracht en wat een eindeloos diepe wijsheid moet er in God zijn, Die daar de zon de maan en de ontelbaar vele sterren in hun baan houdt en bestuurt, de zee in haar diepten vasthoudt, de bergen op aarde gebouwd heeft en de aarde zelf gegrondvest heeft door Zijn almachtige woord!'

[5] Ik zeg: 'Ja ja, dat is goed gesproken, want zo is het: God is zeer goed, zeer wijs, zeer rechtvaardig en heeft niemands raad en leer nodig als Hij iets doen wil; maar Ik zeg u: Ook de mens van deze aarde is geroepen om volmaakt te worden zoals de Vader in de hemel volmaakt is!

[6] Dat was weliswaar tot op heden niet mogelijk, omdat de dood op deze aarde de macht had; maar van nu af aan is het voor iedereen, die er ernst mee maakt om volgens Mijn leer te leven, mogelijk!

[7] Ik denk wel dat, als God dit voor zo iets eenvoudigs, namelijk voor het lichte volgen van Mijn leer, wil geven, dat dan de mens toch wel geen moeite of werk uit de weg zal gaan om dit hoogste te verkrijgen!”

[8] De opperpriester zegt: 'Ja Heer, voor het hoogste moet de mens ook het hoogste inzetten! Wie genieten wil van het uitzicht op een hoge berg, die moet eerst de moeite en de bezwaren van het klimmen willen doorstaan. Wie oogsten wil, moet daarvoor eerst ploegen en zaaien, en iemand, die weet dat hij iets kan winnen, moet eerst iets op het spel zetten; degene, die niets waagt uit angst om te verliezen, die zal onmogelijk ooit iets winnen! Daarom, als ons Uw wegen bekend gemaakt worden, o Heer, zal het voor ons ook helemaal niet moeilijk zijn om datgene te bereiken, wat U ons eerder verkondigd hebt, namelijk -net zo volmaakt te worden als de Vader in de hemel volmaakt is!'

[9] Ik zeg: 'Zeg dat wel, en daar voeg Ik nog aan toe: Mijn juk is zacht en Mijn last is licht! Maar de mensen hebben tot op heden zware lasten te dragen gehad en konden daarmee niets bereiken; het is maar de vraag, welke vorm hun geloof zal aannemen, als zij het aangeleerde, zwaar drukkende, oude geloof moeten omruilen tegen een ongewoon licht nieuw geloof. Zullen zij tenslotte niet zeggen: 'Grote moeite en zwaar werk brachten ons niets op, wat zal dan deze, daarbij op kinderspel lijkende moeite, ons kunnen opbrengen?'

[10] Ik zeg u: U zult de oude mens als een oud kledingstuk uit moeten trekken en in plaats daarvan een geheel nieuw aan moeten trekken! Dat zal in het begin tamelijk ongemakkelijk zitten; maar wie zich door zo'n kleinigheid niet terug laat jagen in het gemakkelijk zittende oude, en zich daarentegen enig onbehagen laat welgevallen, die zal die volmaaktheid bereiken, waarvan Ik voorheen heb gesproken.

[11] Maak je nu echter allemaal gereed, want Ik vertrek dadelijk voor het tochtje de berg op. Wie met Mij mee wil gaan, moet zich nu gereed maken; en Matthéus, ga je schrijfgereedschap halen! Kom gauw terug, want je ziet dat Ik al klaar sta om weg te gaan!'

[12] Matthéus zegt: 'Heer, U weet hoe graag ik nu klaar sta om U te volgen! Als ik echter nu naar huis ga, en wel daarheen, waar ik mijn door de Romeinen betaalde werk doe als tollenaar en schrijver bij de hoofdtolboom voor de stad, dan is daar net als altijd, zeker veel werk voor mij, en de Romeinse wachten zullen mij niet laten gaan voordat ik het werk gedaan heb. Daarom zou ik liever zien, dat ik voor vandaag hier genoeg schrijfmateriaal zou krijgen, en dat ik dan vanavond het mijne haal, waarmee ik daarna, zoals ik reeds eerder zei, twee volle dagen genoeg voorraad heb; want ik krijg van de Romeinen slechts voor drie dagen materiaal vooruit, en dat verbruik ik haast altijd.'

[13] Ik zeg: 'Mijn vriend doe nu maar altijd wat Ik je zeg, en het zal je steeds goed gaan! Ga nu maar, zoals Ik zei en je zult vandaag geen werk vinden en er zal niemand aan de tolboom staan te wachten! Neem nog wel je andere schrijvers mee, zodat in dit geval Mijn toespraak door meer personen opgeschreven zal worden!' -Matthéus zegt: 'Ja, als het zo gelegen is, dan wil ik wel gaan!'

[14] Daarna vertrekt Matthéus, de tollenaar, en vindt thuis alles zoals Ik hem voorspeld heb. Heel snel komt hij met nog drie schrijvers terug, en we gaan, met allen die in huis zijn, op weg naar de berg Garizim.

En als wij na een uur gaans bij de berg aankomen, vraagt de opperpriester aan Mij of Ik naar boven wil gaan en het oude godshuis wil openen.

[15] Maar Ik wijs hem op de omgeving en de vele mensen, die ons gevolgd zijn en zeg tegen Hem: 'Kijk, vriend, het is het oudste en het echtste huis van God; maar het is erg verwaarloosd, daarom wil Ik het nu herstellen, net zo als Ik het huis van Irhaël hersteld heb! Daarvoor hebben we het oude huis zelf niet nodig, en hebben we voldoende aan deze plaats aan de voet van de berg. Tevens zijn hier een aantal banken en tafels, die goede diensten kunnen verlenen aan de schrijvers. Open nu je oren, ogen en harten en bereid je voor, want nu geschiedt dat voor jullie ogen, wat de profeet Jesaja voorspeld heeft!'

[16] Matthéus zegt: 'Heer, wij zijn gereed om U aan te horen!'

[17] Nu begint de bekende bergrede, die in Matthéus 5, 6 en 7 heel goed weergegeven staat. - Deze prediking duurde echter ongeveer drie uren, want Ik sprak dit keer langzaam ten behoeve van de schrijvers.



40 Op Garizim. Kritiek op de bergrede
[1] Maar toen de prediking geëindigd was, werden velen, vooral de priesters, met ontzetting vervuld, en enigen van hen zeiden: 'Wie kan zo zalig worden?! Wij schriftgeleerden prediken toch net zo juist en rechtvaardig als eens Mozes vanaf de berg de wet aan het volk verkondigde! Maar dat is allemaal niets vergeleken bij deze strenge leer en deze overdonderende prediking! Er is natuurlijk haast niets tegen zo'n leer in te brengen, maar ze is veel te hard en het is voor een mens vrijwel onmogelijk om er ooit aan te voldoen.

[2] Wie kan zijn vijanden liefhebben, wie kan diegene goed doen, die hem kwaad doet en wie kan diegenen zegenen, die hem haten en slechts kwaad over hem spreken?! En als iemand iets van mij lenen wil, moet ik mij dan niet van hem afwenden en mijn oor en hart afsluiten voor zijn vraag, als ik heel goed zie dat de lener het geleende nooit terug zal kunnen geven?! Ah, dat is toch te dom! Als de luien en werkschuwen dat ontdekken, zullen ze dan niet direct naar de vermogenden gaan en net zo lang bij hen lenen tot deze niets meer hebben?! Als deze dan op die manier alles aan de niets teruggevende armen geleend hebben, en er gaat niets gemakkelijker dan dat, dan hebben ze tenslotte zelf niets meer. Dan vraagt men zich af, wie dan in de toekomst nog zal werken en van wie de armen dan nog iets kunnen lenen!

[3] Het is maar al te duidelijk, dat door het in acht nemen van zo'n leer, die helemaal tegen de aard van de menselijke instellingen ingaat, de wereld in korte tijd zou veranderen in een onherbergzame woestijn. Als de wereld echter een woestijn is geworden, waar vinden de mensen dan de een of andere opleiding, als alle opleidingsinstituten noodgedwon­gen verdwijnen moeten omdat niemand geld heeft om ze te vestigen en te onderhouden?!

[4] Deze leer voldoet beslist niet! De slechte mensen en vijanden van de goede mensen en hun goede werken moeten getuchtigd worden, en als iemand mij een oorvijg geeft, dan moet hij er minstens twee uitgemeten terug krijgen, opdat hem in het vervolg de lust zal vergaan om mij nogmaals een oorvijg te geven! De slechte lener zal in de werktoren opgesloten moeten worden, opdat hij leert te werken en verder als een werkzaam mens met de ijver van zijn handen zijn brood verdient, en de zeer arme moet om een aalmoes smeken en hij zal het krijgen! Dat is een oude, maar goede wet, waaronder een menselijke samenleving kan voortbestaan. Maar deze wetten die deze zogenaamde Christus nu gegeven heeft, zijn voor het menselijke leven te onpraktisch en die kunnen daarom onmogelijk aangenomen worden.

[5] Over al het andere wilde ik, hoe onzinnig het ook klonk, niets zeggen, maar wat moet je nu denken van die aanbevolen zelfverminking, als één van de eigen ledematen ergernis geeft; en dan ook nog het kennelijk aanbevolen nietsdoen, waarbij iemand al zijn aandacht moet geven aan een voortdurend op zoek zijn naar het Godsrijk, zonder voor iets anders te hoeven zorgen, omdat al het andere van boven gegeven zal worden!? - Laten we dat nu eens met een kleine proef van een paar maanden uittesten; gedurende die tijd moeten de mensen alles laten liggen en niet werken, dan blijkt wel of de gebraden duiven hen in de mond zullen vliegen!

