Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Van de wolf en het lam

Dovnload 277.26 Kb.

Van de wolf en het lam



Pagina1/7
Datum14.03.2017
Grootte277.26 Kb.

Dovnload 277.26 Kb.
  1   2   3   4   5   6   7

VAN DE WOLF

EN

HET LAM


OVER DE WEG NAAR EEN GELUKKIGER LEVEN



AD HAANS

Bureau Pragmatekst

Westpoint 120

5038KG TILBURG

© Ad Haans 2005.

Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotocopie, microfilm of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.

MOTTO:


Als de ziel het huis van haar eigen wil

En het bed van haar eigen plezier verlaat,

Zal zij – naar buiten getreden –

God vinden.

Johannes van het Kruis

(Commentaar op het Geestelijk Hooglied, strofe 3)



INHOUD

0. INLEIDING 9


1. OVER FUNDAMENTELE MENSELIJKHEID 16
2. HET GODSBEELD VAN BLUYSSEN 26
3. HET MENSBEELD VAN KUITERT 40
4. DE KRACHT VAN HET NU 54
5. MEER DAN EEN MENS KAN DOEN 66
6. OVER ETTY HILLESUM EN ENKELE ANDERE

MYSTICI 76



7. IK EN JIJ 93
8. DE WEG VAN ECKHART 100
9. DE WIJSHEID VAN THOMAS A KEMPIS 108

INLEIDING
Laten we bij het begin beginnen. Hoe is het mogelijk dat de paradijselijke mens zijn heil verliest? Hoe is het mogelijk dat de door God geschapen wereld zo vol onheil komt, dat zij een dal van tranen kan worden genoemd? Hoe moeten we het paradijsverhaal met het gruwelijke plot van de erfzonde verstaan? Hoe kan een God die “zag dat alles goed was” het kwaad in deze wereld hebben toegelaten? Volgens het paradijsverhaal is de mens de bron van alle kwaad, maar die mens is slechts maaksel. Gaat de Maker dan vrijuit? Dat paradijsverhaal is voor mij overigens een pure mythe, evenals trouwens een Schepper-God, een hiernamaals, een hemel en een met lichaam en ziel daarin opgenomen Christus. Ik ken een man1 die geprobeerd heeft om binnen de evolutietheorie en binnen de geschiedenis van de mensheid naar een periode te zoeken waarin die mythe van de paradijselijke mens ooit werkelijkheid zou kunnen zijn geweest. Hij besteedde ruim twintig jaren van zijn leven aan een theorie over de erfzonde en aan een grondige studie van prehistorische grottekeningen en hij concludeerde uiteindelijk dat de erfzonde ná 10.000 v. Chr. moet hebben plaatsgevonden. Zo ver kan het geloof in een mythe een mens brengen.
Die man gelooft tevens in wat hij noemt: de ‘Onze Vader’-aard van elke mens. Samen met anderen noem ik die wezenskern liever de Boeddhanatuur of Christusnatuur van de mens. Elk mens heeft die diepe kern van humaniteit in zich, hoewel die bij sommigen zeer diep verstopt ligt onder het puin van de egocentriciteit. Het is voor mij evident dat de ik-gerichtheid van de mens, oftewel zijn egostreven, de bron is van alle kwaad, van alle menselijk kwaad althans. Er is natuurlijk ook nog het kwaad van natuurrampen en ziektes waardoor mensen vreselijk kunnen lijden, maar dat is van een heel andere aard. De mens heeft de egocentrische neiging om zichzelf in al zijn reflecties als het centrum van zijn omgeving te beschouwen en tevens om al het ik grondig af te zonderen van al het niet-ik. Ik denk in dit verband graag aan het prachtige boek van Martin Buber: ‘Ich und Du’. De egocentriciteit van de mens is zijn noodlot, zij is de aan zijn lichamelijkheid verbonden erfzonde.
Hele kleine kinderen en dieren hebben nog een onbewustheid en een onmiddellijkheid van waarneming die bij een groeiend ik-besef verdwijnt. Elk mensenkind begint naar mijn idee in het paradijs van de moeder-kind-symbiose, die later Umwelt-kind-symbiose wordt, totdat het ik-bewustzijn zijn intrede doet. Daarna vervaagt de zelfonnozelheid om slechts hoogst sporadisch terug te keren in de vorm van extatische zelfvergetelheid. Elke normaal ontwikkelde mens valt dus vroeg in zijn bestaan ten prooi aan het zelfbesef en herinnert zich vervolgens de tijd ervoor als paradijselijk. Die oerervaring van het paradijselijke ‘wij’ zou binnen de menselijke culturen het ontstaan van de paradijsmythen kunnen verklaren. De kwelling van het splijtende zelfbesef en de hunkering naar de ervaren oerheelheid, zijn de bronnen van elk religieus besef, naar mijn idee. Het zelf- of ikbesef roept een rapporteur in het leven die voortdurend ‘rapporteert’ hoe het er met het kleine zelf, het egootje, voorstaat in de bedreigende wereld van Het Andere/De Ander. Heel ontroerende beschrijvingen daarvan vinden we in het prachtige boek van Theo Thijssen: ‘Kees, de jongen’. Maar wat nog in ontroering kan worden waargenomen bij het kind, kan door de volwassene bij zichzelf ervaren worden als gif. Sartre zegt ergens dat zijn reflexieve leven zijn spontane leven vergiftigt. Om die reden krijgt de beginnende mediterende het advies om de maalstroom van zijn gedachten stop te zetten.
