Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Van de wolf en het lam

Dovnload 277.26 Kb.

Van de wolf en het lam



Pagina7/7
Datum14.03.2017
Grootte277.26 Kb.

Dovnload 277.26 Kb.
1   2   3   4   5   6   7

V. De weg van Eckhart


Het verstand moet leeg worden en in duisternis gaan staan. Het ware woord van de eeuwigheid wordt alleen in de eenzaamheid gesproken en in de vervreemding van het wereldse. Die zelfverloochenende keuzes kunnen als een woestijn ervaren worden, als een verworpenheid en een verlatenheid. Eckhart windt daar geen doekjes om. Toch moet je nergens anders naar streven, nergens anders waarde aan hechten. Je moet je van je eigen wil ontdoen en je helemaal leegmaken voor de wil van God.. Alles loslaten dus, ook jezelf. In het “Onze Vader’ zeggen we het: “Uw wil geschiede…”. Alleen dan komen er krachten vrij in de ziel die wijder zijn dan de wijdste hemel: de barmhartigheid, het compromisloos mededogen, dat geen ‘waarom’-vragen stelt en geen bijbedoelingen kent.
In God zijn alle dingen gelijk en zijn God zelf. /…/Zo is het Gods lust en leven, gelijkheid te vinden”, aldus Eckhart. Gods zijn en leven zijn ook in een steen of in een stuk hout, maar die weten daarvan niets. Toch kan er wijsheid van uitgaan. Ook het boeddhisme leert dat er ‘soetra’s’ uitgaan van de natuur in haar verschillende vormen. Eenvoud bijvoorbeeld kunnen we eruit leren. We moeten niet iets bijzonders willen zijn. Het is een kenmerk van de rechtvaardige mens dat hij volstrekt onbekommerd is over zijn status. Diens zelfverloochening en trouwe deemoed leiden tot grote zachtzinnigheid en aanvaarding, Eckhart sluit zich dan ook met grote instemming aan bij de bijbeltekst: “Zalig de armen van geest”.
De arme van geest wil niets, weet niets en heeft niets. Hij laat God in zijn innerlijk zijn gang gaan. Hij biedt God leegte, ruimte, want alleen in het wezen van God vindt hij de oorzaak van zichzelf en alle dingen. Wat hij is naar zijn lichamelijk geboren zijn, dat zal sterven en verloren gaan. Eckhart gaat zelfs zover, dat hij zegt: Als ik niet bestond, bestond ook God niet. Dat God God is, daarvan ben ik de oorzaak. Want God en ik zijn één, zegt Eckhart en hij voegt daaraan toe: Dat is de meest eigenlijke armoede die er te vinden is. (Misschien is dit een mogelijke verklaring van die laatste uitspraak: wat mijn ikje tot ‘ik’ maakt en dus als bezit uniek en onherhaalbaar is, is verwaarloosbaar nietig ten opzichte van mijn wezenlijke zijn, mijn God zijn. Alleen dat verwaarloosbaar nietige verdwijnt bij mijn dood, de rest (die ook in andere mensen aanwezig is) is eeuwig. AH) Als een mens nederig wordt, aldus Eckhart, kan God zich er in zijn goedheid niet van weerhouden zich uit te storten. Hij staat voor je deur op dat moment te wachten. Als hij binnenkomt, ben je in vrede.
DE WIJSHEID VAN THOMAS A KEMPIS
Het boek ‘De navolging van Christus’ bevat vele opmerkingen waar we in de eenentwintigste eeuw niet veel meer mee kunnen, omdat het sterke geloof in een individueel voortbestaan na de dood sterk is geslonken evenals het geloof in een God die de touwtjes van de wereld stevig in handen houdt en de hele dag druk bezig is met straffen en belonen. Maar afgezien van die al te gedateerde opmerkingen van Thomas is er toch nog heel veel in het boek wat zeer de moeite van het overwegen én navolgen waard is. Niet voor een grote beloning in het hiernamaals, maar voor een onmiddellijk voelbaar beter functioneren in het Hier en Nu. Waar we ook overheen moeten kunnen stappen bij het lezen van ‘De Navolging’, dat is het eveneens sterk gedateerde taalgebruik van Thomas, dat bolstaat van de formuleringen die we sinds de jaren zestig van de vorige eeuw doodeenvoudig niet meer willen horen. We spreken tegenwoordig niet meer over ‘wereldse ijdelheden’ of ‘het derven van de ootmoed’ of het ‘mishagen aan de Drievuldigheid’. De wijsheden van Thomas moeten dus door de lezer meteen in een moderner idioom worden overgezet, maar wie daartoe bereid is, zal ervaren hoeveel parels van levenswijsheid dat oplevert.