[6] En hoe dom is tenslotte die aanbevolen zelfverminking, als één van je ledematen je ergert! Stel dat iemand met een scherpe bijl in zijn rechterhand, zich zijn linker afhakt en weggooit; wat zal hij dan doen als zijn rechterarm hem daarna ergert, -hoe zal hij die dan afhakken ­en hoe zal hij zijn ogen uitrukken en tenslotte zonder handen de voeten afhakken, die hem mogelijkerwijs ook nog ergeren?! -Ah, loop heen met zo'n leer! Die zou zelfs voor een krokodil te slecht zijn, laat staan Voor een mens! -Als je de gevolgen een beetje bij elkaar optelt, kun je met je klompen aanvoelen, dat zo'n leer alleen maar een gevolg van het oud joodse fanatisme kan zijn!

[7] En al kwamen alle engelen uit de hemel en leerden de mensen zulke wegen om het eeuwige leven te bereiken, en het gebruik van zulke middelen om de hemel te verdienen, dan zouden zulke domme leraren de wereld uitgeslagen moeten worden en hun domme hemel zelf op moeten vreten! -Alleen al het tegenstrijdige daarin! -'Tand om tand' en 'oog om oog' vindt Hij onrechtvaardig en gruwelijk; Hij predikt de grootste zachtmoe­digheid en het grootste geduld, zet zelfs voor alle dieven de deur wijd open, als Hij zegt: 'Wie uw rok vraagt, geef die ook de mantel erbij!' Mooie leer! -Maar daarentegen moeten de mensen zich zelf wel de ogen uitrukken en handen en voeten afhakken! -Wie van u heeft er ooit grotere onzin gehoord?!

[8] Dan komt de priester naar Mij toe en zegt: 'Meester! Uw daden laten zien, dat U meer kunt dan een gewoon mens. Maar als U werkelijk in staat bent om normaal te denken, en daar twijfel ik niet aan, want ik heb U in het huis van Irhaël heel wijs horen spreken, dan moet U beslist bepaalde erg onpraktische leerstellingen uit Uw prediking herroepen! Anders zijn wij genoodzaakt, ondanks al Uw daden, die zonder meer een Messias waardig zijn, U openlijk te betitelen als een fanatiek magiër, die opgeleid is in de een of andere oud-Egyptische school, en U Uit ons midden uit te wijzen als een pure Messiasschenner!

[9] Bekijk Uw geweldige leer nu Zelf eens een beetje preciezer, dan moet U toch inzien, dat Uw leer voor het verkrijgen van het eeuwige leven totaalonbruikbaar is en door niemand ooit uitgevoerd kan worden! Want als iemand op deze wijze de hemel verdienen moet, dan zal hij die hemel wel niet willen hebben! Want het zou dan beter zijn, dat hij nooit geboren was, dan dat hij op deze manier een hemel zou verdienen, waarin hij slechts als een verminkte binnen zou kunnen gaan! Zeg mij nu eens heel openhartig of U dat inziet, of dat Uw leer U werkelijk ernst is!'

[10] Ik zeg: 'U bent toch een opperpriester en u bent blinder dan een mol onder de grond; wat moet Ik dan van de anderen denken en verwachten?! Ik gaf u hier beelden, en u neemt alleen de bijbehorende materie in u op en die dreigt u te verstikken, maar de geest die Ik In deze beelden gelegd heb, beseft u niet.

[11] Geloof Mij: Zo wijs als u denkt dat u bent, zo wijs zijn wij ook, en wij weten het zeer goed of een mens zich verminken kan en wil om het eeuwige leven te verkrijgen! Maar wij weten ook, dat u de geest van deze leer niet begrijpt en nog lang niet zult begrijpen! Ondanks dat, nemen wij onze woorden niet terug. U heeft wel oren, maar die horen niet het juiste, ook heeft u ogen, die echter evenzo geestelijk blind zijn, en, hoewel uw oren en ogen open zijn, hoort en ziet u toch nog niets!'

41 Onbegrip voor de beeldspraak der bergrede
[I] De opperpriester zegt: ' Ja, ja, U kunt daarmee wel gelijk hebben, en ik wil en kan bij voorbaat ook niet bestrijden of, hoe en wat voor geestelijke zaken er zich in Uw gebruikte beeldspraak bevinden; maar dáárin moet U me dan toch gelijk geven, dat, als ik bijvoorbeeld iemand een les geef, waarvan ik wens dat die door hem als mijn leerling begrepen en uitgevoerd zou moeten worden, ik die les toch noodzakelijkerwijs zo brengen moet, dat mijn leerling de juiste bedoeling daarvan begrijpt. Als ik nu weet dat mijn leerling mijn les naar de geest van de daarin besloten waarheid geheel begrepen heeft, dan kan ik ook geheel terecht van mijn leerling verlangen, dat hij mijn les uitvoert.

[2] Als ik iemand echter in zulke beelden een les geef, dat deze niet herkenbaar zijn, en vroeg de leerling dan aan mij: Wat betekent dat? Hoe moet ik mij om het leven brengen, om het leven te winnen? Hoe zal ik mij doden en dan dood zijnde uit de dood een nieuw, Ja zelfs een eeuwig leven verkrijgen?' - dan zal ik tegen hem zeggen: 'Kijk vriend, dat moet je zo en zo begrijpen en verkrijgen! Want Iet op, tussen het jou gegeven leerbeeld en de daaruit gepuurde waarheid bestaat deze en die geestelijke overeenkomst, en je moet je leven niet inrichten volgens het uiterlijke beeld, maar volgens het overeenkomstige innerlijke beeld!'

[3] Kijk Meester, dan zal de leerling het begrijpen en dan kan ik, zoals reeds eerder opgemerkt, geheel terecht van hem verlangen, dat hij naar de geest der waarheid van mijn leer zal handelen! Kan ik echter, zonder een dwaas te zijn, ook verlangen dat hij handelt volgens mijn harde symbolische beeld? Als ik dat in volle ernst aan mijn leerling zou vragen, dan zou ik mij voor alle denkende mensen toch wel gedragen als iemand, die water in een goed gesloten kruik droeg, terwijl een dorstige naar hem toe komt en hem smeekt, dat hij hem te drinken zou geven. De waterdrager zou hem meteen de gesloten kruik aanreiken en zeggen: 'Hier heb je de kruik, -drink!' Hij zou nu proberen te drinken, maar geen opening vinden en de drager vragen: 'Hoe kan ik daaruit drinken? De kruik is toch aan alle kanten dicht!' De drager zou tegen hem zeggen: 'Als je blind bent en de opening niet kunt vinden, slok dan de hele kruik op en dan zul je op die manier ook wel het water mee opslokken!'

[4] Zeg mij Meester, U die overigens goed en wijs bent, wat zou de dorstige tegen zo'n waterdrager zeggen?! Ik vind dat de dorstige hier toch wel het volste recht zou hebben, om zo'n waterdrager voor nar uit te schelden.

[5] Dat wil niet zeggen, dat ik U direkt voor een nar houd; maar als U zegt dat wij de geest van Uw leer door onze geestelijke blind­ en doofheid niet zien en begrijpen kunnen, dan is Uw leer toch net als het water in de afgesloten kruik, die in alle ernst door de dorstige tegelijk met het water opgeslokt zou moeten worden, een eis, die slechts een ontsnapte profeet uit een gekkenhuis zou kunnen stellen! - U mag erover denken, zoals U wilt! Zolang U aan Uw leer, die op menig punt veel goeds en waars bevat, geen voldoende uitleg meegeeft, blijven ik en veel verstandige denkers bij deze gedane uitspraak! Want echt, U zult nooit beleven, dat wij volgens Uw leer nu meteen zullen beginnen om handen en voeten af te hakken, en ogen uit te rukken! - Ook zullen we net als altijd werken en ons brood in het zweet ons aanschijns verdienen, en degene, die zich boosaardig aan ons zal vergrijpen, die zal zijn rechtvaardige straf niet ontlopen!

[6] Ook zullen we de dief, die een rok van ons steelt, geen mantel er gratis bij geven, maar we zullen de dief grijpen en in de gevangenis werpen, waar hem voldoende tijd gegeven zal worden om zijn slechte daad te betreuren en zijn leven te beteren! Als U een werkelijk van God afkomstige wijze bent, dan moet U ook doordrongen zijn van de heilige noodza­kelijkheid van de instandhouding van de wet van Mozes, die God Zelf onder bliksem en donder aan de Israëlieten in de woestijn verkondigd heeft! Als U echter met Uw leer de wet wilt schenden, dan moet U maar afwachten, hoe U dat tegenover Jehova verantwoorden kunt!'

[7] Ik zeg: 'Ik ben echter van mening, dat het de wetgever vrij staat de wet te handhaven en deze zelf naar geest en waarheid uit te voeren, of deze ook wel onder bepaalde voorwaarden geheel op te heffen!'

[8] De opperpriester zegt: 'Dat klinkt nu heel vreemd uit Uw mond! Vanmorgen zou ik eerbied voor zo'n gezegde gehad hebben, want toen dacht ik nog heel zeker dat U werkelijk de Beloofde was! Maar n.a deze leer, die U ons nu heeft gegeven, bent U in mijn ogen een gekkenhuisklant geworden, die het leuk vindt om zijn idee-fixe als wijsheid van de beloofde Messias op te dissen. Ik zou daarom liever zien, dat U Uw harde leer uitlegde, want zonder voldoende verklaring zal geen mens deze ooit begrijpen en daarnaar gaan handelen!'

[9] Ik zeg: 'Zeg dan, wat u zo absurd vindt in Mijn leer, en Ik zal het u duidelijk maken!'

[10] De opperpriester zegt: 'Ik heb het U wel meer dan één keer gezegd; maar om U te laten zien, dat ik beslist heel billijk en gematigd ben, zeg ik U nu, dat ik alle andere punten van Uw leer aanneem als goede en wijze regels om te volgen, maar het ogen uitrukken en het afhakken van handen en voeten kan ik onmogelijk accepteren! Bedenk toch Zelf eens, of het wel mogelijk is jezelf een oog uit te rukken! Zal degene, die zichzelf een hand of een voet afhakt, daarna niet doodbloeden en sterven? En als hij dood is, wat zijn dan de vruchten van zijn verbeterde levenswijze?!

