Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Verklarende woordenlijst: Advent

Dovnload 14.84 Kb.

Verklarende woordenlijst: Advent



Datum27.05.2017
Grootte14.84 Kb.

Dovnload 14.84 Kb.

Verklarende woordenlijst:
Advent:

Betekent nadering, komst des Heren (voorheen tijd van boetedoening) als voorbereiding op Kerstmis; in de Westerse kerk 4 weken met de aanvang tussen 26 november en 4 december; Oosterse kerk 6 weken, in de Anglicaanse kerk 9 weken.


Adventkrans:

Eenvoudige krans van enkel dennengroen, vier witte kaarsen en paars lint; elke adventzondag wordt een kaars meer aangestoken. Ook Kerstmis wordt het paarse lint door wit lint vervangen.


Adventschikking:

Elke eenvoudig kerstschikking met vier kaarsen en groen blad, mos of dennengroen, gemaakt voor de adventperiode.


Alternatieve adventschikkingen en kransen:


Meer kleurrijke en versierde, decoratieve adventschikkingen.
Ajour:

Een opengewerkte vorm, vele kleine vaak regelmatige openingen in een vlak.


Ajourkrans:

Kransvorm in ajour gestoken, de materialen, bloemen e.d. zijn in een opengewerkt patroon verwerkt; dit kan zowel symmetrisch (regelmatig) patroon als a-symmetrisch (onregelmatig) patroon.


A-symmetrie:

Het niet symmetrisch zijn: de delen van een asymmetrische schikking zijn niet aan elkaar gelijk, dus ongelijkzijdig.


Barok:

Stijlperiode van ca. 1600 tot 1715, grillige gevormde, onregelmatige, vaak bombastische en overladen bouw en interieurstijl, ontstaan tijdens de Contrareformatie; vaak diagonaal, asymmetrisch en beweeglijk van vorm met sterk licht donker werking en grote kleurcontrasten; de barok gaat over in een speelser rococo.


Biedermeier:

West-Europese stijl in meubels en mode van ca. 1820 tot 1850; kenmerken zijn o.a. gezelligheid huiselijkheid en degelijkheid. Biedermeier bloemwerk kenmerkt zich door ronde en compacte vormen.


Bindpunt:

Het centrale punt in een boeket of corsage waar de stelen op een punt bijeenkomen hier wordt in een boeket ook het bindsel aangebracht om de bloemen bijeen te houden. Ook in bloemwerk is het een centraal punt waar de stelen visueel gezien bij elkaar komen



Bindwijze:

De techniek, manier van binden.



  1. spiraalvormige techniek (korenschoofgebonden)

  2. paralleltechniek (in rechte lijn)

  3. frommeltechniek (ongeordend, slordig door elkaar heen)



Boutonnière:

Knoopsgat bloem, een bloem die in het knoopsgat van een colbert wordt gedragen, als siersel bij een bruiloft. Een samengestelde boutonnière is vaak één met een paar blaadjes en evt. gipskruid o.i.d..


Cascade:

Met cascade wordt een kleine waterval bedoeld. Het is een trapsgewijze neergaande vorm. Dus veelal hangende lijnen en flexibele materialen, soms met extra veel attributen erin verwerkt.


Chabana:

Theeschikking in de Japanse bloemsierkunst (cha = thee, bana = bloem of schikking); dit zijn meestal kleine, elegante schikkingen; in China ontstonden theeschikkingen rond 1488 tijdens de Ming - dynastie.


Classicistisch:

Een arrangement uit de oudheid voortkomt, b.v. de lauwerkrans, het kopkransje en guirlandes, vaak sobere monumentale vormen.


Diagonaal schikking:

Schuin, overdwars; in schikkingen plaatst men bloemen diagonaal om een bepaald modern effect te bereiken.


Driehoek:

Een figuur die ontstaat als drie niet in een lijn gelegen punten worden verbonden:


Evenwijdig:

Lijnen of vlakken die overal even ver van elkaar gelegen zijn, dezelfde richting gaan, zij zullen elkaar nooit raken.


Excentrisch:

Niet in het midden of in het middelpunt geplaatst.