Die vreemde mythe van paradijs en erfzonde komt logischerwijs voort uit die andere mythe: die van de Schepper-God aan het begin van deze wereld. Als we ons daarvan losmaken en ons daarentegen vertrouwd maken met de gedachte dat deze evoluerende wereld, dit uitdijend heelal zich naar God toe beweegt, dat God dus aan het eind van de evolutie staat en niet aan het begin, dan zijn we het grote probleem van Gods (goede) schepping en het ontstaan van het kwaad daarin kwijt. Het kwaad zit gewoon vast aan de materie, zoals het moreel goede ontstaat waar geest ontstaat. Al het materiële wil behoud en vermeerdering van zichzelf, desnoods ten koste van het andere, al het geestelijke wil slechts gedeeld worden in communicatie. Kuitert zegt: God is geest, en ik ben dat roerend met hem eens. God is de goede geest die in mensen leeft. Al het levende op deze wereld is lang na de ‘Big Bang’ voortgekomen uit levenloze materie – Teilhard de Chardin noemt deze fase de biogenese – , vervolgens is uit het levende het bewust (en egocentrisch) levende voortgekomen – de antropogenese volgens Teilhard de Chardin – en daarna pas is het de taak van de mens geworden om helemaal los te komen van de materie (en de daaraan verbonden egocentriciteit) om zich te ontwikkelen naar het puur geestelijke (en altruïstische) van God.
God zal dus ‘worden’ uit de mensheid, zoals in de ijskoude witte poolstreken de ijsbeer in honderdduizenden jaren van evolutie is ‘geworden’ uit de nog bestaande bruine beer. De perfect aan zijn witte omgeving aangepaste ijsbeer bestond ooit helemaal niet, maar was wel in potentie aanwezig in de wereld van al het levende. Zo is God eveneens al potentieel aanwezig in de wereld van al het menselijke, ook al wordt die potentie in menselijke individuen meestal nog maar zeer ten dele gerealiseerd. Het zal nog lang duren, voordat (een deel van) de mensheid zich door middel van het Woord (en alle daarvan afgeleide communicatie) heeft uitgepuurd tot het zuiver goddelijke en verlost is van alle kwaad. Teilhard de Chardin noemt deze laatste fase de christogenese. Christus is inderdaad een van de eerste ons bekende mensen geweest die dit zuiver goddelijke zo niet gerealiseerd dan toch zeer dicht benaderd heeft. Iedere andere mens die daar weet van heeft, levert dag in dag uit strijd met zijn aan de materie gekoppelde egocentriciteit, om in de buurt te komen van het puur geestelijke: het goddelijke. Kuitert zegt, dat de God van veel Christenen een mythe is, een uitvinding van mensen. Ik geloof dat dat juist is. God is geest en hij verspreidt zich door het Woord. God wordt mens of mens wordt god, dat is dezelfde toekomstmuziek. God is in wording en communicatie is het middel. Van die communicatie is het katholieke sacrament van de H. Communie het symbool.
Over leven en dood

Elke individuele mens is voor een tijd een plaats van God, zegt de dichter Achterberg in zijn gedicht Deïsme, en de theoloog Kuitert valt hem daarin volmondig bij. Ik ook, hoewel niet met zo’n grote stelligheid als Kuitert. Zeker weten doen we niets. Bij de dood ‘geeft een mens de geest’, zeggen we. Het individu houdt daarmee op een plaats van God te zijn, denk ik dus ook, maar omdat God, die het meest wezenlijke deel van dat gestorven individu was, gewoon voortleeft in alle anderen, is er eigenlijk niets aan de hand. Eén van de vele glazen waar de kostbare drank in zat, is nu leeg, maar de drank zelf is tijdens het leven al teruggevloeid in het vat van waaruit steeds andere glazen konden worden gevuld. Het vat, God dus, is onuitputtelijk, in tegenstelling tot het individu. Het lege individu/glas breekt en wordt tenslotte gerecycled.


