Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Veroordeelde individuen naar inbreuk

Dovnload 200.23 Kb.

Veroordeelde individuen naar inbreuk



Datum01.08.2017
Grootte200.23 Kb.

Dovnload 200.23 Kb.

VEROORDEELDE INDIVIDUEN NAAR INBREUK:

Seksuele Misdrijven

De cijfergegevens in verband met de “veroordeelde individuen naar inbreuk” gaan terug op de wetsartikelen zoals zij in 1993 bestonden. Sindsdien zijn er echter een aantal wetswijzigingen doorgevoerd, waardoor een aantal wetsartikelen zijn veranderd van inhoud, zijn hernummerd of zelfs helemaal zijn verdwenen. Bij de interpretatie van de cijfergegevens zal men hier dus rekening mee moeten houden.


In hetgeen volgt zullen we proberen een overzicht te geven van de wetswijzigingen die relevant zijn voor de interpretatie van de cijfergegevens in verband met de veroordeelde individuen voor seksuele misdrijven.

1.1. Opzettelijke misdaden en wanbedrijven tegen de lichamelijke integriteit
1.1.4. AANRANDING VAN DE EERBAARHEID (372 – 373; 376 – 377)


1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

357

394

443

481

542

597

589

526

528

512

572




  1. Aanranding van de eerbaarheid zonder geweld of bedreiging (372)




1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

112

95

101

120

147

138

109

110

99

92

122

Met de Wet strafrechtelijke bescherming minderjarigen1 werd het toepassingsgebied van deze strafbaarstelling aanzienlijk uitgebreid. Vooreerst werd het begrip “adoptant” ingevoegd. Hierdoor vallen ook adoptanten in opgaande lijn van het slachtoffer onder de strafbaarstelling. Verder werd het toepassingsgebied nog uitgebreid tot “de broer of zus van het minderjarige slachtoffer”, tot “ieder ander persoon die een soortgelijke positie heeft binnen het gezin” en tot “onverschillig welke persoon die gewoonlijk of occasioneel met het slachtoffer samenwoont en die over dat slachtoffer gezag heeft”.


Bij de interpretatie van de cijfergegevens, zal men er dus rekening mee moeten houden dat vanaf 20012 het toepassingsgebied van ‘aanranding van de eerbaarheid zonder geweld of bedreiging’ is uitgebreid en dat dit dus ook zijn gevolgen kan hebben wat betreft het aantal inbreuken.


  1. Aanranding van de eerbaarheid met geweld of bedreiging (373)




1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

251

314

353

384

418

482

505

430

442

430

466

De enige wijziging3 die aan deze strafbaarstelling aangebracht werd sinds 1993, heeft betrekking op de strafmaat, en is dus niet relevant voor de interpretatie van deze cijfergegevens.



1.1.5. VERKRACHTING (375 – 377)


1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

284

337

376

425

467

459

457

431

438

419

495




  1. Verkrachting op een meerderjarige (375,3)

  2. Verkrachting op een minderjarige boven de volle leeftijd van 16 jaar (375,4)

  3. Verkrachting op een minderjarige boven de volle leeftijd van 14 jaar en beneden de volle leeftijd van 16 jaar (375,5)

  4. Verkrachting op een kind beneden de volle leeftijd van 14 jaar (375,6)

  5. Verkrachting op een kind beneden de volle leeftijd van 10 jaar (375,7)







1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

A.

114

148

129

161

136

153

157

153

145

160

160

B.

41

42

61

58

78

77

88

55

68

55

62

C.

74

91

88

94

115

128

110

96

112

95

128

D.

90

98

146

169

194

185

181

147

161

144

193

E.

15

25

52

92

125

99

107

107

100

83

117

De enige wijziging4 die aan deze strafbaarstellingen werd aangebracht sinds 1993, heeft betrekking op de strafmaat, en is dus niet relevant voor de interpretatie van deze cijfergegevens.





    1. Misdaden en wanbedrijven tegen de seksuele moraal




1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

277

372

341

371

330

377

375

378

338

333

440



      1. MISDADEN EN WANBEDRIJVEN INZAKE ONTUCHT EN PROSTITUTIE (379 – 381)




1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

69

137

156

159

157

188

173

200

192

193

249




  1. Opwekking van ontucht, van bederf of prostitutie van een minderjarige, waarvan de staat van minderjarigheid aan de dader bekend is (379)

  2. Opwekking van ontucht, van bederf of prostitutie van een minderjarige, waarvan de staat van minderjarigheid aan de dader niet bekend is ten gevolge van diens nalatigheid (380)







1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

A.

