Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Van de wolf en het lam

Dovnload 277.26 Kb.

Van de wolf en het lam



Pagina5/7
Datum14.03.2017
Grootte277.26 Kb.

Dovnload 277.26 Kb.
1   2   3   4   5   6   7

7. IK EN JIJ18
Martin Buber onderscheidt twee woordparen die een grondhouding naar het ons omringende uitdrukken: IK-JIJ en IK-HET (of HIJ of ZIJ). De twee IK’en die in beide woordparen voorkomen zijn niet hetzelfde: het IK in relatie tot een JIJ is anders dan het IK dat zich plaatst tegenover een object. Het IK dat uitstaat naar het onbegrensde JIJ spreekt met zijn hele wezen en het IK dat zich tegenover een object plaatst maar met een deel van zijn wezen. Vergelijk de zinnetjes “Ik hou van mensen” en “Ik zie de boom”. Buber gaat eigenlijk nog verder door te zeggen dat er geen IK op zich bestaat, maar dat het IK altijd óf tot het grondwoord IK-JIJ behoort óf tot het grondwoord IK-HET. Wie ‘ik’ zegt, bedoelt altijd óf het ene óf het andere IK, het IK dat in een relatie staat of het IK dat een ervaring heeft. Het eerste IK hoort tot een groter geheel, tot een onbegrensd geheel zelfs, het tweede niet. Het tweede IK vaart slechts over de oppervlakte der omringende dingen en ervaart de buitenkant ervan. Wie de wereld ervaart, heeft er geen deel aan en de wereld heeft geen deel aan hem.
Wie zich vanuit het grondwoord IK-JIJ in een relatie plaatst, kan dat doen in de sfeer van de natuur (een benedentalige relatie), in de sfeer van de medemens (een talige relatie) en in de sfeer van het puur geestelijke (een boventalige relatie). In deze laatste sfeer spreken we soms wel met een JIJ hoewel die zich in feite niet laat vernemen en steeds verder terug lijkt te wijken in zwijgen. Die laatste JIJ lijkt ‘in een wolk gehuld’ (Exodus 24: 15-18) of slechts aanwezig in ‘het suizen van een zachte stilte’ (1Kon: 19-20). Stel ik mij volledig en onvoorwaardelijk in de relatie tot een mens, dan is die mens geen ding onder de dingen maar een onbegrensd JIJ, niet in ruimte en tijd gevangen maar als een hevig ontroerend muziekstuk volledig en tijdloos in het hier en nu aanwezig. In deze situatie bestaat het IK uit het grondwoord IK-HET even niet. Helaas duurt dit nooit lang en ontwaakt dit tweede IK weer spoedig. Vanaf dat moment is de mens weer een tweeheid van IK’en (met het IK van het grondwoord IK-HET waarschijnlijk in dominantie) en is de medemens weer vooral een HET geworden dat te ervaren is. De mens met wie ik onder de hemel van het JIJ stond, ervoer ik niet.

Op dezelfde manier kan ik ook met een kunstwerk onder de hemel van het JIJ staan, mits ik me er volstrekt belangeloos totaal aan heb overgegeven. Ook dat volstrekte ‘opgaan in’ duurt helaas nooit erg lang. Vaak treedt het kunstwerk weer snel de wereld van HET binnen en sta ik het weer als ding te ervaren en te onderzoeken. Het JIJ daarentegen kán men niet ervaren of onderzoeken, dat laat zich enkel ontmoeten. Tussen IK en JIJ bestaan geen theorieën, geen doelen, geen begeerten. Men weet van het JIJ niet ‘iets’ maar alleen maar ‘alles’, waarbinnen niets afzonderlijks te onderscheiden valt. Tegen een JIJ het grondwoord spreken is een daad van heel het wezen, een wezensdaad, in activiteit en passiviteit, in liefde. Het is een samenvoegen en versmelten, dat nooit dóór mij maar ook nooit zónder mij kan gebeuren. Door het belangeloze schouwen kan een kunstwerk-JIJ verwerkelijkt worden, door de liefde een mens-JIJ. Enkel de liefde bevindt zich tussen IK en JIJ, enkel wederkerigheid, tegenwoordigheid.


