Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Van woord tot zin hoorcolleges Syntaxis gaat over grammaticaliteit, niet per se over betekenis

Dovnload 21.26 Kb.

Van woord tot zin hoorcolleges Syntaxis gaat over grammaticaliteit, niet per se over betekenis



Datum18.10.2017
Grootte21.26 Kb.

Dovnload 21.26 Kb.

Van woord tot zin hoorcolleges

Syntaxis gaat over grammaticaliteit, niet per se over betekenis. Bijvoorbeeld de zin “Mijn tandenborstel is zwanger.” Dit is grammaticaal correct.


Het eerste gebruik van ‘hun’ als subject werd opgetekend in 1911. Het ‘hullie’ wat vooral beschouwd werd als iets van Brabanders blijkt uit het dialect van (Hollandse) dienstbodes te komen.
Persoonlijke voornaamwoorden

  • Persoon (1, 2, 3; verteller, geadresseerde, hij/zij

  • Getal (enkelvoud SG, meervoud PL, dualis DUAV

  • Functie (subject, object)

  • Beleefdheid (u versus jij)

  • Geslacht (hij versus zij, of ils versus elles)

  • Animacy (levendheid)

‘Hun’ is daardoor een succesfactor wat betreffende animacy, je weet meteen dat het over mensen gaat als je dat gebruikt.


Alle talen hebben negatieve zinnen en deze zijn altijd meer gemarkeerd en ze zijn ook complexer.
Open woordklassen zijn woordklassen waar nieuwe woorden in kunnen komen en waarbinnen nieuwe woorden kunnen ontstaan zoals werkwoorden en zelfstandige naamwoorden.
Gesloten woordklassen zijn woordklassen waarbinnen geen nieuwe woorden ontstaan of waarbinnen ze maar heel moeilijk ontstaan zoals bij preposities, persoonlijke voornaamwoorden of determinatoren.
De basisbetekenis van preposities zijn vaak ruimtelijk. Ze leggen een ruimtelijke relatie tussen twee dingen; de figure en de ground. De figure is een beweegbaar ding waarvan de locatie wordt beschreven t.o.v. een minder beweegbaar ding.
Temporele voorzetsels: na, in, op, tussen, voor, sinds.
Determinatoren zijn: lidwoorden, bezittelijke voornaamwoorden, aanwijzende voornaamwoorden, telwoorden.
Zinnen bestaan uit een subject en een predicaat. Een predicaat hoeft niet altijd een werkwoorde te zijn, het kan ook een zelfstandig naamwoord of een bijvoeglijk naamwoord zijn. Elk predicaat komt met een eigen zin. Zinnen kunnen bestaan uit alleen een finiet werkwoord, zoals “Sterf!” of uit een infiniet werkwoord, zoals “Blazen!”. Samengestelde zinnen bestaan uit meer dan één claus.
In het Nederlands heb je in sommige gevallen een koppelwerkwoord nodig maar dat is niet bij alles het geval. PPs kunnen ook het object zijn, maar dan wel een indirect object en bijvoorbeeld een voorzetsel voorwerp.


Agens: Handelende persoon

Thema/ patient: ondergaat de handeling

Experiencer: ondergaat de mentale ervaring, maar kan alleen een levend wezen zijn

Recipient: Ontvanger

Beneficiary: begunstigde (meer passievere vorm)

Goal: doel

Source: Bron
Functionele categorieën bij een nomen:

  • Determinator

  • Casus (naamval, case)

Functionele categorieën bij een werkwoord:

  • Congruentie (agreement)

  • Grammaticale tijd (tense)

  • Aspect (bijvoorbeeld progressive etc…)

  • Wijs (mood, bv subjonctief etc)

  • Voice (actief/ passief)

Grammaticale categorieën bij een werkwoord:

  • Congruentie met subject

  • Aspect (perfective  voltooide tijd)

  • Wijs


Nominatief: in veel talen voor het subject

Accusatief: naamval voor theme/ patient

Genitief: naamval voor bezitter

Datief: naamval voor Experiencer, recipient, beneficiary en soms ook goal.

Allatief: naamval voor goal

Ablatief: naamval voor source
Onderschikking is asymmetrisch, terwijl nevenschikking symmetrisch is. Het gaat om de waarde van de zinnen die hier samengevoegd worden In een Nederlandse hoofdzin staat het finiete (vervoegde) werkwoord altijd op de tweede plaats in de zin, in een bijzin echter niet.
Bijzinnen:

Alternatieve constructies:



  • Seriële werkwoorden (2 predicaten)

  • Nominalisaties

    • Nomen verwijst naar individu

    • Werkwoord verwijst naar gebeurtenis/ handeling

Nominalisatie is als je van een werkwoord of een zin een NP maakt

  • Verlies van V kenmerken

  • Verwerving van N kenmerken

    • Toevoeging van een lidwoord en/of adjectief

    • Speciale vorm van het werkwoord (engels –ing vorm)

    • Toevoeging van naamval.

“Willem zeurt.”  “Dat gezeur van Willem.”


Structuur van woordgroepen: Hoofden en dependents.
Als er een ∆ staat betekend dit dat je de interne structuur van je complement/ dependent weglaat. Dit mag op het tentamen NIET.
Een CP is een C + complement IP
Als er tussen het subject en de VP INFLECTION staat, dan is het een IP en is de I het hoofd van de zin.
“Else heeft de auto gewassen.”
Congruentie tussen subject en persoonsvorm is geen hoofdmarkering. Dit is zo normaal dat het niet meetelt.

In het Estisch is er congruentie tussen adjectief en nomen (in naamval en getal) en dat is dependent marking.


Nominatief: naamval als woordgroep.

Genitief: heeft te maken met de relatie met het hoofd. Er is geen genitieve naamval op inanimate objecten.


Naamvalsmarkeringen op het werkwoord komt bijna niet voor, het is bijna altijd agreement. Soms kan het infiniete werkwoord wel genominaliseerd worden, dan wordt het een nomen.
Een P alleen met NP, als het complement een IP is, wordt de P een voegwoord, dan is het een CP, dus geen markering en een koppelwerkwoord staat in de I- positie in een IP

  • Persoonlijke voornaamwoorden
  • Alle talen hebben negatieve zinnen en deze zijn altijd meer gemarkeerd en ze zijn ook complexer. Open woordklassen zijn woordklassen waar nieuwe woorden
  • Temporele voorzetsels: na, in, op, tussen, voor, sinds. Determinatoren
  • Beneficiary
  • Nominatief
  • Nominalisatie is als je van een werkwoord of een zin een NP maakt Verlies van V kenmerken
  • NIET. Een CP is een C + complement IP Als er tussen het subject en de VP INFLECTION

  • Dovnload 21.26 Kb.