Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Van de wolf en het lam

Dovnload 277.26 Kb.

Van de wolf en het lam



Pagina4/7
Datum14.03.2017
Grootte277.26 Kb.

Dovnload 277.26 Kb.
1   2   3   4   5   6   7

5. MEER DAN EEN MENS KAN DOEN6
Prof. dr. Ton Lathouwers (Nijmegen, 1932) is zenleraar, zenmeester zelfs. Hij was in Leuven hoogleraar Russische literatuur en is rond zijn veertigste, na een ontmoeting met de Japanse filosoof en zengeleerde, Masao Abe op het zenpad gekomen. Vooral het tomeloze, grenzeloze mededogen, gesymboliseerd in Kwan Yin, de vrouwelijke gedaante van de bodhisattva van het mededogen, spreekt hem erg aan. Zijn boeddhisme is het liberale mahayana-boeddhisme, de royale ‘verlossingsleer’ van alle schepselen met als uitgangspunt het oervertrouwen in de onbevangenheid van het ‘don’t-know’. De vermetele sprong in het niet-weten, ‘alleen door het geloof ‘ (sola fide), is zijn aanbeveling. In de ontmoeting van hart-tot-hart is het onmogelijke mogelijk. Lathouwers sprak de hierna besproken zentoespraken uit in 1997 tijdens een intensieve meditatieweek in De Oude Abdij te Drongen (België).
1. Het oorspronkelijk gelaat is grenzeloos geloof en vertrouwen

Op de weg van zen liggen veel teksten die de neerslag zijn van wat mensen heel diep aanvoelden. Woorden vol diepe algemeen-menselijke intuïties. Bijvoorbeeld dat er grenzeloos vertrouwen kan zijn in een mensenleven en dat dat goed is, omdat het onvoorwaardelijke geloof een diepe blijmoedigheid veroorzaakt. Dat was zelfs in de allerzwartste oorlogsjaren bij Etty Hillesum het geval. In Hakuins ‘Zang van meditatie’ is de eerste regel: ‘Alle wezens zijn boeddha’s vanaf het eerste begin’. Dat is nog eens wat anders dan dat kwellende gevoel van voortdurend tekortschieten, die vrees voor de totale mislukking van het leven. De blijmoedigheid van het geloof ‘all will be saved, all will be well’ van de middeleeuwse mystica Juliana van Norwich en van vele anderen komt vaak op vanaf de bodem van de diepste wanhoop. Het is een ontwaken, een plotseling inzicht, een uitbraak uit de hel van de twijfel. Dat gebeurde in de laatste nachtwake van Boeddha, maar ook bij Christus in de Hof van Olijven en later aan het kruis: “In uw handen beveel ik mijn geest”. Pas in de lichtende bevrijdende overgave komt de ommekeer.

Het zit diep in de aard van de mens om zekerheden te willen, vaste grond onder de voeten. En altijd is er die twijfel, die achterdocht, die wanhoop, gesymboliseerd in een duivelse verleider: bij Christus de Satan, bij Boeddha de welbespraakte Mara. Maar na zijn ontwaken zegt Boeddha tegen Mara: ‘Waar ik ben, kun jij niet komen’. Hij zegt dan ook: ‘Er is het Ongeborene, het Onvergankelijke, het Onsterfelijke. Dat biedt verlossing uit de eindeloze kringloop van geboorte, lijden en dood.’ Dat onbenoembare gaat aan weten en niet-weten vooraf. Tussen dat onbenoembare en de mens ligt een bodemloos niet-weten, een grote duistere leegte. Maar het geloof in dat Onvergankelijke, in onze Oorspronkelijke Staat, ons Ware Zelf, of hoe je het noemen wilt, dát is de redding. Vanuit dat geloof zeg je: Alles komt goed. Het is het pure op niets gebaseerde geloof van een kind. De bangelijke volwassene die het is kwijtgeraakt, moet het terug zien te krijgen, of in elk geval afkicken van de gewoonte om houvast te zoeken. Dat kan door Zazen. Het zittend mediteren en de geest leegmaken brengt de mens terug naar de onbegrensde vrijheid van de oorsprong, waar geen angst is en geen onmacht. Het is de val in de vrijheid van geloof en overgave, van het: ‘niet mijn wil maar uw wil...’.
Je valt dan als die vlinder in dat beroemde zenverhaal, die zich opgesloten waande in de bronzen klok en die zich te pletter dreigde te vliegen tegen de harde wand. Die vlinder gaf zijn pogingen om uit te breken op en liet zich vallen. En hij viel in de vrijheid, in het licht, in de onbegrensdheid van het leven. Het oervertrouwen van een kind, dat er is ondanks het niet-weten of misschien juist door het niet-weten, dat is onze redding uit angst en vertwijfeling. In dat vertrouwen laat je alle oordelen achter je. Dan ben je onbevangen en met alles en iedereen in diepe solidariteit.
2. Hartsvertrouwen als de bron van elk handelen

We streven naar kennis van de wereld, naar het begrijpen en benoemen van alles wat er is en alles wat er gebeurt. Elk kind dat zich de taal verwerft, doet dat. Maar het belangrijkste blijft buiten onze borstweringen van kennis en taal. De belangrijkste levensvragen naar doel, oorsprong en zin dagen ons uit de sprong in het onbekende te wagen, dagen ons uit ons toe te vertrouwen aan de stroom van het leven. Bodemloos vertrouwen is onontbeerlijk, want enkel binnen de omheiningen van onze zekerheden bestrijden we de ander, daarbuiten niet. Daarbuiten ligt een heelheid waar we geen naam voor hebben. Ons zitten in zazen is een daad die daarheen reikt, maar zelfs de mooiste ervaring van mystieke eenwording rechtvaardigt niet dat we ons nestelen in de sereniteit van die bergtop. We moeten de berg weer afdalen en met lege handen terug naar de markt waar de mensen zijn, en de zorgen, de angsten, en de wanhoop. Ecce homo.


We moeten wel op de weg van zen blijven, op de weg van verdiept inzicht en groeiend mededogen, maar deze weg gaat eeuwig door, steeds dieper in de afgrond van niet-weten en van liefde. De weg voert naar het ondoorgrondelijke door het alledaagse, dat zonder oordeel moet worden doorkruist, want elk oordeel plaatst je in een coördinatenstelsel dat je gevangen houdt. Er mag alleen geloof zijn, en hartsvertrouwen.
3. De kern van het religieuze is de ontmoeting van hart tot hart

Laat je hart spreken. Blijf bij je hart. Teksten kunnen verstenen. Onze waarheid kan onze gevangenis worden. Rond onze levensleer kunnen we instituten als bolwerken bouwen. Hoe onmenselijk en liefdeloos die kunnen worden, zien we aan Dostojevski’s grootinquisiteur. Een ontmoeting van mens tot mens, van aangezicht tot aangezicht, van hart tot hart is levendiger, unieker, kwetsbaarder en weerlozer dan het institutionele geweld, want bij een echte ontmoeting geef je je bloot met al je angsten, twijfels, emoties en onmacht. En in een echte ontmoeting word je aanvaard zoals je bent, onvoorwaardelijk aanvaard; in gevangenissen en instituten niet. Tijdens onze opvoeding zijn we door die instituten gekneed, op maat geknipt en in een vorm geduwd. Op de zenweg leren we in genade en liefde te leven en oprecht begaan te zijn met een ander. We leren ook te geloven in de oergelofte dat allen zonder uitzondering worden gered. Door geloof, hoop en liefde. De Weg houdt het verlangen levend en brengt vreugde. Vandaar de glimlach op het gezicht van de meeste boeddhabeelden en de soms onbedaarlijke vreugde bij de ‘heilige dwazen’, de siddha’s.