Het IK van het grondwoord IK-HET heeft geen tegenwoordigheid maar enkel verleden. Voorzover de mens genoegen neemt met de dingen die hij ervaart en gebruikt, leeft hij in het verleden en kent hij geen tegenwoordigheid. Hij heeft slechts objecten en die bestaan enkel in het geweest-zijn. Rondom die objecten heeft hij een bouwsel van ideeën opgericht waarin hij kan schuilen als zijn nietigheid hem overvalt, maar waarin hij enkel een ‘geweest zijn’ of een ‘zou moeten zijn’ aantreft, dus alleen maar verleden of toekomst en geen tegenwoordigheid. Waar geen tegenwoordigheid is, geen wederkerigheid, geen liefde, daar is geen ‘werken aan’, geen groei. Door alles waarmee wij in een relatie staan worden wij opgevoed, daar groeien wij aan. Het is zelfs zo, dat het grondwoord IK-JIJ aan het IK vooraf is gegaan. Het relatie-IK is geleidelijk ‘losgemaakt’ uit het grondwoord evenals het relatie-JIJ. Pas daarna is het IK-betrokken ervaren en het dualisme IK-HET ontstaan. Deze ontwikkelingen zijn zowel in de geschiedenis van de individuele mens als in die van de hele mensheid aanwijsbaar, dus zowel in de kinderpsychologie als in de cultuurgeschiedenis. Wanneer het zinnetje ‘Ik hoor de donder’ niet meer over een relatie tussen een mens-IK en een donder-JIJ vertelt, dan is de splitsing tussen subject en object een feit geworden. In de ontwikkeling van foetus tot kind is er eerst de losmaking van de biologische moeder en dan die van de ‘grote moeder’: de oerwereld zonder subject-objectscheiding. Parallel aan de taalontwikkeling wordt alle JIJ tot HET en groeit het ik-bewustzijn.
Vanuit het grondwoord IK-HET is de ervaring die de ander van de dingen heeft even onbetrouwbaar als die van jezelf. Alleen in de meest objectieve zin, dus met wetenschappelijke methoden, is de wereld min of meer betrouwbaar. Maar soms raakt de wereld ons als een tegenover, heel fundamenteel, als een JIJ. Dan ontmoet ze ons IK en neemt het op in haar grote geheel en maakt ons tegenwoordig doordat ons IK zich volledig overgeeft. Dat is een mystiek moment.
TWEEDE DEEL

De HET-wereld groeit en groeit naarmate de individuele kennis en de collectieve wetenschappen omvangrijker worden. Tevens groeit de bekwaamheid om die wereld te ervaren en te gebruiken, maar die groeiende bekwaamheid en de daarmee gepaard gaande snelheid en haast verminderen de menselijke relatiekracht. Het antwoord van de mens aan zijn JIJ is geest, is liefde. Slechts díe mens spreekt het IK-JIJ-woord, die met zijn hele wezen een relatie binnentreedt. Alle taal schiet dan tekort, want taal refereert aan de HET-wereld. Het IK-HET-grondwoord betekent splitsing, splitsing van het IK-domein en het HET-domein, een ‘binnen’ met gevoelens, herinneringen en toekomstverwachtingen en een ‘buiten’ waarin men functioneert, organiseert, concurreert, etc. Het IK-HET-grondwoord betekent eenzaamheid.


