Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Verdwaald in al onze talen Babel in de Lage Landen

Dovnload 139.88 Kb.

Verdwaald in al onze talen Babel in de Lage Landen



Pagina1/3
Datum27.11.2017
Grootte139.88 Kb.

Dovnload 139.88 Kb.
  1   2   3

Verdwaald in al onze talen

Babel in de Lage Landen

Het is het Nederlands dat mij geplunderd heeft

en dat mij – tussen afval, schroot en puin –

vertrapt, gemarteld en vermorzeld heeft,

tot ik niet langer wist welk van mijn ikken ik was.

Luuk Gruwez, Speech



Je n’ai qu’une langue; or ce n’est pas la mienne.

Jacques Derrida
Het is met taal zoals met de tijd bij Augustinus: je weet wat het is zolang niemand het je vraagt. Maar als iemand je vraagt uit te leggen wat taal nu eigenlijk is, dan geraak je in grote verlegenheid. We zijn allemaal experten en allemaal even onwetend als het over taal gaat. Dat is omdat we er midden in zitten. Niet alleen de filosoof is gevangen in de netten van de taal, zoals Nietzsche zei: we zitten allemaal verstrikt in dat net.

Taal is alledaags, misschien het meest alledaagse en tegelijk het vreemdste dat ons is overkomen. Niemand van ons bezit de taal, niemand beheerst haar volledig. Als ik sterf, zal de taal, zullen de talen waarin ik heb geleefd, mij overleven. Je zou ons levenslange proberen om de taal de baas te worden kunnen vergelijken met het opslaan van een kamp bij een gletsjer op weg naar een top, die men nooit bereikt.

Er zijn grosso modo twee opvattingen over taal. De eerste beschouwt taal als een instrument, een middel om gedachten uit te drukken. Taal is dan een gewaad waarmee we de dingen aankleden, een voertuig voor ons denken. In deze opvatting zijn de dingen en de gedachten er al, vooraleer we ze uitspreken. Wij proberen dan een eenduidige verhouding op te bouwen tussen denken en spreken, tussen de werkelijkheid en de taal. Taal moet die werkelijkheid adequaat weergeven, weerspiegelen.

Er is een andere opvatting – een “romantische” – die gelooft dat we in taal onze innerlijke wereld tot uitdrukking brengen. In de taal, in het spreken worden we wie we zijn, worden we onszelf, zeggen we “ik”. Door te stamelen en uiteindelijk te spreken, geven we zin en betekenis, ordenen we de werkelijkheid, brengen we de wereld tot stand. “Wir können nur eine Welt begreifen die wir selber gemacht haben.” Ik parafraseer deze uitspraak van Nietzsche als volgt: we kunnen alleen de wereld begrijpen als we ze uitspreken. In deze opvatting bestaat er geen eenduidige verhouding tussen taal en werkelijkheid. Je zou deze twee opvattingen over taal ook kunnen ophangen aan de vraag of taal nu het denken bepaalt, of andersom, het denken de taal. Ik geloof dat taal ons denken, onze manier om de werkelijkheid te zien, misschien niet bepaalt, maar zeker beïnvloedt. Als ik Frans spreek, ben ik niet helemaal dezelfde als wanneer ik Nederlands praat. Ik ben dus meer een romanticus dan een instrumentalist als het om taal gaat. Laat dat duidelijk zijn. Voor die romanticus is taal belangrijk en wezenlijk: taal is dan de ruggengraat van identiteit, zowel voor individuen als voor groepen en gemeenschappen. Taal is in elk geval voor die romantici geen pasmunt of ruilmiddel.Voor hun tegenstanders zijn zij “taalsentimentalisten”, en ze voegen daar vaak het epitheton ornans “regressief” aan toe. Welaan dan, ik ben een regressieve taalsentimentalist.