[11] Kijk, dat is het meest onpraktische punt van Uw leer, dat bij het volle verstand nooit opgevolgd kan worden! En zo er al werkelijk ooit ergens gekken te vinden zouden zijn, die zo'n leer op zichzelf toepasten, dan zouden die daar beslist niet beter van worden; want als iemand het leven daarbij niet verliest, dan zal hij vanwege de ellende, waarin deze schijnbaar van God afkomstige leer hem gestort heeft, God niet loven. Sterft hij echter, wat het waarschijnlijkste is, dan vraag ik met David: 'Heer, wie zal U in de dood nog loven, en wie zal U prijzen in het graf?!' Dus dit punt zou U ons minstens duidelijk moeten uitleggen; al het andere willen wij als een weliswaar op de spits gedreven -humane leer aannemen!

[12] Ik zeg: 'Goed, uw verzoek is billijk en Ik zeg u: Onder alle priesters na Samuël, bent u de wijste, want u heeft een goed hart, u verwerpt in de aard der zaak Mijn leer niet, maar u wilt hem alleen uitgelegd hebben; en Ik wil u daarom ook uitleg geven! Maar niet uit Mijn mond, maar uit de mond van één van Mijn leerlingen krijgt u een uitleg! Wend u daarom tot één van Mijn leerlingen, opdat het u duidelijk zal worden, dat Mijn leer op dit ogenblik al zonder Mijn verklaring begrijpelijk is geworden voor de mensen!



42 De bergrede door Nathánaël duidelijk uitgelegd
[1] Dan wendt de opperpriester zich tot Nathánaël en zegt tegen hem: 'Op aanwijzing van je meester wend ik mij op goed geluk tot jou; verklaar mij daarom in ieder geval het hardste punt uit de leer van je meester! Maar graag alleen in heldere, klare taal! Want als je mistig praat over mistige dingen, dan wordt het er niet duidelijker op! Dus ga je gang!'

[2] Nathánaël zegt: 'Staart u zich zo blind op het verstandelijke, dat u een zo begrijpelijk gebrachte leer niet op de goede manier kunt begrijpen? Hebben de profeten dan niet bijna allen zonder uitzondering van Christus voorspeld, dat Hij slechts in gelijkenissen Zijn boodschap zou brengen en niet zonder gelijkenissen met de mensen zou spreken?'

[3] De opperpriester zegt: ' Ja, daar heb je gelijk in, want zo staat het geschreven.'

[4] Nathánaël zegt verder: 'Wel dan, als u dat als schriftgeleerde wel weet, waarom scheldt u de Heer dan uit voor een nar, als Hij geheel volgens de schrift Zijn prediking in gelijkenissen brengt. U kunt voor het begrijpen daarvan aan de Heer wel om uitleg vragen, maar u kunt Hem toch niet voor een nar uitschelden als u zijn spreken in gelijkenissen niet begrijpt omdat u zelf in deze dingen van God heel weinig inzicht heeft?!

[5] Zie, de werken der natuur hebben hun orde en kunnen slechts in deze voor hen karakteristieke orde bestaan; en op gelijke wijze hebben de geestelijke dingen hun zeer karakteristieke orde en kunnen buiten die orde niet bestaan, niet gedacht en niet uitgesproken worden. Maar tussen de natuurlijke dingen en de geestelijke dingen is en bestaat, omdat het één uit het ander is voortgekomen, een nauwkeurige overeenstemming, die alleen de Heer het beste kent.

[6] Als de Heer ons nu iets zuiver geestelijks vertelt, terwijl wij toch met z'n allen in het starre keurslijf van de natuurlijke orde zitten, dan kan Hij dat alleen maar doen door middel van de overeenkomstige beelden in gelijkenissen. Om deze echter goed te kunnen begrijpen, moeten wij proberen onze geest wakker te maken door volgens Gods geboden te leven. Pas als de geest wakker is, zullen wij begrijpen, wat de Heer door middel van zo'n overeenkomstig beeld in gelijkenisvorm allemaal gezegd en geopenbaard heeft, en juist hierin zal Zijn goddelijk woord zich eeuwig van ons menselijk woord onderscheiden.

[7] Let nu goed op! Wat bij de natuurlijke mens het oog is, dat is bij de geest het zien van die goddelijke en hemelse dingen, die voor het wezen van de geest een belofte inhouden voor zijn zalige eeuwige bestaan.

[8] De geest moet echter tengevolge van de orde, die God genoodzaakt was in te stellen, een bepaalde tijd in de materie van het vlees van deze wereld ondergedompeld zijn, om sterk te worden in zijn vrijheid en bijna volledige onafhankelijkheid van God. Wordt hij dit niet, dan kan hij God niet zien en nog minder kan hij in, naast en bij God bestaan. ­(Juist wanneer de geest echter in de materie rijp wordt, en gehard wordt in de vrijheid en onafhankelijkheid van God, dan loopt hij onvermijdelijk gevaar zelf door de materie verslonden en tesamen daarmee gedood te Worden, uit welke dood men slechts zeer moeilijk en met veellijden weer tot leven in God gewekt kan en moet worden) -Op deze wijze zei de Heer dus niet tegen de vleselijke mens, maar tegen de geestelijke mens: “Als het oog je ergert, ruk het uit en werp het weg, want het is beter met één oog de hemel in te gaan - dan met beide naar de hel!', wat zo ongeveer betekent: Als het licht van de wereld je te veel aantrekt, verzet je dan en keer je van dat licht af, want het zou je in de dood van de materie trekken! Ontneem je dus zelf, als geestelijke mens, het lege genot van de wereldse zaken, en wend je met je ziel naar de puur hemelse dingen! Want het is beter voor je om zonder alles, wat de wereld als kennis te bieden heeft, het rijk van het eeuwige leven binnen te gaan, dan met te veel wereldse kennis enerzijds, en te weinig geestelijke kennis anderzijds door de stoffelijke dood opgeslokt te worden!

[9] Toen de Heer hier over twee ogen, handen en voeten sprak, bedoelde Hij daarmee niet de twee ogen en de twee handen en voeten van het lichaam, maar alleen het kennelijk dubbele gezichts-, bezigheids -, en verplaatsingsvermogen van de geest, en Hij waarschuwt niet het vlees, dat geen eigen leven heeft, maar de geest, om zich liever niet met de wereld bezig te houden als deze hem te veel zou aantrekken. In dat geval is het beter zonder alle kennis van de wereld het eeuwige leven in te gaan, dan door te veel wereldse kennis tenslotte door het onafwendbare wereldse gericht opgeslokt te worden.

[10] De geest moet de wereld wel zien en leren kennen, maar moet er niet verzot op raken! Als hij merkt, dat de wereld hem aantrekt, moet hij er zich direkt van afwenden, omdat hij dan al gevaar loopt! En kijk, dit noodzakelijke afwenden stemt overeen met het beeld van het uitrukken der ogen; en Degene, Die ons zo'n treffend beeld kan geven, moet echt heel goed thuis zijn in alle geestelijke en materiële verhoudingen van de mensen. Volgens mij kan Diegene dit alleen maar zo weergeven, door Wiens kracht, liefde en wijsheid alle dingen geestelijk en stoffelijk geschapen zijn! Ik denk, dat U me nu wel begrepen hebt en nu zult inzien, hoe grof u zich bezondigd heeft aan Hem, Die uwen ons aller leven in Zijn almachtige hand heeft!?'



43 Verdere uitleg van Nathánaël
[1] De opperpriester staat perplex en ook veel anderen zijn geweldig van hun stuk gebracht, en hij zegt na een poosje: 'Ja ja, nu begrijp ik het toch echt wel! -Maar waarom sprak de Heer dan ook niet direct net zo begrijpelijk als jij nu hebt gedaan, dan zou ik mij zeker niet aan Hem bezondigd hebben!?'

[2] Nathánaël zegt: ' Als een zevenjarige jongen op die manier vragen zou stellen, dan zou ik mij niet erover verwonderen dat een zevenjarige jongen zo vraagt; maar bij u verbaas ik mij bijzonder, u bent nog wel een van de belangrijkste wijzen van deze plaats!

[3] Wilt u de Heer soms ook nog de bekroonde wijze vraag stellen, waarom Hij de zaadkorrels, die toch nergens mee te vergelijken zijn, de vormings - ­en ontwikkelingsmogelijkheid van de daaruit groeiende boom tot in de kleinste finesses heeft ingeprent. Zou Hij niet beter alle vruchten rijp uit de hemel in de schoot van de mensen kunnen laten regenen?! Waarom die tijdrovende ontwikkeling van zaadkorrel tot boom, en vervolgens nog dat lange wachten op de rijpe vrucht?! Merkt u, hoe dom u nog bent!

[4] Het woord van de Heer is net als al Zijn werk. Hij geeft ons Zijn leer in de vorm van zaden. Wij moeten die eerst in de voedingsbodem van onze geest zaaien; die voedingsbodem heet liefde, daar zal het zaad dan groeien en een boom van de ware kennis van God en onszelf worden, en op de juiste tijd zullen we dan van deze boom volkomen rijpe vruchten voor het eeuwige leven kunnen verzamelen.

[5] Het voornaamste is echter de liefde; zonder liefde is de geest niet vruchtbaar en geeft zij geen vruchten! Zaai de tarwe maar in de lucht; en kijk of hij groeit en of je er vruchten van krijgt! Als je de tarwekorrel echter in een goede voedingsbodem legt, dan zal hij groeien en je veelvoudig vruchten opleveren. De echte liefde is de juiste voedingsbodem voor de geestelijke tarwekorrel die ons door de mond des Heren wordt meegedeeld.

[6] Daarom nam de Heer nu voor u allemaal de harde Mozaïsche strafwet weg, opdat u zoveel te sneller meer voedingsbodem in uw hart zou krijgen. Want wie volgens de wet straft, heeft weinig of ook wel helemaal geen liefde; bij hem zal het goddelijke zaad van het woord daarom heel slecht gedijen! Degene echter, die gestraft wordt, bevindt zich toch al in het gericht, waarin geen liefde is, want het gericht is de dood van de liefde.