4. De mysterie van het leven daagt elk mens uit tot een volstrekt persoonlijk antwoord

Rondom de kern van ons leven hangt de wolk van niet-weten. Ons bestaan is een mysterie en daarom moeten we soms door een woestijn van twijfel. Er is een zenuitdrukking die zegt: “kleine twijfel, kleine verlichting, grote twijfel, grote verlichting”. We moeten de sprong durven wagen voorbij alle angst en twijfel. We moeten ook alleen durven zijn, aldus Lathouwers, buiten de clubjes en de bolwerkjes die we om ons heen bouwen. We hebben zo vaak de neiging om ons ergens aan vast te klampen. Angst is onmacht waarin ware humaniteit bezwijkt. We moeten terug naar het oervertrouwen van een kind. Dostojevski, die in zijn ‘Legende van de Grootinquisiteur’ laat zien hoe diep het in de menselijke aard zit om zekerheden te willen, zegt ergens volgens Lathouwers: ‘De hemel zwijgt. Je hebt alleen het geloof van je hart.’ Ook Saint-Exupéry spreekt over de stilte na het niet verhoorde gebed. Stilte die dwingt tot geven na het onbeantwoorde vragen.


Alleen in de grenzeloze ruimte van bodemloos vertrouwen en diepe solidariteit lost alle existentiële angst op. Zoek niet de bergtop en de ijle extase, maar ga naar de markt waar de mensen zijn. Oordeel niet. Geloof niet in het begrip karma als samenvatting van ‘eigen schuld dikke bult’; geloof ook niet, dat je dat ‘ik’ van je zo maar moet verliezen en dat al je pijn maar illusie zonder realiteit is. Net als Job mag je schreeuwen in je wanhoop en eenzaamheid, want in zo’n schreeuw uit je als uniek en eenzaam levend wezen ook al je verlangen en je hoop.
Durf je bloot te geven in de ontmoeting, in de persoonlijke ontmoeting van hart tot hart, want het is bevrijdend en verlossend je aanvaard te weten. Lathouwers gelooft vast dat wij allen, zonder uitzondering, gered zullen worden door de oergelofte, door het eindeloze licht en het onmetelijke mededogen. Dat geloof overwint de wereld.
5. De diepste innerlijke vrede ontstaat uit het besef dat wij niets hebben om op te staan.

Wie mediteert met de bedoeling om de verlichting te bereiken, probeert het onmogelijke, evenals de man die twee leistenen tegen elkaar schuurt om er volmaakte spiegels van te maken. Het gaat bij meditatie niet om bijzondere ervaringen. Maar doe het wel, als discipline, trouw, vol deemoed, zonder streven naar verdienste, in het volle besef dat we niets hebben om op te staan, dat slagen in het leven niet verdienstelijker is dan mislukken. Heeft Dostojevski in wie een diep inzicht doorbrak meer verdienste dan de tobbendeTolstoj in wie niets doorbrak?


In een roman van Sushaku Endo, ‘Diepe rivier’, komt de hoofdpersoon, een onhandige stumper, tot de verbijsterende ontdekking dat de zonde net als kinine vergif is maar tegelijkertijd genezing brengt. In de liturgie van Pasen staat ook zo’n wonderlijke omkering: ‘o felix culpa’, o gelukkige schuld. “Dat wat de donkerste verlorenheid lijkt in te gaan, wordt opgetild in het diepste licht” aldus Lathouwers, “Bodemloos. Waar je nooit uit valt. Niemand”.
6. In deze tijd monnik zijn is eigenlijk mens zijn in de woestijn én in het levende ogenblik

Onze werkelijkheid dreigt steeds meer in de greep te raken van economische processen en onze tijd zit vol onbewuste dwangmatige mechanismen. Instituten van spiritualiteit zoals de traditionele kerken lijken uitgespeeld.. We moeten de weg terug naar de vrijheid vinden. “Maar als alles wat je doet niet werkt, wat ga je dan doen?” vroeg Hisamatsu. En de vraag is het leven zelf, zoals ook het antwoord het leven zelf is.


Uit naam van de weerloze mens moet je dissident durven zijn. Ons eenzaam zitten in zazen is zo’n dissidentendaad in een materialistische wereld vol haast en winstbejag. Fortmann ging op zo’n manier tegen het instituut kerk in: tegen alle verstarring in zoeken naar de Geest die levend maakt; veni sanctus spiritus. Mededogen is het Grote Voertuig van de mahayana-boeddhist. Vóór alles komt de ander, vóór alles komen de warme genegenheid en het mededogen, aldus Hisamatsu, Han Fortmann en Lathouwers zelf. (Lathouwers beschrijft uitvoerig de grote overeenkomsten tussen de Japanse boeddhist Hisamatsu en de Nijmeegse priester Han Fortmann.)
Niet de eigen bevrijding maar de bevrijding voor allen is het verlangen dat in de woestijnervaring bij je opkomt. Bij het begrip ‘woestijnervaring’ denkt Lathouwers sterk aan de monniken van de eerste eeuwen na Christus. Voor hen was de woestijn de levensbedreigende omgeving waar ze in stilte en leegte naakt tegenover hun eigen geloof kwamen te staan. De cultuurfilosoof Theodoor Roszak zegt erover: ‘De woestijn is de wereld van de monnik en tegenwoordig is de wereld een woestijn.’
7. Met het ontwaken tot de hele werkelijkheid wordt het onmogelijke mogelijk

Verwoording leidt tot verstening van de ooit zo levende gedachte. Wat ooit in opperste verwondering werd geboren, wordt na de verwoording eindeloos herkauwd. Bijvoorbeeld ‘het illusoire karakter van het lijden’ of ‘het is allemaal ego’ of ‘als je doodgaat voor je doodgaat, ga je niet dood als je doodgaat’. (Een prachtige gedachte overigens deze laatste, zeker als je hem zo levend weet te houden als Martinus Nijhoff in ‘Het uur u’:



Verlangen, doodgekneld

een kind vermoord in een put,

riep, eensklaps wakker geschud

om speelgoed en speelgenoot.

Want wat dood is is dood,

maar wat vermoord is leeft voort,

leeft voortaan minder gestoord

dan wat onbestorven leeft.

De daad die men naliet heeft

meer kwaad dan de daad gedaan


Nijhoff zegt hier eigenlijk: Mens durf te leven. Knel je verlangen niet dood in frustratie en angst, maar laat het sterven in de daad, zodat het gestorven is als je uiteindelijk zelf dood gaat. AH)


Zen spoort ons aan om tijdens ons leven de Grote Dood te sterven. De bijbel leert ons, dat de graankorrel moet sterven in de aarde alvorens duizendvoudig vrucht te dragen, en geeft ons de prachtige paradox ‘leven is sterven en sterven is leven’, die we trouwens ook bij Euripides vinden. Maar toch rent elk levend wezen spontaan weg van de dood. En dat mag ook. Die angst voor de dood mag er voluit zijn. Zelfs de grootste zenmeesters vallen er soms aan ten prooi. Als een van Dostojevski’s romanhelden aan de oude monnik Zozima om hulp vraagt tegen de radeloze angst voor de dood, wijst deze hem enkel de weg van de liefde. Tegenover de verschrikking van doodgaan kunnen we enkel de liefde stellen, vindt hij, de deemoed, het geduld, én de hoop op bevrijding voor allen. En juist die liefde en die hoop is het doodgaan van ons egoïsme, het sterven aan ons kleine zelf, zodat ons Ware Zelf, het echt Onvergankelijke, kan doorbreken en alles mogelijk maken. In het hier en in het nu.
8. Eén daad uit het hart herschept alle dingen in hun aard en samenhang

Wie zal verheugd zijn als na zijn dood niet zijn hele persoon maar enkel zijn neus in de hemel wordt toegelaten? Wie wil een plaats in een hemel die aan vele anderen wordt ontzegd? Wie kan zich lossnijden uit het grote geheel waartoe hij behoort? Is er een volmaakte harmonie te bereiken als er ergens een kind wordt gefolterd? Eén daad uit het hart herschept de wereld. Zesendertig rechtvaardigen, de Lamed-Waf, garanderen volgens een Joodse mythe dat de wereld ondanks haar slechtheid niet verdelgd wordt. Voor een schepping in doodsnood is het oervertrouwen van één enkel schepsel van levensbelang. Het mediterend zitten in zazen is zo’n daad uit het hart waaruit dat oervertrouwen blijkt.


