Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Verslag van de federale procureur aan het College van procureurs-generaal periode van 1 september 2003 tot 31 december 2004

Dovnload 0.99 Mb.

Verslag van de federale procureur aan het College van procureurs-generaal periode van 1 september 2003 tot 31 december 2004



Pagina10/20
Datum04.04.2017
Grootte0.99 Mb.

Dovnload 0.99 Mb.
1   ...   6   7   8   9   10   11   12   13   ...   20

6.1.5. Het vast comité van toezicht op de politiediensten en de algemene inspectie van de federale en lokale politie

De federale procureur kan, in het kader van zijn bevoegdheden, een onderzoek laten uitvoeren door de dienst enquêtes van het vast comité van toezicht op de politiediensten en door de algemene inspectie van de federale en lokale politie.


Zoals eerder aangehaald, heeft het federaal parket in 2004 bij de federale politieraad gepleit om te onderzoeken hoe de samenwerking en de afstemming tussen de controle-, toezicht -en inspectiediensten van de federale en de lokale politie kan verbeteren. Teneinde de werkzaamheden van de federale politieraad niet te doorkruisen, werd de samenwerking met de andere diensten zoals het controleorgaan, het vast comité van toezicht, de algemene inspectie, het interne toezicht van de politiediensten beperkt tot verkennende gesprekken en punctuele contacten en samenwerking naar aanleiding van concrete dossiers of in het kader van één of andere werkgroep (bv.de toestand van de AIK’s, begeleidingscomité van de ANG, enz.)
Als lid van het expertisenetwerk ‘politie’, waar de taakverdeling tussen het vast comité van toezicht en de algemene inspectie besproken werd, was immers duidelijk geworden dat het opstellen van een protocol tussen toezichtdiensten geen sinecure was (correctie op het voorstel in vorig jaarverslag, pagina’s 163/172). Als lid van de federale politieraad heeft de federale procureur kennis genomen van de problematiek van de algemene inspectie van de federale en lokale politie (de inspecteur-generaal Closset werd in 2005 door de federale politieraad gehoord).
In de periode van 1 september 2003 tot 31 december 2004 werd, bij de uitoefening van de wettelijke opdrachten van het federaal parket, één keer een beroep gedaan op de dienst enquêtes van het vast comité, en geen enkele keer op de algemene inspectie van de federale en de lokale politie.



      1. De relaties met de federale politie

De federale procureur onderhoudt regelmatige dienstbetrekkingen met de commissaris-generaal, en met de directeurs-generaal, voor wat betreft het uitvoeren van opdrachten van gerechtelijke politie. De wetgever achtte een regelmatig en gestructureerd overleg tussen het federaal parket en de directie van de federale politie wenselijk. Dezelfde redenering werd gevolgd voor de betrekkingen tussen het college van procureurs-generaal en de federale politie.


De federale procureur was aanwezig op de overlegvergaderingen van het College van Procureurs-generaal met de commissaris-generaal van 11 december 2003, 22 april 2004, 20 september 2004 en 13 december 2004. De federale procureur heeft regelmatig zelf agendapunten aangekaart in het kader van dit overleg, en is er voorstander van om deze overlegvergaderingen te laten voorbereiden in het kader van het expertisenetwerk ‘politie’ (cfr.overlegvergadering van 11 december 2003).

Bij het overlopen van de agendapunten van 2004 valt op dat de belangrijkste items van de samenwerking met de federale politie aan bod zijn gekomen. Deze werkwijze veronderstelt dat de agendapunten en documentatie veel vroeger worden toegestuurd dan nu het geval is. De agenda en