[7] U kunt daarom beter niet klaar staan om de fouten van uw naasten te zien, maar het is beter inschikkelijk en geduldig met hen te zijn! En als ze in hun zwakheid iets van u verlangen, dan moet u ze niets onthouden, want zo vermeerdert zich de liefde in uzelf en evenzo in uw zwakke broeders! Als deze liefde eenmaal zowel in u als in uw broeders rijkelijk aanwezig is, dan zal het goddelijke zaad goed in u gedijen en de zwakke zal dan in zijn sterkte u welwillend aanzien en u viervoudig vergelden, wat u hem in zijn zwakheid gegeven heeft.

[8] Als u echter karig bent en hard tegen uw zwakke broeders, dan zult u zelf nooit tot enige godvruchtigheid komen, en het oordeel der zwakken zal in het eind ook II mee in het verderf storten.

[9] Toen de Heer zei: 'Die van u een rok vraagt, geef die ook de mantel erbij!', wilde Hij alleen maar aanduiden, dat u, als u rijk bent en veel bezit, ook rijkelijk en veel moet geven aan de armen, als zij tot u komen! Want daardoor krijgt u ook snel veel voedingsbodem in uw hart en zult u op die manier zeer gelukkig worden door het bezit van zo'n echte voedingsbodem en de armen zullen u zeker zegenen; want uit uw hart zullen ze de daadkrachtigste prediking van het echte evangelie van God horen, en daardoor worden ze zelf sterk en u tot eeuwige steun! Als u echter karig geeft en berekent wanneer en hoeveel u geeft, dan heeft dat noch voor uzelf, noch voor de arme broeders enig nut, en deze zullen u daarom nooit tot steun worden!'

44 Symbolische ogen, armen en voeten
[1] De opperpriester, die zeer opmerkzaam naar deze toespraak geluisterd heeft, zegt: 'Dat is nu allemaal goed en wel, en ik denk, dat ik nu zo ongeveer alles wel begrijp; maar één ding wil ik nog opmerken, en dat is, dat de Meester eigenlijk alleen van het uitrukken van het rechter oog en het afhakken van de rechter hand gesproken heeft. Ik heb in mijn onderzoekingsdrang zo voor een totaalbeeld ook de voeten er maar bij betrokken, en tot mijn verwondering heb je mij het afhakken van de voeten net eender verklaard, als dat van oog en hand, die bij mijn weten alleen maar door de Heer genoemd zijn. Je zegt echter, dat de woorden van de Heer alleen maar een geestelijke betekenis hebben; hoe komt het dan, dat je in mijn aanvulling ook een geestelijke overeenkomst vond?

[2] Nathánaël zegt: 'U vergist zich! De Heer sprak ook van de rechtervoet; alleen gaf Hij de schrijvers een aanwijzing, dat over de voet er uit te laten, want als u begonnen bent om uw innerlijke blik naar de hemel te richten, en uw wil tot liefde, die overeenkomt met de linkerhand, zijnde de hand van het hart, volgens de wil van God te activeren, nadat u de rechterarm of de rechterhand, waaronder de puur wereldlijke bezigheden verstaan worden, verwijderd hebt, dan is het niet meer nodig ook de rechtervoet nog af te schaffen. Want als het eenmaal zo ver is, dat het oog het juiste licht ziet en de hand, of liever gezegd de wil, zich bezig houdt met het juiste doen, dan is de voortgang in het gebied van het eeuwige leven er al vanzelf, of wel, dan is de rechtervoet, die de voortgang in de wereld aangeeft, al vanzelf verwijderd en men behoeft dan daarvoor geen extra moeite te doen.

[3] U, als Samaritanen, kunt echter gevoeglijk met de voeten beginnen, want ofschoon uw oog nu naar het goddelijke is gewend, en uw handen goed werk doen, is uw voet, of wel uw lust tot verder gaan, puur op de wereld gericht! Want u verwacht van de Messias iets geheel anders, dan wat u volgens de voorspelling van alle profeten van Hem verwachten moet! En dat is geestelijk gezien uw rechtervoet, die u afhakken moet om de juiste weg naar her rijk van God te kunnen inslaan. En daarom heeft de Heer alleen voor u ook over de rechtervoet gesproken, maar Hij heeft het niet op laten schrijven, omdat de latere aanhangers van de leer des Heren wel zullen weten, waar en waaruit het rijk van de Messias bestaat, en wat men moet doen om daarin te komen. Heeft u nog meer bezwaren?'

[4] De opperpriester zegt: ' Alles is me nu wel duidelijk, in zoverre het me dan ook duidelijk kan zijn. Alleen moet ik ondanks al het begrip dat ik er nu voor heb, toevoegen, dat jullie leer zoals ze gebracht wordt, een harde en moeilijk begrijpbare leer is, en je zult ondervinden dat velen zich er aan zullen stoten!

[5] Ik wil geen ongeluksprofeet zijn, maar ik zeg je toch, dat je daarmee bij de verheven Joden niet zult bereiken, wat je bij ons, ondanks onze veelvuldige domheden, bereikt hebt. Wij geloven nu, ook al lijkt het nog of we dromen; maar de grote Joden zullen jullie niet op die manier geloven! Ze zullen tekenen eisen en je vervolgens ook nog vanwege de tekenen vervolgen; wij vroegen echter geen tekenen van jullie, ondanks dat deed je ze vrijwillig.

[6] Wij geloven jullie niet vanwege de tekenen, die voor een deel ook wel door mensen gedaan kunnen worden, maar wij geloven zuiver vanwege de leer, omdat je die aan óns uitgelegd hebt! Je kunt daarom beter bij 'ons blijven, want bij de hoge Joden en Grieken zal het slecht voor jullie aflopen!



45 Niet iedereen kan de Heer lichamelijk volgen
[I] Nathánaël zegt: 'Tot hiertoe moest ik met u spreken, het verdere ligt geheel in de hand van de Heer. Wat hij wil, dat zullen ook wij willen en doen. Want wij zijn allen geestelijk nog zeer arm; daarom moeten wij bij Hem blijven, opdat het hemelrijk ons deel wordt. Wij willen met de Heer ook elk leed en iedere vervolging dragen, opdat we door en in Hem de ware troost hebben. In Zijn naam willen wij zachtmoedig zijn in al onze gedachten, oordelen, wensen en begeerten, en in al ons doen en laten, opdat we echte bezitters van de ware voedingsbodem, de zuivere liefde Gods in onze harten, worden.

[2] Wij willen ook het land niet vermijden waar het hard en onrechtvaardig toegaat, wij moeten hongeren en dorsten naar de ware gerechtigheid; we hebben Hem toch bij ons, Die daarvan werkelijk voor eeuwig overvloedig kan geven!

[3] Wij willen zelf echter tegen iedereen, of hij nu rechtvaardig of onrechtvaardig tegen ons is, vol barmhartigheid zijn, opdat wij in des Heren ogen waardiger geacht worden voor de grote goddelijke barm­hartigheid.

[4] Wij willen dus overal, net als hier bij jullie, onze harten zo goed mogelijk vrij houden van iedere onzuiverheid, opdat de Heer niet van ons weggaat als wij Hem zien; want met een onrein hart kan men God niet naderen en in geest en waarheid Zijn aangezicht en de volheid van de wonderen van Zijn werken zien!

[5] Als we een rein hart hebben, moeten wij vreedzaam, geduldig en zacht tegen iedereen zijn, want een toornig hart kan nooit rein zijn, omdat de toorn steeds veroorzaakt wordt door de hoogmoedigheid. Is ons hart echter vreedzaam, dan kunnen wij Hem ook heel getroost als kinderen naderen, Hem, Die ons het kindzijn van God bracht, en ons leerde tot God als onze Vader Zelf te bidden.

[6] Mochten wij naar uw mening, voor onze beslist rechtvaardige zaak in andere landen en oorden vervolgd worden, dan heeft dat niets te betekenen, mijn vriend, want wij hebben Hem toch, en door Hem de hemel der hemelen! Dus zijn wij hier al gelukkig, overgelukkig, of de mensen nu van ons houden of ons verachten en ons om Hem vervolgen, want Hij is een Heer over allen en over alles! Want Hem, die alle hemelen gehoorzamen en voor Wiens dienst zij steeds klaar staan, zoals wij gisteren en daarvoor al hebben gezien, Die dienen ook wij in alles, en dat alleen al is voor ons het hoogste loon en de hoogste eer! Maakt u zich dus maar geen zorgen over ons, want wij weten en beseffen waar wij aan toe zijn!'

[7] De opperpriester was zeer verbaasd over deze vastbesloten taal en zei: 'Werkelijk, als men mij hier niet nodig had, en ik geen vrouwen kinderen had en nog een heleboel andere dingen, dan zou ik zelf met u meegaan!'

[8] Nathánaël zegt: 'Wij hebben echter vrouwen, kinderen en bezit verlaten en zijn Hem gevolgd, en ondanks dat, leven onze vrouwen en kinderen! Ik zeg u wat ik ervan denk: Wie uit liefde voor Hem in deze wereld niet alles, onverschillig wat, verlaten kan, die is Zijn genade niet waard! Of ik u hiermee beledig of niet, het is nu eenmaal zo! Want mijn hart geeft het mij in, en in het hart is alles waar als eenmaal de geest tot het levende denken in God daarin is ontwaakt. Hij heeft ons niet nodig, maar wij hebben Hem nodig.