9. Wijsheid voorbij alle wijsheid; ontmoeting voorbij alle ontmoeting

Wijsheid en mededogen zijn de alfa en de omega van de zen­weg. Die wijsheid is in het non-theïstische boeddhisme een heel diep inzicht, een wijsheid voorbij alle wijsheid, zoals het Grote Mededogen een mededogen voorbij alle mededogen is. Net als in het Christendom is er in het boeddhisme een hang om deze grote abstracta te personaliseren, zodat er een ‘Jij’ ontstaat die we kunnen ontmoeten: Prajna Paramita (Wijsheid) en Kwan Yin (Mededogen). Maar die ‘Jij’-‘s geven geen ant­woord op het gebed en dat is volgens de Franse mysticus An­toine de Saint-Exupéry maar goed ook. Hij vindt het grootste aan het gebed juist dát er geen antwoord komt, dat die Jij de volstrekt onbereikbare Ander blijft. Hij had dat ervaren na een vliegtuigongeluk in het besneeuwde hooggebergte van Zuid-Amerika, toen hij het van uitputting op wilde geven. Op de be­slissende momenten zag hij toen de ogen van de mensen die van hem hielden en die hem zijn stilzwijgen verweten. Dan ontstond de roep in hem: “Ik antwoord! Ik antwoord! Ik antwoord uit alle macht. Ik kan geen stralender vlam in de nacht ontsteken.”. ( Zie ook hoofdstuk 6) Uit die roep die in zijn binnenste opkwam, putte hij de kracht om verder te gaan.


Het ‘Ich’ en ‘Du’, de Ik-Gij-ontmoeting, is een groot mysterie. Omdat het ‘Gij’ steeds zwijgt en steeds verder terugwijkt, moet het ‘Ik’ steeds opnieuw de eerste stap doen, in blind vertrouwen, vanuit een fundamenteel niet-weten. Rilke zegt ergens over het mysterie van de ontmoeting: “Ach, in mijn armen heb ik ze allen verloren. Maar Jij, Jij wordt altijd weer opnieuw geboren. Omdat ik je nimmer vasthoud, houd ik je vast.” De Saint-Exupéry heeft zo’n mystieke, met erotiek beladen ervaring ook onder woorden gebracht:

Zij vluchtte zo snel en ik heb haar tot staan gebracht om me meester van haar te maken... En, eenmaal gegrepen, was zij er niet meer (...) Maar als ik je niet aanraak, bouw ik je op als een tempel (...) Jij, die als een geduchte toren, nooit genomen zult worden...”


10. Kunnen wij de verdoemden liefhebben?

We moeten op onze fundamentele vragen geen antwoord willen vinden, we moeten bij de vraag blijven. Al onze zekerheden moeten wegsmelten in de fundamentele vragen. Ons ik moet vermorzeld worden en ons hart moet smelten in ons binnenste. Er is geen god; we moeten zelf god worden en scheppen uit het niets. (Sjestov) ‘Geen hart is zo heel als een gebroken hart’, zei rabbi Nachman van Bratislava twee eeuwen geleden. Elie Wiesel citeert hem en voegt eraan toe: ‘Het is waanzin te denken dat wij mensen kunnen verlossen. Maar ik pleit voor zo’n waanzin. (...) Ik pleit voor de mystieke waanzin die maar één obsessie kent: verlossing, niet zozeer voor onszelf maar voor iedereen.’ Dostojevski laat zijn romanfiguur Iwan in De gebroeders Karamazov spreken over de Oudrussische legende De tocht van de Moeder Gods door het lijden. De Godsmoeder krijgt gedaan dat de verschrikkingen van de hel elk jaar van Goede Vrijdag tot aan Pinksteren worden opgeheven. Zij had zelfs de verdoemden lief. Dostojevski herhaalt het steeds: Allen moeten bevrijd worden, zonder uitzondering . Uit solidariteit met zijn volk weigerde Mozes op de berg Sinaï verdere medewerking aan God, toen deze alleen het geslacht van Mozes wilde sparen en de rest verdelgen. In de zentraditie heet zo’n daad: Dood de boeddha! We moeten onvoorwaardelijk en volledig gericht zijn op het heil van de ander. Dat is de diepste intuïtie van het mahayana-boeddhisme, want hoe kan iemand in een oceaan van leed verlicht en bevrijd zijn. Hoe kan er harmonie zijn, terwijl er een eeuwige hel bestaat? Zo’n hel bestaat niet. We moeten blijven geloven dat alles goed komt voor iedereen.


6. OVER ETTY HILLESUM EN ENKELE ANDERE MYSTICI
ETTY HILLESUM7

Etty Hillesum (1914 – 1943) laat zich in haar dagboekenreeks (10 cahiers) van 1941 tot 1943 volgen als een mystica in wording. Ik wil beginnen met een lang citaat uit het eerste cahier, omdat dat een aardig zelfportret biedt.


8 Juni [1941]. Zondagmorgen, half 10.

Ik geloof, dat ik het maar zal doen: 's morgens voor het begin van het werk een half uurtje "naar binnen slaan", luisteren naar wat er binnen in me zit. "Sich versenken". Je kunt het ook mediteren noemen. Maar van dat woord ben ik nog een beetje griezelig. Maar waarom eigenlijk niet? Een stil half uur in je zelf. Het is niet genoeg alleen maar je armen en benen en alle andere spieren te bewegen, 's morgens in de badkamer. De mens is lichaam en geest. En zo een half uur gymnastiek en een half uur "meditatie" kunnen samen een breed fundament van rust en geconcentreerdheid leggen voor de hele dag. Maar het is niet zo eenvoudig; zo een "stille Stunde". Dat wil geleerd worden. Alle kleinmenselijke rommel en franje zou dan moeten worden weggevaagd vanbinnen. Er is per slot altijd zo'n hoop onrust voor niks in zo een klein hoofd. Verruimende en bevrijdende gevoelens en gedachten zijn er ook wel, maar de rommel is er altijd doorheen. En laat dat dan het doel zijn van dat mediteren: dat je vanbinnen één grote, ruime vlakte wordt, zonder het geniepige struikgewas, dat het uitzicht belemmert. Dat er dus iets van "God" in je komt, zoals er in de Negende van Beethoven iets van "God" is. Dat er ook iets van "Liefde" in je komt, niet zo een luxe-liefde van een half uurtje, waar je heerlijk in zwelgt, trots op je eigen verheven gevoelens, maar liefde, waar je iets mee kunt doen in de kleine dagelijkse practijk.

Ik zou natuurlijk de Bijbel kunnen lezen iedere ochtend, maar ik geloof dat ik daar nog niet rijp voor ben, dat de innerlijke rust daarvoor nog niet groot genoeg is en ik graaf ook nog te veel met m'n hersens naar de bedoelingen van dat Boek, zodat het nog geen verdiepen wordt.