documentatie van de federale politie worden vaak slechts enkele dagen voor de overlegvergadering meegedeeld zodat van voorbereiding of onderling voorafgaand overleg nog weinig sprake is.
Benevens deze overlegvergaderingen, is er geen onderling gestructureerd overleg geweest tussen de federale procureur en de commissaris-generaal en/of directeurs- generaal.
Er werd in 2004 vastgesteld dat de directeur-generaal van de gerechtelijke politie ook enkele belangrijke dossiers heeft besproken met de raad van procureurs des Konings (bijvoorbeeld de capaciteitsstudie van de GDA’s ).
Niet alleen de federale procureur zelf, maar ook de toezichtmagistraten (zie verder) en de federale magistraten hebben tijdens de uitoefening van de wettelijke opdrachten van het federaal parket regelmatig dienstbetrekkingen onderhouden met de federale politie (zie de hoofdstukken over de internationale samenwerking, de uitoefening van de strafvordering en de coördinatie van de strafvordering).
Het valt soms niet mee om de juiste gesprekspartner te vinden bij DGJ (directeur-generaal, adjunct-directeur-generaal, directeur, diensthoofd,…)



      1. De arbitrageprocedure

De problematiek van deze procedure werd uitvoerig beschreven in het jaarverslag 2002-2003. De opmerkingen in dit verband (pagina’s 163/172) kunnen integraal in dit jaarverslag herhaald worden.


Het merendeel van de arbitragedossiers worden opgelost op politioneel niveau, in de sfeer van de zogenaamde ‘prearbitrage’ (38 dossiers of 1,43% van de verzoeken), hetzij door de politiediensten op het niveau van het arrondissement, via de officier BTS, in voorkomend geval na overleg met het lokaal parket (geen cijfers). In de referentieperiode heeft DGJ/DJO 2.961 interventieverzoeken van DSU ingediend, waarvan 2.653 uitgevoerd werden. In uitzonderlijke omstandigheden wordt het federaal parket ingelicht, maar het komt meestal niet zo ver dat het federaal parket, ook schriftelijk de uiteindelijke beslissing moet nemen aan welke vordering of operatie voorrang moet worden verleend.

Sedert 2005 houdt DGJ/DJO statistieken bij van de arbitragedossiers die aan het federaal parket meegedeeld worden.


De arbitrage zal, vanaf 2005, opgevolgd worden door een (derde) toezichtmagistraat die zich zal inlaten met een specifiek toezicht op de centrale directie DGJ/DJO.


      1. De embargoprocedure

In de periode van 1 september 2003 tot 31 december 2004 werden 34 embargodossiers genoteerd, die als volgt verdeeld zijn:





parket van wie het verzoek uitgaat




parket van wie het verzoek uitgaat




Andere




Brussel

17

Luik

1

Federaal parket

1

Charleroi

1

Bergen

4

Dendermonde

1

Namen

1

Arbeidsauditoraat

Brussel


1

Hasselt

1

Doornik

1

Kortrijk

1

Verviers

1

Onderzoeksrechter Brussel

3

Er is dus een merkbare stijging van het aantal dossiers in vergelijking met de eerste referentieperiode (21 mei 2002 tot 31 augustus 2003: 7 dossiers). Een mogelijke verklaring is dat deze embargoprocedure inmiddels beter bekend is geraakt bij de parketten, enerzijds ingevolge de verspreiding van de fiche C04 als bijlage van de gemeenschappelijke richtlijn MFO-3 betreffende het informatiebeheer en, anderzijds, het mondeling doorgeven van de praktijkervaring in dit verband. Een bijkomend initiatief zoals gesuggereerd in het vorig jaarverslag lijkt dan ook overbodig (voorstel pagina’s 164/172).


Op enkele uitzonderingen na, heeft het federaal parket, na overleg met DGJ/.DJO/NIK, schriftelijk in de toepassing van de embargoprocedure toegestemd. Dit wil zeggen dat de embargoaanvragen goed gemotiveerd waren (gevaar voor uitoefening van de strafvordering en/of veiligheid van een informant). In de praktijk gaat het meestal om het gevaar op een lek in kringen van de politie zelf ingevolge de mogelijke betrokkenheid van leden van de politiediensten. De motivering van de aanvraag wordt in de praktijk in een vertrouwelijk verslag verwerkt.
Het federaal parket blijft hameren op enkele toepassingsvoorwaarden teneinde het misbruik van deze procedure, die toch de stikte uitzondering moet blijven, te voorkomen.
Het embargo :

  • moet zoveel mogelijk worden beperkt tot deze welbepaalde concrete of niet-concrete informatie die een gevaar oplevert voor de uitoefening van de strafvordering of de veiligheid van een informant (het embargo moet dus niet noodzakelijk op het volledig dossier slaan);