[9] Heeft u Hem al ooit eens moeten helpen om de grote zon over de wijde horizon omhoog te heffen en haar hemelse licht over de hele aarde te verspreiden? Of heeft u ooit de boeien gezien, of soms gesmeed, waarmee de Heer de winden in toom houdt, of heeft u wel eens gezien hoe hij de bliksem en de geweldige donder en de zee in haar diepten vasthoudt? Wie kan zeggen, dat hij de Heer ergens bij heeft geholpen?! Maar als dat zo is, wie kan dan, als de Heer tot hem zegt dat hij Hem volgen moet, nog denken aan zijn vrouw, zijn kinderen, zijn bezit. En wie kan dan niet onvoorwaardelijk Hem volgen, de Heer van al het leven van alle hemelen en alle werelden, van Wie wij al zo lang hebben gehoopt dat Hij komen zou, en Die nu is gekomen, precies zoals alle profeten en aartsvaders het hebben voorspeld?!'

[10] Nu zegt de opperpriester: 'Was ik nu maar geen opperpriester, dan zou ik werkelijk doen, wat jullie allen hebben gedaan! Maar ik ben opperpriester, en omdat jullie nog slechts één dag bij ons zult blijven, zoals ik heb gehoord, ben ik voor deze zwakgelovigen zo onmisbaar als het oog bij het zien. Daarom zullen jullie wel begrijpen, dat ik niet direct voor mijn vrouw of mijn kinderen of voor mijn bezit hier moet blijven, maar vooral voor deze zwakgelovigen, die zich nog lang niet geheel los kunnen maken van de vanouds geleerde opvatting over de hoedanigheid van de Messias en over het doel van Zijn optreden. Het zal mij veel moeite kosten, maar wat kan ik anders?

[11] Ik geloof nu eenmaal vast, dat jullie Meester de beloofde Messias is; maar hoe staat dat met mijn gemeente?! Je hebt gezien, hoe al tijdens de prediking een aantal mensen weg ging! Die zijn vol boos ongeloof, en zullen dat nu ijverig verbreiden, en velen die hier nog zijn gebleven en gisteren vol geloof waren, zijn nu ook vol twijfel en weten niet, wat ze moeten geloven!

[12] Denk je mijn situatie eens in; wat zal ik, het orakel van al deze mensen, nu moeten doen! Maar als ik ze niet bekeer, dan blijven ze tot het einde der wereld alles wat je maar wilt, alleen niet datgene, wat ze moeten zijn. Zie je, dat is de voornaamste reden, waarom ik het beste hier kan blijven! En ik geloof dat de Heer me dat niet kwalijk zal nemen. Want al ben ik dan niet lijfelijk in Zijn gezelschap, dan ben ik toch altijd geestelijk daar, en ik zal Hem als een trouwe knecht en herder van Zijn kudde getrouwen geheel volgens Zijn hier verkondigde leer trachten te dienen, en ik meen dat Hij het daarmee eens zal zijn!'

[13] Ik zeg: 'Ja, zo is het volledig naar Mijn zin! Want voor Mij ben je in deze gemeente een ijverig werktuig, en je loon in de hemel zal evenredig groot zijn! Het is nu echter avond geworden, laten we daarom weer naar huis gaan! Het zij zo!'

[14] Na deze woorden gingen wij van de berg af naar huis. Maar, ondanks dat velen al eerder volongeloof en ergernis waren weggegaan, was er nog veel volk toen Ik de prediking had beëindigd.



46 Terug naar Sichar. De genezing van de melaatse
[1] Zoals al eerder werd aangeduid, bevonden we ons niet precies op het hoogste deel van de berg, maar vanwege de grotere en aangenamere ruimte meer beneden op de eerste hellingen, omdat veel volk uit de stad Mij gevolgd was, en ook omdat daaronder veeloude en al zeer zwakke mensen waren, die bij de aanmerkelijke hitte van de dag de top van de berg nauwelijks zouden hebben bereikt. Maar ondanks dat waren we toch tamelijk hoog en de stoet bewoog zich vrij langzaam, omdat veel slecht ziende mensen door de schemering het pad niet zo goed zagen.

[2] Terwijl we zo behoedzaam lopend van de berg af het vlakke land bereikten, lag daar aan de weg een mens bedekt met kwaadaardige melaatse plekken. Deze mens richtte zich zo snel mogelijk op, ging naar Mij toe, en zei met een klagende stem: 'O Heer, als U wilde, kon U me wel genezen! , Ik strekte direct Mijn hand over hem uit en sprak: 'Ik wil dat je genezen bent!' En de zieke was op datzelfde ogenblik genezen van zijn melaatsheid; alle zwellingen, schurftige plekken en huidschilfers verdwenen plotseling. Het was een hele erge melaatsheid, die door geen dokter te genezen was; het volk zag het dan ook als een groot wonder, dat deze man zo plotseling van zijn melaatsheid werd genezen.

[3] De genezen man wilde Mij nu luidkeels gaan bejubelen; Ik waar­schuwde hem echter ernstig en zei: 'Ik zeg je dat je het voorlopig aan niemand zegt, behalve aan de opperpriester! Ga naar hem toe, hij loopt achter ons bij Mijn leerlingen! Als hij zal hebben bevestigd, dat je genezen bent, ga dan naar huis, pak daar de gave die Mozes heeft voorgeschreven en offer die op het altaar!'

[4] De genezene deed dadelijk, wat Ik hem had aangeraden. De opper­priester verbaasde zich ook buitengewoon en zei: ' Als een dokter tegen mij gezegd zou hebben: 'Kijk deze mens zal ik gezond maken!', dan zou ik danig hebben gelachen, en dan zou ik hebben gezegd: 'Wel, zot, ga naar de Eufraat en probeer die leeg te scheppen! Als je één emmer hebt geschept, dan krijg je er honderdduizend voor in de plaats; maar toch zal het je makkelijker vallen de Eufraat droog te leggen, dan deze mens gezond te maken, want zijn vlees is al bijna helemaal vergaan!' En deze Mens, waarvan wij nu geloven dat Hij de Messias is, gelukte dat door een enkel woord! - Waarlijk, dat is voor ons voldoende! - Hij is in alle opzichten de Christus! - Wij hebben nu geen verdere getuigenissen meer nodig.

[5] Heus, als iemand mij nu om een rok vraagt, dan geef ik hem niet alleen de mantel erbij, maar ook mijn hele voorraad kleren! Werkelijk, voor die prijs geef ik nu tot op mijn hemd alles weg, en ik zie nu in, dat Zijn leer puur goddelijk is! Ja, nu is Hij Zelf als Jehova in levende lijve bij ons! Wat willen we nu nog meer?! De hele nacht wil ik voor heraut spelen en Zijn aanwezigheid in alle straten en stegen verkondigen!'

[6] Na deze woorden, juist in de buurt van de bron, loopt hij naar Mij toe, valt voor Mij neer en zegt: 'Heer wacht even, opdat ik U aanbidden kan; want U bent niet alleen Christus, een zoon van God, maar U bent God Zelf, Die in vleselijke gedaante bij ons is!'

[7] Ik zeg: 'Vriend, laat dat nu maar! Ik heb jullie toch laten zien, hoe je moet bidden; bid daarom in stilte, dat zal voldoende zijn! Doe vandaag niet te veel en vervolgens morgen des te gemakkelijker te weinig! Men moet alles met mate doen! Als je bij de rok ook de mantel voegt, dan is dat voldoende om voor altijd de arme tot een goede vriend te maken; als je hem echter, terwijl hij slechts een rok vroeg, je hele voorraad kleren zou geven, dan zal hij verlegen worden en bij zichzelf denken dat je hem vernederen wilde of dat je zelf niet goed bij je hoofd was. En je begrijpt wel, dat er dan niets goeds uit voortkwam!

[8] Als iemand je echter om een zilverling vraagt, en je geeft hem er dan twee of ook wel drie, dan zal je het hart van degene die van je leent, blij maken en dat van jezelf zalig; als je echter degene, die naar je toe kwam om een zilverling te lenen, er zo maar duizend geeft, dan zal hij schrikken en bij zichzelf denken: 'Wat heeft dat te betekenen? Ik vroeg om één zilverling en nu wil hij mij zijn hele bezit geven?! Houdt hij mij dan voor zo hebzuchtig, wil hij mij vernederen, of is hij helemaal gek geworden?' En zie, zo'n mens zal geen winst voor jouw hart zijn en jouw handelwijze zal net zo min een winst voor zijn hart zijn! Dus alleen maar in alles een goede volle maat houden, en dan voldoet het volkomen!'

[9] Met deze les is de opperpriester helemaal tevreden gesteld en hij zegt tegen zichzelf: 'Ja ja, Hij heeft in alles gelijk! Precies dat doen wat Hij heeft gezegd, is het allerbeste; wat daaronder of daarboven is, is slecht of dom. Want als ik nu alles weggaf, en er kwam morgen iemand voor mijn deur die nog behoeftiger was, wat zou ik die dan willen geven? Hoe hard en zwaar zou het mij om het hart worden, want ik zou dan de nog armere geen hulp meer kunnen bieden.

[10] De Heer heeft in alle dingen volkomen gelijk en weet overal de beste maat van aan te geven; Hem alleen zij daarom alle eer, alle prijs en roem en de hoogste aanbidding uit alle harten!'



47 Bij Irhaël. Iedere heer heeft dienaren
[1] Inmiddels komen wij bij het huis van Irhaël en Joram aan, waar alles al net als de dag ervoor, maar nu veel rijkelijker, voor het avondmaal voorbereid is. In de hal van het huis willen nu veel mensen uit Sichar, die op de berg waren, afscheid nemen, maar een aantal witgeklede jongemannen nodigt hen direct al uit voor het avondmaal.

[2] De opperpriester, die bijzonder verwonderd is over het grote aantal schone jongemannen en vooral over hun grote minzaamheid, vriende­lijkheid en menselijkheid, komt dadelijk naar Mij toe en vraagt nu vol deemoed: 'Heer vertel mij toch alstublieft, wie zijn deze heerlijke jon­gemannen? Er is er beslist niet één ouder dan zestien, en toch verraden ze met ieder woord en iedere beweging, dat ze buitengewoon beschaafd zijn! Zeg mij toch, waar ze dan wel vandaan zijn gekomen en tot welke school ze behoren! Wat hebben ze een mooi figuur en wat zien ze er goed doorvoed uit. Hun stem klinkt zo prettig en zo echt hartverkwikkend! Daarom Heer, zeg, toe zeg het mij, wie zijn deze jongemannen en waar komen ze vandaan!'