Onze lichamelijke werkelijkheid is het product van een recyclingsproces en onze geestelijke eveneens. Prediker zei al: “…en dat het stof wederom tot aarde keert als het geweest is, en de geest weder tot God keert die hem gegeven heeft.” (Prediker 12:7) Hoeveel is er niet in ons, wat uit anderen gekomen is? Elk woord dat we spreken, elk begrip dat we kennen, hebben we van anderen. Wat is er nu werkelijk uniek en onherhaalbaar in het individu? Hoe dieper men over deze vraag nadenkt, hoe geringer het strikt individuele lijkt te worden en hoe onbetekenender de individuele dood. Enkel het puur bijkomstige sterft af, niet het wezenlijke. Zo blijft ook een taal bestaan, zo blijven ook de woorden bestaan, ook al sterven er voortdurend individuele taalgebruikers met hun individuele betekenistoekenningen. Het wezenlijke blijft door de generaties heen vrijwel ongewijzigd bestaan. Een pen is een ding om mee te schrijven of het nu een veer van een vogel is of een stukje plastic. Een stoel zag er in de middeleeuwen heel anders uit dan nu, maar het wezenlijke deel van de woordbetekenis is niet veranderd. Zo blijft ook het wezenlijke van de mens door de eeuwen heen gelijk.. Hoe waar en hoe belangrijk is het bijbelwoord van Johannes in dit verband: In het begin was het Woord; en het Woord was bij God, en het Woord was God. (Joh. 1:1) Zoals het wezenlijke van een woord het individueel verschillende ervan in elke taalgebruiker overstijgt, zo transcendeert het wezenlijke in de mens het individuele, oftewel: zo transcendeert de onsterfelijke God de sterfelijke mens.
Over dit boek

Dit boek bevat weinig origineels. Het bevat bijna uitsluitend gedachten van anderen. Het is dus een ‘vat’ dat met gedachten van anderen is gevuld, maar door de wijze waarop die gedachten zijn geselecteerd en geformuleerd, heeft dit vat toch zijn eigen unieke vorm gekregen. Voor mensen die de tijd of het concentratievermogen missen voor diepgaande studie van de bronteksten kan een samenvattend boek als dit grote voordelen hebben ten opzichte van het totaal van de originelen.


Hoe is dit boek samengesteld en waarom zó? Wel, mijn boek begint met de vaststelling van een ‘fundamentele menselijkheid’, die Boeddhanatuur of Christusnatuur genoemd kan worden. Vanuit mijn eigen christelijke opvoeding behandel ik vervolgens eerst de moderne katholieke opvattingen van Bluyssen om onmiddellijk daarna de protestant Kuitert aan het woord te laten, omdat die laatste theoloog binnen het christendom de helderste consequenties van alle spirituele ontwikkelingen en ontmythologiseringen toont.
Na het moderne christendom van Bluyssen en Kuitert toon ik in hoofdstuk vier het zeer moderne boeddhisme van Tolle en na een tweede boeddhistisch hoofdstukje over Ton Lathouwers volgen er enkele hoofdstukken waarin ervaringen van mystici ter sprake komen: vooral Etty Hillesum, Martin Buber en Meester Eckhart. Deze mystieke ervaringen tonen mijns inziens hoe dicht de kernen van Christendom en Boeddhisme elkaar naderen, hetgeen eigenlijk ook het geval is in de zeer praktische raadgevingen van Thomas à Kempis, mits we die volledig ontmythologiseren door het geloof in het hiernamaals eruit te halen en het geloof in een straffende God..
De leefregels van Thomas betreffen eigenlijk steeds de inperking van de ik-gerichtheid (de ‘wolf’) ten gunste van de liefde voor de ander (het ‘lam’). En zo kom ik bij de titel van dit boek. Deze titel doet de wolvenliefhebbers onder ons misschien een beetje pijn, maar aangezien de wolf nu eenmaal in het taalgebruik vanouds het symbool van wrede vijandschap en geluksberoving is (Homo homini lupus), terwijl het lam vanaf de vroege christenheid het symbool is van de zich offerende liefde, daarom heb ik toch voor deze titel gekozen.
De titel en het thema van dit boek

De wolf staat in mijn boek voor het egocentrische in de mens, dus voor het streven naar lust, aanzien, macht en bezit. Een streven, dat altijd zowel het geluk van het ik als het geluk van de ander in de weg staat. Het lam daarentegen staat voor de diep verborgen ware humaniteit van de mens, dus voor de belangeloze en liefdevolle aandacht voor de ander. Uit alle hier behandelde teksten, dus uit alle hoofdstukken van dit boek, blijkt dat de ikgerichtheid van de mens de bron is van alle kwaad en dat al het goede voortkomt uit de fundamentele menselijkheid, de Boeddha- of Christusnatuur in de mens.