Het huwelijk is een verbond waarin mensen elkaar het JIJ openbaren. En het is dat JIJ, dat voor geen van beiden IK is, dat het huwelijk opbouwt. En dat zit niet zozeer in de erotiek, want als men van heel die veelbesproken erotiek aftrekt wat op het IK is betrokken, dan blijft er niet veel van over. In een goed huwelijk, in een goede relatie tussen mensen is er ‘de centrale tegenwoordigheid van het JIJ’. Die JIJ-tegenwoordigheid is de creator van elke gemeenschap. Als daarbinnen de economie (de wil tot nut) en de politiek (de wil tot macht) niet samengaan met de wil tot relatie, dan wordt die gemeenschap volstrekt inhumaan. In gemeenschappen is elk functioneren zonder JIJ-besef inhumaan. Alleen het JIJ-besef kan bijeen-zijn en arbeid betekenis en vreugde geven.
De mens z’n leven zweeft tussen JIJ en HET. In het heiligdom van JIJ heerst de geest, de geest van liefde. Als de mens zich in HET-land begeeft, dient hij die geest zo zuiver mogelijk te behouden. Het zijn de mensen van de geest die HET-land leefbaar houden. We kunnen de HET-wereld uiteraard niet missen maar de tegenwoordigheid van het JIJ moet er wel boven blijven zweven, om te voorkomen dat economie en politiek, arbeid en bezit aan dwingelandij wordt prijsgegeven, aan noodzakelijkheid en noodlot. Zonder die JIJ-verbondenheid regeert slechts de egocentrische willekeur, de koortsige begeerte, de wens ‘te kunnen gebruiken’. Het IK van het grondwoord IK-HET is een eigenwezen dat zich tegen andere eigenwezens afzet en zich bewust is als subject van ervaren en gebruiken, het IK van het grondwoord IK-JIJ is een persoon die zich bewust is als subjectiviteit door met andere personen in relatie te treden.
Het doel van Eigenwezen (Ego AH) is ervaren en gebruiken, het doel van Persoon is aanraking van het JIJ en aangeraakt worden. Die aanraking is in wezen een opgaan in het zijnde, het tijdloze zijnde. Eigenwezen zet zich af, neemt bezit van en zwelgt in zijn bijzonder-zijn, zijn anders-zijn, terwijl voor Persoon slechts het Zijn telt. Geen mens is louter persoon of eigenwezen. Ieder leeft in zijn tweevoudige ik, maar hoe meer eigenwezen domineert, hoe meer de mens ten prooi valt aan de onwerkelijkheid van het afgesplitste IK in de HET-wereld. Zo’n mens huivert in de vervreemding en hunkert naar de verlossing. Hoe anders is het IK van de onvoorwaardelijke relatie, waarin een mens zijn JIJ zodanig vader noemt, dat hij zelf slechts nog zoon en niets anders dan zoon is. (Zie ook het hoofdstuk ‘De weg van Eckhart’ AH)
DERDE DEEL

In ieder mens is een aangeboren JIJ, dat werkelijk wordt aan iedere relatie maar voltooid in geen enkele. Ieder afzonderlijk JIJ biedt een doorkijk op het eeuwige JIJ, het eeuwige JIJ van alle wezens, dat velen God noemen. God is het JIJ dat door geen ander JIJ ingeperkt kan worden en waarmee de relatie wel voltooid kan worden, omdat noch het JIJ noch het IK in die relatie tot HET kan worden, (tenzij we van onze relatie met God een ‘gebruiksgeloof’ maken, zoals Kuitert dat noemt, maar dan is er ook van een echte relatie geen sprake. AH) Een relatie is altijd kiezen en gekozen worden, activiteit én passiviteit, ook al lijkt de ‘bezigheid’ van de heel geworden mens in de ‘unio mystica’ op volstrekte passiviteit. Niemand kan zeggen wanneer en hoe zo’n heelheid ontstaat. Het uitgaan van de ziel tot JIJ en de volkomen acceptatie van de tegenwoordigheid van JIJ vallen samen. Dat uitgaan van de ziel is geen opgeven van het ‘ik’ want het IK is onmisbaar in de relatie IK-JIJ. Alleen het ervarende en gebruikende IK van het grondwoord IK-HET is tijdelijk verdwenen.


Een relatie behelst altijd wederkerigheid. God is het eeuwige JIJ dat ons IK dringend nodig heeft, maar dat JIJ heeft ons IK even hard nodig. Gerard Reve heeft daar een schitterend gedicht over gemaakt:
DAGSLUITING

Eigenlijk geloof ik niets,

En twijfel ik aan alles, zelfs aan U.

Maar soms, wanneer ik denk dat Gij waarachtig leeft,

Dan denk ik, dat Gij Liefde zijt, en eenzaam,

En dat, in zelfde wanhoop, Gij mij zoekt

Zoals ik U.

(Uit: Verzamelde gedichten, A’dam 1987)