  • moet zoveel mogelijk beperkt worden in de tijd (en dus niet het volledige verloop van een onderzoek gehandhaafd blijven);

  • moet effectief verhinderen dat anderen dan de verantwoordelijken van het onderzoek (en de korpschef) toegang krijgen tot gevoelige informatie;

  • mag de coördinatie van de (automatische) informatiestroom zo weinig mogelijk in het gedrang brengen; coördinatie dient zo nodig te gebeuren op het niveau van het lokaal parket en het federaal parket.

Deze gevoelige dossiers worden strikt vertrouwelijk op het federaal parket behandeld door de toezichtmagistraat van de algemene werking van DGJ, na voorafgaande kennisgeving aan de federale procureur.

6.1.9. Het specifiek toezicht op de werking van de directie-generaal van de gerechtelijke politie
In het vorig jaarverslag dat de periode van 21 mei 2002 tot 31 december 2003 omvat, werd de wettelijke opdracht en de praktische invulling van deze toezichtfunctie uitvoerig toegelicht (pagina’s 78 e.v./172).
In 2003 en 2004 werd het algemeen toezicht verder uitgebouwd door een actievere deelneming aan de vergaderingen van DGJ en een merkbare verbetering van de informatie-uitwisseling en de wisselwerking tussen DGJ en de magistratuur via het expertisenetwerk ‘politie’.
a. de werkgroep ‘gerechtelijke pijler’ (Col3/2001):
Ondanks het herhaald aandringen van verschillende gerechtelijke instanties, waaronder het federaal parket, werden de activiteiten van deze werkgroep nog steeds niet hernomen in 2003 en 2004.

           

b. het expertisenetwerk ‘politie’:
Als lid van het expertisenetwerk ‘politie’ heeft de toezichtmagistraat actief deelgenomen, ondermeer aan de vergaderingen van 22 oktober 2003, 28 januari, 9 juni, 8 september, en 6 oktober 2004.

De toezichtmagistraat heeft de informatie die hij op de vergaderingen van DGJ verkregen had (zie verder) aan het expertisenetwerk meegedeeld. Op deze wijze werd het expertisenetwerk regelmatig op de hoogte gebracht van de belangrijke dossiers van DGJ. Het federaal parket heeft ook zijn bijdrage geleverd tot de voorbereiding en de presentatie van een aantal agendapunten, en tot het opstellen van verschillende adviezen van het expertisenetwerk.


Voor de toezichtmagistraat, die vaak alleen de vergaderingen van DGJ bijwoont, is het belangrijk om te kunnen terugvallen op de expertise van dit netwerk. Het expertisenetwerk kan bovendien nuttig werk leveren bij de voorbereidingen van de overlegvergaderingen van het College van Procureurs-generaal met de federale politie. In de toekomst zou het federaal parket er ook voor kunnen zorgen dat de belangrijkste standpunten  van het expertisenetwerk op de tafel komen van de vergaderingen met DGJ (meer feed-back).
Dankzij dit expertisenetwerk is de toezichtfunctie van het federaal parket beter bekend geraakt binnen de magistratuur. De Col.3/2001 inzake de politiehervorming werd evenwel nog niet aangepast aan de inwerkingtreding van het federaal parket, zoals aanbevolen werd in het vorige activiteitenverslag (pagina’s 164/172).
c. de vergaderingen met de directeur-generaal, de centrale directeurs en de gerechtelijke directeurs van de algemene directie van de gerechtelijke politie:
De federale procureur en de toezichtmagistraten hebben in de besproken periode regelmatig overleg gepleegd met de directeur-generaal  over de belangrijkste dossiers van DGJ (bv., het functioneringsmodel,de capaciteitsstudie, de organisatie van de aanpak van het terrorisme, de programma’s en proactieve onderzoeken,…).
Er was in deze periode geen bilateraal overleg met de directeur-generaal van de operationele steun (DGS).
De toezichtmagistraat heeft nagenoeg alle vergaderingen bijgewoond van de directeur-generaal met de gerechtelijke directeurs tot mei 2004 (11 september 2003, 16 oktober 2003, 20 november 2003, 18 december 2003, 21 januari 2004, 17 februari 2004, 26 maart 2004 en 4 mei 2004).
Vanaf de maand mei 2004, heeft de toezichtmagistraat alle tweemaandelijkse vergaderingen bijgewoond van de directeur-generaal met de centrale directeurs (een nieuw overlegmodel). De agenda en de documentatie werden, zoals voorzien, toegezonden aan de bijstandsmagistraat en aan de voorzitter van het expertisenetwerk “politie” voor verspreiding aan de magistraten.