Ik denk, dat ik iedere ochtend maar wat zal lezen in 'In de Hof der Wijsbegeerte'. Ik zou me natuurlijk ook kunnen bepalen tot wat woorden op deze blauwe lijntjes. Tot wat geduld om een enkele gedachte wat nader uit te werken, ook al zijn dat niet van die belangrijke gedachten. Vroeger heb je nooit iets kunnen opschrijven, uit eerzucht. Het moest en zou direct iets geweldigs, iets volmaakts zijn en je durfde je niet te permitteren zo maar eens iets op te schrijven, hoewel je soms bijna uit elkaar barstte van verlangen ernaar.-

Ik zou je willen vragen niet zoveel in de spiegel te kijken, stuk onbenul. Het moet verschrikkelijk zijn, om heel mooi te zijn, je komt dan niet aan je innerlijk toe, daar je dan te veel in beslag genomen bent door het verblindende uiterlijk. De medemensen reageren dan ook alleen maar op dat mooie uiterlijk, zodat je misschien vanbinnen helemaal aan het verschrompelen gaat.-

De tijd, die ik besteed met voor de spiegel te staan, omdat ik soms plotseling getroffen word door een grappige of boeiende of interessante uitdrukking op dat heus niet zo bizonder mooie gezicht van mij, die tijd zou ik beter kunnen gebruiken. Het ergert me heel erg, dat gekijk naar mezelf.

Een enkele keer vind ik mezelf wel eens mooi, maar dat komt ook door die halfzachte verlichting in de badkamer; maar op zulke momenten, als ik mezelf mooi vind, kan ik me niet van m'n eigen beeltenis losrukken, dan trek ik gezichten tegen mezelf in de spiegel, stel m'n hoofd in allerlei standen voor m'n eigen verrukte blikken ten toon en m'n liefste phantasie daarbij is dan, dat ik in een zaal zit, achter een tafel met het gezicht naar de zaal gekeerd en dat iedereen naar me kijkt en me mooi vindt. Je zegt wel altijd, dat je jezelf helemaal vergeten wilt, maar zolang je nog zo vol met die ijdelheid en phantasieën zit, heb je het nog niet zo ver gebracht in het vergeten van jezelf.

Ook wanneer ik zit te werken krijg ik soms plotseling de behoefte m'n eigen gezicht te zien, ik neem dan m'n bril af en kijk in de brilleglazen. Soms is dat een ware dwanghandeling. En ik ben er zelf erg ongelukkig over, omdat ik voel, hoe erg ik mezelf nog in de weg zit. En het helpt niet of ik mezelf van buiten af dwing niet in de spiegel me te verlustigen in m'n eigen aangezicht. Er moet van binnenuit een zekere onverschilligheid voor m'n eigen uiterlijk komen, het moet me niet kunnen schelen, hoe ik er uitzie, ik moet nog veel "innerlijker" leven. Ook bij anderen let je soms nog te veel op het uiterlijk, of iemand "knap" is of niet. Het gaat per slot om de ziel of het wezen of boe je het noemen wilt, van de mens, die doorstraalt.

Wanneer jij werkelijk van je leven een gaaf en ernstig en groot geheel wilt maken, zusje, dan zul je een hoop moeten afleren en een hoop dingen ernstiger moeten aanpakken. Dan zul je ook je tijd beter moeten organiseren en niet zoveel verliezen met kleinigheden. Dan moet je je eerlijk rekenschap geven van een hoop onduidelijks, dat er nog rondspookt in je ziel. Dan moet je je rekenschap geven van je zelf, steeds door. Dan mag je niet ongecontroleerd leven.