De voltooiing van het IK-JIJ kan alleen plaatsvinden in een biddende en offerende overgave van het IK, maar het is dus niet zo dat God in de mystieke ervaring een IK-leeg wezen binnentreedt. Het Johannesevangelierelatie met God een orden, omdat het IK erin nooit tot HET at velen God noemen.kele. spreekt over de zuivere relatie: Vader en Zoon zijn wezensgelijk. De Christus van Johannes leidt tot de Christus van Eckhart die door God eeuwig in de mensenziel wordt verwekt. God en mens zijn wezensgelijk, maar ze zijn een tweeheid waarin de zoon zich buigt voor de vader en tot hem bidt. De vervoerende dynamiek van de relatiehandeling overschrijdt wel de grenzen van haar leden IK en JIJ, maar er is geen versmelting. Wel is er binnen de mensenziel een grote eenheid en heelheid gekomen door de hevige concentratie van alle zielskrachten op de ontmoeting, zoals dat ook kan gebeuren in de liefdevolle hartstocht van een alles vervullende eros.
Als Boeddha spreekt over het doel van de weg: het opheffen van alle lijden, dan bedoelt hij eigenlijk dat men zich moet bevrijden van de begeerte naar het bestaan en dus van de kringloop der geboorten. Als de in zichzelf teruggebogen menselijke geest alles wat buiten hem is tot ziel gemaakt heeft, dan is de wereld in feite opgeheven. Maar dan is ook het JIJ kunnen zeggen van het IK opgeheven. Buber wil dat niet. Buber wil enkel van die vervreemde HET-wereld af, dus van het ervarende en gebruikende IK. Vanuit het grondwoord IK-JIJ moeten we blijven uitgaan tot de wereld, want wie dat doet gaat uit tot God. God omvat het Al en is het niet. Hij omvat mijn Zelf en is het niet. Daarom kan ik JIJ zeggen en is er dialoog. Daarom bestaat het woord, bestaat er in eeuwigheid het woord voor de geest, voor wie spreken de oerhandeling is. (Het is of we Kuitert hier horen spreken. AH)
Wanneer ik de vragende blik van een huisdier kruis en onze blikken haken even in elkaar, dan straalt een blik lang de JIJ-wereld vanuit de diepte. Daarna is er alleen weer HET-wereld om ons heen. Het JIJ verscheen en verdween. Die vergankelijkheid is eigen aan de relatie tussen mens en mens, tussen mens en dier. Ieder afzonderlijk JIJ wordt na enige tijd door de beschikking van het lot weer een HET. Dat is de melancholie van het menselijk lot. Buber roept uit “Hoe machtig is het toch, dit continuüm van de HET-wereld, en hoe teer zijn de verschijningen van het JIJ”. Slechts één JIJ houdt naar zijn wezen nooit op ons JIJ te zijn. Toch kennen wij allen de God-verte, maar die ontstaat door onze eigen afwezigheid, door onze eigen dorheid. De wereld van de relatie vormt zich in drie sferen: de natuur, de mensengemeenschap, het geestelijke. In ieder JIJ vernemen wij ‘een waaien van het eeuwige JIJ’, in kosmos, eros én logos. Voorwaarde voor de relatie is, dat het IK zich uit de ervarende en gebruikende omgang met de omgeving losgemaakt heeft. Alleen de JIJ-zeggende verwerft uitzicht op God. Wie op verwerven, hebben of houden is gericht, vindt slechts een afgod.
In de godsontmoeting ontvangen we een tegenwoordigheid, de volheid van een wederkerigheid, die samengaat met een onuitsprekelijke bevestiging van zin. Niets is meer zinloos. De in het hier en nu tegenwoordige openbaring is: “Ik ben er zoals ik er ben”. Dit eeuwige JIJ is niet te conceptualiseren, niet in taal te vatten. Toch maken mensen er een HET van, ze maken het tot voorwerp van een geëxpliciteerd geloof, waarvan ze de geschiedenis schrijven. Er is alleen ‘verlossing’ of ‘verlichting’ in dit leven, als je wezensbeweging die van geconcentreerd uit jezelf treden is, van aandachtig uitgaan tot al het omringende.
8. DE WEG VAN ECKHART19
Inleiding

Als Eckhart spreekt over God, de ziel en de schepping, dan beschouwt hij de hele bestaande werkelijkheid als één groot geheel. Hij wil daarin de algemeen-menselijke waarheden achterhalen, want hij denkt dat weten heilzaam is. De mens, aldus Eckhart, dient inzicht te hebben in zijn werkelijkheid, in dé werkelijkheid. Hij wil ons slapende bewustzijn wekken en ons ervan doordringen dat we slechts bestaan in God. Ons bestaan zelf is God, is Liefde, is Weten. We moeten in het weten van God verzinken, in zijn Bewustzijn, dat Liefde is.