Globaal de hoofdlijnen van het eerste deel ‘Wenken voor het geestelijk leven’ volgend, krijgt de lezer het advies om zich niet te veel te hechten aan tijdelijke en vergankelijke zaken zoals aanzien en bezit, lust en macht. Het is ook beter niet een al te hoge dunk van jezelf te hebben, leert Thomas, en dat bereiken we volgens hem het best door kritisch te reflecteren op eigen doen en laten. Wie op die manier veel zelfkennis verwerft, gaat vanzelf wat minder hoog van de toren blazen. We moeten waarheidszoekers proberen te zijn en liefhebbers van eenvoud, niet haastig oordelen en niet hardnekkig bij de eigen mening blijven, maar graag luisteren naar goede raad en naar meningen van wijze anderen. Niet te begerig zijn naar van alles en nog wat, maar tevreden zijn met weinig, want dan komt er vrede in je hart. Niet verwaand zijn of al te trots op eigen kunnen en vooral niet denken beter te zijn dan anderen. Niet voor jan en alleman je hele zielenleven blootleggen, niet te bemoeizuchtig zijn, en een vredige innerlijke rust nastreven, ook bij tegenvallers in het leven. Mild oordelen over anderen en streng zijn voor jezelf, vooral waar het de houding naar anderen betreft. Je moet een beetje van de mensen om je heen proberen te houden en aardig zijn voor ze. Dat betekent dat je niet jaloers moet zijn en zeker niet snel geïrriteerd. Geef anderen zoveel mogelijk de ruimte om zichzelf te zijn en spiegel je een beetje aan mensen die zich erg sympathiek opstellen tegenover hun omgeving.
Hou jezelf goed in de gaten en wees daarbij behoorlijk kritisch. Doe je werk naar behoren en zorg dat je je tijd nuttig besteedt, maar claim ook voldoende tijd voor de broodnodige zelfreflectie en voor je geestelijke rust. Zoek daarvoor op z’n tijd de stilte op en de eenzaamheid. Thomas zegt plechtig: Treed in uw binnenkamer en sluit al het gedruis van de wereld buiten. Als je ergens spijt over hebt, onderzoek dan je beweegredenen en leer ervan. Kom tot rust en herwin je innerlijke vrede door goede voornemens. Een mens moet nu eenmaal altijd een beetje strijden tegen zichzelf. Met enige pathos stelt Thomas de retorische vraag: Wie voert een heldhaftiger strijd, dan die zichzelf tracht te overwinnen? Het helpt als je een beetje afstand neemt tot jezelf en ook de kortstondigheid van je leven in aanmerking neemt. Hoe vaak zeggen we niet tegen elkaar: ‘Je bent oud voordat je het weet’? Tel ook je zegeningen, want het leven heeft niet altijd alleen maar goeds voor je in petto. Het kan soms vreselijk tegenzitten en ook dan moet je overeind kunnen blijven, vanuit het idee dat zelfbeklag en zwakheid je alleen maar verder in de put helpen. Het gaat er in dit leven ook niet om, om zo onbeschadigd mogelijk oud te worden, maar om goed en wijs oud te worden en sterk en rustig. Een beetje minder eigenliefde en een beetje meer aandacht voor anderen, doet wonderen. Zoek niet steeds de gemakkelijkste weg voor jezelf, maar blijf op de eerste plaats aan de anderen denken, dát maakt je sterk en geliefd. Wie daarin echter overdrijft en zich vervolgens een martelaar gaat voelen, die is duidelijk te ver gegaan. Je moet doen wat je kunt, niet meer. Maar ook niet te gauw denken, dat je iets níet kunt. Wie zich volledig inzet, kan veel. Denk bijvoorbeeld aan Nelson Mandela. IJver is goed, lamlendigheid is uit den boze, maar overdreven ijver is ergerlijk. Voor andere goede eigenschappen als bijvoorbeeld geduld en zachtmoedigheid, geldt ongeveer hetzelfde. Daarom zegt Thomas aan het eind van het eerste deel: Waak over u zelf, wek u zelf op, spoor u zelf aan; en hoe het ook met anderen staat, verwaarloos u zelf niet.
Het tweede deel van De navolging van Christus, of liever het tweede boek, heet ‘Opwekkingen tot het inwendig leven’. Ook niet bepaald een titel om in de eenentwintigste eeuw mee te scoren. Toch geldt ook hier weer, dat er vele behartenswaardige opmerkingen in staan. Thomas begint met een bijbelwoord van Lucas: Het rijk Gods is binnen u (17:21) Eerste vereiste dus om het rijk Gods binnen te komen is de inkeer naar binnen. Tweede vereiste is dat je daarbinnen met Gods woord bezig bent, met de woorden van Christus vooral. Allerlei dingen van het dagelijks leven, je zorgen en je ergernissen, je begeerten en je angsten moet je daarbij achter je laten, zodat je al je aandacht kunt geven aan de echt belangrijke zaken in een mensenleven: liefde en vertrouwen, barmhartigheid en rechtvaardigheid, vrede en vreugde. De goede vreedzame mens is zwijgzaam en rustig. Hij kent zichzelf en weet dat er nog veel in hem is, wat andere mensen pijn kan doen: gedachten, wensen, oordelen. Daarom oefent hij zich in verdraagzaamheid en zachtzinnigheid, en blijft hij zo eenvoudig mogelijk.