16

26

36

27

36

38

35

31

42

35

52

B.

2

1

4

1

1

3

2

1

2

3

4

Sinds de Wet vrouwenhandel 19145 werd inzake het opwekken, begunstigen of vergemakkelijken van ontucht, bederf of prostitutie van een minderjarige een onderscheid gemaakt naargelang de dader wist dat het slachtoffer minderjarig was (A) dan wel dat de dader door diens nalatigheid niet op de hoogte was van de minderjarigheid van het slachtoffer (B). Dit onderscheid werd nog steeds gemaakt in 1993.


Met de Wet mensenhandel en kinderpornografie6 werden de bestaande artikelen 379 en 380 Sw. samengevoegd en werd de verwijzing naar het bijzondere kenniselement geschrapt. Sinds 19957 handelt dus alleen artikel 379 Sw. over het opwekken van ontucht, bederf of prostitutie van minderjarigen. Het gebrek van kennis van de minderjarigheid kan nu enkel nog worden aangevoerd wanneer er sprake is van onoverwinnelijke dwaling8.
Wat betreft de cijfergegevens, moet dus rekening worden gehouden met het feit dat A. en B. voortaan samen moeten worden gelezen.


  1. Aanzetting tot ontucht door woorden, gebaren of tekens in een openbare plaats (380 quater,1)




1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

5

14

21

10

7

7

17

3

1

3

7

In 2000 werd artikel 380quater hernummerd tot artikel 380bis Sw.9. Inhoudelijke wijzigingen zijn er niet aangebracht.




  1. Het aanwerven, meenemen of wegbrengen met het oog op het plegen van ontucht of prostitutie (380bis, 1, 1)




1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

12

32

52

65

63

86

78

92

71

96

100

Een eerste wijziging aan deze strafbaarstelling gebeurde door de Wet mensenhandel en kinderpornografie10. Artikel 380bis werd toen in zijn geheel vervangen. Wat betreft het misdrijf “aanwerven, meenemen of wegbrengen met het oog op plegen van ontucht of prostitutie” had dit een aantal gevolgen. Zo werd deze strafbaarstelling over twee bepalingen uitgesplitst naargelang het ging over meerderjarigen (art. 380bis §1 1° Sw.) dan wel over minderjarigen jonger dan 16 jaar (art. 380bis §4 1° Sw.). Verder werden de strafbare handelingen uitgebreid met het “bij zich houden” van een persoon met het oog op ontucht of prostitutie. Wat betreft de bepaling met betrekking tot minderjarigen, werd bovendien niet langer enkel diegene geviseerd die zelf de verboden handelingen pleegde, maar ook diegene die ze door een tussenpersoon deed plegen.


De strafbaarstelling werd voor een tweede maal gewijzigd door de Wet strafrechtelijke bescherming minderjarigen11. Vooreerst werd artikel 380bis hernummerd tot artikel 380 Sw.12. Verder werden de woorden “onder de zestien jaar” geschrapt, zodat artikel 380 §4 1° Sw. voortaan van toepassing is op alle minderjarigen.
Wat betreft de interpretatie van de cijfergegevens zal men dus voornamelijk rekening moeten houden met het feit dat het toepassingsgebied van de strafbaarstelling zowel in 1995 als in 2001 is gewijzigd, en dat dit zijn effect kan hebben op het aantal inbreuken.


  1. Het houden van een huis van ontucht of prostitutie (380bis, 2)




1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

22

37

56

46

42

62

49

46

64

49

63

Ingevolge de Wet mensenhandel en kinderpornografie13 werd ook deze strafbaarstelling uitgesplitst over twee bepalingen naargelang het een huis betrof waar meerderjarigen (art. 380bis §1 2° Sw.) dan wel minderjarigen (art. 380bis §4 2° Sw.) tot het gekwalificeerde gedrag overgingen. Met betrekking tot deze laatste bepaling, werd trouwens niet langer enkel diegene geviseerd die zelf de verboden handelingen pleegde, maar ook diegene die ze door een tussenpersoon deed plegen.