Neem b.v. de Roemeense schrijver Émile Cioran. Hij arriveerde in 1937 in Parijs met een beurs van het Institut Français te Boekarest. Hij is er gebleven. In 1949 verscheen zijn eerste boek in het Frans, Précis de décomposition. Hij herschreef het viermaal en heeft nooit verheeld hoeveel moeite het Frans hem kostte. Zoals Nabokov en Conrad voor hem, en Kundera na hem, heeft Cioran dus zijn moedertaal voor een andere taal ingeruild. Hij heeft over die ruil behartenswaardige dingen gezegd. Wie zijn taal verloochent, verandert van identiteit, beweert hij, pleegt heroïsch verraad. Voor een schrijver betekent het een liefdesbrief schrijven met een woordenboek naast zich. Merkwaardig genoeg heeft hij ooit bekend dat een echte schrijver zich in zijn moedertaal opsluit: hij beperkt zich uit zelfverdediging, want er is niets dat het talent zozeer vernietigt als een te grote openheid van geest. En als klap op de vuurpijl beweert Cioran dat een volk in volle decadentie is, als het niet meer gelooft in zijn eigen taal. Als het ophoudt te denken dat zijn taal de opperste vorm van de uitdrukking is, de taal zelf.

Van Menapiërs en Bataven

Dat zijn sterke beweringen, maar laat ze ons in gedachten houden, als wij nu de blik richten op die Lage Landen van ons, dat vlakke deltagebied van water en veel lucht, en ons afvragen welke talen er in de loop der tijden zijn gesproken. Ik betracht geen volledigheid, maar wil met u langs enkele wegen reizen. Als vertrekpunt nemen wij het ogenblik dat onze contreien aan de oppervlakte van de geschiedenis komen omdat ze worden beschreven. In taal.

Wanneer de Romeinse generaal Julius Caesar, op zoek naar roem en macht in de jaren 50 voor onze jaartelling met zijn legioenen doordringt in wat nu de Lage Landen zijn, botst hij er op Keltische en misschien Germaanse stammen. Ze heten bij hem o.a. Morinen, Menapiërs, Nerviërs, Atuatucen, Atrebaten en Eburonen (die laatsten zal hij uitmoorden). Tot in de twintigste eeuw zullen Franstaligen nog naar Vlamingen verwijzen als “Ménapiens”, en dat is niet vriendelijk bedoeld. In het begin van onze jaartelling dringen de Romeinen noordelijker door: ze botsen er op Germaanse stammen als de Cannefaten en de Bataven. Die laatsten werden beurtelings spreekwoordelijk bot en lomp genoemd, en dan weer dapper en vrijheidlievend, eenvoudig, eerlijk en wars van schijn en omhaal. Als dat geen mooie omschrijving is van dé Nederlander – als die tenminste bestaat.

En nog noordelijker, ver boven de grote rivieren, wonen de Friezen en de Chauken. Over hen zegt Plinius de Oudere in zijn Naturalis Historia rond 47 na Christus het volgende dat ik u niet wil onthouden: “Daar woont een armzalig volk op hoge terpen en eigenhandig gebouwde stellages, die hun woningen doen uitsteken boven de hoogst bekende waterstanden. Wanneer de golven het omliggende land overspoelen, lijken de bewoners op zeelieden, maar als het water is geweken zijn het net schipbreukelingen. Dan jagen ze rondom hun hutten op de vissen die met het zeewater proberen te vluchten.” Een mooi motto voorwaar voor de waterschappen in Nederland.