Wanneer je later nog eens anderen wilt leren te leven, dan moet je eerst je zelf aanpakken. Je moet eerst zelf komen tot een geestelijke "hygiëne". Jung noemt het geloof ik ergens, psychologisch "stubenrein" worden. Je staat nog maar aan het begin, maar het begin is er tenminste en dat is al een hele hoop.
Etty wil voortaan regelmatig ‘naar binnen slaan’, dat wil zeggen: luisteren naar haar innerlijke stem. Ze durft het nog geen mediteren te noemen, maar dat is het natuurlijk wel. Ze wil al het ‘kleinmenselijke’, al het egocentrische in zichzelf wegvagen, zodat het van binnen ‘één grote ruime vlakte’ wordt. Met andere woorden: ego moet verdwijnen om plaats te maken voor wat ze ‘God’ noemt, maar wat evengoed met de term ‘fundamentele menselijkheid’ of ‘diepste Zelf’ kan worden aangeduid. Ze geeft er zelf later verschillende namen aan. Egocentriciteit beschouwt ze als haar grootste gebrek. Ze haat nu haar vroegere eerzucht om ‘geweldig’ en ‘volmaakt’ te zijn en ze blijft lang stil staan bij de uiterlijke manifestatie van de egocentriciteit: de aandachtige beschouwing van het eigen spiegelbeeld. Ze wil in de toekomst zichzelf meer en meer vergeten en alle ijdelheid afleggen, want al die egocentriciteit zit de spirituele groei in de weg. Ze zal zichzelf ‘een hoop moeten afleren’ en zich voortdurend rekenschap moeten geven van de vorderingen.
Ze heeft veel gesprekken met Spier, een 55-jarige psycholoog en chiroloog, die karakters van mensen beschrijft op basis van een analyse van de hand. Spier had zich na een carrière in het bankwezen op de studie van de dieptepsychologie en de chirologie gestort. De beroemde dieptepsycholoog Carl Gustav Jung was zeer onder de indruk van de resultaten die Spier op dit terrein boekte en hij voorzag diens chirologisch handboek dan ook van een zeer lovende inleiding. In 1939 had de Duitse jood Spier voor veel geld toestemming gekregen van de nazi’s om naar Nederland te emigreren. Hij was toen naar Amsterdam gekomen en had daar evenals in Berlijn een grote (vooral vrou­welijke) cliëntenkring opgebouwd. Etty ontmoet hem op 3 februari 1941. Ze noemt dat later haar geboortedag. Ze is aanvankelijk zeer verliefd op Spier, komt vervolgens steeds meer onder zijn invloed en gaat ook steeds meer van hem houden, maar ze weet zich op het eind van zijn leven – hij sterft op 15 september 1943, als Etty al vrijwilligerswerk voor de Joodse Raad in kamp Westerbork aan het doen is – helemaal vrij van hem te maken. Hij is dan ruim anderhalf jaar lang haar grote leidsman geweest. Heel vaak schrijft ze in haar dagboek dankbare woorden, soms gericht aan God, soms gericht aan hem. (235) Ze is er God mateloos dankbaar voor dat deze wijze en goede mens in haar leven kwam. (263/64) Zonder aarzeling wijst ze hém aan als bron en oorzaak van haar spirituele ontwikkeling. Van Rilke’s brieven en gedichten heeft ze heel erg veel geleerd, evenals van Augustinus de kerkvader en van de evangelist Mattheus (343/44), maar Spier was toch ongetwijfeld haar grootste inspiratiebron. De dag na zijn sterven schrijft ze: En nu loop ik weer die paar straten. Wat ben ik ze dikwijls gegaan, ook samen met hem, in altijd boeiende en vruchtbare dialoog. En wat zal ik die paar straten nog dikwijls lopen, op welke plek ter wereld ik ook ben, op die hoogvlaktes in me, waar mijn eigenlijke leven zich afspeelt./.../Ik zou mijn handen willen vouwen en zeggen: kinderen, ik ben zo gelukkig en zo dankbaar en ik vind het leven zo mooi en zinrijk. Jawel, mooi en zinrijk, terwijl ik hier sta aan het bed van mijn dode vriend, die veel te jong gestorven is en terwijl ik ieder ogenblik gedeporteerd kan worden naar een onbekend gebied. Mijn God, ik ben je zo dankbaar voor alles. (548)
In ruim anderhalf jaar tijd voltrekt zich in Etty, mede onder druk van de vooral voor joden verschrikkelijke omstandigheden, een geestelijke ontwikkeling die vanuit een gezonde kijk op de eigen gebrekkigheid en zondigheid voert naar stralende hoogten van mystieke harmonie, innerlijke rust en innerlijke wijdheid. Ze voelt vaak een grote honger naar eenzaamheid en stilte (344) en denkt veel na over het lijden in deze wereld. Soms verlangt ze naar de afzondering van een klooster (162). Ze woont bij een zestigjarige weduwnaar (met wie ze een liefdesrelatie onderhoudt) en diens huishoudster. Er zijn ook nog andere huisgenoten en bovendien ontvangt ze veel leerlingen voor lessen in de Russische taal, de moedertaal van haar moeder. Vanuit dit vrij drukke sociale leven – ze volgt aanvankelijk ook nog colleges in Amsterdam en in Leiden – hunkert ze vaak naar eenzame stiltes waarin ze studeren en lezen kan, waarin ze kan schrijven en filosoferen.
Haar eigen tekortkomingen neemt ze scherp op de korrel. Ze ziet in zichzelf kleine afgunst, ik-gevoel, geldings- en competitiedrang. (102) Ze waardeert het zo in Spier, dat die zijn innerlijk ‘spiernaakt’ ten toon durft te stellen. Ze beschuldigt zichzelf herhaaldelijk van gemakzucht en lafheid, van machteloosheid en angst. (149) Ze heeft soms lelijke en opstandige gedachten jegens haar leidsman (164) maar voelt tegelijk vol wan­hoop hoeveel vaagheid en onduidelijkheid er nog in haar is. (355) Ze kent de existentiële treurigheid om de beperktheden van het lichamelijke (361) en lijdt soms hevig aan de onevenwichtigheden van haar ‘jonge hartstocht’. (436) Op bladzijde 467 zegt ze: Ik ben niet echt groot, behalve misschien in een enkel verlicht moment, maar voor het overige ben ik beladen met alle ondeugden, die de tred van de mens verzwaren bij zijn tocht naar de hemel. Jaloezie en kleinmenselijke onwil en wat je maar wilt.
Het is altijd weer het ego dat de spirituele groei in de weg zit (350). Het eigen erotische verlangen kan soms zo groot zijn, dat woede en haat, vervreemding en verlatenheid gaan heersen, als het niet vervuld wordt (271). Ze gaat zich dan een versmade vrouw voelen (277), hoewel ze die gekwetste ijdelheid klein en kinderachtig vindt. Ze kan diep in de put zitten over haar moeheid en haar moedeloosheid en hoe krachtelozer zij zich voelt, ‘des te confuzer’ is ze over de kracht van Spier die altijd en overal voor iedereen klaar kan staan (431). Ze wil hem dan voor zich alleen hebben en walgt vervolgens van haar egocentrische kleinheid (432). Ze noemt haar wensen en verlangens dan haar ‘drenzerige, lastige kinderen’ (435) en verlangt ernaar met één sprong aan haar eigen kleinheid te ontkomen. (438) Als ze in de julimaand van het jaar 1942 begrijpt dat de nazi’s op de algehele vernietiging van het jodendom uit zijn, heeft ze wel begrip voor de verbitterde wraakgevoelens die haar vrienden uiten, maar ze keurt ‘die bevrediging van het eigen ik’ toch volledig af (487). Ze komt tot het inzicht dat ze al het ‘ich-hafte’ moet loslaten (504) en is stomverbaasd dat mensen hun stofzuigers in veiligheid brengen en hun zilveren vorken en lepels, in plaats van hun diepste zelf, dat de woning van God is. (517) Op bladzijde 569 verzucht zij: “En de materie, altijd weer de materie, die alle geest tót zich trekt, in plaats van omgekeerd” en in een zeer uitgebreide brief over het leven in Westerbork beschrijft ze hoe de mensen daar het ego-harnas van positie, aanzien en bezit verliezen en in het ‘laatste hemd van hun menselijkheid’ komen te staan (629). Dat is waarom ze ‘dat met prikkeldraad omrasterde stukje heidegrond’ als ‘bijna liefelijk’ ervaart (557).
Ego streeft naar bezit, aanzien en macht en dat materialistische streven is funest voor de spirituele ontwikkeling van de mens. Zelfs het claimen van eigendom op gedachtengoed in de vorm van auteursrechten is uit den boze, aldus Etty, want dat gedachtegoed komt uit het grote gemeenschappelijke reservoir van de mensheid. Individuele breinen zijn slechts kortstondige opslagplaatsen van gemeenschappelijk erfgoed (231/32), zoals individuele harten slechts tijdelijke bewaarplaatsen zijn van de liefde (527). Op bladzijde 367 beschouwt ze individuele mensen als ‘toevallige doorgangshuizen voor de grote gevoelens’. Als iemand zich in haar bijzijn verbitterd afvraagt, wat dat toch is in mensen dat ze elkaar kapot willen maken, dan zegt ze, dat die rottigheid van de anderen ook in onszelf zit. Dat idee van het ene grote geheel waar elke individuele mens toe behoort staat centraal in haar dagboek. Ze gaat zelf die verbondenheid steeds sterker voelen en dat gaat ten koste van het ‘ik’. Ze beseft dat haar ‘ik’ haar alleen maar in de weg staat bij het ‘in mij laten voltrekken’ van dingen. Ze beseft slechts instrument te zijn. Er is ‘een stukje van God’ in haar en dat wil ze alle ruimte geven, oneindig veel ruimte. Als ze in Westerbork ’s nachts op haar brits lag ‘temidden van zachtjes snurkende, hardop dromende, stilletjes huilende en woelende vrouwen en meisjes /.../ dan was ik soms van een eindeloze vertedering en lag wakker /.../ en dacht: laat mij dan het denkende hart van deze barak mogen zijn ‘. (575)
De groei van dat mystieke verlangen om, bevrijd van ego, op te gaan in een groter geheel, gaat gepaard met een groeiende liefde voor Spier en een groeiend mededogen voor alle mensen. Ze wil proberen echte mensenliefde uit te stralen, waar ze ook is (162), ze zet ‘haar hart wagenwijd open’ (265) voor anderen, ze wil ‘één grote en tedere liefdesroes’ beleven met alle mensen (299). Ondanks alle oorlogs- en vervolgingsellende vindt ze het leven mooi. Het leven gaat in één grote stroom met al z’n goeds en al z’n kwaad door haar heen (321). Ze wil al het verdriet van de wereld ‘onderdak verschaffen’ en ze weert haatgevoelens en wraakgedachten, want daaruit zou maar weer verdriet voor anderen voortkomen (322). Ieder beetje haat maakt de wereld onherbergzamer en onbewoonbaarder, zegt ze op 4 juli 1942. Ze vindt het lijden niet beneden de menselijke waardigheid, maar angst, verbittering en wanhoop bieden geen leven, want, vraagt ze, is het zo’n groot verschil ‘hier door duizend angsten opgevreten te worden of in Polen door duizend luizen en de honger?’ (485) Ze is er vast van overtuigd dat men ‘de voorraad liefde op deze aarde’ moet helpen vergroten (497) en ze wil God daarbij helpen (512). Op 12 juli 1942 bidt ze: ‘Het zijn bange tijden, mijn God. Vannacht was het voor het eerst, dat ik met brandende ogen slapeloos in het donker lag en er vele beelden van menselijk lijden langs me trokken’ (516) en even later: ‘Voor het grote, heroïsche lijden heb ik genoeg krachten, mijn God, maar het zijn meer de duizend kleine dagelijkse zorgen, die je soms plotseling als bijtend ongedierte bespringen’ (517). Ze neemt zich voor zo weinig mogelijk kracht te verliezen aan de kleine materiële zorgen om zichzelf. Ego krijgt zo weinig mogelijk aandacht. Op 17 april 1942 bidt ze: ‘Heer, verlos me van de kleine ijdelheidjes. Ze nemen te veel innerlijke ruimte in /.../’ . Later, in Westerbork, wil ze ‘een stukje ziel’ zijn van de krioelende mensenmassa om haar heen (547), tussen die barakken ‘vol opgejaagde en vervolgde mensen’ vindt ze de bevestiging van haar liefde voor het leven (557). Ze zou er ‘een pleister op vele wonden willen zijn’ (583).
Via een volledige aanvaarding van het lijden, ook wanneer haar geliefde vriend en leidsman in ijltempo verkindst en sterft, komt ze bij de God in zichzelf. Op 26 augustus 1941 schreef ze al: ‘Binnen in me zit een heel diepe put. En daarin zit God. Soms kan ik erbij.’ Bijna een jaar later: ‘Ik ben aan een begin, maar dat begin is er, ik weet het zeker. Het is een aan zích getrokken hebben van alle krachten die er in een mens zijn, het is een leven met God en in God en God in mij’ (463) En dan voegt ze eraan toe, dat ze het woord God eigenlijk maar een primitief woord vindt , een ‘hulpconstructie’ voor iets in zichzelf. En als ze God toespreekt, is het ‘of ik een stuk van mezelf te bezweren probeer’. Ze noemt dat stuk van zichzelf haar eigen centrum, haar eigen middelpunt (125), haar diepste zelf (133). Wanneer ze zich biddend of schrijvend in zichzelf keert, heeft ze het gevoel telkens op één plaats in zichzelf te komen, ‘waar langzaam een continuïteit ontstaat, waar je eigenlijke leven is’ (343). Langzaam voelt ze die kern groeien: ‘Er rennen niet meer delen van mezelf als hollende paarden vooruit, /.../ het is of alle delen zich steeds hechter samen trekken om de kern’ (445). Ze wordt stabieler: ‘ik draag m’n eigen klimaten en weersgesteldheden in me en ben onafhankelijk van die van buiten’ (471) en de diepe sensaties van een grote innerlijke ruimte en wijdheid, die echte mystieke sensaties, worden sterker en sterker.