Aan het begin van deze inleiding wees ik de christelijke mythen af, ook al erken ik dat er een grote troost in kan schuilen. Ze lijden echter tot te pijnlijke vragen over de herkomst van het kwaad in deze wereld en over de rol van een (almachtige) God in relatie tot dit kwaad. Het is veel moediger en ‘wetenschappelijker’ om de evolutietheorie aan te nemen en te ‘geloven’ dat er nooit een paradijs is geweest, dat er geen individueel hiernamaals is en geen buiten de schepping staand goddelijk wezen. Het enige spiritueel relevante waar we in dit uitdijend heelal op kunnen wijzen, dat zijn de evolutionaire aanpassingen van al het levende aan de veranderende leefomstandigheden, zoals het ‘ontstaan’ van een zeehondenlijf in een watermilieu en een witte ijsberenvacht in een guur poolklimaat. We stellen vast dat de mens, als gevolg van de evolutie hij doormaakte, niet meer hoeft te leven als een taalloos dier in een hol, maar dat hij/zij al communicerend leefgemeenschappen, culturen en wetenschappen heeft ontwikkeld. De mens kortom, als bewust levend wezen, heeft binnen deze evolutionaire ontwikkelingen tot taak om de mensheid als geheel steeds verder te verwijderen van het materiële en het dierlijke en steeds dichter te brengen tot het puur geestelijke, het goddelijke. Hieraan te hebben bijgedragen is de enige rechtvaardiging van het individuele bestaan.

Ad Haans


Tilburg 2005
1. OVER FUNDAMENTELE MENSELIJKHEID

Onder de ‘verborgen bloei’ van een mens verstaat Han de Wit2 diens ‘fundamentele menselijkheid’ en hij definieert die als een inwendige krachtbron van vitaliteit en humaniteit. Die diepe bron is vaak verborgen, omdat er een dikke laag eigenliefde op ligt en de daarmee gepaard gaande behoeften en zorgen. We noemen die cumulatie van egocentriciteit die onze ware humaniteit verbergt meestal kortweg ego. Vaak zijn mensen zo met dat ego bezig, dat hun humane kern nergens uit blijkt. Zowel voor een beter inzicht in dit egocentrische doen en laten als voor een dieper inzicht in het wezen van die ware humaniteit in ons, is heel veel reflectie of heel veel meditatie nodig.


Meditatie is voor de zenboeddhist dé weg naar zelfkennis, dé weg naar de ‘bevrijding van het diepste zelf’. Wie mediteert, streeft naar een leeg innerlijk, naar een bevrijding van de onophoudelijke gedachtestromen rond de stand van zaken waarin het ik zich bevindt. Dit is niet alleen iets van de oosterse wijsheid, ook onze westerse christelijke mystici wilden dat: een ontlediging van gedachten en gevoelens om in het eigen binnenste ruimte te maken voor de ontmoeting met het goddelijke, voor het zien van God. Het diepe besef van die hierboven genoemde fundamentele menselijkheid en het zien van God zijn in deze context heel wel aan elkaar gelijk te stellen. We zullen het de protestantse theoloog Kuitert zien doen in hoofdstuk 3, maar ook in de andere hoofdstukken zal de overeenkomst aan bod komen.
Nu kunnen we ons tijdens de meditatie wel telkens voornemen om alle gedachten en gevoelens uit te bannen, ze zullen toch steeds terugkeren. En in de waarneming van die terugkeer zal de mediterende een heldere kijk krijgen op de bewegingen en de drijfveren van zijn ego. Dit zal leiden tot een voortschrijdend inzicht in de listen en lagen van onze egocentriciteit, maar hopelijk ook in het wezen van de tegenpool daarvan: onze fundamentele menselijkheid.