Het Keltisch is onze “verloren” taal, ooit werd het gesproken van de Donauvlakte tot de Atlantische kust, vandaag is het gevlucht naar het westen van Europa: Bretagne, Wales, Ierland en Schotland. Het Latijn van de Romeinse veroveraar en bezetter overvleugelde en verdrong in onze gewesten traag maar zeker het Keltisch in de eerste zes eeuwen van onze jaartelling. De Galliërs, die Caesar had verslagen, werden geromaniseerd. Ze werden Galloromeinen. Als na de invallen van Germaans sprekende volkeren - die vanaf het midden van de derde eeuw de Rijn en Donau, de grens van het Imperium Romanum, blijven oversteken - het stof rond 700 gaat liggen, blijkt een brede streep van Keulen tot de monding van de Somme een taalgrens te vormen. Ten zuiden van die streep zullen uit het in Gallië gesproken volkslatijn Romaanse talen ontstaan, en van die Romaanse talen zal het Frans, het dialect van Île-de-France, uiteindelijk het sterkst blijken.Ten noorden van die streep zal een Germaanse taal worden gesproken. Meer bepaald een West-Germaanse taal: uit het taalkundig continuüm dat loopt van de Elbe tot de Noordzee, zullen uiteindelijk het Duits, het Nederlands, Fries en aan de overkant van de zee, het Engels voortkomen en zich van elkaar gaan onderscheiden. Maar zover zijn we nog niet in 700 na Christus.

Die streep, die overgangszone die in België althans fundamenteel niet meer verandert in de loop der tijden, wordt in 1963, een halve eeuw geleden, in België een lijn, bepaald door een politieke, democratisch onderhandelde beslissing. Het blijft mijn vaste overtuiging dat die politiek vastgelegde taalgrens, niettegenstaande incidenten en sluimerende spanningen, voor stabiliteit en pacificatie in mijn land heeft gezorgd. Wie de taalgrens in vraag blijft stellen, ondermijnt België. Ik kom daar nog op terug.

Maar in die donkere tijden na de val van het West-Romeinse Rijk is het Latijn van de Romeinen, zeg maar de standaard- of cultuurtaal, al gevlucht in kloosters en kerken: het is de taal van clerici, de intellectuelen van die tijden, en van de liturgie.

Tegenover dat Latijn staat de “theotisca (of theodisca) lingua”, de taal van het volk, theoda in het Oud-Germaans), het Diets (zoals men dat in het Graafschap Vlaanderen en de streek rond Brussel noemde) en/of Duuts(ch), zoals men dat in de gewesten Holland, Utrecht en Limburg zei. In het Engels zou deze benaming die voor het latere Nederlands blijven: Dutch. Je ziet de verwarring zo aankomen. Nog meer naar het oosten sprak men over Deutsch. Een feit is dat ten tijde van Karel de Grote (ca. 800) van de Noordzee tot de vlakten van Noord-Duitsland dit Diets-Duuts(ch)-Deutsch in een linguïstisch continuüm werd gesproken. Zelfs Hendrik (Heinrich) van Veldeken, geboren in de omgeving van Hasselt in de twaalfde eeuw, wordt nog geclaimd door de Nederlandse én de Duitse literatuurgeschiedenis. En om de verwarring nog groter te maken noemde men in het graafschap Vlaanderen de taal in de Middeleeuwen ook “Vlaams”. Dat is tot vandaag zo gebleven. Veel Nederlanders en nogal wat Vlamingen noemen de taal die in het noorden van België wordt gesproken, ook de standaardtaal, zo. Ik vind dat geen goed idee en kom daar nog op terug. Nog later zou men over “Nederduits” spreken, en pas in de loop van de negentiende eeuw kwam de term “Nederlands” definitief – alhoewel, wat heet “definitief” - in gebruik.



In een marge

De eerste vindplaats van onze geschreven taal bestaat uit een aantal losse woorden die als glossen, dus in de marge, bij Latijnse psalmen terug te vinden zijn en dus wellicht dienst deden als vertaalsteun. Het Nederlands begint als taal van ondertiteling, aldus Frits van Oostrom.

Het oorspronkelijke manuscript van de Wachtendonckse psalmen, genoemd naar de Luikse kanunnik Wachtendonk die het manuscript in 1591 aan de Leidse (en later ook Leuvense) hoogleraar Justus Lipsius liet zien, dateert uit ca. 900. Lipsius maakte een gedeeltelijk afschrift van het manuscript dat afkomstig was uit de omgeving van Luik.