[3] Ik zeg: 'Heb je dan nooit gehoord, dat er al van ouds her wordt gezegd: 'ledere heer heeft zijn dienaren en knechten!' Jij noemt Mij nu Heer, en dan is het dus passend, als ook Ik Mijn dienaren en knechten heb! Dat ze zeer beschaafd zijn getuigt ervan, dat hun Heer een wijze en liefdevolle heer moet zijn. De wereldse heren zijn harde en liefdeloze mensen en dus zijn hun dienaren net eender. Maar de Heer, Die een hemelse Heer is, en nu naar de aarde in de harde mensenwereld kwam, Die heeft Zijn dienaren ook vanwaar Hij gekomen is, en de dienaren lijken op Hem, omdat ze niet alleen Zijn dienaren, maar ook kinderen van Zijn wijsheid en liefde zijn. Heb je Mij goed begrepen?'

[4] De opperpriester zegt: 'Ja Heer, voor zover men tenminste Uw zeer gedenkwaardige beeldspraak kan begrijpen. Er is weliswaar nog veel te vragen om deze zaak geheel te verstaan, maar dat laat ik voor dit moment achterwege en ik hoop, dat daarvoor vandaag nog ruim gelegenheid zal komen.'

[5] Ik zeg: 'O zeker! Laten we nu echter aan het avondmaal gaan, want alles staat klaar!'

[6] Al het volk dat geloofde, at mee; slechts een nog ongelovig deel ging naar huis, want dat dacht, dat het een valstrik was. Dat kwam, omdat het merendeels geïmmigreerde Galileeërs waren, waaronder velen uit Nazareth, die Mij kenden en ook Mijn leerlingen, die ze vaak op de vismarkt hadden gezien. Zij zeiden ook tegen de inheemse Samaritanen: 'Wij kennen hem en zijn leerlingen; hij is timmerman van beroep en zijn leerlingen zijn vissers. Hij was bij de Essenen in de leer, en die zijn goed bedreven in allerlei kunsten, in de heelkunde en in buitengewone toverij. Dat heeft hij daar geleerd, en nu oefent hij zijn perfect geleerde kunst uit om de Essenen een grote aanhang en veel inkomen te verschaffen. Deze jon­gemannen zijn verklede en door dezelfde Essenen in de Kaukasus gekochte en welopgevoede meisjes; die konden wel eens de grootste aantrekkings­kracht uitoefenen! Wij laten ons echter niet zo gemakkelijk verlokken, want we weten dat met de God van Abraham, Isaäk en Jacob volstrekt niet te spotten is. Maar voor de Essenen, die zo ongeveer van mening zijn dat hun voorvaderen de wereld geschapen hebben, is het gemakkelijk te spotten met wat voor hen niet bestaat. Zolang wij aan een God van Abraham, Isaäk en Jacob geloven, hebben we die Esseense goocheltrucs niet nodig; en mocht het zijn, dat we ooit ons geloof verliezen, dan zullen de Essenen met hun slimme afgezanten zeker niet in staat zijn om dat te vervangen, maar dan zouden ze maken dat we pure Sadduceeën werden, die in geen opstanding en eeuwig leven geloven. Daarvoor behoede ons Jehova!' Met zulke opmerkingen gaan ze naar huis terug.

[7] Ik en een groot deel van die ons gevolgd zijn, voornamelijk Sama­ritanen, zetten ons aan de maaltijd en laten ons na gedane arbeid goed verzorgen en laten ons bedienen door de engelen; want Ik werkte ook daar in een woestijn en er staat geschreven: 'Toen de satan zich terug moest trekken, kwamen de engelen tot Hem en dienden Hem.'

48 Heerlijke belofte voor daadwerkelijke volgers
[I] Maar weinigen van degenen die aan tafel zaten, wisten, dat ze door engelen met voedsel uit de hemel bediend werden. Ze dachten echt, dat Ik zulke bedienden in Mijn gevolg had, en deze in Klein-Azië voor geld gekocht had. Alleen begrepen ze hun grote opgewektheid en vriendelijkheid en fijne beschaving niet; want zulke lijfeigenen trokken gewoonlijk zure gezichten en verrichtten hun diensten zuiver slaafs als machines, en van beschaving en menselijkheid was bij hen gewoonlijk geen sprake. Kortom, de gasten hadden het zeer naar hun zin en de opperpriester, die nu steeds meer inzag, dat deze vele dienaars bovenaardse wezens waren, begon steeds meer, zoals men wel zegt op hete kolen te zitten, omdat hij er zich voor schaamde, dat het volk zich wel keurig, maar toch te amicaal, met deze heerlijke dienaren onderhield.

[2] Het meest schaamde hij zich voor dat deel, dat ondanks alle tekenen uit de wijd geopende hemel, ongelovig naar huis liep. Met een benauwd gemoed zei hij: 'Mijn Heer en Mijn God! Waardoor kun je zulke mensen nu nog laten geloven, als zulke tekenen geen uitwerking hebben! Uzelf, o Heer, en de vele engelen uit de open hemelen, waren niet in staat dit gespuis te bekeren; wat zal ik arme sukkel nu met ze doen? Zullen ze mij niet in m'n gezicht spuwen, als ik de moed zou hebben, om ze Uw leer te onderwijzen?'

[3] Ik zeg: 'Je hebt toch ook een groot aantal gelovigen om je heen; maak hen tot je helpers, dan zal het gemakkelijker gaan. Want als er ergens een mens is, die een grote last moet optillen en daar alleen niet sterk genoeg voor is, dan neemt hij een helper. Gaat het met die ene nog niet, dan neemt hij een tweede en een derde daarbij en wordt op die wijze de last de baas. Als er al een dergelijk groot aantal gelovigen is, en hier is dat zelfs iets groter dan het aantalongelovigen, dan is daar het werk licht.

[4] Geheel anders staat het er voor in zulke plaatsen, waar helemaal geen gelovigen wonen! Wel moet men er een poging wagen, zodat zich niemand daar kan verontschuldigen door te zeggen: 'Ik heb er nooit een woord over gehoord.’

[5] Als er een gelovige is, blijf dan bij hem en openbaar hem het rijk van Gods genade! Als echter ook niet één het woord aanneemt, ga dan verder en schud op zo'n plaats ook het stof van je voeten, want zo'n plaats is verder geen genade waard, behalve de genade, die aan de dieren des velds en aan de bossen wordt gegeven. Dit is de manier waarop je je verder tegenover al de ongelovigen moet gedragen!

[6] Maar Ik waarschuw je, dat je zelf vast moet blijven geloven, anders zul je voor Mijn rijk maar weinig kunnen bereiken! Laat je niet op een dwaalspoor brengen door allerlei mededelingen, die je binnen enige jaren uit Jeruzalem over Mij zult ontvangen! Want Ik zal daar aan het gerecht worden overgeleverd, en zij zullen Mijn lichaam doden, maar op de derde dag zal Ik het weer levend maken, en op die wijze tot aan het einde der wereld bij en onder jullie blijven! Want het gespuis in Jeruzalem zal pas dan geloven, als het ervan overtuigd is dat Ik niet te doden ben!

[7] En daarna zal het ook op verschillende plaatsen van de aarde zo zijn, dat de halstarrige mensen de verkondigers van het evangelie licha­melijk zullen doden. Maar juist zo'n dood zal hen gelovig maken, omdat ze daardoor zullen zien, dat al degenen, die hun geestelijk leven gebaseerd hebben op Mijn woord, nooit gedood kunnen worden! Want de gedoden zullen bij hun respectievelijke leerlingen terugkomen en ze zullen hen Mijn wegen leren!

[8] Maar naar de harde wereldse mensen, die geen geloof hebben of, als ze al geloof hebben, desondanks niet handelen zoals het geloof hen leert, zullen noch Ik noch Mijn leerlingen komen om de duisternis van de twijfel volledig uit hun hart weg te nemen. Wanneer het eind voor hun vlees komt zullen ze het kwaad van hun ongeloof en de gevolgen van het miskennen van Mijn leer daadwerkelijk voelen, terwijl degenen, die door hun daden laten zien dat ze geloven, de vleselijke dood niet, zullen voelen en beleven!

[9] Want als Ik de deuren van hun vlees voor hen open, zullen ze hun: vlees verlaten, net als gevangenen, die door de goedheid van hun meesters hun kerkers mogen verlaten. :

[10] Laat je dus nooit iets wijsmaken als er het een of ander over Mij, verteld wordt! Want degene, die tot aan het eind toe trouw en onverstoord blijft in het geloof en in de liefde, zoals Ik dat verkondig en verkondigd heb en voortdurend verkondigen zal, die zal zalig worden in Mijn eeuwig: rijk in de hemelen, dat je nu boven je geopend ziet, terwijl Mijn engelen opstijgen en neerdalen!'



49 Iedere dag is van de Heer
[1] De opperpriester zegt: Ik ben nu op het goede spoor en hoop dat dit plaatsje dat binnenkort ook zal zijn. Maar veroorloof mij nog één vraag en deze vraag is de volgende: Moeten wij nu nog de berg en Uw oude huis eren en daar Uw sabbat heiligen, of moeten wij nu hier een huis gaan bouwen, waarin wij ons in Uw naam zouden kunnen verzamelen? Als dit laatste Uw wil zou zijn, zou U ons dan morgen een passende plaats aan willen wijzen, een die U het beste aanstaat, dan zullen wij alles doen om Uw wensen ook daarin te vervullen!'

[2] Ik zeg: 'Vriend, Ik heb je vandaag op de berg verteld, waaraan jullie het meeste behoefte hebben.

[3] Om daaraan te voldoen, heb je noch het oude huis op de berg en nog minder een nieuw in de stad nodig, maar alleen je gelovige hart en je vaste goede wil."