Festoen:

Een ornament van blad en bloemen.


Floraal object:

Een compositie van plantaardig materiaal. Vaak ook in combinatie met vreemde materialen als steen e.d., soms ook zonder bloemen. Behoort tot de experimentele bloemsierkunst; is rond de jaren 70 ontstaan en ontwikkeld zich nog steeds.


Futuristisch:

Op de toekomst gericht bloemwerk; fantastisch, experimenteel modern extravagant bloemwerk.


Gestapeld:

Het op elkaar hebben gestapeld als techniek of als thema. Het stapelen van blad e.d. in lagen om een bepaald structuur of groeperingeffect te verkrijgen.


Halvemaanschikking:

Een schikking met de vorm van een sikkel ofwel ongeveer de helft tot driekwart van een cirkel




Hogarthlijn:

S-lijn (Line of beauty), zo genoemd door William Hogarth (1697-1764). Engels schilder; vooral in Engeland een traditionele elegante schikstijl; Hogarth noemt de S-lijn de mooiste en de meest evenwichtige lijn.


Hoofdgroepen:

De groepen die de totaalvorm van een schikking uitmaken; We maken hierbij onderscheid in hoofdgroep, tegengroep en nevengroep ofwel de primaire, secundaire en tertiaire groep.


Ikebana:

Oosterse bloemsierkunst uit Japan. De bloemstukken symboliseren vaak een geestelijke werkelijkheid; ike = leven, bana = bloem.


Klemtechniek:

Vooral bekend door de Japanse bloemsierkunst, tegenwoordig steeds belangrijker bloemschiktechniek. Er bestaat een rechte, gebogen en gedraaide techniek.


Kubari:

Houten stokje, recht of in een wigvorm; het gebruik van een kubari vormt een oude techniek in de Japanse bloemsierkunst; hiermee worden materialen vastgeklemd of steun gegeven


Lauwerkrans:

Gemaakt van lauwerblad; een krans als teken van overwinning of roem.


Lineair:

Op een schaal of een vaas en gebruik makend van oase. Lineair wil zeggen; uit lijnen opgebouwd, langs de lijnen. Een lineaire schikking kent vele varianten, met strakke of sierlijke lijnen. Kenmerkend is de open ruimte tussen de materialen. (een parallelschikking is ook vaak lineair)


Millefleurs:

Bloemenmotief met vele kleine bloemen.. een schikking met een patroon van vele gelijk verdeelde kleine bloemen, de vorm ervan is meestal rond en ajour.



Mof:

brede koker (oorspronkelijk van bont) om de handen in warm te houden. In dit geval gebruiken we deze ondergrond om er een bruidsboeket op te maken.


Parallelschiking:

Evenwijdig aan elkaar, een belangrijke schikstijl sinds 1960. De materialen staan in hoofdzaak verticaal, diagonaal of horizontaal evenwijdig aan elkaar; dit kan zowel decoratief (massaal) als open (sierlijk) zijn


Rouwbloemen:

Een rouwboeket, -tak, -krans, -kruis, -kussen en dergelijke. In principe zijn alle bloemen bruikbaar.


Spantechniek:

Bloemschiktechniek waarbij materialen door buigen, strakzetten of inklemmen worden gespannen, vastgezet.




Structuur:

De wijze waarop iets is samengesteld of opgebouwd, de uiterlijke verschijningswijze, de opbouw; structuur maakt het geheel duidelijker en geeft meer maat aan de schikking.


Symmetrie:

Vorm waarvan de twee helften elkaars gelijke zijn in spiegelbeeld. Bijvoorbeeld de klassieke driehoeksschikking en de biedermeier.



Textuur:

De voelbare en zichtbare oppervlakte van bijvoorbeeld een blad of plantaardig materiaal.


Vlechten en weven:

Techniek waarbij materialen kruiselings over en door elkaar worden geslagen tot een geheel.

  • Ajour
  • A-symmetrie
  • Classicistisch
  • Driehoek
  • Futuristisch
  • Halvemaanschikking
  • Ikebana
  • Lauwerkrans
  • Millefleurs
  • Rouwbloemen
  • Symmetrie

  • Dovnload 14.84 Kb.