Die mystieke momenten van volledig opgaan in iets veel groters zijn er plotseling en onverwacht. Op 5 september 1941 schrijft ze ’s avonds om elf uur: ‘Alles is weer weggeëbd. /.../ Ik ben weer zo wijd en ruim van binnen. En zo pretentieloos. Zo verdroomd, zonder geweldig eisen aan mezelf te stellen. Ingeordend in de hele kosmos. Dat gevoel, beseft ze, komt helemaal van binnenuit. Het heeft te maken met wat ze noemt ‘rusten in mezelf, het “ruhen in sich” (110). Dankbaarheid is daarbij een sterk opkomend gevoel (158). Ze is dan volledig verzoend met het leven: ‘Dit zijn werkelijk van die momenten – en ik ben er zo dankbaar voor - dat alle persoonlijke streven van me afvalt, dat mijn drang bv. naar kennis en weten tot rust komt, dan komt er plotseling met brede vleugelslag een klein stukje eeuwigheid over me heen.’ (183). Ze wordt er geleidelijk aan evenwichtiger door: ‘ik luister de hele dag naar wat binnen in me is, ook wanneer ik tussen anderen ben, ik hoef me niet meer af te zonderen, put geregeld krachten uit de verborgenste en diepste bronnen in mezelf.’ (244).


Soms zijn de hemelen binnen in haar even wijd uitgespannen als boven haar (458). Dan is het leven heel eenvoudig en duidelijk en dan kan ze de gecompliceerdheden van zichzelf en anderen tot in alle nuances begrijpen (144). Absolute voorwaarde daarvoor is bescheidenheid: ‘En zeer zeer bescheiden zijn en zeer zeer klein zijn. En altijd weer: zeer bescheiden zijn – En steeds eenvoudiger worden. Zeer zeer eenvoudig worden en zijn en léven. Niet alleen voor jezelf, in je stille en beste momenten die eenvoud en wijdte in je voelen, maar ook in je dagelijkse leven, geen sensaties om je heen uitstrooien, niet interessant willen zijn, afstand doen, eerlijk en misschien na een strijd, van het interessant-gevonden-willen-worden-door-de-buitenwereld. Máár de eenvoud werkelijk in je leven en in de atmospheer om je heen, verwerkelijken. Ja werkelijk zeer bescheiden en eenvoudig zijn en wachten en openstaan en groeien laten en ook werken! (328)
Als het leven voor haar zo transparant is, is er ook dat gevoel van volledige harmonie met de wereld (152), dat gevoel van ingebed te zijn in het leven (159), in die ene grote stroom van het leven (313), dat zo mooi is (321). Het gevoel van mystieke verbondenheid met alles is dan zeer intensief: ‘Maar wanneer ik daar zo lig, zo intensief en uitgestrekt en vol dankbaarheid om alles, dan is het net of ik verbonden ben met – ja met wat eigenlijk? Met de aarde, met de hemel, met God, met alles’ (264). Ze weet dan dat alle grote catastrophes uit de mens zelf voortkomen (320) en dat een mens zijn lot toch eigenlijk van binnenuit schept (264). Op 29 mei 1942 schrijft ze:

Ik weet van de opgejaagdheid der mensen, ik weet van het vele menselijke leed, dat zich stapelt en stapelt, ik weet van de vervolging en onderdrukking en willekeur en machteloze haat en veel sadisme. Ik weet het allemaal en blijf steeds oog in oog met ieder stukje werkelijkheid, dat zich aan me opdringt. En toch – in een onbewaakt en aan mij zelf overgelaten moment lig ik opeens tegen de naakte borst van het leven en haar armen zijn zo zacht en beschuttend om me heen en hoe de klop van haar hart was kan ik nog niet eens beschrijven: zo langzaam en zo regelmatig en zo zacht, bijna gedempt, maar zo trouw, als nooit meer zullende ophouden en ook zo goed en zo barmhartig’.


In het mystieke moment is er bij Etty die universele verbondenheid met de wereld, met het leven. Niet met één mens of met een kleine groep van mensen, want ‘Men mag een mens, al is het nog zo een geliefd mens, nooit tot doel in z’n leven maken. /.../ Doel is het leven zelf in al zijn vormen. En ieder mens staat daar als bemiddelaar tussen jou en het leven. Het leven leent z’n gebaren en z’n inhoud en z’n vormen aan de mensen uit en in ieder mens leren we het leven weer in een andere vorm kennen. (440). Dat ongebroken en stralende gevoel dat bij de mystieke ervaringen hoort, daar zijn alle lijden en treurigheid bij inbegrepen, dat is eenvoudig en woordeloos en wordt opgeroepen door ‘het er alleen maar zijn’ (510). Er alleen maar zijn, zonder strevingen, zonder behoeften, zonder vrees en zonder hoop, kortom, zonder ego. Alleen maar deel zijn van dat grote harmonische geheel dat werkelijkheid heet, of wereld, of leven, dát is wat de mystica Etty Hillesum wil.
ANDERE MYSTICI

In het themanummer van het tijdschrift Speling8 over mystiek (1981, jaargang 33 nummer 1) stellen een aantal specialisten zich de vraag wat mystiek nu eigenlijk is, dus wat de kenmerken zijn van de mystieke ervaring. Kees Waaijman citeert een natuurmystieke ervaring van Amiel uit diens ‘Journal Intime’:



s Avonds op het kiezelachtige strand van de AtantischeOceaan, liggend op mijn rug in het zand, terwijl mijn blik tot in de Melkweg reikte/.../uren van extase, waarin onze gedachte zwerft van wereld tot wereld, het raadsel openstoot, en wij rustig en diep ademhalen zoals de oceaan, sereen en grenzeloos....
Vervolgens kiest hij een fragment van Eugène Ionesco waarin deze beschrijft hoe hij als zeventienjarige op een ochtend in juni door een provinciestadje wandelde:

Plots kwam de wereld mij voor als verheerlijkt, zó dat een overweldigende vreugde mij aangreep en ik tot mezelf zei: wat er ook nog gebeurt, nu wéét ik. En ik zal me dat moment altijd blijven herinneren. Ik zal dan ook nooit meer helemáál wanhopig zijn. Ik kan u niet vertellen wat het was, omdat het echt niet te vertellen is. Er was zoiets als een verandering in de aanblik van de stad zelf, van de wereld, van de mensen. De hemel leek mij dichterbij, bijna tastbaar. Het enige wat ik kan zeggen is: intensiteit, aanwezigheid, licht.
Uit een eerdere aflevering van het tijdschrift Speling (1971, nr. 4) kiest hij een mystieke ervaring van Ton van der Stap (geboren in 1934 in Den Haag) die op een avond na een hete dag de abdijkerk van Fontenay binnengaat:

Ik betastte het oppervlak van de zuilen, voelde verrast hun koele harde weerstand, en zag van zo dichtbij hoe het grijs dooraderd was met dun blauw, geel en rood. Schemer door de ramen voorin, licht door de ramen achterin. Daartussenin de ruimte, waarin men door niets wordt afgeleid. Er bestaan plekken die een mens niets anders geven dan het gevoel dat hij nu helemaal bestaat. Op de drempel van deze kerk, verrast door niets anders dan stilte en leegte, heb ik alle bijkomstigheden vergeten. De dag met zijn eventualiteiten bestaat niet meer. Alle woorden en gedachten vloeien samen naar een diep centrum waar ik alleen nog maar ben. Ik word welkom geheten, opgenomen in een zwijgen buiten de wereld, buiten de tijd.
Ook de bekende mystieke ervaring van Marcel Proust9 ontbreekt niet in zijn citatenlijst:

Juist op het ogenblik waarop de slok thee vermengd met de kruimels van het koekje mijn verhemelte raakte, huiverde ik, daar ik de zonderlinge dingen opmerkte die binnen in me gebeurden. Een heerlijk welbehagen had me overweldigd, geheel op zichzelf staand, zonder dat ik enig benul had van de oorzaak ervan. Meteen had het de wisselvalligheden van het leven onbelangrijk gemaakt, de rampen ervan onschadelijk, de kortstondigheid ervan illusoir, net zoals de liefde doet, me vervullend met een kostbaar wezen; of liever: dit wezen was niet in me, ze was mij.
Als wezenlijke elementen in de mystieke ervaring noemt Waaijman:

  • een plotselinge, uit het niets komende ontdekking van een diepte, een ruimte, een wijdheid, een licht, een vuur, een aanwezigheid, een stroom van leven (enz.) in het eigen wezen die de hele omringende werkelijkheid een totaal ander aanzien geeft;

  • die ervaringskern vervult met groot welbehagen, met grote zoetheid, ze wekt enorme liefdeskracht op, dankbaarheid, onkwetsbaarheid en creativiteit, een gevoel van verbondenheid en opgenomen-zijn, en ze kan na het verdwijnen grote kou en duisternis achterlaten;

  • de mystieke ervaring is zó onuitsprekelijk, dat de mysticus zich achteraf vaak slechts in paradoxen kan uiten:

Zijn werk is verwoesten, vernielen, vernietigen en tegelijk herscheppen, oprichten, opwekken. Hij is wonderbaarlijk verschrikkelijk en wonderbaarlijk zacht ...(Jean-Joseph Surin10)
Mystieke ervaringen, aldus nog steeds Waaijman, hebben lang niet altijd iets te maken met een bepaald (religieus) gedragspatroon. Geen enkel leefpatroon heeft een patent op mystieke ervaringen, hoewel bepaalde leefpatronen er wel een goede voedingsbodem voor kunnen zijn. Mystiek mag ook niet vereenzelvigd worden met extase of paranormale verschijnselen. Er hoeven helemaal geen hevige fysieke reacties bij op te treden en de mysticus is absoluut niet per definitie een wereldvreemde zonderling.
Frans Maas, kenner van de mysticus Meester Eckhart, brengt in hetzelfde nummer van Speling onderscheid aan tussen de religieuze en de mystieke ervaring. De eerste is volgens hem in harmonie met de tijdgeest, de tweede wijst juist op de tekorten daarvan. Mystiek verzet zich tegen ‘het pakt tussen religie en kultuur’, tegen de taal van het heersende geestelijke leven. Ze voert naar donkere plekken waar de verborgene is, die woont in het niets. De mysticus koestert in zijn taal de contradictie en de paradox. Meester Eckhart verzet zich in zijn contradicties en negaties tegen het ‘geleerde netwerk rondom God’ (vol aristotelisch en platoons gedachtengoed) en tegen de dwang van de logica. Tegen die zo overzichtelijke weg naar de religieuze volmaaktheid ook. Met de oude taal van de religieuze ervaring heeft Eckhart niets. Hij spreekt een haast onbegrijpelijke duistere taal:

Wij zeggen dus dat de mens zo arm moet zijn dat hij geen plaats is of heeft waarin God werken kan. Waar de mens nog plaats in zich handhaaft, handhaaft hij nog onderscheidenheid. Daarom smeek ik God dat hij mij God kwijt doet raken; want mijn wezenlijke zijn is boven God inzover wij God als begin der schepselen zien. 11
De mysticus gaat een stoutmoedige weg tegen de traditie in. Hij ontkent de traditionele religieuze zinverschaffing en zoekt naar nieuwe woorden. Niet alleen Meester Eckhart, ook Teresia van Avila breekt vanuit haar mystieke ervaringen met de bestaande religieuze taal en wereldordening, evenals met de sociale ordening waarin de vrouw een tweederangspositie had. Mystici handelen vaak revolutionair, denk aan Franciscus van Assisie, vanuit gevoelens van solidariteit en mededogen. Ze gaan voorbij aan rationaliteit. De mystieke weg bestaat uit ‘ontkenningen van allerlei bemiddelingen’ en ‘gaat voorbij aan allerlei ervaring’. De mysticus weet daadwerkelijk wat overgave betekent, hij leeft zonder de waarom-vraag voorbij alle redelijke motieven tot waar hij geen grond meer heeft om op te staan, tot daar waar ‘zinloze verlatenheid en onmiddellijke aanwezigheid met elkaar vervlochten zijn’.
In een boek uit 1991 onder redactie van Blommestijn12 bespreekt deze de mystiek van Antoine de Saint-Exupéry (1900-1944). De oorlogsvlieger De Saint-Exupéry liet een manuscript na, dat men zijn geestelijk testament zou kunnen noemen: Citadelle. Er staan prachtige dingen in over de blokkades die ego opwerpt tegen de mystieke ervaring.
Ego wil al het andere onderwerpen en dienstbaar maken aan zichzelf. Daardoor ontstaat een verstikkende eenzaamheid. Er is geen relatie meer mogelijk doordat er geen werkelijke Ander meer is. Dan biedt het gebed uitkomst, want God biedt met zijn zwijgen weerstand aan ego. Hij antwoordt niet. Hij laat zich niet manipuleren en reduceren tot een onderdeel van ego. Hij is ‘de absolute alteriteit, de Ander bij uitstek’, aldus Blommestijn. Daardoor opent God de ruimte voor een echte relatie. God kan nooit eigen bezit worden. Van God houden is hem aan anderen schenken. Ego moet offeren, zichzelf prijsgeven, voordat God in ons geboren kan worden.
De beste plaats voor die Godsgeboorte is de woestijn. (De Saint-Exupéry is verschillende malen met zijn vliegtuig en de overige bemanning neergestort in de woestijn.) In de woestijn, aan de rand van de dood, is geen veiligheid meer, daar zijn geen zekerheden meer voor ego. Daar wordt het leven in zijn puurheid ontdekt en openbaart het zich als loutere gave, want elk teugje adem is daar een geschenk. Pas als we helemaal bevrijd zijn van onszelf kunnen we De Ander ontmoeten. Pas in de woestijn ervoer De Saint-Exupéry volkomen dat de mens geroepen is zich te binden aan De Ander/Het Andere ‘in uiterste verantwoordelijkheid en zelfvergetelheid’. Enkele prachtige citaten uit het boek Het Rijk der Mensen13 over het uitstaan naar de ander:

Ik zie de ogen van mijn vrouw weer voor me. Ik zal nooit iets anders meer zien dan die ogen. Zij kijken mij vragend aan. Ik zie de ogen weer van al degenen die, misschien, van mij houden. Ook die ogen kijken mij vragen aan. Een hele kring van blikken verwijt mij mijn stilzwijgen. Ik antwoord! Ik antwoord! Ik antwoord uit alle macht. Ik kan geen stralender vlam in de nacht ontsteken!