De mediterende bereikt mét dat voortschrijdend humanitair inzicht tevens een groter wordend mededogen, want die twee gaan hand in hand. Het is ondenkbaar dat ons mededogen met de medemens zou verschralen bij een zich verdiepend inzicht. En niet alleen met de medemens zal een diepere band worden gevoeld, maar we zullen ons tevens meer verbonden voelen met al het andere dat, levend of levenloos, met ons het bestaan op aarde deelt. Door het diepere inzicht in onze egocentriciteit zullen we inzien, hoe sterk onze kijk op de werkelijkheid erdoor is gekleurd en hoe ‘vals’ onze ik-verslaggever eigenlijk is door ons ‘ik’ vol zelfbedrog en illusies in het centrum van de wereld te plaatsen. De mediterende gaat inzien dat we authentieker, transparanter, onbevangener en belangelozer, en dus gelukkiger kunnen worden, als we ons zelfbedrog en onze illusies leren kennen en uitbannen.
Met ego bedoelen we in een spirituele context dus het totaal van al onze egocentrische strevingen: ons streven naar eer en aanzien, naar macht en zelfverheffing, naar geld en bezit. Deze strevingen zijn niet alleen vaak oorzaak van geestelijke blindheid, maar ook van levensangst en liefdeloosheid. Het is wat de kerkvader Augustinus noemt: ‘de rumoer van het vlees’. In de klinische psychologie en in de psychotherapie heeft de term ego niet die negatieve klank. Daar wordt vaak juist een versterking van het ego nagestreefd onder het motto: “Ik ben o.k. Jij bent o.k.” Maar daar bedoelt men met een sterk ego dan ook niet een grote hoeveelheid egoïsme maar een sterk zelfbewustzijn en een gezonde geldingsdrang. In de contemplatieve traditie echter wordt de ikgerichtheid als de bron van alle kwaad beschouwd.
We zijn het gelukkigst als we de bezorgdheid voor het ‘ik’ kwijt zijn, bijvoorbeeld als we ons helemaal verliezen’ in een muziekstuk, een kunstwerk, een boek, of iets dat een grote vaardigheid en aandacht vereist: pianospelen bijvoorbeeld of een moeilijk karwei. We zijn in die zelfvergetelheid, in dat ‘opgaan in iets anders’ even in een volmaakte mystieke vereniging met iets buiten ons. Dat ‘buiten het ik getreden’ zijn in een sterke verbondenheid met ‘het andere/de ander’ noemen we de ‘unio mystica’. Een absolute voorwaarde daarvoor is de belangeloosheid waarmee het niet-ik wordt benaderd. Tijdens de unio mystica treden we even helemaal buiten onszelf. Maar als het ik-bewustzijn vervolgens terugkeert – en dat doet het altijd na een poos -, dan worden we als het ware uit het paradijs verdreven en dan ontstaat weer die pijnlijke dualiteit van het ik tegenover het andere. We zouden die terugval in de egocentrische werkelijkheidsbeleving een soort zondeval kunnen noemen. We vallen uit een euforische openheid en ruimte terug in de gevangenis van het ik.
Zelfverlies in een holistische ruimte brengt wel even een euforisch gevoel teweeg, maar de controledwang van het ik herneemt zich meestal weer snel. In het lange gedicht ‘Het uur u’ van Martinus Nijhoff, waarin alle bewoners van een burgerlijke straat even heel sterk onder de invloed komen van een geheimzinnige passerende man die trekken van de Christusfiguur vertoont, wordt deze terugkeer prachtig onder woorden gebracht:
Eén ogenblik had de geest