Verder moet worden opgemerkt dat sinds 1995 het “verkopen, verhuren of ter beschikking stellen van een ruimte met het oog op ontucht of prostitutie met de bedoeling een abnormaal profijt te realiseren” als afzonderlijk misdrijf wordt beschouwd14. Deze strafbaarstelling werd ondergebracht in artikel 380bis §1 3° (meerderjarigen) en 380bis §4 3° (minderjarigen) Sw. De cijfergegevens onder E. hebben ook betrekking op deze nieuwe strafbaarstelling.
De Wet strafrechtelijke bescherming minderjarigen15 bracht geen inhoudelijke wijzigingen aan in deze strafbaarstellingen, maar wel werden de artikels hernummerd tot artikel 380 §1 2° en §4 2° Sw. (het houden van een huis van ontucht of prostitutie) en artikel 380 §1 3° en §4 3° Sw. (het verkopen, verhuren of ter beschikking stellen van een ruimte).


  1. Exploitatie van prostitutie door souteneurschap (380bis, 3)




1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

24

64

52

61

62

87

70

67

89

95

136

Deze strafbaarstelling verdween in 1995 uit het Belgisch strafwetboek ingevolge de Wet mensenhandel en kinderhandel. Het souteneurschap werd immers niet hernomen in het nieuwe artikel 380bis Sw.16.


Uit de afschaffing van het souteneurschap als misdrijf sui generis kan worden afgeleid dat in de rechtspraak de grens zal moeten worden bepaald tussen “exploiteren” en “samenleven”. Dit laatste kan ook een (niet-strafbaar) economisch voordeel opleveren, maar wordt niet langer strafwaardig geacht. Het typische souteneursgedrag – dat het samenwonen met een prostituee overstijgt – zal voortaan kunnen worden gekwalificeerd als “op welke manier ook de ontucht of prostitutie van een derde persoon exploiteren” (zie punt G.)17.


  1. Exploitatie van prostitutie op een andere wijze dan door het aanwerven, het meenemen of het wegbrengen, het houden van een huis of door souteneurschap (380bis, 4)




1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

3

17

21

37

29

44

27

38

25

20

21

Ook deze strafbaarstelling werd in 199518 uitgesplitst over twee bepalingen naargelang het gaat om de ontucht of exploitatie van meerderjarigen (artikel 380bis §1 4° Sw.), dan wel van minderjarigen onder de zestien jaar (artikel 380bis §4 4° Sw.). Het onderscheid tussen deze twee bepalingen heeft betrekking op de strafmaat, en heeft dus geen gevolg voor de interpretatie van deze cijfergegevens. Waar wel rekening mee moet worden gehouden is dat sinds de Wet mensenhandel en kinderpornografie het niet langer vereist is dat de dader een gewoonte maakte van het exploiteren van eens anders ontucht of prostitutie. Ook occasionele exploitatie valt daardoor onder het toepassingsgebied van deze strafbaarstelling. Ook moet rekening worden gehouden met het feit dat het souteneurschap als misdrijf sui generis in 1995 is afgeschaft, en dat daardoor het typische souteneursgedrag voortaan kan worden gekwalificeerd als “op welke manier ook de ontucht of prostitutie van een derde exploiteren” (zie punt F.).


De strafbaarstelling werd voor een tweede maal gewijzigd door de Wet strafrechtelijke bescherming minderjarigen19. Vooreerst werd artikel 380bis hernummerd tot artikel 380 Sw.20. Verder werden de woorden “onder de zestien jaar” geschrapt, zodat artikel 380 §4 4° Sw. voortaan van toepassing is op alle minderjarigen.
Wat betreft de interpretatie van de cijfergegevens zal men dus rekening moeten houden met het feit dat het toepassingsgebied van deze strafbaarstelling zowel in 1995 als in 2001 is gewijzigd, en dat dit zijn effect kan hebben op het aantal inbreuken.


  1. Een meerder- of minderjarige tegen zijn/haar wil in een huis van ontucht of prostitutie (380ter)




1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

4

11

4

5

2

3

1

1

3

6

3

Dit artikel werd in 1995 opgeheven door de Wet mensenhandel en pornografie21. Door de invoering van artikel 380bis §3 Sw.22 werd dit artikel immers overbodig geacht.





  1. Publiciteit inzake ontucht of prostitutie (380quater, 2)




1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

3

7

5

20

6

15

6

11

11

8

8

In 1995 werd artikel 380quater, 2 Sw. opgeheven en werd er een nieuw artikel 380quinquies ingevoegd door de Wet seksreclame23. In dit nieuwe artikel werden alle strafbaarstellingen samengebracht die verband hielden met de bestraffing van verboden vormen van reclame op het stuk van het aanbieden van seksuele “diensten” in het algemeen en van prostitutie, ontucht, seksuele exploitatie, telecommunicatieve seksuele diensten of seksuele diensten voor of door minderjarigen in het bijzonder24. De vroegere strafbaarstelling van artikel 380quater, 2 Sw. werd – in een licht gewijzigde lezing – ook hernomen in dit nieuwe artikel, meer bepaald als artikel 380quater §3 al. 2 Sw.