We moeten goed op onszelf letten, want we zijn gemakkelijk geneigd om onszelf goed te praten en anderen te beschuldigen. Wie zijn eigen fouten, zwakheden en valkuilen goed kent, heeft nauwelijks tijd of reden om op andermans fouten te letten, laat staan om er hard over te oordelen. Hij zorgt dus vooral voor zijn eigen goede geweten en probeert de vreugde die dat geeft aan anderen over te brengen. Om beroemdheid of eer geeft hij niets. Sterk hechten aan groot aanzien is net zo gevaarlijk als het al te sterk hechten aan bezit of aan macht. Dat zijn namelijk zaken die je heel gemakkelijk kwijt kunt raken en dat geeft maar zorgen en maakt maar angstig. Ook moet men zich niet al te afhankelijk voelen van liefdesbetuigingen of vriendelijkheden van anderen. Je kunt beter je aandacht richten op het géven van liefde en vriendelijkheden dan op het ontvangen ervan. Richt je maar op Jezus als je grote vriend en voorbeeld, zegt Thomas, dan zul je nooit bedrogen worden. Mensen laten je wel eens in de steek, Jezus nooit. Zónder hem ben je straatarm en een gemakkelijke prooi voor je vijanden, mét hem vertoef je in een paradijs van vrede en vreugde. Een betere vriend kun je je niet wensen, en ook geen sterkere. Bij hem hoef je je nooit neerslachtig of wanhopig te voelen.
Als het leven hard toeslaat, kan menselijke troost wel eens heel schraal aanvoelen, de troost van Christus echter boort diepe krachtbronnen in onszelf aan en is daarom altijd zeer weldadig. Met de troost van Christus overwinnen we ons kleine zelf. Daar worden we sterker van, zeker als we geduldig op de komende kracht durven te wachten en te vertrouwen. Als we ons slap of lui voelen, geestelijk moe en een beetje wanhopig om ooit het gestelde doel van liefdevolle geestkracht en vredige vreugde te bereiken, dan moeten we onszelf flink toespreken en aan de slag gaan. Er is altijd veel te doen in het innerlijk van een mens, zeker bij diegene die denkt al behoorlijk ver te zijn. Wie zichzelf overschat is nog erg ver van huis, onderschatting van de eigen deugdelijkheid is haast niet mogelijk. Het woord ‘nederig’ is helemaal uit in het moderne taalgebruik, anders zou ik dat veelvuldig door Thomas gebruikte woord hier graag gebruiken.
Er zijn wel veel mensen die de persoon van Jezus zeer waarderen, maar er zijn er maar weinig die er zoveel voor zouden willen lijden, zegt Thomas. Toch is het kruis een goed symbool voor het christendom, want zonder een ‘kruisiging’ van ons ego of ons ‘eigenwezen’ (Buber) bereiken we in de liefde niet veel. Wie hoofdzakelijk zijn eigen voordeel nastreeft, betekent niet veel voor de ander. Wie zijn eigenbelang echter kan veronachtzamen en in liefdevolle aandacht buiten zichzelf weet te treden, die is daarentegen een uiterst waardevol medemens. Thomas zegt: Niemand is rijker, niemand is machtiger, niemand is vrijer dan hij, die aan zichzelf en aan alles weet te verzaken, en zich naar het geringste te richten. En hij verwijst daarbij naar de harde taal van Mattheus: ‘Verloochen u zelf, neem uw kruis op, en volg Jezus’ (16:24) Op een andere plaats heet het, dat je aan jezelf moet sterven om waarachtig te kunnen leven. Dat betekent hetzelfde: ego moet aan het kruis. Hoe meer ons ego te lijden heeft, des te sterker wordt onze ware humaniteit, onze Christusnatuur, en des te groter wordt onze levensvreugde. Thomas zegt het zo in het twaalfde hoofdstuk van zijn tweede boek: Zijt gij eenmaal zo ver gekomen, dat leed om Christus’ wil u zoet en aangenaam is, reken dan, dat het wel met u staat, want dan hebt gij een paradijs op aarde gevonden. ‘Leed om Christus’ wil’, dat is dus niet leed zonder meer, maar dat is het lijden van ego, dat is het krimpen van onze egocentriciteit. Dát kruis voor ego, dát is de kern van het christendom, dát is de ware navolging van Christus.