in vergezichten gedwaald

en was, door het oog van een naald,

als de kemel, binnengegaan.

In welk land kwam hij aan?

Op aarde. – In eigen land. –

Gelijk een maan was de hand

die over het voorhoofd gleed

en door een dauw van zweet

zich langzaam voortbewoog;

en ook het starend oog,

dat wijd open bleef staan,

het deed meer aan een maan

denken dan aan een zon.

Maar weldra, uit dooiende bron,

ontsprong, sprongsgewijs, het bloed,

en reeds spoelde op die vloed

- zoals na onweer een boom

de rivier afdrijft – de droom

met wat hij aanrichtte uit zicht.

Men ademde als verlicht

het amen na van een preek.

De geest, toen hij nederstreek

uit het ledige zwerk

en thuiskwam onder de zerk

van vast werk en dagelijks brood,

was dankbaar dat deze dood

hem bevrijdde van ruimtevrees.

Hij was, terug in het vlees,

moe, weliswaar, zeer moe,

maar was, platgezegd, blij toe

met dit vlees, zo zwak het was /…/
De verlossing uit de egocentriciteit heeft maar even geduurd. De geest had even ‘in vergezichten gedwaald’, was even opgenomen geweest in een verrukkende geluksdroom, maar komt daarna weer thuis in het eigen lichaam en in het ‘ik’, als in een graf (‘onder de zerk van vast werk en dagelijks brood’). En hij is er nog blij mee ook, want ‘buiten zichzelf getreden’ had hij maar ruimtevrees gekregen. ‘Terug in het vlees’ begint de verstikkende werking van zelfzucht, blindheid en materialisme weer met volle kracht, totdat we er weer eens een keer in slagen om in een contemplatief moment ons ego weer even te verliezen .
Nadat ergens in de vroege jeugd van de mens de dualistische breuk van het ik tegenover het andere heeft plaatsgevonden, gaat het kind dat ‘ik’ steeds meer houvast geven. Het doet steeds meer pogingen tot ego-identificatie en tot egobehoud. De gedachtestroom rond het zelf groeit en groeit! De ikverslaggever krijgt er bijna een dagtaak aan, om bij te houden hoe het ‘ik’ ervoor staat. Een prachtig voorbeeld van die hevige gedachteconcentratie op het eigen imago vinden we in de roman ‘Kees de jongen’ van Theo Thijssen, onlangs op een fraaie manier verfilmd. In bijna elke levenssituatie vraagt Kees zich af wat voor indruk hij op de mensen maakt en hoe hij die indruk zou kunnen verbeteren of had kunnen verbeteren. Door die hevige concentratie op het ikbelang ontstaan er natuurlijk vaak frustraties, waardoor effectief en efficiënt handelen steeds moeilijker wordt. Hoe groter de bezorgdheid, hoe slechter de prestatie. Denk bijvoorbeeld aan een tennisser die zichzelf tijdens een moeizaam verlopende partij onder steeds grotere stress plaatst. Pas als hij praktisch verloren staat en denkt: “Ik heb niets meer te verliezen”, gaat hij vaak weer wonderbaarlijk goed presteren.
De zorgen en angsten van ego staan haaks op de fundamentele menselijkheid die hunkert naar vereniging met het andere en naar heelheid. Vaak zijn we ons van dat verlangen nauwelijks bewust. Zoals we soms plotseling een klok kunnen horen tikken, terwijl we ons dat lange tijd niet bewust waren, zo kunnen we ons ook plotseling bewust worden van dat verlangen naar het andere. Zulke momenten zijn erg belangrijk. We zien dan in hoe onze egocentrische beperktheid ons eigen geluk en dat van onze naasten in de weg staat. We beseffen dan dat de innerlijke verslaggever het zwijgen moet worden opgelegd in contemplatieve rust, in meditatie. De enorme euforie die een mens dan soms ervaart, duurt helaas nooit lang, want het uitgetreden ‘ik’ schrikt kennelijk van de leegte, de horror vacui, en sluit zich weer onmiddellijk op in drukke dagelijkse beslommeringen voor het eigenbelang.
Meditatie kan ons van ego bevrijden, maar wordt er ook voortdurend door bedreigd. Alleen als we telkens opnieuw de egocentrische trekjes van onze geest durven te bekennen, blijven we op de goede weg. We moeten daarbij geduldig zijn en veel reflecteren op het eigen gedrag. Bij meditatie kunnen we proberen om helemaal leeg te worden van binnen, maar we kunnen ons ook inspirerende voorstellingen voor de geest halen. Voorstellingen van inspirerende spirituele mensen bijvoorbeeld. Dit laatste wordt in boeddhistische tradities wel ‘meditatie met vorm’ genoemd. Doordat die mentale beelden contrasteren met onze egocentrische belevingswerkelijkheid, verliest ego terrein en ontstaat het verlangen naar belangeloosheid. We moeten ons ook sterken in de overtuiging, dat alle mensen in wezen goed zijn, dat ze allen een Boeddhanatuur of een Christusnatuur in zich hebben. En tevens moeten we een wereldbeeld koesteren dat uitgaat van de heiligheid van onze aarde en van alles wat erop leeft. Want wie in een heilige wereld leeft, is dankbaar, zelfs bij tegenspoed, en dankbaarheid bevordert wijsheid en mildheid.