In 2000 werd artikel 380quater hernummerd tot artikel 380ter Sw25.
Bij de interpretatie van de cijfergegevens moet er dus rekening mee worden gehouden dat, wat de strafbaarstellingen in verband met seksreclame betreft, het toepassingsgebied sinds 199526 enorm is uitgebreid.


  1. Overtreding van het verbod van art. 382 Sw. (382)




1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

3

5

0

2

3

3

2

2

2

1

4

In 1995 werd het toepassingsgebied van deze strafbaarstelling voor een eerste maal uitgebreid. Door de Wet mensenhandel en kinderpornografie werd artikel 382, 2 Sw. immers aangevuld met een nieuwe sanctie, namelijk de sluiting van de inrichting waar het misdrijf werd gepleegd27. Elke inbreuk op de beschikking van het vonnis of het arrest waarbij de sluiting werd bevolen, werd hierbij strafbaar gesteld.


In 2000 werd artikel 382 Sw. vervangen door een nieuwe bepaling die de draagwijdte ervan opnieuw uitbreidt28. Vooreerst wordt de ontzetting van de rechten bedoeld in artikel 31 Sw. uitgebreid tot alle in dat artikel bedoelde rechten29. Daarnaast kunnen de rechtbanken nog steeds tegen de veroordeelden het verbod uitspreken om bepaalde uitdrukkelijk bedoelde inrichtingen uit te baten30. Het verschil met het oude artikel 382 Sw. ligt in het feit dat de lijst van de inrichtingen is aangepast. Tenslotte voorziet ook het nieuwe artikel in een mogelijkheid tot sluiting van de inrichting waarin de misdrijven zijn gepleegd31. De strafbaarstelling waar deze cijfers over handelen staat nu in artikel 382 §4 Sw., met verwijzing naar artikel 389 Sw.
Bij de interpretatie van de cijfergegevens, zal men er dus rekening mee moeten houden dat het toepassingsgebied van de strafbaarstelling zowel in 1995 als in 2001 is gewijzigd, en dat dit zijn weerslag kan hebben op het aantal inbreuken.



      1. OPENBARE ZEDENSCHENNIS (383 – 386ter)




1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

215

242

197

227

209

209

217

196

159

154

205




  1. Pornografie: verspreiding, handel,… (383,1-5)




1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

15

29

21

38

26

11

17

17

17

13

21


In 1995 werd een specifieke strafbaarstelling ingevoerd, namelijk deze met betrekking tot de kinderpornografie32. De cijfergegevens onder A. hebben ook betrekking op deze nieuwe strafbaarstelling.

Er moet wel worden opgemerkt dat de feitelijke uitbreiding die met deze strafbaarstelling inzake kinderpornografie gerealiseerd werd, beperkter is dan de tekst van het nieuwe artikel doet vermoeden. De facto bleef de uitbreiding van het seksueel strafrecht immers beperkt tot het invoegen van één nieuwe verboden handeling, namelijk het bezit van kinderpornografische afbeeldingen of voorwerpen33. De overige strafbare handelingen opgesomd in artikel 383bis Sw. kon men vóór 1995 reeds vervolgen op basis van artikel 383 Sw.




  1. Publiciteit inzake abortus (363,6-7)

  2. Pornografie: vervaardiging (384)







1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

B.

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

C.

0

1

1

0

2

2

0

0

2

1

2

Deze strafbaarstellingen zijn niet gewijzigd sinds 1993.




  1. Verspreiding van voorwerpen die de verbeelding van minderjarigen kunnen prikkelen (386bis)




1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2

8

2

5

4

6

4

4

0

2

3

In 2000 werd artikel 386bis hernummerd tot artikel 387 Sw.34. Inhoudelijk werden er ook wijzigingen aangebracht. Ten eerste werd in het eerste lid de woorden “beneden de achttien jaar” geschrapt. In de praktijk heeft dit echter geen gevolgen aangezien de grens van meerderjarigheid in België reeds sinds 1990 is vastgesteld op 18 jaar. Een tweede wijziging is dat het tweede lid van de strafbaarstelling werd geschrapt. Dit heeft echter ook geen effect op de cijfergegevens, aangezien het hier louter gaat om de afschaffing van een procedure die afwijkt van de gemeenrechtelijke voorschriften inzake beslag en verbeurdverklaring.