In feite gaat dit citaat over Gods zwijgend uitstaan naar ons. Ook het volgende citaat gaat over God, over Gods vriendschap jegens ons:



Ik heb mezelf verloren gewaand, ik dacht dat ik tot de diepste wanhoop was weggezonken, en toen ik eenmaal van alles afstand had gedaan, heb ik de vrede leren kennen. Het is of men in zulke uren zichzelf ontdekt, en zijn eigen vriend wordt.

Wie afstand van zichzelf weet te doen, vindt God. Dat staat hier eigenlijk. In het volgende citaat wordt duidelijk tot welke zelfoverwinningen een mens in staat is, als hij zijn geest richt op de ander:



Je bleef weerstand bieden tegen de verleiding. ‘In de sneeuw’, zei je me, ‘verliest men al het instinct tot zelfbehoud. Als men twee, drie, vier dagen heeft gelopen, is het enige waarnaar men verlangt, slaap. Daar verlangde ik naar. Maar ik zei bij mezelf: als mijn vrouw gelooft dat ik nog leef, gelooft ze dat ik doorloop. Mijn kameraden geloven ook dat ik doorloop. Ze hebben allemaal vertrouwen in me. Ik ben een ellendeling als ik niet blijf doorlopen’.....

Het mooiste citaat uit zijn geestelijk testament Citadelle is ongetwijfeld:



Ik herken de vriendschap hieraan dat zij niet teleurgesteld kan worden, en ik herken de waarachtige liefde hieraan dat zij niet gekwetst kan worden.14
Een andere twintigste-eeuwse mysticus is Dag Hammarskjöld. ammNa zijn dood op 18 september 1961 liet Hammarskjöld een manuscript van een boek achter: Merkstenen, een reeks dagboekaantekeningen over zijn reis naar binnen. Ook Hammarskjöld wil alles loslaten wat ego zekerheid of bevestiging verschaft. Hij wil zich aan ego ontworstelen, ook al houdt hij niets over dan duistere chaos. We moeten daarin durven vallen, vindt hij. De waarheden waarin hij gelooft, overstijgen het menselijk verstand en daarom spreekt hij evenals Jan van het Kruis over de ‘nacht van het geloof’. Als de mens geleerd heeft de duisternis te laten spreken en zijn egocentrische verlangens te laten zwijgen, ‘valt hij in de onpeilbare diepte van God’.
Evenals voor Antoine de St. Exupéry is voor Hammarskjöld God de meest significante Andere. Hij wilde zijn gedrag niet laten bepalen door menselijk opzicht (Wat zullen de mensen van mij denken?) maar door goddelijk opzicht. God op het spoor komen betekende voor hem steeds meer het mysterie naderen. Hij zocht een religieuze taal die ruimte laat voor dat mysterie en vond die in de bijbel, bij de mystici en in de poëzie. Geloof werd voor hem ‘un état d’ âme’ – de term is van Bergson – een toestand van de ziel waarin je een steeds helderder kijk krijgt op de werkelijkheid.
Toen het vliegtuig van Hammerskjöld in 1961 boven het huidige Zambia neerstortte, lag er op zijn werktafel een door Martin Buber zelf gesigneerd exemplaar van het boek Ich und Du. Hij was ook uitstekend thuis in zowel middeleeuws-christelijke als oosterse mystieke teksten. Daarnaast genoot hij intens van ongerepte natuur. Tijdens een verblijf in Lapland noteerde hij:

Het buitenmenselijke in ons ervaren van de majesteit der natuur. We kunnen geen woorden vinden om onze reacties volledig te uiten. Ook kunnen we haar grootsheid niet dienen zoals we dat in onze menselijke reactie zouden willen. We moeten een weg vinden om als een organisch deel van het geheel mee te resoneren.15

Even verder spreekt hij over:



De wijding van de arktische zomernacht: een geur van ijs en brekende knoppen – roestbruine glinstering op naakte stammen, de glans van hars op jonge bladeren – het gekabbel van water in open wakken, trillers van spotvogels – de doodse glans van ijsblokken in het tegenlicht (blz. 63)

En één bladzijde ervoor schreef hij:



Zo rust de hemel op aarde. In de donkere stilte van het bosmeer opent zich de schoot van het woud. En zoals de man haar lichaam wikkelt in zijn blijvende tederheid, zo wordt de naaktheid van grond en bomen gehuld in het stille, hoge ochtendlicht.

Zelf voel ik een schrijnende pijn, die het verlangen is naar vereniging, naar eenwording, naar deelname in deze ontmoeting. Een pijn die één is met het verlangen der aardse liefde –

Verlangen naar eenwording, erotisch én mystiek verlangen, opgewekt door de stille ontvankelijkheid voor de majestueuze natuur waarin hemel en aarde gemeenschap met elkaar lijken te hebben, zoals een man en een vrouw.


Hammarskjöld ervaart dat de langste weg die een mens te gaan heeft, de weg naar binnen is, en dat de grootste vraag daarbij is, hoe men losraakt van zichzelf. Hoe ontsnapt de mens aan een al te grote zorg voor het eigen imago, hoe bevrijdt hij zich ‘uit de zelfgebouwde burcht van een defensief egocentrisme’.16 In Hammarskjöld waren ambitie en nederigheid constant met elkaar in conflict, aldus Arts. Kiezen voor ‘goddelijk opzicht’ in plaats van ‘menselijk opzicht’ bevordert de nederigheid, aldus Arts, want “God bevestigt zelden of nooit ons geliefkoosd zelf-imago. God vecht veeleer onze lievelingsmaskers aan. God ‘ontmaskert’ de mens.” (blz. 49) In de woorden van Hammarskjöld zelf:

Gekleed in dit ego, dat geschapen is uit het oordeel van onverschilligen, zinloze onderscheidingen, ‘prestaties’ waarvan protokol opgemaakt is -.Ingesnoerd in de dwangbuis van het dagelijkse.

Uit dit alles te voorschijn treden, naakt, op de steile helling in het ochtendlicht – aanvaard, onkwetsbaar, vrij: in het licht, met het licht, van het licht. Een, werkelijk in het ene.

Weg uit mijzelf als versperring, naar mijzelf toe als vervulling.17

En op zijn verjaardag, 29 juli 1959, schreef Hammarskjöld:



Nederigheid is in even sterke mate de tegenhanger van zelfvernedering als van zelfverheffing. Nederigheid wil zeggen: zichzelf niet vergelijken. Rustend in zijn eigen werkelijkheid, is het ik niet beter en niet slechter, niet groter en niet kleiner – dan iets of iemand anders. Het ik is – niets, maar tegelijk één met alles. In die zin betekent nederigheid: totale wegcijfering van jezelf.

In deze ootmoedige wegcijfering niets zijn, en toch uit de kracht van de opdracht geheel de zwaarte en autoriteit van de opdracht belichamen – dat is de levenshouding van de geroepene. Ten overstaan van mensen, poëzie, kunst en werk alles geven wat het ik daarbij als medium tot stand kan brengen, en – eenvoudig en vrij - alles aanvaarden, wat het daarbij te beurt valt krachtens innerlijke identiteit. Lof en kritiek, de winden van het succes en de tegenspoed, waaien over zo’n leven heen, zonder een spoor na te laten en zonder het evenwicht te verstoren.Daarbij helpe mij God -
1   2   3   4   5   6   7

  • 6. OVER ETTY HILLESUM EN ENKELE ANDERE MYSTICI

  • Dovnload 277.26 Kb.