Inspirerende mentale beelden kunnen ons brengen tot overgave aan een egoloze werkelijkheidsbeleving. Maar de beste meditatie is toch die waarbij een totale ontlediging van gedachten en gevoelens wordt nagestreefd. Een goed middel daarvoor is de zitmeditatie. We zitten daarbij met rechte rug en met de knieën lager dan de heupen, en we richten onze aandacht op één object of op één proces, bijvoorbeeld onze ademhaling. We stabiliseren die aandacht. We plaatsen als het ware een stok in de rivier van onze gedachtestroom en keren telkens weer naar die stok terug. Zo ontstaat er rust in ons binnenste, maar ook eenvoud. We worden ‘armen van geest’ om met Mattheus te spreken (Matth. 5:3) en dat werkt zuiverend. We laten onze egocentrische gedachten, emoties en hartstochten los, en worden daardoor ‘reinen van hart’ (Matth. 5:8) We ontdekken dat er voortdurend gedachten door ons hoofd gaan en dat die gedachten ons heel gemakkelijk meesleuren: de denkbeeldige stok wordt als het ware telkens door de watermassa’s van onze gedachterivier meegevoerd. Als we dat beseffen, moeten we hem weer rechtop zetten, geduldig en zonder verwijt aan onszelf.
Door dit afstand nemen van de gedachtestroom - Meister Eckhart noemde dat ‘abgeschiedenheit’ – en hem dan telkens weer waarnemen, krijgen we heldere inzichten in onze egocentriciteit. Iedere keer opnieuw raken we weer gevangen in die gedachtestroom en iedere keer nemen we er weer afstand van. Het doel is om volkomen van ego los te raken en zonder zorgen of angsten aan de ware humaniteit in ons de ruimte te geven. Johannes van het Kruis zegt het aldus: ‘Als de vogel aan een draad zit, zal hij niet vrij kunnen vliegen. Zo is het ook gesteld met de ziel die nog aan iets gehecht is: al bezit zij ook veel deugd, zij zal niet komen tot de vrijheid van de vereniging met God’. (Johannes van het Kruis, Volledige Werken. Red. J. Peters e.a. Hilversum 1963, blz 547)
De ware humaniteit beweegt zich voorbij de hoop op winst of de angst voor verlies. Ze is vrij van hoop en vrees. Ze cultiveert onvoorwaardelijke onbevangenheid opdat het onderscheidingsvermogen zich vrijelijk kan bewegen rond de verschijnselen in deze wereld, los van elke betrokkenheid op ego. In theïstische termen: we zien de wereld als een wereld van God en niet als een wereld waarin ik iets bereiken wil, of die mij angst bezorgt. De onvoorwaardelijke onbevangenheid is de volstrekte geestelijke overgave. Het is een geesteshouding zonder het dualisme van het ik tegenover het andere, zonder de ervaring ‘dat is van mij en niet van jou’. Het is volledige geestelijke naaktheid zonder strevingen, zonder angsten. Deze pure geest is de ‘sjechiena’ van de joodse chassidim, de ‘heilige geest’ van de christelijke traditie, de ‘bodhisattva’ van het boeddhisme, de ‘brahman’ van het hindoeïsme. Hij is de realisatie van egoloosheid of de transcendentie van ego, de overstijging van het onwaarachtige zelf, het gevonden Ware Zelf.
Augustinus zegt in een beroemde passage: “Gesteld eens dat voor iemand het rumoer van het vlees tot zwijgen kwam, dat tot zwijgen kwamen de beelden van de aarde en de wateren en lucht, dat het uitspansel tot zwijgen kwam en de ziel tegen zichzelf zweeg en, zichzelf niet meer bedenkende, zichzelf oversteeg, dat tot zwijgen kwamen de dromen en de onthullingen van de fantasie, dat voor die mens alle taal en alle teken tot zwijgen kwam, [...] – gesteld eens, dat dit durend zou blijven en dat alle andere wijzen van zien, die van zo andere aard zijn, ons ontnomen zouden worden en dat dan dit ene zien zijn ziener mee zou slepen en opzuigen en wegbergen in dieper innerlijke vreugden, zodat er een eeuwigdurend leven zou zijn van dezelfde aard als dit ene moment van inzicht geweest is waar wij naar verzucht hebben: geldt dáár dan niet het woord: ‘Treed binnen in de vreugde van uw Heer’?” (De belijdenissen van Augustinus. Vertaald door Gerard Wijdeveld. Utrecht: uitg. De Fontein, blz. 272/3)
Velen ontmaskeren de zelfgeschapen egocentrische werkelijkheidsbeleving als een ónwerkelijkheid. Een verscherpt onderscheidingsvermogen neemt de vroegere blindheid weg. De onbevangenheid waarin dat onderscheidingsvermogen ontstaat, moet zo onvoorwaardelijk zijn en zo continu, dat het niet meer verdwijnt. Dan ontstaat er een open ruimte in het binnenste, leefbaar, reëel en vreugdevol, de ruimte van de fundamentele menselijkheid. Theïstisch gezien: de ruimte van God. Rilke klaagt er in zijn achtste elegie over, dat de mens die ruimte zo zelden ervaart:
Wij hebben nooit, geen enkele dag,