  1. Openbare zedenschennis (385,1)




1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

199

212

185

187

160

176

186

158

120

121

142

Sinds 1993 is er geen relevante wijziging aangebracht aan deze strafbaarstelling.




Joke RUTTEN

Attaché


Dienst Strafrechtelijk beleid



1 Art. 6 Wet 28 november 2000 betreffende de strafrechtelijke bescherming van minderjarigen, B.S. 17 maart 2001 (hierna: Wet strafrechtelijke bescherming minderjarigen).

2 De wet strafrechtelijke bescherming minderjarigen is in werking getreden op 27 maart 2001.

3 Art. 7 Wet strafrechtelijke bescherming minderjarigen.

4 Art. 8 Wet strafrechtelijke bescherming minderjarigen.

5 Wet 26 mei 1914 tot bestrijding van den handel in vrouwen en meisjes, B.S. 10 juni 1914 (hierna: Wet vrouwenhandel).

6 Art. 2 Wet 13 april 1995 houdende bepalingen tot bestrijding van de mensenhandel en van de kinderpornografie, B.S. 25 april 1995 (hierna: Wet mensenhandel en kinderpornografie).

7 De wet mensenhandel en kinderpornografie is in werking getreden op 5 mei 1995.

8 L. STEVENS, Strafrecht en seksualiteit, Antwerpen, Intersentia, 2002, 528.

9 Art. 15 Wet strafrechtelijke bescherming van minderjarigen.

10 Art. 3 Wet mensenhandel en kinderpornografie.

11 Art. 14 Wet strafrechtelijke bescherming minderjarigen.

12 De hier relevante artikels zijn dus voortaan artikel 380 §1 1° en artikel 380 §4 1° Sw.

13 Art. 3 Wet mensenhandel en kinderpornografie.

14 Art. 3 Wet mensenhandel en kinderpornografie.

15 Art. 14 Wet strafrechtelijke bescherming minderjarigen.

16 Art. 3 Wet mensenhandel en kinderpornografie.

17 L. STEVENS, Strafrecht en seksualiteit, Antwerpen, Intersentia, 2002, 517.

18 Art. 3 Wet mensenhandel en kinderpornografie.

19 Art. 14 Wet strafrechtelijke bescherming minderjarigen.

20 De hier relevante artikels zijn dus voortaan artikel 380 §1 4° en artikel 380 §4 4° Sw.

21 Art. 14 Wet mensenhandel en kinderpornografie.

22 Dit artikel werd in 2000 hernummerd tot artikel 380 §3 Sw. Het voorziet oa. in een strafverzwaring indien de dader van de in §1 bedoelde misdrijven direct of indirect gebruik maakt van listige kunstgrepen, geweld, bedreigingen of enige andere vorm van dwang.

23 Respectievelijk art. 2 en 1 Wet 27 maart 1995 tot invoeging in het Strafwetboek van een artikel 380quinquies en tot opheffing van het artikel 380quater, tweede lid, van hetzelfde wetboek, B.S. 25 april 1995 (hierna: Wet seksreclame).

24 L. STEVENS, Strafrecht en seksualiteit, Antwerpen, Intersentia, 2002, 496.

25 Art. 16 Wet strafrechtelijke bescherming minderjarigen.

26 De wet seksreclame is in werking getreden op 5 mei 1995.

27 Art. 5 Wet mensenhandel en kinderpornografie.

28 Art. 18 Wet strafrechtelijke bescherming minderjarigen.

29 Art. 382 §1 Sw.

30 Art. 382 §2 Sw.

31 Art. 382 §3 Sw.

32 Art. 383bis Sw. ingevoegd door art. 7 Wet mensenhandel en kinderpornografie en gewijzigd door art. 21 Wet strafrechtelijke bescherming minderjarigen.

33 L. STEVENS, Strafrecht en seksualiteit, Antwerpen, Intersentia, 2002, 549.

34 Art. 24 Wet strafrechtelijke bescherming van minderjarigen.

  • 1.1. Opzettelijke misdaden en wanbedrijven tegen de lichamelijke integriteit
  • Misdaden en wanbedrijven tegen de seksuele moraal

  • Dovnload 200.23 Kb.