Maar we hebben nu eenmaal besloten dat onze literatuur begint met hebban olla vogala, de elfde-eeuwse probatio pennae van een West-Vlaamse monnik, gebogen over een manuscript dat hij moet overschrijven in een klooster in Kent. In de marge schrijft de jonge monnik zijn liefdeszucht neer over vogels die nesten beginnen, maar hij en zij helaas dus niet.

De Gentse hoogleraar Luc De Grauwe heeft geprobeerd aan te tonen dat de verzuchting geheel of toch grotendeels in het Kentse dialect van het Oudengels is geschreven. Laat ons aannemen dat het hier om een mengtekst gaat: Kents met een West-Vlaams vernis, en/of Kents met een West-Vlaams substraat. Het pennenprobeersel is dus ook een probatio linguae, een taalprobeersel.

In de loop van de twaalfde eeuw kwamen de volkstalen op naast het Latijn als geschreven talen in continentaal West-Europa (in Engeland was de volkstaal al schrifttaal vanaf de zevende eeuw). Maar we moeten wachten tot ca. 1500, voor de “uitvinding” van taal. Daarmee bedoel ik dat men pas dan aan taalbeleid, aan taalpolitiek begint te doen, dat men ingrijpt in het spreken en schrijven van mensen en instellingen. De Leuvense hoogleraar Joop van der Horst ziet pas vanaf, wat hij noemt, de Renaissance, standaardtalen opkomen. De “verkaveling van linguïstisch continuüm” noemt hij dat. Rijksgrenzen worden meer en meer ook taalgrenzen. Zo stipuleert de ordonnance de Villers-Cotterêts van 1539, uitgevaardigd door Koning François I, dat elke juridische akte moet opgesteld worden “en langage maternel français et non autrement”. Het proces duurt lang: tussen 1500 en 1900 komen in West-Europa nationale staten tot stand: Frankrijk, Engeland en Spanje, de Republiek van de zeven provinciën. Duitsland en Italië zijn de laatste in de rij (ca. 1870). België dat zich afscheurt van Nederland in 1830 is een geval apart: ik kom daar nog op terug.



De oertaal

Sinds God de mensheid met Babelse spraakverwarring gestraft heeft voor haar hoogmoed is men van de weeromstuit nostalgisch op zoek gegaan naar de oertaal, die volmaaktheid en universaliteit combineert.

Na het Hebreeuws, de taal van het Oude Testament, eiste het Grieks,die van het Nieuwe Testament, die plaats op; later het Latijn, dat de taal van het Imperium Romanum en later die van de Katholieke Kerk werd.

Ik liet Cioran al zeggen dat elke taal van zichzelf moet denken dat ze volmaakt is. In de zestiende eeuw beginnen de volkstalen aan hun opmars. Het is dus niet toevallig dat de zestiende-eeuwse humanist Jan van Gorp (Johannes Goropius Becanus) uit Hilvarenbeek, weliswaar nog in het Latijn (Origines Antwerpianae, bij Plantijn verschenen in 1569) opschreef dat het Nederlands /Diets de oudste (en dus de beste) taal ter wereld was. U kent de populaire variant van deze bewering: dat Adam en Eva in het Paradijs Antwerps hebben gesproken. Ik bespaar u zijn redenering, maar belangrijk is dat hij wilde aantonen dat het Nederlands rechtstreeks afstamde van een Germaanse oertaal, het Kimrisch, die geen uitsluitsel had met het Latijn of Grieks, en zelfs ouder en heiliger was dan het Hebreeuws. Antwerpen werd volgens Becanus gesticht door de Cimbri, de nazaten van Gimmer of Gomer, de oudste zoon van Japhet, zoon van Noach. De taal van deze stam, kwam dus rechtsreeks uit het Paradijs. En hij heeft nog een etymologisch argument: Duits/Diets is hetzelfde als Douts of d’outs, dus d’outste. Se non è vero, è ben trovato. Het is niet toevallig dat Becanus deze zelfzekere gedachten aan het papier toevertrouwt, op een ogenblik dat Antwerpen en de Zuidelijke Nederlanden aan de top staan van hun economisch en cultureel kunnen, ook al zijn de tijden rumoerig en de religieuze twisten hevig.