de zuivere ruimte voor ons, waarin de bloemen

eeuwig ontluiken. Altijd is het wereld,

en nooit het grenzeloze, lege Nergens: het Zuivere,

het Onbewaakte, dat men ademt en

oneindig weet, en niet begeert. [...]

(uit: Ad Haans, Rainer Maria Rilke, Tilburg, 1998, blz. 27)


Voor ego is de wereld van de verschijnselen object van eigenbelang, van hoop en vrees, van hebzucht en agressie. Wel, dit ego moet ingeperkt worden en kleiner en kleiner gemaakt. Nederigheid is daarvoor de eerste vereiste. In de ‘Regel voor Monniken’ van Benedictus worden maar liefst twaalf trappen van nederigheid onderscheiden. Maar niet alleen de nederigheid moet worden beoefend, ook de zelfacceptatie. De mens moet nederig kunnen leven , maar ook in vriendschap met zichzelf. Als leefregels de manifestaties van ego in woord en daad inperken, dan verzet ego zich daartegen. Dat verzet moet met wijsheid en zachtheid worden omgebogen, vanuit een diepe wens om de fundamentele menselijkheid te cultiveren. Dan leren we van de overtredingen van de ‘regels’ evenveel als van het nauwgezet volgen ervan.
Universele maatstaven voor waarachtige menselijkheid zijn natuurlijk: respect voor de opvattingen en gevoelens van anderen, geduld, wellevendheid, begrip en verantwoordelijkheid voor elkaar en een groot mededogen voor zwakken en misdeelden. De regels van Benedictus voor het menselijk handelen omvatten uiteraard: niet doodslaan, geen overspel plegen, niet stelen, niet een ander aandoen wat men zelf niet wil ondergaan, maar ook: het lichaam onder tucht houden, de armen ‘verkwikken’, de naakten kleden, de zieken bezoeken, mensen in beproeving te hulp schieten en aangedaan onrecht geduldig verdragen. De regels voor het spreken zullen ook duidelijk zijn: niet vals getuigen, bedroefden troosten, zijn toorn niet de vrije loop laten, met hart en mond de waarheid spreken, niet klaagziek zijn, geen kwaadspreker zijn, zijn mond behoeden voor slechte taal en niet steeds erop uit zijn om tegen te spreken.
In de boeddhistische traditie vinden we in de Vinaya deze voorschriften in bijna dezelfde bewoordingen terug. Daarnaast zijn er in beide tradities allerlei specifiekere regels voor het samenleven in de contemplatieve gemeenschap. Regels met betrekking tot het slapen, het eten en het werken, over het bedelen, over de zwijgzaamheid, enz. Ego mag absoluut geen ruimte krijgen om zich te verbergen of te bevestigen. Ego mag geen burcht kunnen bouwen, geen uitwijkplaatsen hebben, geen vluchtplaatsen. Het wil altijd alternatieven achter de hand houden, vluchtroutes, om niet tot volledige overgave te hoeven komen. Maar om dat te voorkomen, legde Benedictus sterk de nadruk op ‘stabilitas loci’: het verblijven op één plaats. We moeten zeggen: dít is mijn plaats, dít is mijn situatie, híer moet het gebeuren. Binnen déze omstandigheden moet ik gehoorzaam zijn aan al die ‘regels’ waarvan ik weet, dat ze ego inperken. Dat is gehoorzaamheid aan de fundamentele menselijkheid in ons.
Een van de zwaarste oefeningen om ego eronder te krijgen, blijkt de zwijgzaamheid te zijn. De regel van de zwijgzaamheid ontneemt ego de kans om door excuses, smoezen, leugentjes om bestwil en taalmanipulaties nieuwe situaties en nieuwe kansen voor zichzelf te creëren. Zwijgplicht maakt ego’s behoefte daaraan pijnlijk duidelijk. Als we stelselmatig zoveel mogelijk proberen te zwijgen, merken we pas hoe vaak we in ons spreken ons zelf op de voorgrond willen plaatsen. Door meer nonverbaal te communiceren, door elkaar mee te maken zonder door ‘weefsels van woorden’ te zijn omhangen, leren we elkaar beter kennen. Judith Herzberg bedoelt dit met haar gedicht:

ZIEKENBEZOEK

Mijn vader had een lang uur zitten zwijgen bij mijn bed.

Toen hij zijn hoed had opgezet

zei ik, nou, dit gesprek

is makkelijk te resumeren.

Nee, zei hij, nee toch niet,

je moet het maar eens proberen.
Er zijn veel oefeningen te bedenken om de ruimte van ego in te perken en om de toestand te bereiken die Eckhart de ‘Gelassenheit’ noemt. Deze ‘gelatenheid’ houdt een grote mate van vrijheid in, want we hoeven dan immers niet meer als een serviele dienaar achter het veeleisende ego aan te lopen.
Bezinning op spirituele teksten (hele levensleren, biografieën van ‘heilige’ mensen, leefregels, gebeden, levenswijsheden, enz.) is echt even noodzakelijk als het verrichten van ‘de goede daad’. Wie zich op beide terreinen goed ontwikkelt, zal volgens Benedictus ‘alles wat hij eerst met een zekere angst volbracht, nu zonder moeite nakomen, alsof hij het deed uit gewoonte of natuurlijke aandrift’. Zo iemand gaat dan steeds meer handelen en spreken, niet vanuit ego, maar direct vanuit de fundamentele menselijkheid, direct vanuit een intelligente zachtmoedigheid en zorgzaamheid. Er is dan een voortdurende beschikbaarheid voor de omgeving, vooral voor de medemens daarin. De mens die zo leeft is de voorschriften voorbij. Die komt in de situatie waarvan Augustinus zegt: ‘Ama et fac quod vis’: heb lief en doe (dan) wat je wilt. Pas als we elke ambitie van ego los kunnen laten, kunnen we rusten in de volstrekte grondeloosheid en de onwankelbare stabiliteit die diep in ons wezen verborgen is. We bevinden ons dan ‘buiten de ruïne van ego’, zegt Han de Wit. Johannes van het Kruis sprak over deze toestand als over de duisternis van het verblindend licht, het Mahayana-boeddhisme spreekt over de ‘wolk van dharma’, de wolk van niet-weten. Wie rust in deze staat van totale openheid en helderheid, spreidt een onvoorwaardelijke, ongevraagde levensvreugde ten toon en is vol van mededogen. Want mededogen tonen is de aard van de fundamentele menselijkheid, zoals het de aard van de zon is om licht en warmte te verspreiden.
  1   2   3   4   5   6   7

  • Over leven en dood
  • Over dit boek
  • De titel en het thema van dit boek

  • Dovnload 277.26 Kb.