Ons heil hangt in zekere zin af van woorden. Eckhart komt tot ons door woorden, Christus komt tot ons door woorden, ja zelfs de hele schepping in zekere zin, want wat wij nooit hebben horen benoemen, ontsnapt gemakkelijk aan ons bewustzijn. (Eskimo’s hebben zeventien verschillende woorden voor sneeuw en onderscheiden ook zeventien verschillende soorten sneeuw. Onderscheidingen die wij nooit hebben leren maken omdat wij er geen woorden voor hadden.) Eckharts woorden zijn niet mythologisch, niet moralistisch, maar ontologisch, d.w.z. de zijnsleer betreffend. Het gaat hem om het zíjn van de wereld, dus om de vraag hoe en wat de werkelijkheid ís.
Voor Eckhart is de werkelijkheid een eeuwigdurend proces: de Zoon wordt in het nu geboren uit God. God baart met zijn Woord de Zoon, de kosmos, de hele schepping en ook mij. Alles bestaat uit Hem. Onze zaligheid is om te komen tot het bewustzijn: God en ik, wij zijn één. Die eenheidservaring is de ervaring van de mysticus en de eenheid zelf is de ‘unio mystica’. Deze beschouwing van Eckharts mystiek is gevoed door zijn preken en traktaten. Eckhart is geboren in 1260 in Thüringen, in de buurt van Ehrfurt of Gotha. Hij werd een Dominicaan en maakte een prachtige wetenschappelijke carrière in Parijs als hoogleraar theologie. Later werd hij kloosteroverste van zijn orde in Noord-Duitsland en zielzorger in vrouwenkloosters in het Rijnland.
I. Wat is God

Wij weten niets van God. Hij is boven alle kennis verheven. Wat moet een mens doen? Eckhart zegt: “Je moet helemaal aan jouw jij-zijn ontzinken en in zijn hij-zijn wegvloeien.” De hoogste wijsheid is niet-weten. Eckhart drijft je met zijn haast onbegrijpelijke uitspraken en paradoxen tot een bijna-wanhoop, zoals ook zen-meesters doen, die hun leerlingen willen bevrijden van alle begrippen en hun gehechtheden daaraan. De christelijke traditie verspreidde allerlei vermoedens en zekerheden over God (God is liefde; God is rechtvaardig; God is barmhartig; God kiest de zijde van de armen, enz.), maar Eckhart wil dat we al die begrippen loslaten en dat we helemaal aan onszelf ontzinken. Dat ontzinken is de weg van Eckhart naar God. Wat verstaat hij daaronder?


We leven natuurlijk in een wereld waarin we moeten denken en handelen, maar telkens opnieuw moeten we ons daaraan ontrukken en inkeren tot ons diepste ik, tot het diepst van onze ziel. Met het woord ziel bedoelt Eckhart onze hele innerlijkheid. En als hij zegt dat we onze ziel moeten ontdoen van alles wat geest is, dan bedoelt hij al het begrippelijke. We moeten ons leeg maken van woorden, begrippen en voorstellingen en heel diep wegzinken in dat woordeloos innerlijk. Als we dan weer terugkeren naar de wereld – we zullen wel moeten, als we in leven willen blijven – dan keren we met een verdiept innerlijk terug. Het hele proces is als ademhalen: uitgaan naar buiten en weer inkeren in de diepte.
God, die wetende liefde is, heeft van eeuwigheid de Zoon voortgebracht als zichzelf, zegt Eckhart. De godheid die Vader wordt, brengt in zichzelf de Zoon voort uit de Liefde die de Geest is. De godheid stort zich uit in Liefde en daar zijn tegelijk Vader en Zoon, en in één beweging door, de hele schepping. De hele werkelijkheid is niets anders dan een eeuwig goddelijk in- en uitademen van zichzelf. ‘God is het voortbrengende, geboren wordende, ademende en geademd wordende levensproces zelf’, zegt de boeddhistische Eckhartkenner Shizuteru Ueda.
De godheid wordt God als er schepselen zijn. Eckhart weet heel zeker dat alles wat is, geweest is en ooit zal zijn, van eeuwigheid in God bestaat. Dat bestaan in de eeuwigheid is een eeuwig hier en nu. Wij ‘leven, bewegen en zijn’ in God. Of we het weten of niet, we zijn altijd in de godheid geborgen, in de ‘eeuwige afgrond van het goddelijke zijn’. Nooit mogen we God gevangen houden in begrippen en voorstellingen. Hij is een onvoorstelbare afgrond en zeker geen melkkoe die we aanhouden om het nut en het voordeel. Eckhart waarschuwt steeds voor quasi-mystiek. Wie God wil ontmoeten, moet hem eerst volledig vergeten en opgeven. God is er niet om ons rust en brood te geven. God is een afgrond waar we ons woordeloos en belangeloos in moeten storten.

1   2   3   4   5   6   7

  • 8. DE WEG VAN ECKHART 19

  • Dovnload 277.26 Kb.