Een polyglotte keizer

Keizer Karel, geboren in Gent in 1500, is een interessante casus om de complexe, zelfs hybride taalsituatie in de Lage Landen aan het begin van de Moderne Tijden te illustreren. (1) Van hem werd gezegd, dat hij voor het gebed het Spaans gebruikte, in het gesprek met vorsten het Italiaans, bij vrouwen het Frans, ten overstaan van soldaten (of paarden?) het Duits. Van deze vroege legendarisch-anekdotische uitspraak uit de 17e eeuw bestaan tot in de 19e eeuw verschillende varianten. Dat hij Frans sprak, was evident. In de Lage Landen werd al Frans gesproken in de hofhouding van de Graven van Vlaanderen. De Bourgondische dynastie bracht de taal definitief mee als taal van de politieke elite, zeker in de Zuidelijke Nederlanden. Dat zou in België het geval blijven tot ver in de twintigste eeuw. Frans was ook de taal waarin Karel zijn briefwisseling voerde met zijn zussen en met hoge ambtenaren en zijn leermeester Guillaume de Croy, heer van Chièvres. Hij schreef er ook zijn memoires in en las er in zijn levensavond, met bijzondere toestemming van de Inquisitie, de Bijbel in. Castiliaans was de taal van het koninkrijk op het Iberische schiereiland waarover Karel al op zestienjarige leeftijd begon te heersen, en waar hij ging sterven. In Italië dan weer heerste hij over Milaan en het omliggende Lombardije, over Napels, Sicilië en Sardinië. In elk geval schijnt zijn Spaans beter te zijn geweest dan zijn Italiaans en deze twee beter dan zijn Latijn. In het Midden-Europese deel van Karels Rijk, het gebied van de Habsburgers, had men een bestuurlijke schrijftaal ontwikkeld die een Schreiballianz aanging met de schrijftaal van het Saksische gebied waarin Luther werkte. Luther zou in deze taal die het Hochdeutsch zou worden de Bijbel vertalen. Het is nog de vraag of Karel dit “Hoog-Duits” echt sprak, of zelfs onderscheidde van zijn Brabants dat hij in zijn jeugd in Brussel, Leuven en vooral Mechelen moet hebben gesproken.

Dat Brabant won aan prestige, met het verval van Brugge en Gent en de opkomst van Antwerpen, maar toch sprak men ook nog over “Vlaams”, omdat het eeuwenoude prestige van het graafschap overeind bleef. Zo gebruikt ook Guicciardini in zijn Descrittione di tutti i Paesi Bassi, altrimenti detti Germania Inferiore (1567) “Fiandra” als pars pro toto van de Lage Landen, en een “fiammingo” is in de zestiende eeuw over de Alpen iemand die uit Arras (nu in Frankrijk), Amsterdam, Namen, Maastricht en Keulen kan komen: opnieuw wordt de naam gebruikt als deel voor het geheel, omdat Vlaanderen nog geassocieerd wordt met economische welvaart en culturele uitstraling. (2) Van Willem van Oranje weten we dan weer dat hij het Nederlands nauwelijks machtig was. Van huis uit sprak hij Duits, en vanaf zijn tiende groeide hij op in een Franstalige omgeving. Het is dus waarschijnlijk dat hij zijn laatste woorden “Mon Dieu, mon Dieu, ayez pitié de moi et de ce pauvre peuple”, als hij die heeft gezegd, inderdaad in het Frans heeft uitgesproken.

  1   2   3

  • Van Menapiërs en Bataven
  • In een marge
  • Een polyglotte keizer

  • Dovnload 139.88 Kb.