Het derde deel oftewel het derde ‘boek’ heet ‘Over de inwendige troost’. Het begint met ‘de stem van God’ in ons en de noodzaak tot inkeer om die te horen. De bijbeltekst Spreek, Heer, want uw dienaar luistert (Kon. 3:10) wordt geciteerd, evenals enkele verzen uit psalm 118: Uw dienaar ben ik; geef mij begrip om uw getuigenissen te verstaan (118:125) en Neig mijn hart naar de woorden van uw mond en als morgendauw kome uw taal op ons neer (118:36). Thomas stelt een beetje teleurgesteld vast dat veel mensen liever naar het gedruis van de wereld luisteren dan zich in stilte te wenden naar het woord van God, terwijl de wereld toch niets anders te bieden heeft dan wat tijdelijk en nietig is. Hij voert God sprekend in en laat Hem zeggen: Voor een gering inkomen legt men een lange weg af; voor het eeuwige leven wordt door velen ternauwernood een voet verplaatst. Op een nietig gewin wordt jacht gemaakt, om een enkel geldstuk wordt soms schandelijk getwist; om een beuzeling, om een kleine toezegging aarzelt men niet, zich dag en nacht af te matten. Vervolgens laat Thomas God krachtig fulmineren tegen de niet luisterende en klaagzieke dienstknechten en daarna de volgende belofte uitspreken: Wat Ik beloofd heb, zal ik geven; wat Ik gezegd heb, zal ik volbrengen; als men maar tot het einde toe getrouw in mijn liefde volhardt.