[4] Toen Ik gisteren hierheen kwam en rustte aan Jacobs bron en daar Irhaël ontmoette, vroeg zij Mij ook, toen ze Mij beter leerde kennen, waar men God aanbidden moest, op de Garizim of te Jeruzalem in de tempel. Laat haar zeggen wat Ik daarop ten antwoord gaf!'

[5] Hier wendt de opperpriester zich tot Irhaël en zij zegt: 'Dit zei de Heer tegen mij:

[6] 'Er komt een moment en het is er al, dat de echte aanbidders van God noch op Garizim, noch in de tempel te Jeruzalem zullen aanbidden! Want God is een geest, en degenen, die Hem aanbidden, moeten Hem in de geest en de waarheid aanbidden!' Dat zei de Heer; u bent een opperpriester en zult nu wel weten, wat er gedaan moet worden!

[7] Ik ben van mening: Als de Heer ons allen reeds eenmaal de overgrote genade bewees om in dit huis te verblijven, dat met mijn, maar Zijn huis is en blijven zal, dan zal dit huls daardoor voor altijd een zeer gedenkwaardig huis blijven, en wij wensen ons daarin altijd in Zijn naam te verzamelen en daarin tot Zijn eer de sabbat te heiligen!'

[8] De opperpriester zegt: ' Ja, ja, je hebt wel gelijk, als wij allemaal al gelovigen zouden zijn, maar men moet toch een beetje rekening houden met de zwakken! Die zouden zich daaraan nog meer stoten.'

[9] Ik zeg: 'Irhaël heeft gelijk! Wie zich stoot, die moet zich dan maar stoten en moet dan maar zijn berg beklimmen! Als hij daar niets meer zal vinden, dan zal hij vanzelf wel iets beters gaan bedenken.

[10] In het vervolg moeten jullie geen bedehuizen voor Mij bouwen, maar onderdak en eetgelegenheden voor armen, die daar niets aan jullie hoeven te betalen !

[11] In de liefde tot de arme broeders en zusters zullen jullie Mijn echte aanbidders zijn, en Ik zal in zulke bedehuizen vaak bij jullie zijn, zonder dat je het di rekt zult merken; maar in de tempels, die, zoals dat tot op heden het geval was, speciaal voor de lippendienst gebouwd zijn, zal Ik van nu aan net zo min wonen, als het verstand van de mens in zijn kleine teen.

[12] Als je echter toch in een grootse tempel je hart voor Mij wilt openstellen, en daar klein wilt zijn voor Mij, ga dan naar buiten in de ruime tempel van Mijn scheppingen, en zon, maan en sterren en de zee, de bergen, de bomen en de vogels in de lucht, zowel als de vissen in het water en de talloos vele bloemen op de velden zullen je Mijn eer verkondigen!

[13] Wat denk je, is de boom niet heerlijker dan alle pracht van de tempel te Jeruzalem?! De boom is een puur werk van God, hij leeft en geeft een vrucht als voedsel. Maar waartoe is de tempel in staat? Ik zeg u allen: alleen maar tot hoogmoed, toorn, nijd en de schreeuwendste naijver en heerszucht, want hij is niet het werk van God, maar slechts een ijdel mensenwerk!

[14] Waarlijk, Ik zeg u allen: Wie Mij eert en liefheeft en Mij aanbidt, doordat hij in Mijn naam goed doet aan zijn broeders en zusters, die zal in de hemel zijn eeuwig loon krijgen; Wie Mij echter van nu af aan door allerlei ceremonieën in een speciaal daarvoor gebouwde tempel zal vereren, die zal ook zijn loon hier op aarde van de tempel krijgen! Als hij echter na de vleselijke dood tot Mij zal komen en zal zeggen: 'Heer, heer, wees mij, Uw dienaar, genadig!', dan zal Ik tegen hem zeggen: 'Ik ken je niet, ga daarom bij Mij vandaan en zoek je loon bij degene, bij wie je in dienst was!' Dit is de reden waarom ook jullie je verder met geen tempel meer moeten bemoeien!

[15] Maar in dit huis mogen jullie tot Mijn gedachtenis steeds bijeenkomen, hetzij op de sabbat of op een andere dag; want iedere dag is van de Heer, niet alleen de sabbat, waarop je in het vervolg net als op de andere dagen ook goede dingen moogt doen!

50 De naastenliefde kent geen rustdag
[1] Het is de beste heiliging van de sabbat, als je op die dag meer met al het goede bezig bent dan op een andere dag!

[2] Alleen de slavenarbeid, waarmee Ik het werken voor geld en werelds loon bedoel, moet je voortaan niet op een doordeweekse dag en evenmin op een sabbat verrichten! Want van nu af aan moet iedere dag voor jullie een sabbat, en iedere sabbat een volle werkdag zijn! Hiermee heb je nu, Mijn vriend, de algehele regel, die aangeeft hoe je God in de toekomst moet dienen! - En daarbij blijft het!'

[3] De opperpriester zegt: 'Ik zie nu wel heel duidelijk de heilige waarheid in deze regel, die ik graag als wet aanneem, maar het zal bij de wettische Joden heel wat voeten in de aarde hebben, vóór hen deze regel, die uit de puur goddelijke wil komt, helder en volgens de diepe waarheid die er in zit, begrijpelijk wordt! Ik ben van mening, dat er zeer velen deze regel tot aan het einde van de wereld niet zullen aannemen. Want de mensen zijn al sinds de oertijd te zeer aan de sabbat gewend en zullen zich die niet af laten nemen. O dat, dat zal zeker heel veel moeite en werk geven!'

[4] Ik zeg: 'Maar het is toch ook helemaal niet nodig, dat de sabbat geheel opgeheven wordt; alleen maar het dwaze van de sabbat! God de Heer heeft onze dienst en onze eer niet nodig, want Hij heeft de wereld en de mensen zonder enige vreemde hulp geschapen en verlangt van de mensen slechts, dat ze Hem erkennen en met al hun krachten zullen liefhebben, en dat niet alleen op de sabbat, maar dag in dag uit zonder onderbreking!

[5] Wat is dat dan voor godsdienst, als je alleen op de sabbat aan God denkt en gedurende de week nooit?! Is God dan niet iedere dag dezelfde onveranderlijke God? Laat Hij niet iedere dag, of het sabbat of werkdag is, Zijn zon opgaan en haar licht geven aan rechtvaardigen en onrecht­vaardigen, waarvan er altijd veel meer zijn dan rechtvaardigen?

[6] Werkt God niet Zelf dag in dag uit? Als de Heer Zichzelf echter geen rustdag gunt, waarom zullen de mensen zich dan rustdagen gunnen, alleen terwille van het niets doen? Want ze doen op hun sabbat niets zo precies als zorgen, dat er niets gedaan wordt! Daarmee bewijzen ze God echt wel de slechtste dienst!

[7] Want God wil, dat de mensen voortdurend en steeds frequenter er aan zullen wennen om de liefde te beoefenen om te zijner tijd in het andere leven tot alle werk en moeite in staat te zijn, en alleen daarin de ware en hoogste zaligheid te zoeken en te vinden! Zouden de mensen door niets doen in staat zijn, dat ooit in zich zelf te ontwikkelen?! Ik zeg je: Nooit of te nimmer!

[8] Tijdens de werkdag oefent de mens zich, ondanks dat hij werkt, alleen maar in de zelfzucht; want hij werkt dan voor zijn vlees en noemt dat het zijne, wat hij aan goederen en geld met werken verdient. Wie het verdiende van hem wil hebben, moet het van hem kopen, hetzij door arbeid of met geld, anders krijgt hij van niemand Iets van enige betekenis. Als de mensen nu op de werkdagen alleen voor hun zelfzucht zorgen en op de sabbat, de enige dag waarop ze zich in de werken der liefde moeten oefenen, tot de starste leegloperij gedwongen zijn, dan vraagt men zich in alle ernst af, wanneer de mensen zich dan wel in de echte godsdienst oefenen moeten of oefenen mogen, als je beseft, dat die dienst alleen maar bestaat uit het liefdevol helpen van je naaste!

[9] God neemt Zelf geen ogenblik rust, maar is altijd door voor de mensen bezig en nooit voor Zichzelf, want Hij heeft voor Zichzelf noch een aarde, noch een zon, een maan en al de sterren nodig en alles wat daarin is en daaruit voortkomt. Dat heeft God allemaal niet nodig; maar al de geschapen geesten en mensen hebben dat nodig, en de Heer is dus alleen voor hen, altijd maar door onafgebroken bezig.

[10] Maar als de Heer, Wiens werk iedere dag gelijk is, al maar door voor de mensen bezig is, en wil dat de mensen als Zijn kinderen in alles aan Hem gelijk zullen zijn, hoe kan Hij dan ooit hebben gewild, dat de mensen na zes dagen van zelfzucht, Hem op de zevende dag heel welgevallig door starre leegloperij zouden dienen, en Hem, die altijd bezig is, eren door de traagheid?!

[11] Tegen jou, als opperpriester, zeg Ik dit nu in duidelijke taal, opdat je in het vervolg -goed wetend, wie Degene is, Die dit nu tegen je gezegd heeft - aan je gemeente de sabbat in een beter licht zult laten zien dan het sedert Mozes tot op dit uur het geval was! Want net zoals Ik je nu onthulde wat de sabbat is, zo is het aan Mozes ook gezegd, maar het volk heeft dit maar al te snel veranderd in een heidense leegloperij, en het meende God een aangename dienst te bewijzen door het nietsdoen, en door diegene te bestraffen, die het bij tijden waagde om ook op de sabbat een klein werkje te doen, of een zieke een heilzame dienst te bewijzen. O wat een grote blindheid, o wat een zeer grove dwaasheid!'