Vanaf mei 2004 werden enkel nog de driemaandelijkse (plenaire)vergaderingen met de gerechtelijke directeurs opgevolgd.


In 2003 en 2004 werd het algemeen toezicht beperkt tot voornoemde vergaderingen.

We pleiten er hier voor om deze aanwezigheidspolitiek van het federaal parket vol te houden. Het is immers uiterst moeilijk, om niet te zeggen onmogelijk, om de drukke agenda van DGJ op afstand te volgen. Zoals eerder gemeld, is het de bedoeling om vanaf 2005 het toezicht verder uit te bouwen met verschillende  magistraten (3) per centrale directie afzonderlijk, waarbij ook overleg wordt gepleegd met de diensthoofden (zie ook vorig jaarverslag p.81/172 en de aanbeveling op pagina’s 164/172).


d. de deelname van de toezichtmagistraat aan verschillende werkgroepen
De toezichtmagistraat heeft aan verschillende werkgroepen deelgenomen: de interministeriële werkgroep betreffende het gerechtelijk en bestuurlijk informatiebeheer (art.44 WPA), het begeleidingscomité van de ANG, het begeleidingscomité van de AIK’s, de werkgroep ‘Carels’ betreffende de administratieve vereenvoudiging, het overlegplatform bedrijfsbeveiliging, het nationaal overlegplatform telecommunicatie (NOT), het overleg met DSO en met de LO’s (zie ook internationale samenwerking) enz…

Op deze wijze wordt nuttige informatie ingewonnen over een aantal deelaspecten van de werking van DGJ en DGS.

6.1.10. Onderzoek van de voornaamste thema’s
Er weze opgemerkt dat het uiterst moeilijk, om niet te zeggen onmogelijk is, om een inventaris op te stellen van alle belangrijke punten die DGJ aangesneden heeft tijdens de referentieperiode. De belangrijkste dossiers werden behandeld op de federale politieraad (de gerechtelijke/politionele beleidscyclus), op de overlegvergaderingen met het College, het expertisenetwerk “politie”, de raad van procureurs des Konings, enz.
Bepaalde thema’s, die reeds in het vorige jaarverslag aangesneden werden, zijn opnieuw ter sprake gekomen:
a. het politiebeleid:
Het volstaat niet adviezen te geven inzake het nationaal politioneel veiligheidsbeeld, het nationaal veiligheidsplan of de interactie met de nota’s crimineel beleid van Justitie, maar het gaat er ook en evenzeer om de verdere uitbouw van de beleidscyclus in strategische, operationele en actieplannen op de verschillende echelons op te volgen. In dit verband werden federale magistraten nominatim aangeduid om bepaalde prioritaire fenomenen samen met de centrale directies op te volgen.

b. het capaciteitsvraagstuk van de gedeconcentreerde eenheden:


In dit dossier werd vooruitgang geboekt door het feit dat de absolute cijfers per GDA (ook voor het Calogpersoneel) bekend gemaakt werden en dat beslist werd om de resultaten van deze studie om te zetten in het personeelsbestand van DGJ. Deze correcties leverden vooral kritiek op in een aantal kleinere arrondissementen. Procesbegeleiding (in 2004 en 2005) zowel bij de GDA’s als bij de betrokken parketten was  een noodzaak. Dit proces is nog altijd aan de gang. Na afloop stelt zich de vraag naar de opportuniteit van een capaciteitsstudie van de centrale diensten van DGJ.

c. het functioneringsmodel van DGJ:


Zoals gevraagd in het advies van het college van procureurs-generaal naar aanleiding van het vorig jaarverslag, wordt door het federaal parket in het bijzonder gewaakt over de verhouding tussen de verschillende componenten van DGJ.
In dit verband moet de aandacht voornamelijk gevestigd worden op de invoering van een nieuwe overlegstructuur  medio 2004. Dit nieuwe model werd toegelicht op één van de vergaderingen van het expertisenetwerk ‘politie’(voorstel in het vorig federaal rapport, pagina’s 164/172). De evaluatie is voorzien voor eind april 2005. Het is dus nog te vroeg om in het kader van dit rapport conclusies te trekken. Het opzet was niet om de verantwoordelijkheden of taken te herschikken, maar om de betrokkenheid van centrale directeurs en gerechtelijke directeurs te vergroten. De vergaderingen van de directeur-generaal met de centrale directeurs hebben, zoals vermeld, om de twee weken (en niet meer wekelijks) plaats. De toezichtmagistraat  is op dit forum aanwezig.
Er werd een permanent platform opgericht met een representatieve vertegenwoordiging van de gerechtelijke directeurs (de directeur-generaal beschikt over adviesbevoegdheid), en verder is er de driemaandelijkse (voordien zeswekelijkse) plenaire vergadering van de directeur-generaal met de gerechtelijke directeurs en de regionale vergaderingen van de gerechtelijke directeurs (afzonderlijke vergadering van nederlandstaligen en franstaligen. Voorts is er een systeem van ad hoc werkgroepen opgericht om belangrijke thema’s voor te bereiden of uit te werken. Zo werd op het strategisch seminarie van Florival een werkgroep opgericht om in het kader van het recherchemanagement de ‘goede praktijken’ te bestuderen (werkgroep ‘partnership ‘met de magistratuur).

d. uitbouw van een modern recherchemanagement


Er werd een lichte vooruitgang geboekt. Inmiddels werd de wetenschappelijke studie van de universiteit van Gent over het morfologisch onderzoek naar de functionele specialisatie binnen de GDA gepubliceerd. Als lid van het begeleidingscomité heeft het federaal parket deze studie van nabij gevolgd. De belangrijkste conclusie van deze studie is wellicht dat, voor hetzelfde onderzoek, de visie van de speurder (politie) en de visie van de magistraat vaak volkomen verschillen. Voorts wordt er in verschillende werkgroepen nagedacht over praktische modellen en concepten om  het recherchemanagement te verbeteren (bv. de werkgroep partnership met de magistratuur, werkgroep Carels, enz…

Op dit vlak verwachten de speurders op het terrein inderdaad meer steun van de centrale diensten, evenwel zonder bijkomende werklast te creëren.

6.1.11. Besluit
Met verwijzing naar het vorig verslag van het federaal parket (pagina’s 81/172), kan tot slot vermeld worden dat het toezicht inderdaad baat heeft gehad van het eerste activiteitenverslag van de federale politie, zelfs al beperkte het zich tot 2003.
In de toekomst is het de bedoeling om de jaarverslagen onderling beter af te stemmen door voorafgaand overleg tussen federaal parket en federale politie, alsook de mogelijkheid in te bouwen om in dit jaarverslag commentaar te geven op de andere rapporten.
Daarbij zou het handig zijn mochten die dezelfde periode bestrijken.

         


6.2. Het toezicht op de centrale dienst voor de bestrijding van de corruptie.

Een federale magistraat werd belast met het specifieke toezicht op de werking van de “centrale dienst voor de bestrijding van de corruptie” binnen DGJ.


Deze magistraat is ertoe gehouden om elk jaar een specifiek verslag naar de minister van Justitie te sturen, om het aan het Parlement te overhandigen. De federale magistraat kan, in voorkomend geval, over de algemene werking van de centrale dienst voor de bestrijding van de corruptie worden gehoord.
Het verslag is, ter informatie, als bijlage D bijgevoegd.

1   ...   6   7   8   9   10   11   12   13   ...   20

  • 6.2. Het toezicht op de centrale dienst voor de bestrijding van de corruptie.

  • Dovnload 0.99 Mb.