We moeten oprecht durven zijn, eenvoudig en ootmoedig. Onze ondeugden en fouten moeten we verafschuwen en we moeten vurig verlangen naar innerlijke rust en vrede in liefdevolle aandacht voor anderen. Niet toegeven dus aan allerlei egocentrische driften of ‘ongeregelde neigingen’. Onze liefde moet een vrije vlucht kunnen nemen en ‘door niets beneden weerhouden worden’. En dan volgt er een prachtig loflied op de liefde: De liefde wil vrij zijn /…/Niets is er zoeter dan de liefde; niets krachtiger, niets verhevener, niets ruimer/…/Wie bemint, vliegt, loopt en is blijde/…/De liefde voelt geen last, zij telt geen inspanning, zij wil meer doen dan zij vermag/…/ enz. Dit loflied loopt uit op een gebed van uitzinnige vreugde.
Liefde geeft de mens een goed en weldadig gevoel. Dat is een genade waar men overigens niet te vast op mag steunen, want die komt en gaat. ‘De oude vijand’ spant immers al zijn krachten in ‘om uw zucht naar het goede tegen te houden’. Die vijand (De Wit zou zeggen: ‘ego’ en Buber: ‘eigenwezen’) geeft veel slechte gedachten in, veroorzaakt verveling en afkeer, en moet daarom met kracht en vurige woorden verjaagd worden: Weg van mij, laffe verleider. En dan komt het beeld op van de strijder die de hulp krijgt van de Machtige, de Helper, de Verlosser. Het siert de strijder als hij nederig blijft en alle eer van de overwinning aan de Machtige laat. Hij moet maar steeds denken hoe onmachtig en behoeftig hij is zonder diens genade. IJdel zelfbehagen is funest en leidt tot grote nederlagen. Daarom legt Thomas ontelbare keren de nadruk op nederigheid en ware zelfkennis. Hij spreekt zelfs vaak over ‘geringschatting’ en ‘geringachting’ van zichzelf. Dat lijkt helemaal in te gaan tegen moderne assertiviteitstheorieën, maar desalniettemin heeft Thomas groot gelijk, want wie in sociale contacten voortdurend zijn eigen imago zo hoog mogelijk wil houden, is veel te sterk gefocust op het eigen ik om aandacht te kunnen hebben voor anderen. Zo iemand is ook zelf veel te kwetsbaar om veel voor anderen te kunnen betekenen.
Als de ware onbaatzuchtige liefde zijn intrek heeft genomen in een mensenhart, dan vestigt zich daar tevens een grote innerlijke kracht die alle egocentriciteit kan weerstaan. Thomas zegt: Dan zal daarin geen afgunst, geen engheid noch eigenliefde meer wonen. Daardoor ontstaat er een onuitsprekelijke zoetheid in dat hart, een zoetheid, die Gij hebt weggelegd voor hen, die U vrezen. (Ps. 30, 20) Het woord vrezen is hier natuurlijk gebruikt in de betekenis van eerbiedigen, respecteren, beminnen zelfs. Door hem de genade van die liefde en die zoetheid te schenken heeft God zijn dienaar ‘barmhartigheid’ en vriendschap’ betoond. En als tegenprestatie moet de dienaar ‘afstand doen van alles’ en ‘de wereld verlaten’ voor ‘de dienst van de mensen’. Thomas beëindigt dit hoofdstuk met de woorden: Ja, die dienst is waard omhelsd of ten minste begeerd te worden, waardoor men het hoogste goed bereikt en een vreugde verkrijgt, die zonder einde duren zal.
Een mens moet zijn begeerten onderzoeken en goed regelen (beheersen). Er mag geen zelfzucht onder schuilen. Beheersing is ook nodig om overspannenheid te voorkomen in het verlangen naar het goede, want dat geeft maar ergernis en weerstand bij anderen. Er is veel geduld nodig in de strijd tegen de eigen driften, want ze zijn vaak zeer hardnekkig en ‘de oude slang’ van het vlees zal zich tot het uiterste verzetten. Thomas zegt dan ook: Er is voor de ziel geen lastiger en erger vijand, dan gij voor u zelf. Wij mensen zijn o zo wankelbaar, maar door de Heer van de liefde worden wij bevestigd en aangewakkerd. Alles moet in Zijn naam geschieden. Ware troost moet men alleen bij God zoeken en de ellendige dingen in dit leven moet men naar het voorbeeld van Christus gelijkmoedig dragen. De erkenning van de eigen zwakheid is zeer belangrijk, de bereidheid om goed te doen onontbeerlijk. De vier vereisten voor een grote zielenvrede zijn de volgende:

-Tracht, mijn zoon, liever een anders wil te doen dan de uwe.

-Verkies altijd, eer minder dan meer te hebben.

-Zoek altijd de laatste plaats en beneden alles te staan.

-Wens altijd en bid, dat Gods wil ten volle in u zou geschieden.
Nieuwsgierige navorsingen naar het leven van anderen zijn uit den boze. Ware vrede vinden niet de nieuwsgierigen, maar de nederigen en zachtmoedigen, die er niet op uit zijn om over anderen te oordelen. Wie de moed dreigt te verliezen, moet toch sterk en standvastig blijven in de hoop zijn eigenliefde eens te overwinnen. Want die eigenliefde is de oorzaak. Zij brengt meer schade dan wat ter wereld ook, door de zorgen en de angsten die ze meebrengt. Zorgen en angsten om geld en goed, eer en aanzien en om de eigen wil te kunnen doen. Deze zorgen en angsten verstoren de innerlijke vrede. Laster van anderen moet ons niet deren en we moeten zeker zelf geen lasterlijke taal gebruiken. Ons woord moet liefdevol zijn en het moet anderen hoop en vertrouwen geven. Thomas roept uit: Wat is er rustiger dan de blik van de eenvoudige? En wat is vrijer dan iemand, die niets begeert op aarde?
Eigenliefde en zelfzucht maken de mens tot slaaf, zelfverloochening maakt vrij. Onthoud dit korte alles omvattende woord: zegt Thomas, Verlaat alles, en gij zult alles vinden; laat de begeerlijkheid varen, en gij zult troost beleven. We zijn vaak al te veranderlijke, onstandvastige mensen. Daarom moeten we ons oog op God gericht houden en er niet te veel op letten wat we inwendig allemaal voelen. Lijdzaamheid is goed, en geduld, en overgave aan God die liefde is. Om zijn zaken moet een mens niet te bezorgd zijn en eigen roem moet hem niets kunnen schelen. Wie alle tijdelijke eer versmaadt, laat zijn innerlijke vrede niet van mensen afhangen. Men moet zich ook de toestand in de wereld niet al te zeer aantrekken, maar vol vertrouwen blijven. Ooit zal alles goed komen. Alleen de liefde telt, anders niets. En de liefde zal eens overwinnen, als we er al onze hoop en vertrouwen op vestigen.

***



1 Sjef Klijsen: Paradijs, Zondeval, Redding. Tilburg, 2002. ISBN 90-9015498-1

2 Han F. de Wit: DE VERBORGEN BLOEI, Over de psychologische achtergronden van spiritualiteit, Kok Agora, Kampen 1993.

3 Jan Bluyssen & Gerard Rooijakkers, God verborgen en nabij. Religie als heilig spel.Anthos\Amsterdam, 2002

4 H.M. Kuitert Voor een tijd een plaats van God. Een karakteristiek van de mens, Ten Have Baarn 2002

5 Eckhart Tolle DE KRACHT VAN HET NU, Ankh-Hermes Deventer 2001

6 Ton Lathouwers MEER DAN EEN MENS KAN DOEN. Zentoespraken. Samenstelling en redactie: Dick Verstegen en Geert Mortier. Asoka, Nieuwerkerk aan de IJssel, 2000.

7 De cijfers in de tekst van dit hoofdstuk verwijzen naar de pagina’s in de uitgave: ETTY De nagelaten geschriften van Etty Hillesum 1941-1943, Uitgeverij Balans, 3de druk, april 1991, Amsterdam.

8 Speling. Tijdschrift voor bezinning, Drukkerij-Uitgeverij H. Gianotten bv, Tilburg. Redaktie o.a. Frans Maas, Otger Steggink, Kees Waaijman.

9 M. Proust, A la recherche du temps perdu, Paris 1954, I, 45

10 M. de Certeau, Histoire et Mystique, in Rev.Hist.Spir., 48 (1972) 76-79

11 Frans Maas, Van God houden als van niemand. Preken van Meester Eckart, Haarlem, 1975

12 Dr. H,H, Blommestijn (redactie), Tot op de bodem van het niets. Mystiek in een tijd van oorlog en crisis. 1920-1970. Kampen 1991

13 Rotterdam, Ad. Donker, 1961, 3de druk.

14 Antoine de Saint-Exupéry, Citadelle, Paris, 1948.

15 Dag Hammarskjöld, Merkstenen, Uitgeverij B. Gottmer, Nijmegen, 1983, blz. 63

16 Herwig Arts, Een kluizenaar in New York. De spiritualiteit van Dag Hammarskjöld, DNB/ Uitgeverij Pelckmans, Kapellen, 1988, blz. 36

17 Merkstenen, blz. 114

18 Martin Buber IK EN JIJ, Erven J. Bijleveld Utrecht 1959, 1998

19 Ton van der Stap DE WEG VAN ECKHART Uitgeverij Meinema, Zoetermeer.

1   2   3   4   5   6   7


Dovnload 277.26 Kb.