[12] De opperpriester zegt vol wroeging over deze waarheid: O wat een heilige pure waarheid komt er uit Uw mond! Ja, nu is mij alles duidelijk! Nu pas hebt U, o Heer, de drievoudige doek van Mozes geheel van mijn ogen weggenomen! Nu, o Heer, zijn er geen tekenen meer nodig, want hier is Uw heilige ware woord alleen voldoende! En ik verklaar nu uit volle overtuiging, dat van nu af aan, al degenen, die U geloven vanwege de tekenen en niet vanwege het ware woord, geen echt levend geloof hebben en slechts trage en machinale uitvoerders van Uw leer en Uw heilige wil zullen zijn. Bij ons zal het echter anders zijn! Niet de tekenen, die wij tijdens Uw aanwezigheid ontvingen, maar alleen Uw heilige ware woord zal in onze harten de bron zijn voor het echte levende geloof en de totale liefde voor U en uit U, en, terwille van U, zal het ook de bron zijn voor de juiste hoeveelheid liefde voor alle mensen. En verder geschiede alleen Uw heilige wil, die U, o Heer, ons nu zo overduidelijk en voor eeuwig waar hebt meegedeeld!'



[13] Ik zeg: ' Amen! Ja, beste vriend en broeder, zo is het waar en goed! Want alleen zo zullen jullie volmaakt kunnen worden, zoals de Vader in de hemel volmaakt is. Als jullie echter zo volmaakt zijn, dan zijn jullie ook waarachtige kinderen van God en kunnen jullie Hem altijd aanroepen met: 'Abba, onze Vader!' En waar je Hem als Zijn echte kinderen om zult vragen, dat zal Hij je geven, want de Vader is zeer goed en geeft Zijn kinderen alles wat Hij heeft! Eet en drinkt nu, want het eten hier is niet van deze aarde, maar de Vader zendt het je uit de hemel en Hij is Zelf nu bij je!'

51 Het 'Evangelie van Sichar'
[I] De opperpriester zegt: 'Heer, gaan we nu nogmaals eten? Hoewel we tijdens het eten voortdurend over allerlei onderwerpen hebben ge­sproken, hebben we aan het begin van het avondmaalons direct gesterkt met spijs en drank! Ik ben helemaal verzadigd en kan niets meer eten of drinken.’

[2] Ik zeg: ' Je hebt gelijk, want je zit vol eten en kostelijke wijn uit de hemel. Maar er zijn er hier nog veel, die niet durfden te eten of te drinken, want Mijn naam en Mijn woord zei hen nog niets, en ze waren bang dat er hekserij in het spel was. Maar nadat ze ons gesprek aangehoord hadden en daaruit het volle licht der waarheid zagen schijnen, verdween hun dwaze angst, en honger en dorst kwamen daarvoor in de plaats. Nu willen ze graag eten, maar durven niet van louter ontzag. Denk je, dat we ze nu zo moeten laten gaan? Beslist niet! Ze moeten nu echt naar hartelust eten en drinken! Want hierna zullen ze pas weer uit deze keuken eten en drinken, als ze in Mijn rijk in de hemel zijn!'

[3] Na op deze wijze tekst en uitleg te hebben gegeven, spoorde Ik de aanwezigen nogmaals aan om te eten en te drinken, en Ik zei tegen de jongemannen: 'Laat het hen aan niets ontbreken!' - En de jongemannen brachten opnieuw een behoorlijke hoeveelheid brood en wijn en allerlei heerlijke vruchten.

[4] Er waren er echter, die niet wisten of ze de vruchten, die ze niet kenden, wel eten mochten. Toen zeiden de jongemannen: 'Beste broeders! Eet al deze vruchten maar gerust, want ze zijn rein en smaken overheerlijk! Er zijn op aarde een aantal vruchten en grassen en dieren, die in hun groei geholpen worden door onreine geesten, omdat dat zo ingepast is in de goddelijke ordening, want ook duivels moeten de Heer dienen, hoewel dat tegen wil en dank gaat! Want zoals een geketende slaaf zijn heer moet dienen, zo moeten ook de duivels hun diensten verlenen; maar er rust geen zegen op dit werk!

[5] En zo zijn er op de aarde, waarop mensen en dieren en duivels meer dan eens onder een dak wonen en daar ieder op hun manier werken, niet zelden allerlei daden, werken en vruchten, die in hun aard en wezen slecht en onrein zijn. De mensen kunnen zich hier beter afzijdig van houden, als ze verschoond willen blijven van al het mogelijke kwade van de aarde.

De Heer heeft daarom door Zijn knecht Mozes vast laten stellen, wat rein en goed is, en de Heer heeft de mensen het gebruik van onreine dingen, waaraan ook boze geesten werken, ontraden, - en dat is een voortreffelijk voorschrift. Maar alles wat u hier wordt aangeboden om van te genieten, is rein, omdat het voor u op zo'n wonderbare manier uit de hemel hierheen werd gebracht, daarom kunt u zonder bezwaar van alles genieten! Want wat de Vader uit Zijn hemel geeft is rein en goed, en helpt het leven van de ziel en de geest eeuwig vooruit.'

[6] Dit onderricht van de kant van de wijze jongemannen deed alle gemoederen goed, en allen loofden God voor hun vriendelijke wijsheid. Deze les werd later ook nog door sommigen uit het geheugen opgeschreven, en nog veel jaren in deze stad en omgeving in ere gehouden.

[7] Toen later echter allerlei vijanden deze stad en omgeving erg havenden, ging er veel verloren en ook deze les, waarover Paulus in zijn brieven met nogal mystiek aandoende woorden spreekt, als hij het over 'allerlei geesten' heeft.

[8] Het hele grote gezelschap was nu goed geluimd en de gesprekken gingen al gauw over Mij, over Mijn leer en over deze maaltijd uit de hemel, en de jongemannen bespraken ook veel dingen met de gasten.

[9] Maar Nathánaël ging staan en zei tegen de gasten: 'Beste vrienden en broeders! Nog maar een paar maanden geleden was ik visser in de omgeving van Bethabara aan de rivier de Jordaan, niet ver van diens uitmonding in zee, toen er een heel onopvallende man bij Johannes kwam en zich door hem liet dopen. Zonder dat Johannes Hem ooit persoonlijk op aarde gezien had, begon hij direct over Hem te getuigen, en hij zei: 'Zie het lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt!' En Johannes getuigde nog meer en zei: 'Deze is het, van Wien ik gezegd heb: Hij, die vóór mij was, en ná mij komt, en Wiens schoenriemen ik niet waard ben los te maken!'

[10] Ik hoorde dit getuigenis van de prediker in de woestijn en moest er diep over na denken, en ik ging daar weg en vertelde het thuis aan mijn vrouwen mijn kinderen, en deze waren erg verwonderd dat de boeteprediker zo over een mens getuigde!

[11] Want je kon heel moeilijk met de prediker praten, en als hij wat zei, waren zijn woorden nogal ruwen hij spaarde niemand, of het nu Farizeeën, priesters of levieten waren; iedereen hekelde hij met zijn vlijmscherpe tong!

[12] Maar toen Hij kwam, Die nu onze Heer is, werd Johannes zo mak als een lam en sprak zo teder, als het zingen van een leeuwerik in de lente! Kort en goed, mijn familie geloofde bijna niet wat ik verteld had, want ze was te goed bekend met de manier waarop Johannes gewoonlijk sprak.

[13] Twee dagen daarna ging ik echter vrij vroeg aan mijn dagelijkse werk, ik zat onder een boom en repareerde mijn visgerei. Toen kwam Dezelfde, waarover Johannes dat tedere getuigenis had gegeven, in gezelschap van enigen die Hem volgden, naar mij toe, riep mij bij mijn naam en zei dat ik Hem moest volgen. En toen ik mij afvroeg, hoe Hij mij kende, omdat ik Hem nog nooit eerder had gezien, zei Hij: 'Verbaas je daar maar niet al te veel over , want je zult nog verbazingwekkender dingen beleven! Vanaf nu zul je de hemel geopend zien en de engelen boven de Zoon des mensen zien opstijgen en neerdalen!'

[14] En zie, wat de Heer toen tegen mij heeft gezegd, wordt hier nu op een heerlijke manier werkelijkheid! Alle hemelen zijn geopend en de engelen dalen neer en bedienen Hem en ons allen. Wat voor overtuigender bewijs hebben we nu nog nodig om te bewijzen, dat Hij alleen Degene is Die komen zal volgens de voorspelling, die reeds vanaf Adam tot op heden aan alle kinderen Israëls is gedaan?! Ik denk echter, dat Hij meer is dan de Messias! Hij is -,

[15] Hier onderbreek Ik hem en zeg: 'Mijn beste vriend en broeder, voorlopig tot hier toe en niet verder! Pas als dit vlees door de Joden verhoogd zal worden, kun je alles watje van Mij weet zonder terughouding zeggen, maar niet eerder, want de mensen kunnen dat nog niet begrijpen!'

[16] Nathánaël stelde zich hiermee tevreden, maar begreep toch niet goed, wat Ik bedoelde met de verhoging van Mijn vlees, en er waren er veel die dachten, dat Ik in Jeruzalem op de troon van David zou gaan zitten­. Maar de opperpriester begreep wel wat Ik bedoelde met de verhoging van Mijn vlees, maar hij zweeg en staarde treurig voor zich uit! Ik troostte hem en wees hem op wat Ik in dit opzicht al eerder met hem besproken had, en hij werd weer opgewekt en loofde Mij in zijn hart.

[17] Ondertussen kwam de ochtend van de volgende dag al in zicht. Maar niemand voelde zich vermoeid, en men had ook geen slaap, want allen waren zo verkwikt, als ze nog nooit eerder, ook niet na de beste nachtrust, waren geweest. Zij smeekten Mij daarom allemaal of ze deze hele dag bij Mij door mochten brengen. En Ik willigde hun vrome wens in.
Heer! Ik arme zondaar dank U voor deze eerste dag in Sichar, een stad, die op mijn innerlijk leek. J. Lorber

De volgende dag in Sichar

1   ...   5   6   7   8   9   10   11   12   ...   43

  • De volgende dag in Sichar

  • Dovnload 2.49 Mb.